Part 5
„Met de lichtbak,” zei Piet. „Vader wil niet hebben dat ze er ’s nachts op uit gaan, maar ze doen ’t toch wel es. En dan moeten ze hieruit, want vader sluit de deuren zelf en dan neemt ie de sleutels mee.”
Koen vond zoo’n klimpartij aan ’n touw toch wel leuk en ofschoon hij wist dat z’n vader het wel heel niet zou goedkeuren, ging ie toch maar langs het touw naar beneden. Piet was al voorgegaan en samen slopen ze nu langs het achterhuis naar het voortuintje. Als m’nheer Bruggemans die tuin ingegaan was met Klaas dan moest ie al heel gauw ontdekken dat z’n geweer er ’n beetje raar uitzag, want de lamp brandde nog in de voorkamer waar mevrouw Bruggemans nog zat te lezen. De jongens konden uit hun schuilplaats tusschen een paar struiken net in de kamer zien. Er was niemand als Koen z’n moeder die heel stil telkens ’n blad van haar boek omsloeg. De twee nachtwakers waren zeker de andere kant opgegaan en nu wachtten de jongens geduldig tot ze terug zouden komen van hun ronde. Piet had wel eerst naar de telefoonpaal gewild maar Koen had het afgeraden. Je kon nooit weten of ze die kant niet ’n eindje waren opgeloopen en als ze hen ontdekten liep het mis.
Eindelijk hoorden ze stemmen. M’nheer Bruggemans praatte voor ’n schildwacht veel te luid en de jongens kropen een beetje verder onder de struiken toen de stem al duidelijker werd. Klaas konden ze niet zoo goed hooren. Die sprak wat zachter. Maar die was ook meer ’s nachts er op uit geweest en die wist dat je in den nacht ’n stem heel ver hooren kunt. M’nheer Bruggemans konden ze heel duidelijk verstaan.
„Drommels,” zei m’nheer Bruggemans, „m’n vrouw is warempel nog op. Die vergeet altijd de klok als ze zit te lezen. Klaas ik zal haar even gaan zeggen dat het al over tienen is.”
„Nou komt ie met z’n geweer in ’t licht,” fluisterde Piet, „zal je wat beleven.” Ze loerden samen door de blaren en zagen m’nheer met Klaas de tuin in loopen. „Daar heb je ’t al,” zei Koen. „Klaas merkt ’t.”
Klaas was plotseling in het smalle paadje blijven staan en gaapte z’n geweer aan of tenminste dat gedeelte van het geweer dat zichtbaar gebleven was.
„Wat heb je?” vroeg m’nheer Bruggemans zich omkeerend. „Wat kijk je beteuterd. Waar kijk je zoo naar?”
Maar de jongens hoorden geen antwoord van Klaas. Die scheen zoo verbouwereerd dat ie geen woord kon uitbrengen. M’nheer Bruggemans keek Klaas aan en begon toen zichzelf ook eens te bekijken en hij keek natuurlijk het eerst naar z’n rechterbeen omdat ie dacht dat Klaas daar wat aan zag. Doch m’nheer Bruggemans had nog nergens erg in, want hij droeg het geweer aan de riem.
„Wat is er toch met me?” vroeg m’nheer Bruggemans nog eens. Terwijl hij dat zei nam hij zonder er bij te denken het geweer van z’n schouder en toen zag hij het natuurlijk ook.
„Lieve hemel,” zei m’nheer Bruggemans, „wat ’s dat voor ’n ding. Ik heb de kolf verloren!”
Doch ’n oogenblik later zag hij dat de draagriem nergens meer aan vast zat en toch net deed of er wat aan hing.
„’t Is half weg.” zei Klaas opeens. „M’nheer ze hebben onderweg het geweer half onzichtbaar gemaakt.”
M’nheer Bruggemans betastte het heele geweer en merkte dat het nog heelemaal aanwezig was, maar dat je het gedeelte dat van hout gemaakt was niet meer zien kon. Voelen kon je het daarentegen net als altijd. Ook merkte hij nu dat het metaal onder aan de kolf nog wèl zichtbaar was en hij zag ook de schroeven.
„Da’s ’n gekke geschiedenis,” prevelde m’nheer, zoo zacht dat de twee in de struiken het ternauwernood konden hooren. En daarna zei hij wat luider:
„Heb jij dat geweer boven je bed vandaan gehaald?”
„Ja m’nheer en toen was het er nog heelemaal.”
„Het is er nu ook nog heelemaal. Maar heb jij het heelemaal gezien?”
„Ik heb het heel niet gezien,” zei Klaas. „Ik heb het in de donker maar zoo meegepakt.”
„Dan kan het wel vroeger onzichtbaar gemaakt zijn,” zei m’nheer. „Onderweg kan het onmogelijk gebeurd zijn. Ik heb niks gevoeld. Laten we even in huis gaan bij m’n vrouw. Ik moet dat geweer eens wat nauwkeuriger bekijken.”
Ze gingen samen naar binnen en toen trok Piet Koen mee.
„Waar ga je heen?” fluisterde die.
„Kijken,” fluisterde Piet terug.
„Dan zien ze ons.”
„Nee, ga maar mee.”
Piet ging vooruit en zoo slopen ze als ’n paar inbrekers langs het huis tot ze bijna bij het open venster waren waarachter mevrouw Bruggemans had zitten lezen. Toen bukte Piet en zat ’n oogenblik later onder het venster met Koen naast zich. Als er iemand in de kamer z’n hoofd naar buiten gestoken had zou hij onmiddellijk de jongens hebben kunnen zien. Maar daarbinnen hadden ze het zoo druk met het half onzichtbare geweer dat niemand er aan dacht naar buiten te zien en bovendien dachten ze geen van drieën in de verste verte aan Koen of Piet, net zoomin als dat ze vermoeden konden, dat die twee jongens meer wisten van dat geheimzinnige onzichtbaar worden dan zij met hun allen.
Koen hoorde z’n moeder allerlei uitroepen doen van verbazing, hij hoorde Klaas nu en dan wat mompelen dat ie niet verstaan kon en hij hoorde z’n vader volhouden dat er die dag iemand in de boerderij moest geweest zijn die het geweer gedeeltelijk onzichtbaar gemaakt had. M’nheer hield verder vol dat die man of wat het dan ook mocht geweest zijn, bepaald in z’n werk gestoord was anders had ie het geweer wel heelemaal onzichtbaar gemaakt.
Weer kreeg Koen groote lust op te staan en aan z’n vader alles te vertellen. Maar hij deed het toch weer niet, want Piet trok hem aan z’n mouw en sloop weg. Koen volgde.
„Nou moeten we gauw naar de telefoonpaal,” fluisterde Piet toen ze weer veilig ’n hoek van het huis om waren.
„Goed,” antwoordde Koen, maar hij had er niet veel zin in.
Ze slopen om het huis heen en wilden juist in de struiken kruipen toen Klaas als ’n donkere schim van de tegenovergestelde kant kwam. De jongens stonden plotseling doodstil. Geen vin verroerden ze meer. Wachten tot Klaas weg was, dat was alles wat ze te doen hadden. Ze hielden de adem in, Klaas kwam dichterbij. Nu was ie geen vier stappen meer van hen af. Nog ’n paar seconden, dan was ie voorbij. Opeens scheen Klaas zich te bedenken. Hij stond stil. Koen kreeg ’n gevoel in z’n keel of hij hoesten moest en hij kneep z’n lippen stijf op elkaar. Z’n oogen wendde hij niet van de donkere schaduw af die Klaas was. Soms zag hij hem heel duidelijk, doch dan opeens leek de heele Klaas wel verdwenen, was alles gelijk zwart. Tot Klaas weer ’n beweging maakte, dan zag ie ’m weer duidelijk.
Wat duurde dat lang! Waarom talmde die Klaas daar nou zoo lang? Koen kon bijna niet meer stil staan.
Dat duurde zoo nog ’n heele tijd. Hoe lang dat wist Koen niet. Maar ’t leek heel erg lang. En toen ging Klaas opeens zitten op ’n omgekeerde tobbe die daar stond. Piet stiet Koen zacht aan. Dat beteekende zeker dat ie zich nog stiller moest houden dan ie al deed. Koen vond het alles behalve lollig. Klaas zat daar vlak voor hen met het geweer dwars op z’n knieën. Ze konden nu niet meer weg. En als Klaas zoo zitten bleef, moesten zij daar blijven staan en als het dan zoo meteen dag werd waren ze er gloeiend bij. Nee, het was geen aangename positie.
Opeens trok Piet hem weer aan z’n mouw en toen kwam Piet met z’n hoofd heel dicht bij Koen z’n oor en Koen hoorde Piet fluisteren: „Hij maft.”
Meteen verdween Piet onhoorbaar tusschen de struiken en Koen was er gauw bij om hetzelfde te doen.
’n Oogenblik later stonden ze op de weg en gingen ze voorzichtig naar de paal. Ze wisten precies waar die stond en bovendien hoorden ze boven zich het gezoem van de twee draden die altijd ’n liedje zongen als er ’n beetje wind was. Maar het was zoo pikkedonker dat ze van de paal geen steek konden zien.
„Hier heb ik ’m,” fluisterde Piet.
„Ik voel ’m ook,” zei Koen.
„Hij zal nou wel heel onzichtbaar zijn,” meende Piet. „De machine heeft nu minstens twee uur gewerkt.”
„Denk ik ook wel,” zei Koen.
„Zeg,” fluisterde Piet, „da’s ook wat... ik voel de machine nergens, voel jij es”.
„Ik voel niks,” zei Koen. „’t Heele ding is weg.”
VIJFDE HOOFDSTUK.
Waarin mijnheer Bruggemans met de verdwijn-machine begint te werken en de boer en de boerin iets onmogelijks zien.
Zwijgend waren ze naar de boerderij teruggekeerd en langs het touw hadden ze veilig hun zolderkamertje bereikt. Onder het uitkleeden had Piet nog gezegd: „’t Is gestolen.”
En Koen had geantwoord: „We hadden het daar niet zoo alleen moeten laten staan. ’t Was stom.”
Toen lagen ze allebei onder de wol en vergaten het heele kistje. Ze hadden slaap.
Klaas zat nog altijd op de omgekeerde tobbe te slapen met het geweer dwars op z’n knieën.
De eenige die nog op was en klaar wakker, dat was m’nheer Bruggemans en die zat in de voorkamer bij het tuintje met de luiken dicht vlak bij de tafel waarboven de petroleumlamp brandde en voor hem stond het leeren koffertje met de verdwijn-machine van professor Wells en m’nheer zat aandachtig te lezen in de papieren die Koen maar met moeite en ten deele had kunnen ontcijferen. M’nheer Bruggemans had er niet zooveel moeite mee als Koen. Hij las dat engelsch net zoo gemakkelijk als hollandsch.
M’nheer Bruggemans was met z’n fietslantaarn er op uitgetrokken toen Klaas op de tobbe zat en de twee jongens daar zoo doodstil onder de struiken stonden. Hij had het half onzichtbare geweer maar thuis gelaten en toen hij eenmaal het tuintje uit was had ie het in z’n hoofd gekregen de lantaarn aan te steken.
Hij vond het wel wat erg donker en je kon nooit weten of die geheimzinnige baas met de machine van professor Wells niet om de boerderij rondsloop. Met het licht van z’n lantaarn wilde hij wel eens de omtrek verkennen. Het was ’n sterke lantaarn die ’n heel eind de omtrek verlichtte. Toen de lantaarn aan was voelde m’nheer Bruggemans zich wel zoo op z’n gemak. Hij liet de lichtbundel voor zich uit langs de weg spelen en kon wel twee honderd meter ver alles duidelijk onderscheiden. Als ’n zoeklicht gleed de dikke lichtkegel eerst langs de weg en daarna aan weerskanten over het veld. De lichtstralen raakten de telefoondraden en toen werd mijnheer Bruggemans aandacht getrokken naar de witte porceleinen isolators die op hun gegalvaniseerd ijzeren stangen aan de paal waren bevestigd. Natuurlijk moest toen ook de fietslantaarn de paal zichtbaar maken maar tot m’nheer Bruggemans groote verwondering was er geen paal te bekennen. Toch liepen de draden met ’n bocht omhoog naar de porceleinen dingen, die in de lucht leken te hangen.
„Hé!” mompelde m’nheer Bruggemans en met groote stappen beende hij de weg op tot ie met z’n neus haast tegen de onzichtbare paal aan liep. Hij stak de hand uit en bevoelde de paal. Die was er. Maar zien kon je er niets meer van. Het ijzeren plaatje met het nummer scheen daar boven m’nheer Bruggemans hoofd in de lucht te zweven en nog wat hooger deden de isolators hetzelfde. Maar het malste was dat je nu ook ’n gat in de grond zag, ’n diep gat. Ook dat stuk van de telefoonpaal was onzichtbaar geworden. Doch toen zag m’nheer Bruggemans ook de roode knop en het touwtje waarmee Piet de knop tegen de paal gebonden had. En natuurlijk ook het koffertje met het kistje erin.
In ’n ommezien zat m’nheer Bruggemans op z’n knieën en bekeek met z’n neus bijna op het koffertje aandachtig het heele toestel. Z’n lantaarn verlichtte nu enkel nog het kleine plekje op de grond waar het koffertje stond.
Na eenige oogenblikken richtte m’nheer Bruggemans zich ’n beetje op liet het licht van z’n lantaarn de heele omtrek nauwkeurig langzaam afspeuren. Hij bemerkte blijkbaar niets dat op onraad leek. Daarna bukte hij zich weer over het koffertje, haalde ’n nagelschaartje uit z’n vestzak en knipte voorzichtig het touw door waarmee de roode knop tegen de paal gebonden was. Nog voorzichtiger plaatste hij de knop in het kistje, alsof hij bang was dat het ding hem oogenblikkelijk onzichtbaar zou maken. Toen blies hij z’n lantaarn uit, nam het koffertje bij het hengsel en m’nheer Bruggemans draafde er bijna mee naar huis.
Voor de deur die op ’n kier stond, trok hij z’n schoenen uit, stapte onhoorbaar naar binnen en keek om de hoek van de deur of hij mevrouw Bruggemans ook nog zag. Die was echter al naar bed en toen sloot m’nheer Bruggemans de deur van de slaapkamer, ging weer naar buiten en sloot de luiken.
„Ziezoo,” prevelde m’nheer Bruggemans, „nu zullen we eens zien wat we daar opgedaan hebben. Het is bepaald het wondermachien van die professor en degeen die het daar bij de paal gezet heeft zal wel raar opkijken als ie terugkomt om z’n machientje te halen.”
Voorzichtig deed ie het koffertje weer open, nam het kistje er uit en bekeek het nogeens nauwkeurig onder de lamp. Toen kreeg hij evenals Koen de papieren in de gaten.
„Ah!” zei m’nheer Bruggemans bijna hardop. „Papieren!”
Een oogenblik later zat hij verdiept in de lectuur. En hij las al de bladen achter elkaar door. Onder het lezen had ie verscheiden malen met het hoofd geknikt alsof hij er alles van begreep en toen hij aan ’t eind was, nam hij z’n notitieboekje en begon verschillende dingen uit de papieren op te teekenen.
„Ziezoo,” zei m’nheer Bruggemans in zichzelf, „nu weet ik er alles van. Morgen schrijf ik weer aan die professor dat z’n uitvinding terecht is. Maar eerst zal ik er zelf toch eens ’n paar proeven mee nemen. Het is haast te wonderlijk om het te gelooven en als ik die haan en dat geweer en nu die telefoonpaal weer niet zelf onder m’n neus gehad had, zou ik er om lachen.”
Hij zat ’n oogenblik in gedachten en keek onderzoekend de kamer rond. Hij was nieuwsgierig om te weten hoe ’t in z’n werk ging en zocht nu naar iets waarop hij de kracht van de machine zou kunnen beproeven. Wat zou hij nemen? ’n Oogenblik keek hij naar ’n vaasje op de schoorsteenmantel. Maar als dat onzichtbaar werd zouden ze het dadelijk missen en m’nheer Bruggemans was niet van plan aan iemand anders dan aan professor Wells iets van het vinden der machine te vertellen. Hij had besloten de zaak geheim te houden, zelfs tegenover mevrouw Bruggemans. Als hij er niemand iets van meedeelde, kreeg hij ook geen last met de dieven, die ’t bij de paal gezet hadden en geen vervelende drukte met de politie. Hoofdzaak was, dat Professor Wells z’n kistje terugkreeg en daar zou hij voor zorgen.
Zoo dacht m’nheer Bruggemans erover en toen besloot hij maar iets onzichtbaar te maken, dat hij in z’n zak kon bewaren. Dan merkte niemand er iets van en hij had toch aan z’n nieuwsgierigheid voldaan. Hij voelde in z’n zak en het eerste voorwerp dat hij aanraakte leek hem al heel geschikt voor de proef. Het was ’n barnsteenen sigarenpijp. M’nheer Bruggemans legde de pijp voor zich op tafel en begon de bewerking zooals hij die gelezen had in de papieren uit het koffertje.
Het kwam precies allemaal uit zooals het in die papieren stond en de pijp was binnen vijf minuten onzichtbaar. Toen was m’nheer Bruggemans tevreden. Hij deed het kistje met de papieren weer in het koffertje en daarna deed hij na eenig nadenken hetzelfde wat Koen en Piet gedaan hadden. Hij verstopte het koffertje van professor Wells in ’n kleerenkoffer.
M’nheer Bruggemans stak ’n sigaar op en rookte die uit z’n onzichtbare pijp. Hij vond het toch buitengewoon. Z’n sigaar scheen ’n eindje voor z’n mond in de lucht te zweven en als hij ’n trekje deed zag hij ’n dun rookstreepje. Dat pijpje was ’n wonderding, dat ie zuinig zou bewaren. Wat zouden z’n kennissen in de stad daar gek van opkijken als hij op die manier ’n sigaar zat te rooken.
Slaap had m’nheer Bruggemans heelemaal niet. Hij zat te denken over de uitvinding van professor Wells en hij keek zoo af en toe eens in z’n notitieboekje, waarin hij aanteekeningen gemaakt had uit de papieren in het koffertje. „Sjonge, sjonge,” dacht m’nheer Bruggemans, „je kan er alles mee onzichtbaar maken... En met die andere machine die hij ook heeft uitgevonden kan je daarna de dingen weer zichtbaar maken ook. Als ik die andere machine ook had zou ik het wel eens willen probeeren met mezelf. Het moet toch verbazend leuk zijn als je onzichtbaar rondloopen kon. Kom, ik schrijf nog maar dadelijk aan die professor in Yale. Die man zal blij zijn met mijn brief.”
M’nheer Bruggemans ging aan ’t pennen en schreef door tot het heele vel papier vol was. Hij had de professor alles meegedeeld, hoe hij het koffertje gevonden had en dat ie zoo vrij geweest was de papieren eens door te lezen. Dat ie daarna ’n sigarenpijp onzichtbaar gemaakt had, maar hij schreef ook dat er al ’n onzichtbare haan op het boerenerf rondliep en dat er ’n onzichtbare telefoonpaal aan de weg stond. Degenen die het kistje voor hem in bezit gehad hadden waren er dus ook al mee aan ’t werk geweest en m’nheer Bruggemans schreef dat het vermoedelijk de dieven waren die het kistje gestolen hadden, maar dat het nu veilig in ’n koffer opgeborgen was en dat hij het veilig zou bewaren tot de eigenaar het terug kwam halen.
„Ziezoo, morgen vroeg gaat die brief op de post en dan heeft hij ’m over acht dagen.”
M’nheer Bruggemans deed de brief in ’n envelop, schreef er het adres op en stak hem in z’n portefeuille. Daarna blies hij de lamp uit en ging naar bed.
Toen Piet en Koen wakker werden liepen de kippen al over het erf en had de onzichtbare witte al ’n paar keeren z’n zwarte tegenstander bij de kam gehad.
De jongens hadden zich ’n beetje verslapen. Op ’n andere tijd zou vader, Klaas of iemand anders gestuurd hebben om Piet uit bed te trommelen, want verslapen was iets waar vader niet van hield. Er was ’n tijd van opstaan en aan ’t werk gaan en daar had ieder op de boerderij zich maar aan te houden. Doch die morgen was Klaas half uitgeslapen op z’n omgekeerde tobbe wakker geworden en herinnerde zich dadelijk alles van de vorige avond. Toen was ie gauw om het huis heen geloopen en vond daar de voordeur open, die m’nheer vergeten had te sluiten, en het half onzichtbare geweer tegen de muur in de gang. Deuren openlaten is iets verschrikkelijks bij de boeren. Overdag mag je open laten wat je wil, maar als je naar bed gaat, moet alles potdicht.
Klaas bedacht gauw dat ie van die open voordeur maar niks aan vader zou zeggen, want dan kreeg hij natuurlijk op z’n kop. Ook zou ie ’t maar verzwijgen dat ie bijna de heele nacht had zitten slapen op de tobbe. Dat wist toch geen mensch dacht ie. Maar het rare geweer nam ie mee en toen hij weer bij het achterhuis kwam, hoorde hij al gestommel binnen. De lui waren dus op.
Klaas ging naar binnen en ’t eerste wat ie deed was z’n vader, z’n moeder, z’n broer en Mie het geweer onder de neus te houden. En die keken mal!
„Wa’s dat nou weer?” informeerde moeder.
En Klaas legde haar uit dat het zijn geweer was.
Vader betastte het en Dirk de andere broer ook. Maar moeder wou het voor geen geld aanraken en Mie deed het toen ook maar niet. Klaas deed onderhand ’n omstandig verhaal van z’n wacht, dat ie niks verdachts gezien of gehoord had en dat m’nheer Bruggemans al gauw naar bed gegaan was.
Toen ie zoover was, kwamen Koen en Piet binnen. Ze zeiden maar niemendal. Dat was het veiligst en ze snapten al gauw dat Klaas althans van het koffertje niets afwist. Ze bekeken het rare geweer alsof ze het nooit van hun leven gezien hadden en Piet deed zoo verbaasd als ie maar kon. Zoo ’n huichelaar! Niemand had dan ook het minste argwaan tegen die twee.
Klaas sprak niet van de onzichtbare telefoonpaal. Hij scheen daar dus ook niets van te weten. Als je uit het venster van de kamer keek kon je die paal net nog boven ’n paar appelboomen uit zien steken. Koen en Piet hadden dat tersluiks al gedaan. Ze zagen de draden en de witte porceleinen potten in de lucht hangen, doch de anderen hadden het zoo druk over het geweer en Klaas z’n wachthouderij dat ze niet een enkele keer het venster uitkeken. Als ze het gedaan hadden zouden ze misschien toch de paal niet dadelijk gemist hebben. Dingen die je altijd voor je neus hebt staan, zie je niet meer en je mist ze ook niet onmiddellijk als ze weg zijn.
Terwijl de oudere jongens de melkemmers opnamen om te gaan melken in het weiland dat het verst van de boerderij lag, stonden Piet en Koen al op vader te wachten die altijd zelf de koeien molk die dichtbij liepen in ’n stuk land in de buurt van de telefoonpaal. Piet molk al mee en Koen stond er gewoonlijk bij te kijken. Hij had dat melken ook al eens geprobeerd, maar dat was hem niet erg meegevallen. Vooreerst had ie ’t al niet erg lekker gevonden dat je zoo met je hoofd tegen zoo’n koeien lijf zat en toen de koe hem ’n oogenblik later tot groot vermaak van Piet ondersteboven gooide had Koen het melken maar voor goed opgegeven. Toch ging hij iedere morgen graag mee en nu ze langs die onzichtbare paal moesten deed ie ’t nog liever. Dat kon goed worden.
Als de boeren ’s morgens gaan melken hoor je wel het geklos van hun klompen zoolang ze nog niet in ’t zachte gras loopen en het gerinkel van de emmers aan de kettingen van het juk. Maar praten hoor je de boeren zelden. Ze hebben elkaar niet veel te vertellen en misschien zijn ze ook nog niet heelemaal goed wakker. Vader liep ook zwijgend vooruit, puffend aan z’n pijp. De blauwe rookwolken krinkelden boven z’n pet uit. Piet droeg het juk met de emmers. Als ze vol waren droeg vader ze zelf. Piet en Koen waren vol aandacht voor de boer die zwijgend en dampend voor hen uitliep. Hij naderde hoe langer hoe meer de paal. Nou moest ie ’t toch gauw merken dat ’t ding weg was. Maar tot groote verwondering van Koen en Piet stapte de boer de onzichtbare paal voorbij zonder op te kijken.
„Wa’s dat nou?” zei Koen zacht. „Hij ziet het niet!”
„Wacht maar even” zei Piet even zacht.
Vlak voor de paal bleef Piet staan en Koen natuurlijk ook. Piet keek aandachtig in de lucht. De boer liep door.
„Vader!”
De boer draaide zich om.
„Nou? Kom, vort!”
Kom vort beteekende: kom vooruit, maar Piet kwam niet, keek aldoor in de lucht.
„Wat sta je te kijken?”
„De paal!” zei Piet.
„Paal?”
De boer kwam met groote stappen terug. Hij begreep wat er aan de hand was.
„De paal is weg,” zei Piet.
„Hij staat er nog,” zei Koen, „maar hij is onzichtbaar.”
„Dat bedoel ik ook,” zei Piet weer.
„Te deksel,” mompelde de boer, „’t wordt erg. Piet ga je moeder roepen.”
„Moeten we eerst niet gaan melken?” vroeg Piet.
„Doe wat ik je zeg, ga je moeder halen.”