Chapter 3 of 10 · 3682 words · ~18 min read

Part 3

402a. Als wij het weten iets schoons en kostbaars achten en de eene wetenschap meer dan de andere of door hare nauwkeurige methode of omdat haar onderwerp beter en belangwekkender is, stellen wij met recht om beide redenen de zielkunde voorop. De kennis der ziel zal ook voor alle waarheid veel bijdragen en voornamelijk voor de (kennis der) natuur; want de ziel is, zoo te zeggen, het principe [3] der levende wezens. Wij zoeken hare natuur en wezen te leeren kennen en dan verder hare eigenschappen; sommige daarvan denkt men zich als aan de ziel op zich zelf eigen, andere zullen door haar ook aan ’t levend geheel behooren. t Is in alle opzichten allermoeilijkst eenige zekere kennis omtrent haar te erlangen. Want daar de vraag omtrent het wezen ook voorkomt in vele andere gevallen, zou men allicht denken aan één methode voor alles, waarvan wij het wezen willen leeren kennen—zooals afleiding geldt voor de tot het wezen behoorende eigenschappen [4]—en dan zou men dus die methode moeten zoeken. Wanneer de eene en algemeene methode betreffende het wezen ontbreekt, wordt de behandeling nog moeilijker, want dan zal men de voor elk geval geldige manier moeten krijgen. En als het blijkt of die afleiding is of ontleding [5], of ook eenige andere methode, brengt de vraag nog moeilijkheden en dwalingen genoeg, waarvan het onderzoek moet uitgaan; want de elementen van verschillende dingen zijn verschillend, zooals van getallen en vlakken [6].

402 a 23—b 16. Algemeene vragen: 1. Tot welke der kategorieën behoort de ziel? 2. Is zij mogelijkheid of werkzaamheid. 3. Gedeeld of ondeelbaar? 4. Zijn alle zielen gelijksoortig? Zoo niet, geldt het onderscheid het geslacht of alleen de soort? 5. Is er één algemeene bepaling voor ziel, levend wezen en dergelijke algemeenheden? 6. Als de ziel gedeeld is, moet men beginnen met het geheel of met de deelen? 7. Hoe onderscheiden zich de deelen? 8. Moet men eerst de werking der deelen onderzoeken en nog eerder hun voorwerpen?

Vooreerst zat men wel moeten bepalen tot welke kategorie [7] de ziel behoort, tot die der substantie, der hoedanigheid, der hoeveelheid of tot een andere der onderscheiden kategorieën. Voorts—wat niet weinig verschilt—of zij aanleg is dan veeleer een zekere werkzaamheid [8]. 402b. Ook moet men nagaan of zij deelbaar of ongedeeld is en of alle ziel gelijksoortig is of niet; en zoo niet, of zij dan naar soort of naar geslacht onderscheiden zijn. Wie immers nu wetenschappelijk spreken over de ziel, lijken alleen de menschelijke ziel na te gaan.

Wij dienen er op te letten, evenals bij andere algemeene begrippen, of van de ziel één definitie geldt, zooals van levend wezen, dan of die met elke ziel wisselt, zooals van paard, hond, mensch en god, terwijl dan het levend wezen in ’t algemeen niets meer is dat een abstractie [9].

Verder als er niet van meerdere zielen sprake kan zijn, maar van deelen (van ééne), of men ’t onderzoek beginnen moet met de heele ziel of met de deelen. Ook is het moeilijk te bepalen wat het verschil is tusschen de deelen onderling en of men eerst de deelen moet na gaan of hun verrichtingen bijv. het denken of den geest, het waarnemen of het waarnemingsvermogen enz. [10]. Zoo men moet beginnen met de verrichtingen, dan zou men weer kunnen vragen of men niet nog eerder de objecten moet nagaan bijv. het waarneembare vóór het waarnemingsvermogen en de denkbaarheid vóór den geest.

402 b 16—403 a 2. (Want verrichting en voorwerp kunnen het wezen doen kennen). Men kan door het wezen de eigenschappen onderzoeken of omgekeerd steunen op de ervaring der eigenschappen voor de bepaling van het wezen en de bepaling van het wezen (aanvang van het bewijs) die niets omtrent de eigenschappen leert, is zinledig.

Blijkbaar is niet slechts de kennis van het wezen van nut tot het begrijpen van de gronden van de eigenschappen der dingen—zooals in de wiskunde het begrip van het rechte en kromme of van lijn en vlak tot het inzicht aan hoeveel rechten de hoeken van den driehoek gelijk zijn—maar omgekeerd strekken ook de eigenschappen grootelijks tot de kennis van het wezen; want wanneer wij uit de voorstelling omtrent de eigenschappen, allen of de meesten, rede kunnen staan zullen wij ook het best over het wezen kunnen spreken. 403a. Daar alle bewijs [11] uitgaat van het wezen, zijn wezensbepalingen die niet tot de kennis der eigenschappen leiden, ja niet eens licht gissingen dienaangaande mogelijk maken, blijkbaar samen niets dan ijdele woord-definities.

403 a 3—b 19. De aandoeningen, ook wel het denken, zijn in verband met de stof; dus houdt de zielkunde verband met de natuurleer. Excurs: onderscheid in de opvatting van het voorwerp tusschen den natuurkundige, den kunstenaar, den wiskundige en den begripskundige.

Betreffende de aandoeningen der ziel kan men onzeker zijn of allen aan het dragende gemeen zijn of dat er ook eenige aan de ziel op zichzelf eigen is; dit is wel noodzakelijk na te gaan, maar niet gemakkelijk. De ziel schijnt in de meeste gevallen niets zonder het lichaam te ondergaan of te doen, als bij toorn, gerustheid, begeerte en gewaarwording in ’t algemeen. Het denken lijkt wel het meest het eigene te zijn, maar indien ook dit voorstelling is of van voorstelling vergezeld moet zijn, kan ook het denken niet zonder lichaam voorkomen. Is nu eenig doen of ondergaan van de ziel haar eigen, dan zou zij gescheiden kunnen worden; is er niets haar eigen, dan is zij niet scheidbaar en gaat het daarmee als met de rechte (lijn) die, als recht onder andere eigenschappen deze heeft den koperen bol in een punt te raken; het is echter niet het rechte gescheiden dat zoo raakt, immers het is onscheidbaar, daar het altijd met eenig lichaam verbonden is [12]. Ook alle aandoeningen der ziel lijken het lichaam mede te betreffen, drift, zachtzinnigheid, vrees, medelijden, gerustheid, ook vreugde en liefde en haat, want hun optreden werkt tegelijk op ’t lichaam in. Een teeken hiervan is dat terwijl men soms bij aanwezigheid van krachtige en zich opdringende aandoeningen in ’t geheel niet geraakt wordt of ontstelt, men soms door geringe en zwakke gedreven wordt, wanneer het lichaam tiert en in een toestand is als bij toorn. Nog duidelijker (teeken) is dit, dat zonder dat iets vreeswekkends aanwezig is, de verschijnselen van vrees getoond worden [13]. Als het zoo is, dan zijn de aandoeningen blijkbaar verhoudingen in stoffelijkheden. Dus moeten de definities zóó luiden, dat bijv. toorn is de inwerking op een bepaald lichaam of lichaamsdeel of vermogen door een bepaalde oorzaak en met een bepaalde strekking. En daarom is het de taak reeds van den natuurkundige de ziel, althans de zoodanige, na te gaan.—De definities van den natuurkundige en den redekundige zullen in elk van deze gevallen verschillen, bijv. toorn zal de een definieeren als streven naar wederkeerige krenking of iets dergelijks, de ander als verhitting van het warme hartebloed. 403b. De laatste geeft het stoffelijke aan, de eerste ’t wezen en het begrip. Want dit is ’t begrip van de zaak, maar dat moet werkelijk worden in een bepaalde stof. Zoo is het begrip van huis dat het is een beschutting tegen ondergang door wind en regen en hitte; de ander noemt het steenen, tichels en hout, de derde noemt het: in deze materialen de vorm [14] met een bepaalde strekking. Wie van dezen heeft de natuurkundige te heeten? Die de stof behandelt zonder kennis van het begrip of die alleen het begrip behandelt? Veeleer die beiden vereenigt. Hoe dan met elk van de twee anderen? Geen behandelt de van de stof onscheidbare eigenschappen als ongescheiden [15], maar de natuurkundige alle doen en lijden van een bepaald lichaam en een bepaalde stof; van die bepaalde stof afziende werkt niet hij, maar ten deele soms de kunstenaar, bijv. de timmerman of de dokter; eveneens het onscheidbare, wat bij wijze van afgetrokkenheid, maar niet aan een bepaald lichaam verbonden gedacht wordt, behandelt de wiskundige, en als gescheiden (het wezen op zichzelf) de metaphysicus. Maar laat ons terugkeeren van deze uitwijding. Wij zeiden dat de aandoeningen der ziel, in zooverre zij eigenschappen heeft als moed en vrees, niet af te scheiden zijn van de stof bij levende wezens en anders zijn dan lijn en vlak.

403b 19—405b 30. De leeringen der vroegeren: de ziel het bewegende, het zichzelf bewegende; Democritus, Leucippus, de Pythagoreërs, Anaxagoras. De ziel uit de elementen, het kennende en waarnemende; Empedocles, Plato. De elementen stoffelijk, onstoffelijk of gemengd, één of meer. Democritus, Anaxagoras, Thales, Diogenes e.a., Heraclitus, Alcmaeon, Hippo, Critias. Samenvatting: de ziel is het bewegende, waarnemende, onstoffelijke, te herleiden tot de elementen, meer of één, uit tegendeelen of een daarvan. Etymologie.

Bij het onderzoek over de ziel is het noodig onder het stellen der verlegenheden, die in den voortgang hun oplossing moeten vinden, de meeningen der voorgangers betreffende de ziel er bij op te nemen om het goede te aanvaarden en hun fouten te vermijden. Wij beginnen het onderzoek met aan te geven wat de ziel naar men zegt van nature ’t meest eigen is. Het bezielde dan onderscheidt zich in twee opzichten voornamelijk van het onbezielde, door beweging en gewaarwording. Deze twee opvattingen ongeveer over de ziel hebben wij ook van de voorgangers geleerd; sommigen dan noemen de ziel het voornamelijk en eigenlijk bewegende. En aangezien zij meenden dat wat zelf niet bewogen werd niet iets anders kan bewegen, vatten zij de ziel op als iets dat bewogen wordt.

404a. Daarom noemt Demokritos haar iets van vuur en warmte, want terwijl er oneindig vele schemen of atomen zijn [16], zooals de zoogenaamde stofjes in de lucht, die in de zonnestralen door de vensters zichtbaar worden, noemt hij hun mengeling de elementen van de heele natuur—evenzoo Leukippos—en daaronder de bolvormige vuur en ziel, omdat zulke vormsels het meest door alles heen kunnen dringen en zij de rest bewegen, terwijl ze ook zelf bewogen worden, volgens hun opvatting dat de ziel is wat aan de levende wezens de beweging verschaft. Dat daarom ook de ademhaling het werk van het leven is, want dat terwijl de atmosfeer de lichamen samendringt en de atomen uitperst, die door dat ze zelf nooit in rust zijn aan de levende wezens de beweging verschaffen, er van buiten hulp komt door het binnenkomen van andere dergelijke atomen bij het ademhalen; want dat deze ook de uitstooting van de in de levende wezens aanwezige atomen beletten, het samendringen en verstijven keerende; en dat men leeft, zoolang men dat kan doen. Ook wat de Pythagoreërs zeggen schijnt denzelfde zin te hebben: eenigen van hen zeiden dat de ziel was de stofjes in de lucht, anderen wat deze beweegt. Hierover is gezegd dat zij voortdurend in beweging blijken ook bij volkomen windstilte. Op hetzelfde komen neer die de ziel het zich zelf bewegende noemen; want al deze lijken te meenen dat de beweging het meest eigen is aan de ziel en dat alle andere dingen bewogen worden door de ziel en deze door zichzelf, omdat zij van niets waarnemen dat het beweging geeft of het wordt ook zelf bewogen. Eveneens noemt Anaxagoras de ziel het bewegende en wie anders heeft gezegd dat de geest het heelal heeft bewogen [17], evenwel niet geheel zooals Demokritos. Deze immers noemt zonder meer ziel en geest hetzelfde en volgens hem is het ware het verschijnsel, waarom Homerus juist dicht: „Hektor lag buiten denken” [18]. (Ilias Ο245 vgl. Odys. κ374). Hij weet dus niet van den geest als een vermogen omtrent de waarheid, maar noemt ziel en geest hetzelfde.

404b. Anaxagoras is hierover minder duidelijk; dikwijls immers spreekt hij van den geest als de oorzaak van de rechte ordening, doch elders noemt hij den geest de ziel, zeggende dat hij in alle levende wezens aanwezig is, groote en kleine, hooge en lage. Echter schijnt niet de als denkend bedoelde geest bij alle levende wezens gelijkelijk aanwezig te zijn, ja niet eens bij alle menschen.

Zij nu die op de beweging van het bezielde het oog richten, vatten de ziel als het meest bewegende; die letten op het kennen en waarnemen der dingen, noemen de ziel de elementen, die er meerdere aannemen, die meerderen, die één aannemen dit eene. Zoo stelt Empedokles de ziel samen uit alle elementen zóó dat elk element ook ziel is, in deze verzen:

„Aarde zien we met aarde en water zien we met water Lucht doet ons godd’lijke lucht en vuur het verdelgende vuur zien Liefde met liefde en met haat aanschouwen we ’t bittere haten.”

Op dezelfde wijze stelt Plato in den Timaeus de ziel uit de elementen samen, zeggende dat het gelijke door het gelijke gekend wordt en dat de dingen uit de elementen bestaan [19]. Een soortgelijke bepaling werd gegeven in de philosophische voordrachten, het levende wezen op zichzelf [20] samengesteld uit het begrip op zichzelf van het ééne en het begrip van lengte, breedte en diepte en het overige desgelijks. Of nog anders: de geest het ééne, ’t weten de twee—immers met één richting heeft het één eindpunt—het getal van het vlak de meening, dat van het lichaam de gewaarwording, want de getallen werden genoemd de ideeën zelf en de bestaansgronden en zij bestaan toch uit de elementen [21]. De dingen worden deels door den geest, deels door ’t weten, deels door de meening, deels door de gewaarwording beoordeeld en deze getallen zijn de ideeën der dingen. Daar nu de ziel ook het bewegende scheen evenals het kennende hebben eenigen hun definitie uit beiden samengevlochten, die de ziel noemden een zichzelf bewegend getal. Er is verschil van opvatting welke en hoevele de principes zijn, vooral tusschen het stellen van stoffelijke of onstoffelijke en de vermenging van de eenen en de anderen. 405a. Wat het aantal betreft, sommigen noemen één principe, anderen meerderen. Hiermee overeenstemmend definieeren zij de ziel, want zij noemen haar niet onbegrijpelijk dát element dat van nature ’t bewegelijke is. Derhalve hebben sommigen verklaard dat de ziel vuur is; immers dit is het fijnste en onstoffelijkste element en het ondergaat beweging en beweegt het andere onmiddellijk. Demokritos geeft nog helderder uiteenzetting waarom beide omstandigheden (van de ziel gelden); de ziel is namelijk volgens hem hetzelfde als de geest en behoort tot de ondeelbare elementen, die dan bewegelijk zijn door hun kleinheid en figuur; van de figuren noemt hij het bewegelijkst het bolvormige en zoodanig is dan de geest en het vuur. Anaxagoras schijnt ziel en geest te onderscheiden, zooals wij boven zeiden, maar in de behandeling zijn beiden bij hem één natuur; toch stelt hij den geest allermeest als ’t principe, als hij namelijk zegt dat van alle dingen alleen de geest eenvoudig, onvermengd en rein is. Kennen en bewegen beiden schrijft hij toe aan hetzelfde principe, als hij zegt dat de geest het Al heeft bewogen. Volgens de overleveringen omtrent hem schijnt ook Thales de ziel als iets bewegends opgevat te hebben, immers hij zeide dat de (magneet)steen een ziel heeft omdat zij ’t ijzer beweegt. Diogenes evenals eenige anderen noemt de ziel lucht, in de meening dat die het fijnste van alles is en principe; en dat daardoor de ziel kent en beweegt, kent in zooverre zij element is en uit haar als oorsprong het overige is, en beweeglijk inzoover zij het fijnste is. Ook Herakleitos zegt dat het principe ziel is, immers ziel noemt hij de uitdamping, waaruit hij het andere vormt; en ’t meest onstoffelijk en steeds vloeiend; en wat bewogen wordt wordt dan volgens hem gekend door wat bewogen wordt. Hij evenals de meesten meenden dat de dingen in beweging zijn. Overeenstemmend met dezen schijnt de meening van Alkmaion over de ziel; hij zegt nl.: dat de ziel onsterfelijk is doordat zij gelijkt op ’t onsterfelijke, en dat dit haar toekomt als altijd bewogen, want dat ook al de goddelijke dingen altijddoor bewogen worden, maan, zon, sterren en de heele hemel. 405b. Sommige groveren, zooals Hippon, hebben de ziel water genoemd; zij lijken tot die overtuiging gekomen doordat aller zaad vochtig is. Immers hij bestrijdt degenen die de ziel bloed noemen, omdat het zaad geen bloed is en het zaad is de ziel in aanleg. Anderen als Kritias, spreken van ’t bloed, meenende dat de gewaarwording het meest aan de ziel eigen is en dat deze aanwezig is door de natuur van het bloed. Alle elementen hebben dus hun verdediger gevonden, behalve de aarde; die heeft niemand tot ziel verklaard, behalve alwie de ziel uit alle elementen samengesteld of alles ziel acht.

Allen ongeveer bepalen de ziel naar drie zijden, beweging, gewaarwording, onstoffelijkheid en elk dier bepalingen houdt verband met de principes. Derhalve stellen zij, die het kennen als bepaling geven, de ziel als een element of als samengesteld uit de elementen, op één na [22], onderling overeenstemmend in de opvatting dat het gelijke door het gelijke gekend wordt; want aangezien de ziel alle dingen erkent, stellen zij haar samen uit alle elementen. Die dus één principe en één element aannemen, stellen ook de ziel als één bijv. vuur of lucht; die meerdere principes aannemen, stellen ook een veelheid in de ziel. Anaxagoras alleen noemt den geest onaangedaan en met niets van het andere iets gemeen hebbend. Als hij zoo is, hoe hij dan zal kennen en door welke oorzaak, dat heeft A. niet gezegd noch blijkt het uit wat hij zegt. Zij die in de principes tegenstellingen zien, achten ook de ziel uit de tegenstellingen gevormd; zij die één zijde van de tegenstellingen als principe aannemen bijv. het warme of het koude of iets dergelijks, stellen overeenkomstig de ziel als een daarvan. Zoo dan volgen zij ’t spoor van de woorden: de eenen spreken van ’t warme, omdat daarnaar ook het leven genoemd is; de anderen van het koude, zeggende dat het ademhalen en de afkoeling aan de ziel den naam geeft (ζεῖν-ζῆν ἀναψύχεσθαι, καταψύχω-ψυχή). Dit alzoo is wat ons geleerd is over de ziel met de gronden waarop de meeningen steunen.

406 a 1—407b 26. Heeft de ziel van nature eigen (niet bijkomstige) beweging? Neen, want die vooronderstelt plaats; stelt als mogelijk dwangbeweging en rust, maakt haar tot een element en verplaatsbaar, heft haar bijkomstige beweging op en brengt haar buiten zichzelf. Kritiek van Democritus en Plato’s Timaeus. De besproken theorieën behandelen eenzijdig de ziel afgescheiden van het lichaam.

406a. Eerst nu moeten wij de beweging onderzoeken; want misschien is het niet slechts onjuist dat het wezen der ziel zoodanig iets is, dat zichzelf beweegt of kan bewegen, zooals sommigen zeggen, maar is het onmogelijk dat zij beweging heeft. Dat het nu niet noodzakelijk is dat het bewegende zelf bewogen wordt, is vroeger [23] gezegd. Beweging is tweeërlei; alles nl. beweegt òf betrekkelijk òf op zichzelf, het eerste, al wat beweegt doordat het zich in ’t bewegende bevindt, als de schippers, immers hun beweging is niet gelijksoortig met die van het schip; dit toch beweegt op zichzelf, zij doordat ze zich bevinden in het bewegende. Wat uitkomt bij de onderdeelen: want de eigen beweging der voeten is het loopen en zoo ook van de menschen en die hebben de schippers dan niet. Terwijl nu beweging in tweeërlei zin gezegd wordt, onderzoeken wij nu of de ziel op zichzelf beweegt en aan beweging deel heeft. Er zijn vier bewegingen: verplaatsing, verandering, afneming en groei; een of meer daarvan zal de ziel moeten hebben of allen. Is haar beweging geen bijkomstigheid, dan heeft zij haar van nature en heeft zij daarmede ook een plaats; want alle genoemde bewegingen geschieden op een plaats. Is het wezen van de ziel daarin gelegen dat zij zichzelf beweegt, dan is haar beweging geen bijkomstigheid, zooals bij het witte of 3 el lange; ook hierin immers is beweging, maar die is bijkomstig; het lichaam nl. waarmee zij verbonden zijn, beweegt. Zoo is er dan ook van hen geen plaats, zooals van de ziel wèl, als beweging van nature haar deel is. En verder als zij van nature beweegt, zou zij ook door geweld kunnen bewogen worden en omgekeerd. Hetzelfde geldt van de rust; de ziel zou dan plaatsen hebben van natuurlijke of gewelddadige beweging en rust. Maar welke de gewelddadige bewegingen en rust der ziel zijn, dat zal men zich niet licht zelfs maar kunnen verbeelden. Gaat verder de beweging der ziel naar boven, dan moet zij vuur zijn, naar beneden, aarde—want dit zijn de bewegingen van die lichamen—en overeenkomstig is de betrekking tot de tusschenliggende elementen. Voorts daar zij het lichaam blijkt te bewegen, is het aannemelijk dat zij haar eigen bewegingen aan het lichaam meedeelt en dus omgekeerd naar waarheid te zeggen, dat de beweging van het lichaam ook de hare is. 406b. De beweging van het lichaam is plaatsverandering; dus zou ook de ziel op de wijze van het lichaam geheel of gedeeltelijk zich verplaatsen. Is dit mogelijk dan zou zij ook uit en weer in kunnen gaan en bij gevolg zouden de dooden kunnen opstaan. De bijkomstige beweging zou zij van iets anders kunnen ontvangen; zoo wanneer het levend wezen met geweld gestooten wordt. Maar behalve in dier voege moet datgene, welks wezen zelfbeweging is, niet door iets anders bewogen worden, evenmin als het goede op zichzelf of door zichzelf om of door iets anders moet zijn. En van de ziel zou men toch zeggen, dat zij voornamelijk door de waarneembaarheden bewogen wordt, àls zij bewogen wordt. Maar voorwaar ook indien zij zichzelf beweegt, wordt zij toch ook bewogen en daar alle beweging wat bewogen wordt doet uittreden in de beweging, zou de ziel ook uit haar wezen moeten uitgaan [24], als zij niet bijkomstig zichzelf beweegt, maar de beweging tot haar eigen wezen op zichzelf behoort. Sommigen zeggen ook dat de ziel het lichaam waarin zij is haar eigen beweging meedeelt, zooals Demokritos in overeenstemming met den blijspeldichter Philippos, die Daidalos de houten Aphrodite laat maken en bewegen doordat hij er kwikzilver ingoot; desgelijks zegt ook Demokritos dat de bewegende ondeelbare bollen doordat ze van nature nooit in stilstand zijn het geheele lichaam meesleepen en bewegen. Wij vragen dan of ditzelfde ook de rust zal veroorzaken. Hoe dat zou gaan, is moeilijk of liever onmogelijk te zeggen. Welbeschouwd schijnt de ziel niet zóó het levend wezen te bewegen maar door iets als bedoeling en gedachte.