Chapter 14 of 15 · 3977 words · ~20 min read

Part 14

„En nu ga ik ’n pruik van Blubberdub opzetten. Die detectives hebben altijd van die vermommingen bij de hand. Ik ken ze al zoo lang. En dan zal ik als u het goedvindt ook maar zoolang wat kleeren van Maccassy aantrekken. Die is net zoo groot als ik. Ze passen me precies.”

„En dan ga je er vandoor hè?”

„Nee professor... ik ga er niet vandoor. Tenminste niet voor ik u de machines terug bezorgd heb. Ik ben nooit van plan geweest om die dingen te houden. Ik wou er alleen maar proeven mee nemen op mezelf. Zooals u ziet heb ik dat gedaan, maar ’t is ’n beetje verkeerd uitgevallen.”

„Vooruit dan maar,” zei professor Wells, „ik zal je maar gelooven. En ik beloof je dat ik je weer zichtbaar zal maken, zoodra ik de twee machines terug heb.”

„Afgesproken,” zei het masker en ging naar de deur.

Professor Wells ging nu niet mee. Hij had besloten die onzichtbare Jim Pimpelmees maar ’n beetje te vertrouwen, omdat het toch niet anders kon. Misschien ging ie er vandoor. Maar daar kon hij toch ook niets aan doen. Je had geen houvast aan zoo’n onzichtbare inbreker.

Maar Jim Pimpelmees was na ’n paar minuten alweer terug en ditmaal geleek hij op ’n gewoon mensch. De kleeren van Maccassy pasten hem precies alsof ze voor hem gemaakt waren. Hij had ’n pruik op en handschoenen aan. En ’n donkere bril met groote glazen verborg tamelijk goed die leege oogkassen.

„Ziezoo professor, als u nu niet al te nauwkeurig kijkt, kan ik er mee door. Ik wil u wel zeggen, dat ik me al veel plezieriger voel nu ik maar zoo nagemaakt zichtbaar ben. Het is niks gedaan voor ’n mensch om onzichtbaar te zijn.”

„En vertel me nu eens hoe je van plan bent om me die verdwijn-machine terug te bezorgen. Maccassy en Blubberdub zijn er zooals je misschien weet ook al op uit.”

„Ja dat weet ik professor.... ik heb ze vandaag allebei nog gezien. Ze zijn er achter gekomen in welke buurt uw machine uithangt. Maar dat was geen kunst, want het stond in de kranten.”

„In de kranten? Wat weten de kranten daarvan?”

„O dat kan ik u wel ophelderen. De een of ander heeft uw verdwijn-machine gevonden, ik had het kistje namelijk in ’n bosch verstopt, en die heeft er mee gewerkt. Die heeft er ’n telefoonpaal mee laten verdwijnen en ’n varken en nog meer dingen geloof ik en dat wordt gauw ruchtbaar.”

„Dus is de machine niet meer waar jij hem verstopt hebt?” zei professor Wells opgewonden.

„Nee professor... Toen ik er naar ging kijken, was ie weg.”

„Maar man,” riep professor Wells, „wat ben je toch voor ’n idioot.... hoe kan je mij nu mijn machine terug brengen als je niet weet waar ie is.”

„Ho even professor,” zei Jim lachend, „ik was daar onzichtbaar, nog voor Maccassy en Blubberdub er waren en zoo kon ik op die boerderij waar die dingen onzichtbaar geworden waren alles op m’n gemak nasnuffelen. Uw verdwijn-machine staat veilig opgeborgen in het kippenhok.”

Professor Wells zei daar niets op. Hij zat na te denken. Kon hij die rare snuiter die daar met ’n geschilderd gezicht tegenover hem zat, vertrouwen? Natuurlijk niet. ’t Was ’n dief, misschien ’n vreemdsoortige dief, die altijd alleen maar vreemdsoortige dingen stal en geen geld of kostbaarheden. Maar ’n inbreker was ie en bleef ie. Kon je nu zoo’n vent vertrouwen?

„Waarom heb je die verdwijn-machine maar niet dadelijk hier heen gebracht, toen je ’t kistje in dat kippenhok ontdekt had?” vroeg professor Wells eindelijk.

„Wel professor dat ging toch niet? Hoe kon ik nu zoo onzichtbaar als ik was met dat ding gaan loopen? Bovendien wordt die boerderij dag en nacht bewaakt door de politie.... neen, neen, dat ging absoluut niet.”

„Hoe kan ik weten, dat je me niet bedriegt?”

„Ja, dat weet ik niet. Maar professor u kan er de proef van nemen. We gaan samen naar die boerderij. Ik wijs u de plaats waar de verdwijn-machine is en u neemt uw eigendom weer in bezit. Als u zegt wie u bent dan kan niemand u dat beletten. Maar u maakt me eerst weer zichtbaar. De andere helft van uw machine heb ik hier in de buurt.”

„Nee,” zei professor Wells. „Ik maak je niet eerst zichtbaar. Eerst breng je me de machine die je op het schip gestolen hebt. Dan gaan we samen naar die boerderij en je bezorgt me ook die andere machine terug en dan maak ik je weer tot ’n gewoon mensch.”

„Daar komt niets van,” zei Jim Pimpelmees. „Ik heb er genoeg van om onzichtbaar rond te loopen of zoo half zichtbaar als ik nu ben. Toe professor doe ’t maar. Binnen vijf minuten heb ik die machine hier.”

„Ik doe het niet Jim Pimpelmees. Eerst die andere machine of jij blijft tot aan je dood onzichtbaar. Kom man, we gaan dadelijk op reis, wij samen en morgen ben je weer zichtbaar, zoo waar als ik Wells heet.”

„Hebt u ’n spoorboekje hier,” vroeg Jim Pimpelmees na ’n oogenblikje nadenken.

„Jawel hier is het.”

Jim Pimpelmees bladerde haastig in het boekje en zei toen: „Als we ons haasten, kunnen we net nog de laatste trein halen.”

„Waar moeten we heen?”

„Naar Apeldoorn.”

„Best. Ik ben klaar. Maar jij haalt eerst die machine. Kan dat?”

„Jawel professor,” antwoordde Jim lachend. „Ik logeer hier ook in het hotel.”

„Wat? Hier in het Amstelhotel.... vlak in de buurt van Maccassy en Blubberdub?”

„Jawel Professor, voor die twee was ik niet bang. Maar ik wou graag in uw nabijheid blijven, ziet u, vanwege dat zichtbaar maken.”

„Vooruit dan. Ik wacht je hier.”

’n Kwartier later zaten ze in de trein naar Apeldoorn.

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

Waarin m’nheer Bruggemans ergens achter komt en Maccassy en Blubberdub inbrekers worden.

M’nheer Bruggemans was thuisgekomen van het gemeentehuis en had dadelijk de boerenfamilie verteld dat de vermoedelijke dieven van de verdwijn-machine gesnapt waren en dat het dus nu wel uit zou zijn met al die akeligheid. Koen en Piet waren er bij en ze vroegen of het die oude heer was met de witte baard en die andere met het zwarte haar en de zwarte snor, die zij bij het bosch gezien hadden. M’nheer Bruggemans die niets van witte baarden en zwarte snorren afwist, zei natuurlijk dat die het niet waren, maar hij vroeg de jongens het een en ander omtrent die twee vreemdelingen die zij bedoelden en toen kwam hij tot de gevolgtrekking dat het de twee detectives wel konden zijn, waarover professor Wells hem in de telefoon gesproken had.

„Komt professor Wells hier?” vroeg Koen.

„Dat weet ik niet jongen. Waarom vraag je dat?”

„Och zoo maar,” antwoordde Koen. „Denkt u dat die detectives hier gekomen zijn om naar de verdwijn-machine te zoeken?”

„Ik denk dat ze eerder naar de dief zullen zoeken,” zei m’nheer Bruggemans lachend.

Op dat oogenblik kwam Klaas binnen die naar het dorp geweest was en die viel, zooals het spreekwoord zegt, zoo maar met de deur in huis:

„Weten jullie ’t al dat ze die rare kerels in de toren gestopt hebben? Ze hebben d’r allemaal aan meegedaan om ze te vangen, want ze vochten als duvels. Maar de smid pakte de een bij z’n nek en toen verloor die z’n haar en z’n baard en de ander had ook al ’n pruik op en ’n nagemaakte snor.”

„Wat zeg je?” zei m’nheer Bruggemans. „Weet je ’t zeker?”

„Nou wat goed, de smid heeft het me zelf verteld.”

„Wel nou nog mooier,” mompelde m’nheer Bruggemans.... „nou zullen het toch de detectives zijn.”

M’nheer Bruggemans ging zonder verder ’n woord te zeggen de kamer uit, sprong op z’n fiets en reed zoo snel hij kon regelrecht naar de burgemeester.

„Wat mankeert er aan jouw vader?” zei Piet toen ie met Koen ’n paar minuten later buiten was.

„Ik weet het niet.... ik hoorde hem zeggen: Nou zullen het toch de detectives zijn.”

„Hoe zei je dat, detec?”

„Detectives... dat zijn ’n soort geheime politieagenten, die misdadigers opsporen.”

„O.... nou ik geloof wel dat het zoo is.... Toen die eene vanmiddag achter die fiets aanholde.... waar die onzichtbare kerel op zat... dat zal de dief wel geweest zijn, denk je ook niet?”

„Dat kan best... ’n onzichtbare dief... ’t wordt hoe langer hoe mooier.”

„Leelijker wil je zeggen. Weet je wat we doen moesten Koen? We moesten hem maar weer stiekem naar het bosch zien te brengen op dat plekje waar jij hem gevonden hebt.”

„Maar jô,” zei Koen, „we zouen de verdwijn-machine aan professor Wells terugbezorgen en die is, dat heb je toch zelf gehoord, al in Amsterdam. Vader heeft hem gescheven, dat weet je toch ook.”

„Da’s allemaal goed en wel Koen, maar ik geloof dat we beter doen als we dat ding brengen waar we ’t vandaan gehaald hebben. Ik heb er niks mee op.”

„Maar als we hem eens schreven, dat we die machine hebben.... als ik het nou aan vader vertelde, dan kon die...”

„Nee Koen, dat doen we niet. Ik ben bang voor die onzichtbare kerel, da’s één. En ik ben bang voor vader, da’s twee. Laten we die machine weer maar brengen, waar we hem gevonden hebben.”

Koen was het er wel niet mee eens, doch hij liet zich ouder gewoonte weer door Piet belezen.

Doch hoe moesten ze hem dat lappen? ’t Moest nog diezelfde avond gebeuren of als dat mislukte in ieder geval de volgende morgen vroeg. En natuurlijk zonder dat iemand er erg in had.

Die avond kwam er niets van.

M’nheer Bruggemans was zoo hard ie kon naar de burgemeester gefietst. En onder het fietsen had ie aldoor maar gedacht aan de twee Amerikanen, die nu als dieven in de toren opgesloten zaten en die waarschijnlijk amerikaansche detectives waren.

Hoe meer hij er over dacht, des te zekerder leek het hem. Waarom had die burgemeester hem ook niet gezegd dat die gevangenen er anders uitgezien hadden dan toen hij ze zag? Hij herinnerde zich nu heel goed, dat ie zooiets als ’n witte pruik met ’n dito baard en ’n zwarte pruik op de groene tafel voor de burgemeester had zien liggen. Doch hij had er verder niet op gelet. Spigoletti heette de een. Dat klonk erg italiaansch en die eene moet er italiaansch hebben uitgezien met z’n zwarte pruik.

M’nheer Bruggemans schelde aan bij de burgemeester.

Of de burgemeester thuis was, vroeg ie aan het dienstmeisje.

„Jawel m’nheer... of nee ik weet het niet. Ik zal eens gaan hooren.”

Ze wist het wel, maar de burgemeester deed na het eten altijd een dutje en wou niet graag in z’n dutje gestoord worden. Dan was ie grommig.

De meid kwam terug met de boodschap dat burgemeester niet te spreken was. Of m’nheer over ’n half uurtje niet terug kon komen?

Nee dat kon niet. Er was groote haast bij. M’nheer Bruggemans moest de burgemeester noodzakelijk spreken. Het leed geen uitstel. ’t Was over die vreemdelingen.

De meid ging weer naar binnen en bleef nogal lang weg. Doch toen ze eindelijk verscheen. zei ze m’nheer Bruggemans dat ie maar zoolang in de spreekkamer zou gaan. Burgemeester zou onmiddellijk komen.

Erg onmiddellijk was het niet. Er gingen nog wel tien minuten voorbij en m’nheer Bruggemans hoorde nog duidelijk ’n luide geeuw eer de deur openging en de burgemeester binnentrad.

De burgemeester keek m’nheer Bruggemans ’n beetje slaperig aan, maar toen deze hem zei dat ie kwam om over die twee vreemdelingen in de toren te spreken, was de burgemeester op slag heelemaal wakker en heelemaal nijdig.

„M’nheer,” zei de burgemeester, „ik begrijp niet hoe u er toe komt om me daarvoor uit m’n werk te komen halen, uit m’n werk verstaat u? Ik kan m’n tijd beter gebruiken dan me nog verder te bemoeien met ’n paar boeven, die de geheele gemeente in rep en roer gebracht hebben.”

„Maar m’nheer,” antwoordde mijnheer Bruggemans, nu ook ’n beetje boos, „ik vermoed dat u je vergist. Het zijn geen boeven, maar amerikaansche detectives.”

„Kan me niet schelen m’nheer, detectives of niet, ze zitten in de bak en ze blijven er in.”

„En intusschen loopt de echte dief vrij rond en haalt wie weet wat voor streken uit. Weet u wel dat de echte dief—die Jim Pimpelmees moet heeten, dat zei professor Wells me vanmiddag in de telefoon—dat die onzichtbaar is? Naar wat ik hoor, had een van de detectives hem vandaag bijna te pakken.... en zoo’n man sluit u in de toren op? Waarom heeft u me vanmiddag niets gezegd van die pruiken en baarden? Dan was alles dadelijk opgehelderd geweest. Maar u moet zelf weten wat u doet... Ik heb u gewaarschuwd.”

M’nheer Bruggemans stapte naar de deur om heen te gaan. Hij vond dat ie nu alles gedaan had wat ie doen kon. Wou de burgemeester niet, nu dat moest die man dan maar verantwoorden.

„Wacht u es even m’nheer.... wacht u toch es even.... Wat u daar zegt.... dat brengt me tot nadenken m’nheer.... U kon waarempel wel eens gelijk hebben m’nheer.... Als dat werkelijk van die detectives zijn.... en ik geloof nu ook, dat het zoo is.... dan moeten we die menschen dadelijk op vrije voeten stellen.... We moeten die menschen zelfs helpen om die andere dief.... Jan Stempeldoos zei u immers?.... te pakken te krijgen.... Gaat u even mee.... u spreekt amerikaansch.... ik ga dadelijk naar de veldwachter om de sleutel van de toren....”

„Met genoegen,” zei m’nheer Bruggemans. „Hoe eer we dat in orde brengen hoe beter.”

„We doen ’t dadelijk m’nheer....”

De burgemeester en m’nheer Bruggemans fietsten samen naar het huis van de veldwachter.

De vrouw vertelde hen, dat de veldwachter naar de toren was om die twee daar brood en drinken te brengen.

„Zoo dat treft,” zei de burgemeester, „dan gaan we dadelijk daar maar naar toe.”

De vrouw vergat te zeggen, dat haar man al minstens ’n uur geleden daarheen gegaan was.

Toen ze voor de toren van hun fietsen stapten, zagen ze beiden tegelijk geen veldwachter, maar wel de sleutel, die nog in ’t slot stak. ’t Was ’n ouderwetsche sleutel, een die wel minstens ’n pond woog en hij zat met een touw vast aan ’n stevig stuk hout, voor ’t wegraken.

„Heb je nou ooit zoo’n schapekop gezien als die vent?” zei de burgemeester nijdig. „Nou laat ie me waarempel de sleutel zoo maar in het slot zitten.”

„Hij zal wel hier in de buurt zijn,” meende m’nheer Bruggemans. „Roept u maar es.”

„Hallo, veldwachter... hallo!” riep de burgemeester.

Maar er kwam geen antwoord.

„Hij ’s weg,” zei de burgemeester.... „We moesten hem eerst maar gaan opzoeken hè? Vindt u ook niet?”

„Welnee,” zei m’nheer Bruggemans, „de sleutel is er en dat is alles wat we noodig hebben. De veldwachter kunnen we best missen. Zal ik de deur maar opendoen?”

„Zooals u wilt.... Wacht ik zal u met m’n fietslamp bijlichten.”

Dit laatste zei de burgemeester toen m’nheer Bruggemans de deur al open had.

Die dorps-gevangenis, het arrestantenlokaal zooals het heette, leek ’n donker hol, waarin niets was dan duisternis, doch toen het scherpe licht van de carbidlamp er in viel, zagen ze het allebei tegelijk. In ’n hoek tegen de ruwe muur zat de veldwachter met ’n allerongelukkigst gezicht en uit z’n mond hingen ’n paar punten van ’n zakdoek. ’t Was te akelig om er naar te zien. Bumpkins en Blubberdub hadden hun werk goed gedaan. Alle moeite, die de geboeide veldwachter had aangewend om zich los te wringen, was vergeefs geweest. Z’n beenen en z’n armen waren nog stevig geboeid.

De burgemeester was in ’n wip bij hem en trok de doek uit z’n mond. M’nheer Bruggemans sneed de boeien van z’n beenen en armen door met z’n mes en toen vroeg de burgemeester streng:

„Wat is hier gebeurd veldwachter?”

Met horten en stooten kwam het verhaal er uit en de burgemeester en m’nheer Bruggemans keken elkaar eens aan.

„Wat denkt u daarvan?” zei de burgemeester eindelijk.

„Ik weet niet wat ik ervan denken moet burgemeester.”

„Maar ik wel,” antwoordde de burgemeester. „Ik denk, dat ik ’t bij ’t verkeerde eind had met te denken dat het detectives waren. ’t Zijn gewone gauwdieven, dat zijn het.”

„En of,” zei de veldwachter.

„Er wordt jou niks gevraagd,” zei de burgemeester. „Jij bent ’n ezel om die twee zoo maar te laten ontsnappen.”

Daarna richtte hij zich weer tot m’nheer Bruggemans: „’t Was toch goed dat u gekomen bent, al had u ’t dan ook mis. Anders had deze man morgen nog in dit hok gezeten. Veldwachter jij gaat dadelijk de rijksveldwachter en de koddebeier opzoeken, en de smid en de metselaar.... enfin al die lui die ons vanmiddag zoo goed geholpen hebben. We gaan die twee heeren achtervolgen. Ze kunnen nog niet ver weg zijn.”

„Nee,” zei de veldwachter, „want hun fietsen staan in ’t gemeentehuis.”

„Ik vraag jou niemendal.... Doe wat je gelast is.... en kom met die menschen op ’t gemeentehuis. Gaat u mee m’nheer Bruggemans?”

M’nheer Bruggemans zei dat ie daar niets op tegen had en toen stelde de burgemeester voor, dat ze eerst bij hem thuis even ’n kop thee zouden gaan drinken.

„Ik denk,” zei de burgemeester toen ze wegfietsten, „dat we een taaie nacht tegemoet gaan. Ze ontkomen ons niet, dat verzeker ik u.”

Ze deden niet lang over hun kopje thee en toen ze ’n kwartier later bij het gemeentehuis kwamen, vonden ze daar reeds de koddebeier staan wachten. De veldwachter was nog op de andere lui uit.

„Goed,” zei de burgemeester, „dan gaan wij maar vast naar binnen. Jij hebt zeker je fiets bij je?”

„Jawel burgemeester.”

„Als er soms een komt zonder fiets, zeg hem dan dat ie dadelijk z’n kar gaat halen. Ze moeten allemaal hun fiets bij zich hebben.”

„Goed burgemeester.”

„Je blijft zeker hier wel wachten hè?”

„Jawel burgemeester.”

De burgemeester en m’nheer Bruggemans traden binnen en rookten ’n sigaar terwijl ze bij de groene tafel zaten, waarop nog de pruiken en de rest van de vermomming van Bumpkins en Blubberdub lagen. M’nheer Bruggemans bekeek die dingen en zei toen:

„U neemt me niet kwalijk burgemeester, maar ik houd toch vol, dat ik gelijk heb.”

„Best m’nheer... we zullen zien. U zegt ’t zijn eerlijke detectives... ik zeg ’t zijn gemeene gauwdieven.”

Na ’n kwartiertje werd er op de deur getikt en ’n rijksveldwachter met streepen om z’n mouw, ’t was ’n brigadier, trad binnen. Hij tikte aan z’n pet.

„Burgemeester ze zijn d’r allemaal.”

„Goed brigadier....”

„Burgemeester d’r is ingebroken in ’t gemeentehuis.... Ze hebben hun fietsen gestolen.”

„Wat zeg je brigadier.... Hebben ze ingebroken hier in ’t gemeentehuis?”

„Jawel burgemeester... Raam opengeschoven aan de achterkant....”

„En hun eigen fietsen? Nou vraag ik je m’nheer heb ik nu gelijk of niet.... Ze breken hier in.... in ’t gemeentehuis.... en ze stelen hun eigen fietsen.... Zijn dat gauwdieven of niet?”

M’nheer Bruggemans vond ’t niet zoo’n gauwdievenstreek dat die detectives zich weer meester gemaakt hadden van hun eigen karretjes, doch hij zei niemendal.

„Dat ziet er leelijk uit brigadier. Ik denk, dat we nu niet veel kans zullen hebben die lui te snappen.”

„Denk ik ook niet burgemeester, maar we kunnen ’t probeeren. Ik veronderstel dat ze naar Apeldoorn zijn om met de trein weg te komen.”

„Dat zou mogelijk zijn...”

„En er gaat geen trein meer vanavond.”

„Dat is waar.”

„Dan zijn ze misschien nog in Apeldoorn op te sporen.”

„’t Zou mogelijk zijn burgemeester.”

„Nou willen jullie ’t probeeren?”

„Jawel burgemeester met plezier.... maar we hebben de smid en die andere lui daar niet bij noodig.... en de veldwachter ook niet.”

„Vanmiddag konden jullie ’t toch ook niet alleen af?”

„Dat is waar burgemeester, maar nou kennen we de lui en kunnen onze maatregelen nemen.”

„Goed dan. Maar ik ga mee naar Apeldoorn... Gaat u ook mee m’nheer Bruggemans? Als we ’t geluk hebben die lui te snappen, kunt u ons goede diensten bewijzen als tolk.”

„Met genoegen burgemeester,” zei m’nheer Bruggemans. „Maar dan wou ik toch wel even thuis aan m’n vrouw zeggen, waar ik heen ga.”

„Natuurlijk, natuurlijk. We komen u dan wel halen als we voorbij komen.”

M’nheer Bruggemans fietste naar de boerderij terug.

Het was eigenlijk al lang bedtijd voor de boerenfamilie, maar ze waren allemaal nog op. Ze hadden het erg druk gehad over de twee vreemdelingen, die gevangen zaten in de toren en ’t meest nog over die alleenrijdende fiets. Koen en Piet hadden dat zelf gezien en konden er dus over meepraten. Toen kwam m’nheer Bruggemans thuis en die vertelde dat de lui ontsnapt waren.... Hij zei er meteen bij, dat ie niet geloofde, dat ’t misdadigers waren, doch detectives, dus menschen van de politie en dat ie met de burgemeester en de rijksveldwachter meeging.

Mevrouw wou ’t niet hebben, maar m’nheer Bruggemans hield voet bij stuk en toen hij het schellen hoorde van de burgemeester en de veldwachters, die langs de boerderij reden, sprong hij op z’n fiets en ging mee.

Van de heele boerenfamilie ging er die avond niemand te ruste, als Mie die met Berte naar bed gestuurd werd.

Ze hielden met hun allen de wacht.

LAATSTE HOOFDSTUK.

Waarin professor Wells z’n verdwijn-machine terugkrijgt en alles weer zichtbaar wordt, behalve het sigarenpijpje van m’nheer Bruggemans.

Professor Wells en Jim Pimpelmees arriveerden met de laatste trein in Apeldoorn. De professor droeg zelf ’n klein koffertje, dat ie geen oogenblik gedurende de reis uit het oog verloren had. Hij had ’t zelfs niet eens losgelaten toen ’t naast hem op de bank stond. ’t Kistje leek sprekend op dat wat in ’t kippenhok stond. ’t Was de andere helft van de verdwijn-machine, die Jim Pimpelmees hem teruggegeven had.

Nu gingen ze het andere koffertje halen. Jim Pimpelmees had beloofd het aan professor Wells te bezorgen en professor Wells had daarvoor Jim beloofd hem weer gewoon zichtbaar te zullen maken.

Professor Wells had schik en Jim Pimpelmees ook.

Jim Pimpelmees had op z’n neus, die alleen uit verf bestond, ’n bril met donkere glazen. Zoo leek hij als je niet al te nauwkeurig keek, op ’n gewoon mensch. Natuurlijk droeg ie ook handschoenen.

Jim Pimpelmees had in Apeldoorn willen overnachten, maar professor wou van geen uitstel hooren. Hij huurde onmiddellijk ’n auto en Jim moest wel mee al was ’t ook tegen z’n zin. Hij beweerde dat zoo’n eerlijke zaak als het terughalen van die machine veel beter bij dag kon gebeuren. Professor Wells voerde daartegen in, dat ie z’n machine zoo gauw mogelijk weer in z’n bezit wou hebben. Hij had ’t nu al lang genoeg zonder moeten doen en bovendien deed die machine in vreemde handen meer kwaad dan goed naar het scheen. Jim Pimpelmees moest naast de chauffeur gaan zitten. Jim sprak hollandsch en wist de weg.

Na vijf minuten vroeg professor Wells of ’t niet ’n beetje vlugger kon en toen de chauffeur aan dat verzoek voldaan had, duurde het geen vijf minuten of professor Wells vond dat het nog te langzaam ging. Maar de chauffeur weigerde nog harder te rijden. Hij beweerde dat ie al minstens tachtig kilometer reed en dat vond ie welletjes. Professor Wells mopperde en zei dat ie nog nooit in zoo’n miserabele kar had gezeten. Jim Pimpelmees lachte maar eens en zei tegen de chauffeur dat de professor heel tevreden was.

Toen ze zoowat ’n kwartier gereden hadden, schakelde de chauffeur plotseling de motor uit. De auto liep door z’n eigen vaart voort en professor Wells riep:

„Wat is dat nou?”

„D’r is ginds wat op de weg,” zei de chauffeur. „Ik rijd niet graag de een of ander overhoop.”

„Fietsen,” zei Jim Pimpelmees, „’t zijn carbidlampen.”

„Maar die rijen niet,” zei de chauffeur, „die lampen staan stil.”

„Nou wat zou dat dan?” vroeg Jim Pimpelmees.

„Rij op,” riep professor Wells... „Dat geleuter, daar schiet ik niks mee op.”