Part 11
„Maar professor ik ben wel hier,” hoorde hij over z’n schouder zeggen, en toen hij verrast omkeek over de leuning van de bank zag hem ’n vriendelijke oude heer lachend aan. Hij had ’n mooie witte baard en spierwit haar, dat ’m heel goed stond onder z’n groote panama. En naast de spierwitte heer stond ’n soort Italiaan met pikzwarte krullen en ’n dito snorretje met fijn opgedraaide punten en die zei op zijn beurt: „Ik ben er ook. U hoeft niet naar Chicago te telegrafeeren.”
Professor Wells zat stom van verbazing. Dat moesten z’n twee detectives zijn. Maar ze waren totaal onherkenbaar. Z’n eigen verdwijn-machine had ze niet onkenbaarder kunnen maken.
„Wel,” zei professor Wells, maar verder kwam hij niet.
„Mijn naam is Bumpkins, Nataniel Bumpkins van Dawson-City. U staat me zeker toe ’n oogenblik naast u op de bank plaats te nemen?”
Professor Wells zei niemendal en hij liet toe, dat de grijze heer naast hem ging zitten. Hij zei ook niemendal toen de Italiaan zich aan hem voorstelde als Octavio Spigoletti van Milaan en aan de andere kant naast hem plaats nam.
„Zoo moeten wij dat in ons vak altijd doen,” fluisterde Bumpkins, „we kunnen niet te voorzichtig zijn.”
„Nee,” zei de Italiaan uit Milaan zachtjes, „voorzichtigheid is de moeder van de porceleinkast.”
„Als ze wisten, dat James Maccassy en Jesekia Blubberdub op weg waren naar Amsterdam,” fluisterde de grijze weer, „dan konden we er zeker van zijn, dat Jim gevlogen was als wij er aankwamen.”
„Met uw kostbare machine,” mompelde de Italiaan.
„Zoo,” zei professor Wells, „zoo... zit dat zoo in elkaar. Hoe heeten jullie ook weer?”
„Bumpkins, om u te dienen, van Dawson-City.”
„En u?”
„Spigoletti van Milaan.”
„Wij kennen elkaar heel niet,” zei Bumpkins. „Ik ken Spigoletti niet en ik ken professor Wells niet en u kent ons niet.”
„O!”
„En als we in Holland zijn, heeten we weer anders.”
„O... en zien jullie er dan weer anders uit ook?”
„Natuurlijk.”
„Maar hoe ken ik jullie dan?”
„Heel eenvoudig,” fluisterde de Italiaan, „we houen u op de hoogte.”
„We zijn altijd bij u, ook al denkt u dat we er er niet zijn.”
„Zooals vandaag,” zei de Italiaan weer.
„Jullie zullen het wel het beste weten,” zei professor Wells, „en dus leg ik me er maar bij neer. Ik laat de leiding verder dan maar heelemaal aan de heeren over.”
„Dat is ook onze bedoeling,” zei Bumpkins en ze lieten de professor alleen op z’n bank.
Professor Wells vond dat nu eigenlijk wel ’n beetje vervelend. Hij had gedacht zich op de boot de tijd te korten met de verhalen van de lotgevallen en de avonturen der twee beroemde detectives. En nu moest ie ’n dag of zes, zeven op dat schip doorbrengen zonder ’n enkele kennis. Er was niemand op het schip die hij ooit tevoren gezien had. Hij besloot z’n tijd dus maar te besteden aan een of andere nieuwe uitvinding. In z’n hut of op het dek of ergens anders op die mooie boot kon hij best ’n hoekje vinden, waar hij ongestoord kon nadenken. Er waren nog ’n massa dingen die nog niet waren uitgevonden. Hij hoefde dus z’n tijd niet te verluieren.
Professor Wells zag dus Bumpkins en de Italiaan maar zelden. Alleen als er gegeten werd. En dan deden ze net of ze elkaar wildvreemd waren. Ze zaten altijd ’n heel eind van elkaar af.
Op de derde dag van de reis echter zag professor Wells hen de heele dag niet. Ze waren zeker ongesteld. Hij mocht wel niet tegen hen spreken, maar hij kon hen toch iedere dag zien en nu had hij hen al de heele dag gemist. Dat was ’n beetje onplezierig. Professor Wells wist niet hoe het kwam, maar hij vond het alles behalve aangenaam. ’t Was net of hem ’n ongeluk boven het hoofd hing.
Dat voorgevoel bedroog hem niet. Er was iets vreemds gebeurd, wel geen ongeluk maar iets dat misschien nog veel erger was.
Het was al donker toen er zonder kloppen iemand bij hem binnentrad in de hut. ’t Was James Maccassy in eigen persoon. Niet de heer Nataniel Bumpkins uit Dawson-City met z’n witte baard en zilveren haar, maar de detective uit New York met z’n eigen glad geschoren gezicht en z’n eigen kortgeknipte zwarte haar.
„Wel!” zei professor Wells ten hoogste verwonderd.
„St!” kwam James Maccassy en hij hield z’n vinger voor z’n lippen.
Professor Wells zweeg verder als ’n mof en keek James Maccassy alleen maar verbaasd aan. Deze sloot zorgvuldig de deur van de hut en zei daarna bijna onhoorbaar:
„Jim Pimpelmees is hier aan boord.”
„Jim Pim.... de man die volgens u mijn verdwijn-machine gestolen heeft?”
„Ja, dezelfde.”
„Maar lieve help, man hoe weet je dat? Heb je ’m gezien?”
„Nee... gezien hebben we hem geen van beiden, maar hij heeft vannacht mijn witte baard en mijn pruik gestolen en van Jesekia Blubberdub heeft ie z’n zwarte Italiaansche snor en z’n zwarte haren gekaapt.”
„Maar man... jullie hebt die dingen zeker gisterenavond in ’n verkeerd valies opgeborgen. Wat heeft iemand er nu aan om pruiken en snorren te stelen?”
„Dat is het juist... Niemand heeft er wat aan en geen enkele dief zou het ooit in z’n hoofd krijgen in iemands hut in te breken om zulke zaken te stelen. Daardoor weten we dat Jim Pimpelmees aan boord is. Die steelt altijd van die malle dingen.”
„Dus die Jim Pimpelmees wist dat jullie hier aan boord waren en ook hoe je vermomd was?”
„Dat is juist het wonderbaarlijke. Hij kon dat niet weten. Niemand wist er iets van. Geen mensch in heel Amerika weet zelfs dat we op reis zijn naar Nederland.”
„Dan begrijp ik er niks van. Hoe ziet die Jim Pimpelmees d’r uit?”
„O, da’s ’n leelijke vent met rood haar. Maar nu ie hier op de boot is, ziet ie er natuurlijk heel anders uit. We hebben alle lui goed bekeken. Noch onder de passagiers, noch onder het scheepsvolk hebben we hem gezien. En toch moet ie er zijn. Dat kan niet anders.”
„Maar wat zou hij hier op de boot doen? Is ie er toevallig?”
„Dat weten we niet. Maar toeval zal ’t wel niet zijn. Daarom kwam ik juist hier. We kunnen ons nu overdag niet laten zien nu we onze pruiken en haren kwijt zijn en daarom heb ik gewacht tot het avond was.”
„Dat begrijp ik niet... Je kunt je toch wel laten zien zooals je nu bent?”
„Nee, dat kan juist niet. We zijn ingeschreven als Bumpkins en Spigoletti en als we nu verschenen als Maccassy en Blubberdub, die iedereen kent, dan eh ...”
„Ja wat dan?”
„Wel dan deden we iets, dat heelemaal in strijd is met de beginselen van ons vak. ’n Detective die ’n dief wil vangen mijnheer, doet dat altijd vermomd. Dat kan u in alle boeken vinden waarin detectives voorkomen.”
„Maar als jullie niet voor de dag kan komen hoe krijg je dan eten?”
„O, professor daar hebben we al voor gezorgd. We hebben ’n hofmeester in het geheim genomen. We betalen hem goed en dus houdt ie z’n mond. Maar om nu op Jim Pimpelmees terug te komen, de meest voor de hand liggende reden van z’n aanwezigheid hier aan boord kan natuurlijk niets anders zijn dan z’n verlangen om ook de andere helft van uw wondermachine te pakken te krijgen. Die heeft professor toch bij zich?”
„Zeker heb ik die bij me. Die zit veilig achter slot daar in die koffer. Kijk maar.”
Terwijl professor Wells de sleutel van z’n koffer zocht uit de sleutels die hij uit zijn zak opdiepte, zei hij nog:
„Maar dan begrijp ik toch niet wat die Jim-hoe-heet-ie-ook-weer er mee voor had jullie pruiken en baarden te stelen, als het hem te doen is om mijn machine. Hij heeft daardoor toch z’n aanwezigheid hier verraden?”
„Ja dat heeft ie. Maar die Jim doet altijd van die rare dingen.”
Professor Wells opende z’n koffer, doch liet hem van schrik weer dicht vallen. Ook James Maccassy had met z’n scherpe oogen waarmee hij over de linkerschouder van professor Wells in de koffer gekeken had, gezien waardoor de professor zoo geschrokken was. De detective haalde z’n eigen gestolen pruik en z’n baard en de zwarte haren en het Italiaansche snorretje van z’n collega er uit, maar de machine vonden ze niet meer in de koffer.
„Wel, dat is brutaal,” zei James Maccassy en hij snelde de hut uit en was ’n oogenblik later terug met Jesekia Blubberdub en nog ’n oogenblik later hadden ze hun pruiken en verdere haren weer aangedaan en stonden ze weer voor de oogen van de ontdane professor als Bumpkins van Dawson-City en Signor Spigoletti van Milaan.
Spigoletti nam het eerst het woord.
„Professor, dat is ’n zeer geheimzinnig geval.”
„Zeer geheimzinnig,” echode Bumpkins.
„Er moet iemand in uw hut geweest zijn,” vervolgde Spigoletti. „Heeft u er ’n idee van wie dat geweest kan zijn?”
„Ik?” zei de professor Wells. „Welnee behalve ikzelf is er niemand hier geweest als de hofmeester.”
„Ah!” zei Bumpkins, „welke hofmeester?”
„’n Nette man, zwart haar, klein zwart snorretje, blauwe oogen.”
„Dat moet dezelfde zijn die wij in ’t geheim genomen hebben,” zei Bumpkins. „Die kan ’t dus niet wezen.”
„Nee,” zei Spigoletti, „die kan ’t niet wezen, maar om zeker te zijn kunnen we hem even hier laten komen. Professor mag ik even de hofmeester schellen?”
„Ga je gang.”
Spigoletti drukte op de knop van het electrische schelletje en ’n oogenblik later verscheen de hofmeester, dezelfde aan wie professor Wells gevraagd had of de twee detectives aan boord waren.
„Ah,” zei de hofmeester met ’n verheugd gezicht toen hij binnentrad, „hebben de heeren het vermiste al terug! Zeer verheugd.”
„Ja,” zei Bumpkins, „onze baarden hebben we terug, maar nu is de professor ’n zeer waardevol voorwerp kwijt. Onze pruiken en baarden lagen in zijn koffer en zijn daarin gelegd blijkbaar door de dief zelf, die meteen het bedoelde voorwerp daaruit genomen moet hebben.”
„Zoo... hm... tja.” Anders scheen de hofmeester op dat moment niet te weten.
„Professor beweert dat jij de eenige persoon bent, die hier binnen geweest is,” zei Spigoletti.
„Als dat waar is heeren,” zei de hofmeester met ’n glimlach, „dan moet ik ook bij u de baarden gestolen hebben en de pruiken.”
„Dat moet dan wel,” zei Bumpkins, „maar dan moest je ook Jim Pimpelmees zijn, en dat ben je niet.”
„Wie zegt u?” vroeg de hofmeester.
„Jim Pimpelmees.”
„Jim Pimpelmees. Jim Pimpelmees... Waar heb ik die naam meer gehoord,” prevelde de hofmeester. „Komt me zeer bekend voor.”
„Zal wel waar zijn,” zei Spigoletti lachend, „dat is de gekste dief uit heel de Vereenigde Staten, je hebt z’n naam zeker wel eens in ’n krant gelezen.”
„Dat zal ’t zijn,” antwoordde de hofmeester met ’n zeer nadenkend gezicht. „En denkt u dat die man hier aan boord is?”
„Vast,” zei Bumpkins.
„Sekuur,” zei Spigoletti.
„Hoe ziet hij er uit?” vroeg de hofmeester.
„Leelijke kerel, rood haar, maar hier ziet hij er anders uit, dat begrijp je wel hè.”
„Dan zal ’t moeilijk zijn hem te ontdekken.”
„Heel moeielijk, maar we ontdekken hem.”
„Dat doen we zeker,” bevestigde Bumpkins. „En stellig nu de professor niemand hier in of nabij z’n hut gezien heeft die er verdacht uitzag.”
„Ho, dat heb ik niet gezegd,” zei professor Wells. „Ik heb wel vijftig menschen hier in de buurt gezien en nu ik m’n machine kwijt ben, moet ik zeggen dat ze er allemaal even verdacht uitzagen.”
„Maar ik heb wel iemand gezien, die op verdachte wijze hier in de buurt rondsloop,” zei de hofmeester. „En nu ik me goed herinner, leek het me dat ie iets in de hand had in papier gewikkeld.”
„Onze haren,” zei Bumpkins, „’t papier ligt nog in de koffer van professor Wells.”
„Hoe zag die persoon er uit?” vroeg de andere detective.
„Heel gewoon ’n derde klasse-passagier of zooiets. ’k Heb hem verder niet zoo nauwkeurig opgenomen.”
„Daar hebben wij niet veel aan, hè Bumpkins?”
„Nee, de aanwijzing is te vaag. We zullen hem zelf moeten opsporen,” en toen, zich wendend tot professor Wells, die met ’n verdrietig gezicht het onderhoud gevolgd had: „Moed houen professor, u krijgt uw beide machines terug, alle twee, zoowaar ik Bumpkins heet!”
„Maar zoo heet je niet,” zei de professor.
„Professor,” zei Bumpkins van Dawson-City, plechtig, „hier heet ik Bumpkins. James Maccassy is nog altijd in New York, ligt met ’n zware verkoudheid in bed en is voor niemand te spreken.”
„En Jesekia Blubberdub mag in Chicago eveneens z’n bed niet uit, want hij heeft z’n voet verstuikt,” zei Spigoletti.
„Slim ... buitengewoon slim,” zei de hofmeester met ’n glimlach ...
De hofmeester ging heen en ’n oogenblik later verdwenen ook Bumpkins en Spigoletti. Die gingen ’n plan verzinnen om Jim Pimpelmees te pakken te krijgen en professor Wells bleef alleen achter in ’n zeer naargeestige stemming. De onderneming begon dan al heel slecht. In plaats dat ie z’n gestolen machine terugkreeg, was nu de andere helft ook verdwenen. Mistroostig staarde hij in z’n koffer. Maar wat hielp hem dat? Niemendal. Al keek hij nog zoolang in die koffer, daarmee zou hij de verloren machine, waaraan hij jaren lang gewerkt had, niet terug krijgen. Hij bukte zich om de koffer te sluiten en daarbij viel z’n oog op ’n enveloppe met z’n adres erop. Toen hij ’t opnam, merkte hij dat het ’n ongeopende brief was. Hoe kwam die nu in z’n koffer. Hij had er ’n eed op durven doen dat ie geen brief in z’n koffer had gedaan en dan nog wel een, die niet geopend was! Bevend van haast en nieuwsgierigheid scheurde hij de omslag open, nam het netjes gevouwen vel papier er uit en las:
Hooggeachte professor,
Ondergeteekende is zoo vrij geweest ook deze helft van uw wondermachine voor eenige tijd van u te leenen. De andere helft heeft hij al geleend zooals u nu wel begrijpen zult. Ondergeteekende stelt zeer veel belang in uw uitvinding en alleen uit een overgroot verlangen om er zelf proeven mee te nemen, kwam hij er toe zich zonder uw toestemming van beide machines meester te maken. U kan er op rekenen ze allebei ongeschonden terug te ontvangen, zoodra ondergeteekende met z’n proefnemingen klaar is. Als hij u een goeden raad mag geven, laat dan die ezel van ’n Bumpkins en dat schaap van ’n Spigoletti er verder buiten en zeg hen niets van dit briefje. Ze zijn alleen maar in staat de boel te bederven en ze zijn lang niet slim genoeg om ondergeteekende te pakken te krijgen.
Met de meeste hoogachting Uw dienstwillige
Jim Pimpelmees.
Professor Wells zat met het briefje in z’n hand terwijl allerlei gedachten hem als ’n molentje in z’n hoofd ronddraaiden. Hij kon er niet uit wijs worden. De moeilijkste uitvindingen had ie gedaan, maar nu zat ie voor iets waar hij geen weg mee wist. Die Jim Pimpelmees was ’n brutale kerel en ’n eerste klas inbreker, dat stond vast. Maar James Maccassy en Jesekia Blubberdub alias Bumpkins en Spigoletti waren eerste klas detectives, dat stond niet minder vast. Hadden ze niet onmiddellijk gezegd wie de dief moest zijn? Maar het was de vraag wie er slimmer was, zij met hun beiden of Jim alleen. Hij noemde hen wel ’n ezel en ’n schaap en hij had bovendien bewezen dat ie veel durfde, zelfs vlak onder hun neus, doch misschien waren ze hem op de lange duur toch nog de baas. Misschien was het wel ’n slimmigheidje van Jim dat ie hem aanried niets van dat briefje aan de twee speurders te zeggen, maar als dat zoo was waarom had ie het dan geschreven? En hij beloofde hem z’n beide machines terug te geven als hij er niets van zei. Was zoo’n inbreker te vertrouwen? Kon je hem op z’n woord gelooven?
De arme professor Wells wist er geen raad mee. ’t Eene oogenblik wou hij opstaan om dadelijk naar Bumpkins en Spigoletti te gaan en het volgende oogenblik voelde hij er meer voor maar te doen wat Jim Pimpelmees hem geraden had. En dat bleef zoo de heele avond en de volgende dag en de dag daarna en toen ze eindelijk in Amsterdam waren afgestapt in het Amstelhotel, had hij nog geen besluit genomen. Maar hij had in die tusschentijd ’n prachtuitvinding gedaan, n.l. de electrische fiets met één wiel, waar je binnen in zat. Hij had die machine nog slechts bedacht, maar hij zou dat dingetje zoodra hij in Amerika terug was, wel eventjes ten uitvoer brengen. Dat was maar ’n peuleschilletje en heel wat gemakkelijker dan te beslissen of hij Bumpkins en Spigoletti iets van dat briefje van Jim zou meedeelen of niet.
Die twee detectives hadden natuurlijk gedaan wat ze konden om op het schip die brutale Jim Pimpelmees in handen te krijgen, doch ze waren daar niet in geslaagd en die slimme dief had het klaargespeeld om met de andere helft van de wondermachine te ontsnappen. Professor Wells was daar zeer verdrietig om, doch Bumpkins en de Italiaan verzekerden hem allebei, dat er geen reden was om er z’n humeur door te laten bederven, want dat ze die Jim vast en zeker te pakken zouden krijgen. Professor Wells begreep, dat ie er toch niets aan veranderen kon en liet dus de twee Amerikanen hun gang maar gaan.
En nu troffen die twee het al heel gelukkig, want de Nederlandsche kranten hadden in die dagen juist allerlei berichten over het onzichtbare varken, de haan en de telefoonpaal. Het had eerst in ’n klein krantje gestaan en daarna was het terecht gekomen in ’n grootere krant en eindelijk maakten ook de groote, het Handelsblad, de Telegraaf en de Nieuwe Rotterdammer er melding van.
De portier van het Amstelhotel had het juist gelezen toen Bumpkins en Spigoletti bij hem kwamen om hem iets te vragen. De portier maakte ’n praatje en vertelde, wat ie juist gelezen had. Hij vond het zoo’n gekke geschiedenis, zei hij, maar Bumpkins en Spigoletti hadden hun ooren gespitst en geen woord was hen ontgaan en daarna lieten ze de portier het heele bericht voorlezen, natuurlijk in ’t Engelsch, wat die portier heel vlot deed, want portiers in groote hotels kunnen je in heel wat talen te woord staan.
’n Half uur later zaten Bumpkins en Spigoletti in de trein die hen naar de Veluwe reed.
In de bagagewagen stonden twee splinternieuwe fietsen, die ze zich hadden aangeschaft.
„Wel,” zei Bumpkins toen ie z’n pijp opnieuw stopte, „hoe vindt je ’m?”
„Prachtig.... ’t Is ’n fortuin waard. Ditmaal snappen we Jim.”
„Met allebei de machines.”
Spigoletti en Bumpkins deden ieder ’n lange haal aan hun pijp, knikten vergenoegd waarna Bumpkins zei:
„We boffen man.”
ELFDE HOOFDSTUK.
Waarin de veldwachter z’n sabel onzichtbaar wordt en Bumpkins z’n fiets ziet wegracen zonder dat er iemand opzit.
Piet had de verdwijn-machine in het kippenschuurtje laten staan. Hij had Koen ervan overtuigd dat daar de beste plaats voor het ding was, omdat er nooit iemand anders dan hijzelf in dat schuurtje kwam. Koen was er mee tevreden geweest en nu wachtte hij maar of z’n vader geen brief of telegram uit Amerika kreeg. Zoodra dat gebeurde, dat had hij zich nu vast voorgenomen, dan zou hij z’n vader alles wel vertellen. Piet had op zijn beurt dat weer goedgevonden.
M’nheer Bruggemans speurde al wat ie kon, nog harder dan de dorpsveldwachter en de koddebeier en de twee rijksveldwachters. Hij meende dat de machine weer in handen was van de oorspronkelijke dief. En hij had er wat voor willen geven als hij die had kunnen ontdekken. Hij had met de veldwachters samen willen werken maar die waren niet van hem gediend. De veldwachters beweerden dat zoo’n stadsch m’nheertje geen verstand had van dieven vangen.
Nu, juist op de dag dat Bumpkins en Spigoletti naar de Veluwe spoorden om Jim Pimpelmees te overrompelen, die volgens hen zeker en vast wel wat zou gaan probeeren met de machine die hij onlangs gestolen had, was er op de boerderij juist weer ’n opzienbarende verdwijning geschied. De dorpsveldwachter was thuisgekomen van de boerderij waar hij ’s nachts met ’n rijksveldwachter gesurveilleerd had en had als gewoonlijk z’n sabel in ’n hoek van de kamer aan ’n spijker opgehangen. Daarna had hij gegeten en was gaan slapen omdat ’n mensch zonder behoorlijk voedsel en zonder behoorlijke nachtrust niet in ’t leven blijven kan. Toen was z’n vrouw gekomen en had de sabel van de wand genomen en was er mee naar de keuken gegaan om zooals ze iedere Vrijdag met dat wapen deed, het ding tegelijk met het andere koper- tin- blik- en ijzerwerk glimmend te poetsen. Het gevest van de sabel werd met poetspommade behandeld evenals de koperen plaat van de koppel en het puntstuk van de scheede. Daarna was ze gewoon de sabel uit de schee te trekken, altijd ’n beetje voorzichtig ofschoon het wapen niet scherp geslepen was en dan werd het blanke staal met vaseline ingesmeerd, want volgens de veldwachter die in z’n jeugd soldaat geweest was, moest je je wapens altijd goed onder ’t vet houden, anders roestten ze maar.
De vrouw trok de sabel naar gewoonte uit de schee en was daar al ’n heel eind mee gevorderd toen ze bespeurde dat er achter het gevest niets, niemendal uit de scheede te voorschijn kwam. Eerst keek ze zonder te begrijpen en toen werden d’r oogen hoe langer hoe grooter en toen ze met de linkerhand de scheede losgelaten had en onwillekeurig met die hand naar de sabel voelde, liet ze plotseling het heele ding op de aanrecht vallen, gaf ’n gil en stond ’n oogenblik later voor de snurkende veldwachter te schreeuwen, die onmiddellijk uit z’n bed sprong en vroeg of er brand was. Het duurde ’n heele tijd eer de vrouw in plaats van te schreeuwen en te gillen ’n fatsoenlijk woord zeggen kon en dat woord was natuurlijk: „S-sa-bel!”
„Wat, sabel... wat klets je toch van m’n sabel!”
„Is... weg.”
„Je bent niet goed,” mopperde de veldwachter. „Kijk uit je oogen, ’t ding hangt aan de spijker net als altijd. Ik heb ’m d’r zelf neergehangen.”
„Nee...” zei de vrouw... „dat is ’t niet. Je sabel is onzichtbaar.”
„Mijn sabel!” mompelde de veldwachter... „mensch weet je ’t wel goed?”
Met ’n paar groote stappen was de veldwachter in de kamer, waar hij z’n wapen aan de nagel gehangen had en toen ie ’t daar niet zag of voelde, ging hij naar de keuken.
„Wat klets je toch,” riep hij z’n vrouw toe, die nog altijd in de slaapkamer was. „M’n sabel ligt op de aanrecht.”
Hij pakte z’n sabel op, die weer in de schee gegleden was, doch toen kwam z’n vrouw voor de dag en zei:
„Trek ’m uit de schee, dan zal je ’t zelf wel zien.”
De veldwachter deed het en toen was het zijn beurt om met open mond z’n wapen aan te staren. In de eene Hand had hij de scheede en in de andere blijkbaar niets anders dan het gevest.
„Da’s akelig!” zei de veldwachter eindelijk. „Ik ga dadelijk naar de burgemeester.”
De burgemeester bekeek en betastte de sabel nauwkeurig en zei daarna:
„Ik begrijp niet wat jullie allemaal voor ezels bent. Nou zit je me daar dag en nacht op die boerderij, je ontdekt niks en tenslotte wordt je eigen sabel onzichtbaar. Nou begrijpt toch iedereen dat jullie daar je tijd verslaapt, of niet? Als je wakker geweest was, zou niemand er toch in geslaagd zijn, iets aan je sabel te doen? ’t Is ’n schandaal, versta je dat, ’n schandaal! Ben jullie veldwachters? ’t Is me wat moois! Veldsuffers ben jullie! Vooruit naar de boerderij. En vanavond kom ik zelf! Doe je sabel om!”