Part 13
In hetzelfde moment had ook de dichtstbijzijnde rijksveldwachter hem aangegrepen. Nu was Bumpkins natuurlijk niet van gisteren. Als amerikaansch detective, die nooit iets anders deed dan gevaarlijke misdadigers betrappen en aan het gerecht overleveren, was hij niet voor ’n klein geruchtje vervaard. Hij stond ordentelijk z’n man in ’n gewone worsteling, maar bovendien was hij ’n eerste klas middengewicht-bokser. Hij was niet alleen sterk, maar ook vlug en de twee aanranders, want daarvoor zag Bumpkins hen natuurlijk aan, kregen in ’n ommezien ’n paar opstoppers waar ze van stonden te gapen en het was hen ’n raadsel hoe zoo’n ouwe heer met witte baard en haren zoo vlug uit hun vingers wist los te komen op ’n manier dat hun kiezen er van rammelden. De koddebeier had ’n vuist onder z’n kin gevoeld, dat de tranen hem ervan in de oogen kwamen. En de rijksveldwachter zag met z’n linkeroog alleen nog maar vurige sterren.
Spigoletti had zich ook niet onbetuigd gelaten en stelde al heel gauw de ongelukkige dorpsveldwachter buiten gevecht door ’n maagstomp. De arme man zat aan den kant van het boschpad naar adem te snakken. Spigoletti was daarna begonnen de eenig overgeblevene rijksveldwachter van zich af te houden. Dat was ’n sterke kerel en Spigoletti kon ’m niet klein krijgen. Tenminste niet zoo in ’n wip. De burgemeester deed ook wat ie kon, hij stond in z’n handen te wrijven van zenuwachtigheid, maar bleef voorzichtig buiten het bereik van al die stompende vuisten en grijpende handen.
Nu bleek het al gauw dat de smid ’n gelukkige inval gehad had, want de veldwachters zouden het loodje hebben moeten leggen tegen de betere vechtkunst der Amerikanen. Juist op het gevaarlijkste moment kwamen de dorpelingen op het gevechtsterrein en de smid, die van zulke karweitjes hield, was er oogenblikkelijk tusschen in. Hij greep Bumpkins bij z’n nek en al kon die ook boksen, tegen de greep van de smidsvuist schoot ie tekort. In ’n ommezien had de smid hem onder de knie en toen lag daar iemand met ’n gladgeschoren gezicht op de grond met netjes kort geknipt haar. Z’n witte baard lag naast hem en z’n pruik ook. De metselaar was op Spigoletti aangevallen met ’n paar andere dorpelingen en ook die was weldra overmeesterd. Z’n italiaansche snor hing nog maar aan ’n paar haartjes en z’n zwarte pruik zat scheef.
Zoodat het voor iedereen duidelijk was, dat de vreemdelingen iets anders geschenen hadden dan ze waren en dus was er maar één oplossing. Ze hadden ’n paar allergevaarlijkste gauwdieven te pakken en de burgemeester drukte de smid na afloop dankbaar de hand.
De rijksveldwachters hadden Bumpkins en Spigoletti geboeid en nu werden de beide Amerikanen naar het raadhuis gevoerd. De dorpsveldwachter kwam achteraan met pijn in z’n maag en de pruiken en andere haarwerken der Amerikanen in z’n hand. De smid en de metselaar hadden de fietsen opgesnord en zoo kwam de stoet door het dorp, waar natuurlijk alles wat beenen had uitliep en meeging naar het gemeentehuis. De smid en de metselaar mochten met de fietsen mee naar binnen, doch de rest werd door de ongekwetste rijksveldwachter streng geweerd. Maar het stond zwart van de menschen voor het gemeentehuis.
Daarbinnen begon dadelijk het verhoor. De burgemeester zat voor ’n tafel met een groen kleed erover. Dat was de tafel waaraan anders de gemeenteraad vergaderde. Nu zouden daar de vreemdelingen ondervraagd worden, doch al dadelijk bleek de onmogelijkheid daarvan, want de burgemeester kon z’n vragen alleen maar in het hollandsch doen. Maar de burgemeester wist er raad op. Hij herinnerde zich dat m’nheer Bruggemans engelsch verstond en hij zond dus de veldwachter uit om hem te gaan verzoeken of hij zoo vriendelijk wou zijn voor tolk te spelen.
M’nheer Bruggemans kwam onmiddellijk mee en toen ging alles van ’n leien dakje.
De burgemeester vroeg hun namen en die gaven ze voluit. Ze heetten nu weer Maccassy en Blubberdub want ze hadden hun pruiken niet meer op. Maar toen de burgemeester hen vroeg waarom zij zich vermomd hadden, deelden ze mee dat ze amerikaansche rechercheurs waren, detectives, gekomen om de dief of dieven van die verdwijn-machine op te sporen.
De burgemeester zei dat ie daarvan geen woord geloofde, want dat ’n fatsoenlijke politieman ook wel zonder pruik ’n dief kon opsporen en dat ie ze voor de dieven zelf hield. M’nheer Bruggemans vertaalde dat weer in ’t engelsch en toen begonnen Blubberdub en Maccassy op te spelen. Ze haalden tenslotte hun adreskaarten uit hun zak en lieten die aan de burgemeester en aan m’nheer Bruggemans zien. Maar de burgemeester vond, dat ze die wel hadden kunnen laten namaken. Het was voor hem geen bewijs. Toen kwam Blubberdub op de gedachte om er professor Wells bij te halen. Hij zei aan m’nheer Bruggemans, dat ze dadelijk inlichtingen konden krijgen in het Amstelhotel waar professor Wells was, die hen belast had met het opsporen van de dief.
De burgemeester vond dat ’n goed middel om de zaak tot klaarheid te brengen. Hij ging zelf naar de telefoon en vroeg het Amstelhotel aan. Hij informeerde toen of daar professor Wells logeerde en toen de portier dat bevestigde, verzocht hij of de professor even aan de telefoon wilde komen.
Nu werd het de beurt weer van m’nheer Bruggemans. Hij ging in de kamer waar de telefoon was en met de burgemeester naast zich hield hij het volgende gesprek:
„Is professor Wells daar zelf?”
„Ja. Wells van Yale.”
„U spreekt met de burgemeester van Deelen.”
„Wat zegt u ... van Yale?”
„Van Deelen .... op de Veluwe .... provincie Gelderland.”
„O .... doet me genoegen .... gaat u verder.”
„Er hebben hier vreemde gebeurtenissen plaats gehad .... allerlei dingen zijn onzichtbaar geworden... waarschijnlijk met uw machine.... en nu heeft de politie twee individuen gesnapt.... waarschijnlijk de dieven zelf.... doch ze beweren dat ze detectives zijn ... Heeft u twee detectives belast met het opsporen van uw gestolen machine?”
„Ja zeker.... de beroemdste die ik vinden kon.... De eene heet Bumpkins uit Dawson-City en de andere is ’n Italiaan Spigoletti genaamd. Heeft de politie die gesnapt? Dan is dat een vergissing en dan moet u ze maar dadelijk loslaten.”
„Wil u die namen nog eens opgeven?”
„Jawel.... Bumpkins.... Bump-kins.... schrijft u het misschien op?”
„Ja professor, daar ben ik mee bezig.”
„Dus, Bumpkins van Dawson-City. En de ander heet Spigoletti. Spi-go-let-ti.”
„Dank u wel... Wat zegt u... Heet de werkelijke dief Jim Pimpelmees... Dus een van de twee moet Jim Pimpelmees zijn? De dieven goed vasthouden? Maar dat spreekt toch vanzelf.... Dag professor.”
M’nheer Bruggemans bracht nauwkeurig aan de burgemeester over wat ie met professor Wells gesproken had en daarna gaf de burgemeester aan de rijksveldwachter bevel de twee gevangenen op te sluiten. Ze zouden dan later naar de gevangenis gebracht worden.
Dat zag er niet erg mooi uit voor de beroemde amerikaansche detectives. Had m’nheer Bruggemans of professor Wells in hun telefoongesprek nu ook maar even de namen Maccassy of Blubberdub genoemd, dan was het heele misverstand dadelijk opgehelderd geweest, maar m’nheer Bruggemans vond het niet noodig en professor Wells meende nog altijd, dat ie de werkelijke namen van z’n detectives niet mocht verraden. De eenige die erg in z’n schik was, dat was de burgemeester en hij stoorde zich heelemaal niet aan het dreigement van z’n gevangenen dat ze er de amerikaansche regeering mee in kennis zouden stellen. Hij liet ze op hun poot spelen en sloot ze in de toren op. Hij zou de dieven goed vasthouden daar konden ze op rekenen, professor Wells behoefde wat dat aangaat niet ongerust te zijn.
In de toren keken Blubberdub en Maccassy elkaar aan en begonnen te overleggen wat hun te doen stond. Natuurlijk konden ze niet in die toren blijven. Daar hadden ze niet de minste kans om die schavuit van ’n Jim Pimpelmees te pakken te krijgen en nog minder om te ontdekken waar hij de verdwijn-machine verborgen had. Want het was duidelijk genoeg, dat ding moest daar ergens in de buurt zijn. Wat zou die Jim anders daar in de buurt te maken hebben? Want het stond vast als ’n paal boven water dat niemand anders dan Jim Pimpelmees op die fiets gezeten had. Jim Pimpelmees die zichzelf onzichtbaar gemaakt had.
Vast stond ook, dat Jim Pimpelmees onzichtbaar op de boot meegereisd was en van die onzichtbaarheid gebruik gemaakt had om ook de andere helft van de machine te stelen.
„We moeten hier uit,” zei Maccassy.
„Dat moet,” zei Blubberdub.
„We moeten die Jim te pakken krijgen.”
„Ongetwijfeld. Als we die gauwdief niet snappen...... als ie weg kan komen met die twee machines......”
„Ojeemie,” zuchtte Maccassy, „die vent is toch al gevaarlijk genoeg..... en als ie zich met die twee machines naar believen zichtbaar en onzichtbaar kan maken, dan steelt ie heel Amerika leeg.”
„En we snappen hem niet meer.”
„Vanmorgen is ie met de trein vertrokken.”
„Hij had niks bij zich?”
„Nee niemendal..... of ’t moet ook onzichtbaar geweest zijn.”
„Dus niet de machine?”
„Nee, niet de machine.”
„Hoe zouen we die deur hier open krijgen?”
„Weet ik niet. ’t Is ’n oud slot maar ’t zit stevig vast.”
„Heb ik ook al gemerkt.”
„Kunnen we ’t niet los krijgen?”
„Nee en opensteken gaat ook niet..... er is geen sleutelgat aan deze kant.”
„Door dat venstertje daar boven kunnen we ook niet weg.”
„Nee gaat ook niet.”
„Wat dan?”
„Ja wat dan.”
Er heerschte ’n lange poos stilte in de toren. Het werd donkerder en donkerder.
Toen zei Blubberdub opeens: „Daar komt iemand aan.”
„Komt hierheen,” zei Maccassy.
Er werd ’n sleutel in het slot gestoken.
„Eindelijk,” zei Blubberdub.
Het was de veldwachter met ’n brood en ’n kruik water. De burgemeester vond, dat die menschen geen honger en dorst mochten lijden en stuurde daarom z’n veldwachter met voedsel en drinken. Hij kon dat alleen wel af, want de twee gevangenen waren sekuur geboeid.
De veldwachter draaide op z’n gemak de sleutel om en deed de deur open. Hij liet de sleutel in de deur zitten en stapte naar binnen. Hij hoefde niets anders te doen dan het brood en de kruik neer te zetten, de gevangenen zouden het wel komen halen als ze honger of dorst hadden.
Die arme geldersche veldwachter wist niemendal af van de manieren der amerikaansche beroemde detectives. Hij dacht dat ze allebei stevig geboeid waren, maar ze hadden die ongemakkelijke armbanden al lang afgestroopt. Dat kunstje kenden ze. Nu lag die arme kerel met z’n brood en z’n kruik in ’n ommezien op de vloer met ’n zakdoek in z’n mond zoodat ie geen kik kon geven. Ze bonden z’n handen op z’n rug met z’n eigen groote rooie zakdoek en hij voelde al dadelijk, dat ie geen kans had om los te komen. Dat kunstje verstonden ze ook goed. Toen bonden ze ook z’n voeten bij elkaar en droegen hem ’n heel eind van de deur af. Zeker om hem te beletten er tegen te schoppen. Daar lieten ze hem liggen en vertrokken. De veldwachter hoorde hoe ze de deur sekuur sloten.
De veldwachter had wel kunnen huilen. Wat zou die burgemeester opspelen en wat zouen de veldwachters van het rijk en de koddebeier hem uitlachen. En z’n reputatie onder de dorpelingen was natuurlijk naar de maan. Hij voelde zich zoo ongelukkig als ’n opgesloten veldwachter maar wezen kan.
Maccassy en Blubberdub slopen langs de toren weg. In de verte brandde ’n lantaarn en aan de andere kant van de toren nogal dichtbij ook een. Daar moesten ze niemendal van hebben. Geen licht. Zij mochten niet gezien worden. In ’n donkere hoek achter de toren overlegden ze samen fluisterend. Ze moesten hun fietsen terug hebben en dan weg naar Amsterdam naar professor Wells. Die fietsen stonden waarschijnlijk nog in het gemeentehuis waar ze ’s middags verhoord waren. ’t Was nu negen uur. De menschen op het dorp zouden wel vroeg naar bed gaan, maar nu waren er nog menschen op. Hier en daar zagen ze verlichte vensters. Doch heel lang konden ze niet wachten. De veldwachter kon misschien vermist worden. Er kon naar hem gezocht worden en als ze hem opgesloten in de toren vonden, was het te laat. „Nu of nooit,” vond Blubberdub en Maccassy was het met hem eens. Ze slopen voorzichtig verder de kant op naar het gemeentehuis. Telkens als ze iemand meenden te zien of te hooren, kropen ze weg en dan slopen ze weer omzichtig verder. Dat kunstje kenden ze ook.
Zoo kwamen ze aan het gemeentehuis. Daar was alles pikkedonker.
„Vooruit,” zei Maccassy, „jij gaat. Ik houd de wacht.”
Blubberdub verdween. Als ’n volleerde inbreker ging ie te werk. Aan de achterkant van het gemeentehuis liep hij tastend langs de muur. Voelde langs de ramen. Daar had ie er een dat niet gesloten was. Hij schoof het open. Dat kunstje kenden ze ook. Hij wist de weg niet maar dat was niets. Hij kwam er wel. Hoe vaak had ie niet zooiets gedaan om ’n inbreker te pakken te krijgen. De fietsen stonden in de vestibule. Ze waren er allebei.
’n Paar minuten later race-ten de amerikaansche detectives zonder licht het dorp uit.
De beruchte Jim Pimpelmees had het hen niet kunnen verbeteren.
DERTIENDE HOOFDSTUK.
Waarin professor Wells de onzichtbare man tegenover zich heeft en met hem op reis gaat om de verdwijn-machine terug te krijgen.
Professor Wells zat in z’n kamer en keek maar zoo’n beetje het raam uit. ’t Begon al donker te worden en op de breede Amstel waar hij op uitkeek, kwam al hier en daar ’n lichtje te voorschijn. Hij keek er naar hoe die lichtjes zich als levende vuurslangen in het water spiegelden en onderhand dacht ie er aan waar toch z’n twee detectives gebleven mochten zijn. Hij had hen de heele dag niet gezien. Hij vond het eigenlijk niet erg aangenaam, dat die politiemannen hem zoo overal buiten lieten. Op die manier had hij evengoed in Amerika kunnen blijven. Hij wou zelf meedoen, zelf ’n werkzaam aandeel hebben in het terugkrijgen van z’n verdwijn-machine. Maar het leek er weinig op, dat ie z’n machine gauw weer in z’n bezit zou hebben. Hij was er verder af dan ooit te voren, peinsde hij. Zoolang hij in Amerika was, had ie tenminste de eene helft er nog van, doch sedert z’n verblijf op dat mooie oceaanschip had ie niemendal meer over van z’n wonderbare uitvinding. Hij begreep nog maar altijd niet hoe die machine op het schip gestolen kon zijn uit z’n hut. En de twee beroemde detectives snapten er evenmin iets van, dat was zoo duidelijk als iets.
Midden in z’n overpeinzingen werd hij gestoord door ’n tik op de deur. Professor Wells keek dadelijk op, want de deur ging tegelijk met het tikken open. Degeen die geklopt had, vond het zeker niet noodig te wachten tot professor Wells „binnen” riep.
’t Was in de kamer wel ’n beetje schemerig maar toch nog licht genoeg om iemand te kunnen onderscheiden die binnenkwam. En dat was het nu juist wat professor Wells ten zeerste verwonderde, hij zag wel de deur open en dicht gaan, doch hij zag niemand binnen treden.
„Die heeft zich zeker vergist,” dacht hij en keek maar weer het venster uit, doch slechts ’n oogenblik, want hij hoorde vlak bij zich „h-hm” alsof daar iemand stond die ’n beetje verlegen was en niet goed wist hoe hij beginnen moest.
Professor Wells zag niemand en hij had dat „h-hm” toch zoo duidelijk gehoord. Hij keek de heele kamer door maar niets was er te ontdekken, dat „h-hm” kon zeggen. Er was geen levende ziel. De kamer was leeg.
’n Mensch kan soms heel duidelijk droomen en dan hoor je dikwijls stemmen, die er toch ook niet zijn. Maar dan slaap je. Als je wakker bent, komt dat bij ’n gezond mensch niet voor. En professor Wells was zoo gezond als ’n visch.
„Professor.”
Professor Wells vloog oogenblikkelijk uit z’n stoel overeind. Dat was nou toch te gek. Hij hoorde duidelijk dat iemand hem aansprak, iemand natuurlijk. Als je aangesproken werd met „professor” dan was er iemand, maar hij zag niemand. Professor Wells was met twee stappen bij het knopje van het electrische licht. Knip! De kamer was daghelder. Er was niemand aanwezig dan hijzelf.
„Professor mag ik u even lastig vallen? ’n Oogenblikje maar.”
’t Was precies of iemand vlak voor hem stond die dat zei.
Professor Wells was niet heel bang, maar dat was nu toch eerlijk gezegd ’n klein beetje griezelig, dat er zoo maar uit de leege lucht ’n stem tegen je zei: „Professor mag ik je even lastig vallen.” Hij kreeg er kippevel van en hij voelde iets op z’n kale hoofd alsof daar z’n haren recht overeind gingen staan. Hij wou iets antwoorden, doch er kwam geen geluid over z’n lippen. Z’n tong leek wel aan z’n gehemelte vastgekleefd en in z’n keel voelde hij ook iets. Bovendien begon z’n hart ook nog erg hard te kloppen. En hij staarde met groote oogen ’n beetje hulpeloos voor zich uit.
„Professor ik ben Jim Pimpelmees, de dief van uw verdwijn-machine.”
Nauwelijks had professor Wells het woord verdwijn-machine vernomen of hij had al z’n tegenwoordigheid van geest weer terug. Hij draaide zich plotseling om en deed de deur van z’n kamer op slot.
„Prachtig,” zei de onzichtbare. „Nu kan ik er niet uit.”
„Nee,” zei professor Wells, „en je komt er ook niet weer uit. Waar zijn mijn machines?”
„Professor u kan die deur gerust openmaken. Ik ben heel niet van plan er van door te gaan. ’t Zou je trouwens niet helpen. Wat belet me u onverwachts met ’n stoel op je hoofd te slaan? Kan u dat voorkomen? Nee hè? Nu sta ik vlak achter je. Ik kan u maar zoo in uw nek grijpen als ik dat wil, voel maar.”
En professor Wells sprong plotseling opzij, want hij voelde ’n onzichtbare hand in z’n nek.
Professor Wells begreep het en zei:
„Je hebt gelijk, maar geef me eerst antwoord op m’n vraag: Waar zijn m’n machines?”
„Dat komt terecht professor, laten we er bij gaan zitten. Hier neem deze stoel.”
Er kwam ’n stoel naar hem toe en professor Wells nam plaats.
„Ziezoo,” zei de onzichtbare, „nu kunnen we praten. Heeft u ook soms ’n goeie sigaar voor me? Dank u.... Ik heb de heele dag nog niet gerookt en ik ben er ’n liefhebber van, zooals de meeste Hollanders. Mag ik nog om ’n lucifer verzoeken ook. Dank u.”
Professor zat nu tegenover ’n sigaar, die met ’n vuurpuntje begon te branden, hij zag ’n rookwolkje wegblazen.
„Goeie sigaar,” zei de onzichtbare, „dat smaakt hoor. Maar laat ik u eerst de geschiedenis vertellen: Ik stal uw verdwijn-machine. De helft maar.... Ik wist niet dat die andere kist er ook bij hoorde, anders had ik die natuurlijk ook meegenomen.”
„Zoo, had je die dan ook meegenomen?”
„Natuurlijk, wat heb je aan die eene helft.... Dat ziet u aan mij. Ik heb mezelf onzichtbaar gemaakt en nu kan ik me niet weer zichtbaar maken.”
„Maar je hebt toch op de boot de andere helft ook gestolen?”
„Ja dat heb ik.... Doch ik weet niet hoe ik daar mee aan moet. D’r waren geen papieren bij zooals bij die andere helft.”
„Ah, en nu kwam je hier maar brutaal binnen om de papieren te stelen? Da’s mooi. Maar daar zal je geen plezier aan beleven Jim Pimpelmees, die papieren liggen in Yale in de brandkast.”
„Nee professor ik kwam niet om te stelen. Ik kwam om u vriendelijk te verzoeken mij weer zichtbaar te maken. Ik heb er genoeg van. ’t Lijkt erg aardig.... maar als je voortdurend onzichtbaar moet blijven, is de aardigheid er gauw af. Je kan voor niemendal met de spoor reizen bijvoorbeeld. Dat lijkt erg leuk zou je zoo zeggen. Je stapt het station binnen. Je hoeft heelemaal geen kaartje te koopen. Je kan zoo maar voorbij de controleur heen wandelen. Op het perron wandel je ’n poosje heen en weer tot de trein wegrijdt. Dan stap je gauw in ’n eerste klas en je reist voor niemendal. Maar je kan niet rooken, want waar moet je je sigaren of je pijp bergen?”
„In je sigarenkoker natuurlijk,” zei professor Wells.
„Ja... en die?”
„In je jaszak.”
„Dan moet je vooreerst ’n onzichtbare jas aanhebben ... je moet ’n onzichtbare sigarenkoker hebben en je sigaren dienen ook onzichtbaar te zijn.”
„Natuurlijk, natuurlijk... dat kan ook allemaal met mijn machine.”
„Jawel... maar kijk nu eens naar deze sigaar... die is heelemaal zichtbaar... Wat zou u er van zien als ie onzichtbaar gemaakt was met uw machine?”
„Niemendal.”
„Mis professor. Zoodra je zoo’n onzichtbare sigaar aansteekt, wordt het vuur zichtbaar en dan de asch. Dat is niet meer hetzelfde als de sigaar en daarom wordt het zichtbaar.”
„Drommels ja.... je hebt gelijk.... daar had ik zoo gauw niet aan gedacht.”
„U ziet dus, rooken kan niet als je onzichtbaar wil blijven... en eten ook niet.”
„Eten ook niet?”
„Welnee professor zoolang dat voedsel in je maag niet verteerd is, blijft het zichtbaar. Ik eet alleen ’s avonds voor ik naar bed ga.... behalve als ik zichtbaar ben.”
„Wat vertel je me nu.... als je zichtbaar bent? En je kan niet zichtbaar worden omdat je niet weet hoe je die machien moet hanteeren?”
„Dat weet ik ook niet en echt zichtbaar ben ik dan ook nooit. Maar ik kan zichtbare kleeren aantrekken en ’n fijn gezicht kan ik schilderen.”
„Je gezicht schilderen?”
„Ja, zooals ze op ’t tooneel doen en zooals Maccassy en Blubberdub doen als ze zich vermommen.”
„O... bedoel je dat? Ja dat zou kunnen.”
„Als professor zoo vriendelijk wil zijn even de deur open te maken, dan kan ik laten zien hoe dat gaat. Maccassy en Blubberdub hebben alles wat daarvoor noodig is in hun kamers.”
„Nee dat doe ik niet. Je komt hier niet vandaan. Je wilt ontvluchten.”
„Heelemaal niet professor. Bovendien heb ik u al gezegd dat ik u de baas ben. Ik kan u onvoorziens aangrijpen en ben sterker dan u.”
„Nu goed dan,” antwoordde professor Wells. „Ik zal de deur opendoen, maar ik ga met je mee.”
„Best professor.”
Ze gingen nu samen naar de kamer van Blubberdub die het dichtst bij was en daar nam de onzichtbare Jim Pimpelmees ’n doos en bracht die naar de kamer van professor Wells. Die doos zette hij geopend voor zich op tafel. Het leek ’n soort kapdoos met ’n spiegel aan de binnenkant van het deksel. In de doos waren potjes en doosjes en ’n heeleboel verfstiften.
Professor Wells keek met verbazing toe toen de onzichtbare aan ’t werk ging. Eerst zag hij ’n vleeschkleurige stift omhoog gaan, zich heen en weer bewegen en langzaam kwam de vorm van ’n voorhoofd te voorschijn. Daarna ontstonden ’n paar oogleden en ’n neus. Toen wangen en ’n kin. Daarna, maar dat duurde wat langer, ’n paar ooren. De onzichtbare nam vervolgens ’n roode stift en begon zich ’n paar roode lippen te maken en van hetzelfde rood smeerde hij ook ’n weinig op zijn wangen die nog ’n beetje bleek schenen. Ze kregen nu ’n mooi blosje. Met z’n onzichtbare vingers wreef hij de kleuren ’n beetje door elkaar, professor Wells zag opeens ’n paar gekleurde vingertoppen, en daarna maakte Jim zich met ’n dun bruin stiftje ’n paar mooie wenkbrauwen.
„Ziet u,” zei Jim, „als ik echte haren wenkbrauwen bij de hand had, kon ik het veel natuurlijker maken. Doch nu moet het maar zoo.”
Professor Wells zat met verbazing te staren naar dat gezichtsmasker zonder oogen dat zich daar voor hem in de lucht scheen te bewegen.
„Nu ga ik m’n hals verven,” zei het masker en professor Wells zag het gebeuren.