Chapter 15 of 15 · 1941 words · ~10 min read

Part 15

De auto had nog ’n aardig vaartje en ze naderden nog tamelijk snel de plek waar de fietslantarens brandden. De chauffeur zat gereed om te remmen. Hij keek scherp voor zich uit. Jim Pimpelmees zat voorover gebogen en deed ook z’n best om te zien wat daar voor hen op de weg gebeurde. Professor Wells stond in de wagen en tuurde ook.

„Daar loopen lui hard heen en weer,” zei de chauffeur.

„Ze vechten,” riep Jim... „Kijk daar hebben ze er een te pakken.”

„Hij is weer los,” zei de chauffeur.

„Toen hoorden ze wat roepen en er klonk ’n schot.

„Ik ga terug,” zei de chauffeur.

„Dat zal je wel laten,” zei Jim.

Maar de chauffeur remde al.

„Doorrijen!” schreeuwde professor Wells. „Doorrijen! Vooruit doorrijen.”

„Rijen!” gebood Jim.

„Ik verdraai het,” zei de chauffeur. „Ik rij niet. Denk je dat ik ’n kogel in m’n lichaam hebben wil? Dank je wel hoor.”

De wagen stond stil en de chauffeur stapte uit.

„Nou, als jij niet rijen wil, zal ik het wel doen,” zei Jim.

Hij ging doodbedaard op de chauffeur z’n plaats zitten, trapte even met z’n voet op ’n pedaal en de auto ging weer vooruit. Maar nu sprong de chauffeur op de treeplank en begon te remmen en Jim zag geen kans hem met z’n eene hand dat heelemaal te beletten. Zoo kon je niet rijden. Hij stopte dus maar weer.

„Maak nou maar geen herrie,” zei hij tegen de chauffeur. „We moeten verder. We hebben geen zin om hier te blijven staan.”

„En ik rij niet,” riep de chauffeur, „’t zal niet gebeuren.”

Maar ze waren met de auto toch weer ’n eindje vooruitgekomen en zagen bij hun sterke autolampen, dat daar voor hen werkelijk iets gebeurde dat op ’n gevecht leek.

Jim Pimpelmees zei tegen professor Wells, dat ie er niets aan doen kon of hij moest geweld gebruiken. Hij vond dat ze met hun beiden best die chauffeur aan konden. ’t Was maar ’n klein kereltje. Doch daarvan wilde professor Wells niets weten. Hij zei aan Jim Pimpelmees, dat ie de chauffeur tien dollar extra zou geven als hij doorreed.

„Tien dollar!” zei de chauffeur toen Jim hem de woorden vertaald had in ’t hollandsch. „Tien dollar... dat is vijf en twintig gulden?”

„Juist, dat is vijf en twintig gulden. Zoo’n fooi krijg je niet iedere nacht hè.”

„Ik doe ’t,” besloot de chauffeur. „Voor vijf en twintig gulden rijd ik daar de heele vechtpartij onderste boven. Op zij.”

Jim Pimpelmees schoof op zij en de chauffeur ging weer voor ’t stuurwiel zitten. Doch nauwelijks reed de auto weer, of professor Wells riep: „Stop! Stop! Ze hebben Blubberdub en Maccassy te pakken. Stop Jim. Stop.”

Maar Jim riep: „Rij door chauffeur, rij door! Doorrijen.”

Jim Pimpelmees had ook gezien wie ze daar op de weg te pakken hadden, doch daar hij geen speciale vriend was van die twee detectives wou hij maar doorrijen. Wat was er gebeurd?

Maccassy en Blubberdub waren op hun fietsen zonder licht weggeraced op goed geluk af. Ze wisten de weg niet. Doch hun allereerste zorg was ’n eind weg te komen; waarheen, dat deed er op ’t oogenblik minder toe. Ze waren echter aan ’t dwalen geraakt in de duisternis en toen ze eindelijk de groote weg weer te pakken kregen, reden ze ongelukkig genoeg de burgemeester met de veldwachters in de armen.

Ze werden onmiddellijk herkend en zij van hun kant twijfelden er geen oogenblik aan dat ’t om hen te doen was.

Die amerikaansche detectives waren echter voor geen klein geruchtje vervaard, ze sprongen van hun fietsen en boksten er oogenblikkelijk op los, maar toen de brigadier ’n revolver voor den dag haalde en ’n schot in de lucht loste, begrepen ze dat ’t meenens werd en daar ze zelf geen vuurwapens bij zich hadden, gingen ze er oogenblikkelijk vandoor. Aan weerskanten van de weg waren dichte bosschen en ze sprongen vlug als katten het kreupelhout in. Wat ze echter niet wisten, was dat heel veel bosschen op de Veluwe door ijzergaas van manshoogte zijn afgesloten en ze holden dus tegen zulk ijzergaas aan. En hoe ze ook liepen overal stond dat ijzergaas voor hun neus. Ze konden niet weg. Ze probeerden er over te klauteren, maar toen hadden de veldwachters hen weer te pakken. Maccassy en Blubberdub moesten het onderspit delven.

Toen ’t zoover was, naderde net de auto en schreeuwde professor Wells: „stop! stop!” en riep Jim Pimpelmees: „rij door! rij door!”

Professor Wells bewerkte de chauffeur met z’n vuisten, toen deze niet gauw genoeg deed wat ie verlangde en om geen ongeluk te krijgen liet de chauffeur de auto met ’n ruk stilstaan. Jim Pimpelmees schoot er uit en professor Wells hing over de chauffeur heen.

’t Was ’n rare vertooning. Maar Maccassy stevig door de veldwachter en de burgemeester vastgehouden, herkende onmiddellijk de professor en niet minder snel Jim Pimpelmees, al had ie ’n donkere bril op. Dit kunnen detectives nu eenmaal.

M’nheer Bruggemans stond ’n eindje verder bij de brigadier, die met z’n revolver Blubberdub in bedwang hield en wist niet hoe hij ’t had, toen die auto daar zoo plotseling stopte en Jim Pimpelmees er uitvloog. Hij wist natuurlijk niet wie dat was.

Professor Wells werkte zich uit z’n rare positie overeind en riep:

„Maccassy en Blubberdub wat gebeurt hier toch?”

Toen begreep m’nheer Bruggemans als bij ingeving, dat daar in die auto professor Wells stond en hij trad op hem toe:

„Is u professor Wells van Yale?”

„Ja m’nheer, die ben ik.”

„Mijn naam is Bruggemans.... Ik had vanmiddag het genoegen met u te telefoneeren.”

„O.... was u dat.... nu.... wat verder?”

„Als u toen de ware namen van deze twee heeren had genoemd, was dit niet gebeurd. Ze zijn nu als dieven gevangen genomen, ontvlucht en weer gepakt.”

„Prachtig,” zei Jim Pimpelmees.

Maar nog nauwelijks had ie dat gezegd of Blubberdub riep: „Pak die vent, dat is de dief.”

Doch de veldwachters verstonden geen engelsch en ze pakten Jim niet.

En toen zei professor Wells: „Er hoeft hier niemand gepakt te worden Blubberdub. Deze Jim Pimpelmees bezorgt me mijn machine terug en daarmee is de zaak afgedaan.”

„Dat zullen we dan eerst nog eens zien,” mompelde Maccassy.

„Nee, nee,” zei professor Wells, „de zaak is hiermee uit.... Ik verklaar dat Jim Pimpelmees geen gewone dief is, maar ’n... nu ja, wat ie wel is, daar moet ik eerst nog eens over prakkezeeren.”

De heer Bruggemans haastte zich de heele zaak uit te leggen aan de burgemeester en de veldwachters, die er maar half tevreden mee waren, want ze hadden ze nu toch maar te pakken. De burgemeester zei echter, dat ze onmiddellijk die twee Amerikanen moesten loslaten.

„Ziezoo,” zei professor Wells, „en nu gaan we de machine halen.”

„Wat?” zei m’nheer Bruggemans. „Waar is dat ding dan?”

„In ’t kippenhok,” zei Jim Pimpelmees lachend.

’n Kwartier later kwam de heele stoet op de boerderij aan en de boerenfamilie wist niet wat er aan de hand was. De burgemeester en m’nheer Bruggemans wilden net beginnen met hen de zaak duidelijk te maken, toen de boer in de gaten kreeg, dat Jim Pimpelmees regelrecht op het kippenhok aanstapte met professor Wells achter zich.

„Ho, ho,” zei de boer. „Wat mòt dat? Vooruit van m’n kippenhok vandaan.”

„O jé,” fluisterde Koen tot Piet... „die vreemde kerel weet er alles van. Nou zijn we d’r bij.”

„Ssst”.... deed Piet. „Hou je mond jô.”

M’nheer Bruggemans kwam nu tusschenbeide en Piet die de sleutel had, moest ’t kippenhok open maken. Jim Pimpelmees ging er binnen en kwam ’n oogenblik later met het koffertje te voorschijn, dat hij aan professor Wells overhandigde. De vreugde stond op professor Wells z’n gezicht en hij zei:

„Ziezoo.... dat heb ik terug en ik scheid er m’n heele leven niet meer van. Hier hebben we niets meer te maken. Kom Maccassy en Blubberdub en jij ook Jim, jullie rijdt in de auto mee terug. En morgen vertrekken we naar Amerika.”

Doch nu kwam m’nheer Bruggemans nog eens tusschenbeide:

„Professor,” zei hij, „ik heb nog ’n vriendelijk verzoek aan u. Zoudt u die telefoonpaal en de haan en het groote varken niet eerst weer zichtbaar willen maken? Die menschen hier hebben veel onrust uitgestaan door uw machine en de boer wilde toch zoo graag met het varken naar de tentoonstelling.”

„Wel,” antwoordde professor Wells, „met plezier. Waar is die haan?”

„In ’t kippenhok natuurlijk,” zei Piet toen m’nheer Bruggemans de woorden van professor Wells in ’t hollandsch had overgebracht.

„Haal ’m er uit zei,” de professor.

„Ik kan ’m niet vinden,” zei Piet. „’t Is nou te donker.”

„Eerst ’t varken,” zei de boer, en bij ’t licht van ’n carbidlamp gingen ze allemaal naar het land. Professor Wells had beide koffertjes bij zich. Hij had er wel maar één noodig, doch dat andere wilde hij niet uit ’t oog verliezen. Toen ze ’t touw hadden gegrepen, dat aan ’t onzichtbare varken z’n poot zat, dreven ze het naar professor Wells toe en die begon dadelijk. Er gebeurde eigenlijk niemendal. Alleen hield hij weer zoo’n knop tegen het varken aan. Maar iedereen kon zien, dat ’t langzamerhand zichtbaarder werd en na ’n half uur was ’t beest weer kant en klaar.

„’t Is grooter geworden, zou ik zeggen,” zei Klaas.

„Grooter niet, maar wel vetter,” zei de boer. „Jongens daar krijgen we de volgende week vast de eerste prijs mee.”

De rest kon de boer niemendal schelen. Hij keek er niet naar uit toen professor Wells de paal weer zichtbaar maakte.

Maar de haan bleef onzichtbaar. Piet zei dat ie ’m niet vinden kon en professor Wells wou de volgende dag niet terugkomen.

„Ik kon ’m wel vinden,” zei Piet de volgende dag tegen Koen, „want hij zit altijd vooraan.”

„Waarom dee je ’t dan niet?”

„Och jô.... ’n zichtbare haan kan je niet voor geld laten kijken, maar ’n onzichtbare wel. Begrijp je ’t nou?”

„O,” zei Koen, „zit ’t zoo. Wij zijn er anders goed afgekomen hè?”

„Ja,” zei Piet. „Als je je mond maar kan houen, kom je er altijd goed af.”

„Toch vind ik, dat we verkeerd gedaan hebben, we hadden ’t moeten zeggen, dadelijk al.”

„Je moet es in m’n spaarpot kijken,” zei Piet, „allemaal centen van die witte.”

„Ja als ’t om centen te doen is.”

De burgemeester gaf de veldwachter ’n nieuwe sabel en hij hield de onzichtbare. Maar hij bewaarde hem in ’n vochtige kast er toen hij ’m ’n poos daarna aan iemand wou vertoonen, zat de sabel dik onder de roest en was toen toch weer zichtbaar.

M’nheer Bruggemans had z’n onzichtbare pijp heel stiekem bewaard en nam ’m mee naar Amsterdam. Maar reeds de eerste avond liet hij ’t pijpje in ’n aschbakje liggen en de volgende morgen was ’t weg. De meid had het aschbakje leeggemaakt zonder ’n pijp te zien natuurlijk.

Jim Pimpelmees werd door professor Wells weer gewoon zichtbaar gemaakt en maakte toen dat ie wegkwam. Hij was ’n beetje bang voor Maccassy en Blubberdub vanwege de vreemde dingen, die hij van vroeger nog op z’n geweten had.

Zoo was dan de witte haan nog ’t eenige onzichtbare ding in Nederland. Doch reeds na ’n maand kreeg Koen ’n briefkaart van Piet en die luidde:

Waarde Vriend,

Deze is dienende om u te melden, alsdat de witte haan door Klaas doodgegooid is. Hij smeet met z’n klomp naar de kat, die uit de melkemmer likte en hij raakte de witte. Hij lag op z’n rug vlak bij de emmer, want toen ie dood was, kon je ’m weer zien. Het is erg jammer. Vele groeten van

Piet.