Part 8
426a. Indien nu de beweging en de bewerking en inwerking ligt in wat bewerkt wordt, moet ook het geluid en het gehoor in werkzaamheid liggen in wat de mogelijkheid bezit; want de werkzaamheid van het bewerkende en bewegende ligt in het lijdende; daarom is het niet noodzakelijk dat het bewegende bewogen wordt. De werkzaamheid nu van het geluid hebbende is geluid of geluiding, van het gehoorhebbende gehoor of hooring; want gehoor is tweeërlei en geluid en hetzelfde geldt van de andere waarnemingen en waarneembaarheden. Namelijk zooals de bewerking en de inwerking ligt in het lijdende en niet in het bewerkende, zoo ligt ook de werkzaamheid van het waarneembare en het waarneming hebbende in het waarneming hebbende. Maar bij eenige is er een woord voor b.v. de geluiding en de hooring, bij eenige is een van beide nameloos; men spreekt van aanschouwing als het gezicht in werkzaamheid is, maar de werkzaamheid van de kleur is zonder naam, en het smaken is de werkzaamheid van het smaak hebbende, maar die van (’t voorwerp van) de smaak is zonder naam. Daar in werkzaamheid het waarneembare en het waarneminghebbende één is, maar in begrip onderscheiden, moeten noodzakelijk het gehoor en geluid in dien zin tegelijk te loor gaan en behouden blijven, evenzoo ’t voorwerp van smaak en het smaken enz., doch niet noodzakelijk wat in mogelijkheid zoo is; maar de vroegere natuurkundigen dwaalden in hun meening dat niets wit of zwart zonder gezicht, noch voorwerp van smaak was zonder smaken. Immers in een zin hadden zij gelijk, in een anderen zin dwaalden zij: want terwijl men in tweeërlei zin spreekt van de gewaarwording en het waarneembare, deels als van dingen in mogelijkheid, deels in werkzaamheid, geldt het gezegde van de laatsten, maar geldt niet van de eersten. Maar zij spraken in volstrekten zin over wat niet ononderscheiden geldt.
Als het accoord een stemklank is, en de stemklank en het gehoor in een opzicht één (in een ander niet één) en het accoord een verhouding is, moet ook het gehoor een verhouding zijn. En daarom ook vernietigt elke overmaat, zoowel het hooge als het lage, het gehoor; eveneens in de smaken de smaak en in de kleuren het zeer schitterende of duistere het gezicht en bij den reuk de sterke reuk, zoo de zoete als de bittere, omdat de gewaarwording een verhouding is. 426b. Daarom geven wel ook de waarneembaarheden wanneer zij zuiver en ongemengd in de verhouding komen genot, als het zure of zoete of zoute; dan immers geven zij genot; maar in ’t geheel meer het gemengde, het accoord [53], dan het hooge of het lage. Voor den tastzin is het aangename wat verwarmd of verkoeld kan worden en de gewaarwording is de verhouding; bij overmaat is er pijn of vernietiging.
Elke waarneming nu betreft het voorwerpelijke waarneembare en is aanwezig in het zintuig als zoodanig en beoordeelt de onderscheiden van het voorwerpelijke waarneembare, b.v. wit en zwart het gezicht, zoet en en bitter de smaak enz. Daar wij ook het witte en het zoete en iedere andere waarneembaarheid met iedere andere vergelijken, waardoor dan nemen wij hun onderscheid waar? Noodwendiglijk door waarneming, aangezien het waarneembaarheden zijn. Hieruit blijkt ook dat het vleesch niet het eigenlijke zintuig is; want dan zou noodzakelijkerwijze het vergelijkende het ding zelf moeten aanraken. Maar het is ook niet mogelijk met afzonderlijke zintuigen te oordeelen dat het zoete iets anders is dan het witte, maar noodzakelijk moeten beiden voor één enkel (zintuig) duidelijk zijn. Want anders zou ook indien ik het eene en gij het andere zoudt waarnemen, duidelijk zijn dat de beide voorwerpen verschillend zijn. Maar het ééne moet zeggen dat het iets anders is; want het zoete is iets anders dan het witte. Het is blijkbaar hetzelfde, wat zoo zegt en zooals het zegt, zoo ook denkt het en wordt het gewaar. Het blijkt dus nu dat het niet mogelijk is met verschillende zintuigen de verschillende waarneembaarheden te oordeelen; dat het evenmin mogelijk is in verschillende tijden, blijkt hieruit. Zooals namelijk hetzelfde zegt dat het goede iets anders is dan het kwade, zoo ook wanneer het zegt dat het eene en het andere iets anders zijn, is het „wanneer” geen bijkomstigheid, d.w.z. dat ik nu zeg, dat het iets anders is, maar niet dat het nu iets anders is; maar nu zegt men dat het zoo is en dat het nu zoo is, dus tegelijk. En dus ongescheiden en in ongescheiden tijd. Evenwel het is onmogelijk dat hetzelfde tegelijk tegengestelde bewegingen ondergaat als ongedeeld en in ongedeelden tijd. Want iets zoets brengt deze beweging in de gewaarwording of het denken, het bittere de tegengestelde en het witte een andere. 427a. Is dus niet het oordeelende tegelijkertijd en in getal ongedeeld en onscheidbaar, maar in begrip onderscheiden? Dan is het dus eenerzijds het gedeelde dat de gedeelden waarneemt, anderzijds zooals het als ongedeeld is; immers in begrip gedeeld, naar plaats en getal ongedeeld. Is dit wel mogelijk? Immers in mogelijkheid zijn de tegendeelen hetzelfde en ongedeeld (ofschoon niet in het begrip), maar in werkzaamheid gedeeld en het is niet mogelijk dat iets tegelijk wit en zwart is, dus ook niet dat iets de vormen daarvan opneemt, als dat waarnemen en denken is. Maar dit verhoudt zich zooals wat sommigen het punt noemen, het eene als twee en in zooverre gedeeld. In zoover nu het ongedeeld is, is het oordeelende een en tegelijkertijd, in zoover het gedeeld is, is het niet één; immers men gebruikt twee keer hetzelfde punt tegelijk; in zoover men nu het grenspunt als twee gebruikt, zijn het twee die oordeelen en gescheiden als met in zekeren zin gescheiden waarneming; in zooverre het punt één is, oordeelt men met één en tegelijk [54]. Over het principe nu volgens hetwelk het levend wezen gewaarwording heeft, mogen zulke bepalingen gelden.
427 a 17—b 26. Onderscheid tusschen gewaarworden, denken en voorstelling.
Naar twee onderscheidingen wordt hoofdzakelijk de ziel bepaald, naar plaatselijke beweging en naar het denken en het oordeelen en waarnemen. Ook het begrijpen en denken schijnt een waarnemen te zijn (want in deze beiden oordeelt en kent de ziel eenig ding). En de ouden noemen zeker het denken en waarnemen hetzelfde, zooals ook Empedokles heeft gezegd: „naar het aanwezige groeit de gedachte bij de menschen” en elders: „van daar overkomt het hen ook steeds anderssoortige dingen te denken” en hetzelfde bedoelt ook het Homerische: „zoodanig toch is de geest” [55]. Deze allen immers achten het denken evenals het waarnemen van lichamelijken aard en dat men met het gelijke waarneemt en denkt het gelijke, zooals wij in den aanvang uiteen hebben gezet. 427b. Echter hadden zij tevens ook over de dwaling moeten spreken, die immers aan de levende wezens meer eigen is en daarin verblijft de ziel den meesten tijd. Dus is het noodzakelijk dat of, zooals sommigen zeggen, alle verschijnselen waar zijn of dat de aanraking van het ongelijke dwaling is, want dat staat tegenover het kennen van het gelijke door het gelijke; en ook is de dwaling en het weten betreffende de tegendeelen hetzelfde. Echter blijkt dat het waarnemen en het denken niet hetzelfde zijn. Want het eerste bezitten alle dieren, het laatste weinigen. Maar ook het begrijpen, dat juist en onjuist kan zijn, juist als verstand, wetenschap en ware meening, onjuist als het omgekeerde daarvan, ook dat is niet hetzelfde als het waarnemen; want de waarneming betreffende de eigen waarneembaarheden is altijd waar en is aanwezig bij alle dieren, maar denken kan men ook onwaar en niemand heeft het die ook niet rede bezit; want voorstelling is iets anders dan waarneming en begrip, en zij (de voorstelling) wordt niet zonder waarneming en zonder haar is er geen opvatting. Dat de voorstelling [56] niet zelf begrip en opvatting is, is duidelijk. Want dit gebeuren (van de voorstelling) is van onzen wil afhankelijk (want men kan zich iets voor oogen stellen, zooals zij die in de geheugenkunst door beelden iets vasthouden), maar niet het meenen, want (daarbij) moet men òf onwaar òf waar zijn. Bovendien wanneer wij iets ergs of vreeselijks meenen, ondergaan wij onmiddellijk die gewaarwording tevens en eveneens bij het bemoedigende; bij de voorstelling verhouden wij ons zoo alsof wij het vreeselijke of bemoedigende geschilderd aanschouwden. Er zijn ook van de opvatting zelf onderscheidingen, wetenschap, meening, verstand en hun tegendeelen; over het onderscheid daartusschen moet elders gesproken worden.
427 b 27–429 a 9. Voorstelling, een vermogen van oordeelen, is niet gewaarwording; ook niet kennis of begrip. Evenmin is zij meening met of door gewaarwording of verbinding van ’t eene en ’t andere b.v. voorstelling van en meening omtrent de grootte van de zon. De voorstelling is een beweging uit die der gewaarwording in werkzaamheid voortkomende, welke beweging vooral bij de algemeene bijkomstige gewaarwordingen valsch kan zijn, vooral als het voorwerp ver verwijderd is. Naam en werking der voorstelling.
Het denken, iets anders dan het waarnemen, is deels voorstelling deels opvatting; na de bepaling van de voorstelling, moeten wij spreken over het andere. 428a. Als dan de voorstelling datgene is dat in ons een beeld doet opkomen, en niet overdrachtelijk is bedoeld, dan is zij een vermogen of gesteldheid van diegenen, volgens dewelke wij oordeelen, waar of onwaar. Dezulke zijn gewaarwording, meening, wetenschap, begrip. Dat de voorstelling nu niet gewaarwording is, blijkt hieruit dat gewaarwording of mogelijkheid of werkzaamheid is b.v. gezicht en aanschouwing, maar voorstelling is dààr, ook zonder dat een van beiden aanwezig is, zooals bij droomen. Verder is gewaarwording altijd aanwezig, voorstelling niet. Als zij in werkzaamheid hetzelfde waren, zouden alle dieren voorstelling kunnen hebben, doch dit is niet aan te nemen b.v. bij een mier, bij of worm. Verder zijn de gewaarwordingen altijd waar, de meeste voorstellingen onwaar. Vervolgens zeggen wij ook niet, wanneer wij nauwkeurig in het waarneembare werkzaam zijn „dit schijnt ons een mensch”, maar veeleer wanneer wij niet duidelijk gewaarworden. En ook zooals wij vroeger zeiden, verschijnen gezichten ook als men de oogen sluit. Maar ook kan zij geen zijn van die altijd waar zijn, als wetenschap of begrip; want er is ook onware voorstelling. Er blijft dus over na te gaan of zij meening is; want meening is en waar en onwaar. Maar met meening gaat geloof samen (want het is onmogelijk bij meening niet te gelooven wat men meent) en geloof heeft geen dier, maar in velen is voorstelling. [Verder gaat elke meening vergezeld van geloof, geloof van overtuigd zijn, overtuiging van rede; van de dieren hebben sommigen wel voorstelling, maar geen rede]. Het blijkt verder dat voorstelling ook niet meening met of door gewaarwording of vereeniging van meening en gewaarwording kan zijn om genoemde redenen en hierom: natuurlijk betreft de meening niet iets anders, maar datgene dat ook de waarneming betreft nl. uit de meening en de waarneming van het witte komt als hun vereeniging de voorstelling, immers niet uit de meening van het goede en de waarneming van het witte: zoo is dan het zich voorstellen het meenen van wat men niet bijkomstig waarneemt. 428b. Maar in de voorstelling zijn ook onwaarheden waaromtrent men tegelijk een ware opvatting heeft b.v. de zon stelt men zich voor als van één voet middellijn, maar men is overtuigd dat zij grooter is dan de aarde; waaruit dus volgt dat men òf zijn ware meening heeft verloren, die men had, terwijl het voorwerp onveranderd blijft, zonder die vergeten te zijn of bewustelijk veranderd te hebben òf als men haar nog heeft, dan moet noodzakelijk dezelfde meening waar en onwaar zijn. Maar zij werd onwaar, zoo dikwijls men niet bemerkte dat het voorwerp omsloeg [57]. Alzoo is de voorstelling noch een van deze noch uit deze (gewaarwording, meening) voortkomend.
Maar het is mogelijk dat wanneer een ding bewogen wordt daardoor een ander bewogen wordt en de voorstelling schijnt een beweging te zijn en niet zonder waarneming te gebeuren maar bij waarnemenden en betreffende hetgeen waarneembaar is; en het is mogelijk dat een beweging ontstaat door de werkzaamheid der waarneming, die noodzakelijk overeenkomstig moet zijn met de waarneming. Zoo is dan deze beweging niet mogelijk zonder waarneming noch kan zij aanwezig zijn bij wie niet waarnemen en door haar kan het subjekt veel doen en lijden en zij kan waar en onwaar zijn. Dit volgt hieruit. De waarneming van de eigen waarneembaarheden is waar of heeft het minst onwaarheid. Daarna de waarneming van deze dingen als bijkomstigheden; hierin kan men zich dan bedriegen: dat nl. iets wit is, daarin bedriegt men zich niet; dat het witte dit of iets anders is, daarin wèl. Ten derde de waarneming van de algemeene bepalingen die de bijkomstigheden vergezellen als de eigen waarneembaarheden aanwezig zijn, zooals beweging en grootte [die bijkomstigheden zijn van de waarneembaarheden]; hieromtrent kan men zich in de waarneming dan het meest bedriegen. De beweging voortkomend uit de werkzaamheid der waarneming moet verschillen bij elk van die drie waarnemingen. En de eerste is als de waarneming er bij is, waar, de anderen kunnen én bij aan- én bij afwezigheid (der waarneming) onwaar zijn, vooral wanneer de waarneembaarheid ver verwijderd is. 429a. Als dus de voorstelling niets anders is [58] dan is zij een beweging door de werkzaamheid der waarneming opgewekt. Daar het gezicht in de eerste plaats waarneming is, heeft zij ook haar naam van φάος (licht) gekregen, daar men zonder licht niet zien kan. En omdat de voorstellingen bijblijven en overeenkomstig zijn aan de gewaarwordingen, handelen de levende wezens vaak daarnaar, deels doordat ze geen verstand hebben als de dieren, deels doordat het verstand soms bedekt wordt door hartstocht, of ziekten of slaap, als bij de menschen. Zooveel nu over de voorstelling, wat zij is en waardoor zij is.
429 a 10-b 9. Het denkvermogen of de geest, onbepaald, vatbaar voor alle vormen, in mogelijkheid alle denkbaarheden en zuiver, is in zijn wezen mogelijkheid, en dus niet lichamelijk bepaald. De onbepaaldheid der zintuigen bij zinnelijke gewaarwording is niet volstrekt, als die van den geest. Op zichzelf betrokken is de geest ook nog in mogelijkheid.
Over het deel van de ziel waardoor de ziel kent en denkt moet men ’t onderscheid nagaan of het scheidbaar is dan wel onscheidbaar naar grootte maar niet naar ’t begrip en hoe eigenlijk het denken tot stand komt. Alsnu het denken is als het waarnemen, dan is het iets ondergaan door het denkbare of iets dergelijks. Dus moet het onaangedaan zijn, geschikt om den vorm te vatten en naar mogelijkheid iets zoodanigs maar niet dit ding en zooals het waarnemingsvermogen tegenover de waarneembaarheden zoo moet de geest zich verhouden tot de denkbaarheden. Dus moet de geest, daar hij alles denkt, onvermengd zijn, zooals Anaxagoras zegt, opdat hij beheersche d.w.z. opdat hij kenne; want het vreemde dat zich bijtoont hindert en verspert; dus heeft de geest geen andere natuur dan dat hij iets in mogelijkheid is. Het geest genoemde deel van de ziel (geest noem ik dat waarmee de ziel denkt en opvat) is dus in werkzaamheid niets van de dingen alvorens te denken. Daarom heeft het ook geen zin dat hij vermengd is met het lichaam; want dan zou hij bepaald worden, koud of warm, of hij zou ook een zintuig hebben, zooals het waarnemingsvermogen, en toch heeft hij er geen. En die de ziel de plaats der vormen noemen, doen niet verkeerd, doch niet de heele ziel maar de denkende en de vormen niet in werkzaamheid maar in mogelijkheid. Dat het onaangedaan zijn van het waarnemingsvermogen en het denkvermogen niet gelijksoortig is, blijkt bij de zintuigen en de waarneming. 429b. Want de waarneming kan niet waarnemen na het in hooge mate waarneembare b.v. geluid na sterke geluiden of na sterke kleuren en reuken zien of ruiken; maar de geest, wanneer hij iets zeer denkbaars denkt, denkt niet minder de mindere denkbaarheden maar veeleer meer; want het waarnemingsvermogen is niet zonder lichaam, maar de geest is gescheiden. Wanneer hij zóó alles wordt, zooals men spreekt van de in werkzaamheid kundige (dit gebeurt wanneer hij door zichzelf tot werkzaamheid kan komen), zoo is hij ook dan in zeker opzicht in mogelijkheid, maar maar niet zooals voordat hij geleerd of gevonden heeft; en ook zichzelf kan hij dan denken.
429 b 10–430 a 9. Het onmiddellijke, het mathematische, het begrip staan verschillend tegenover den geest. Als onaangedaan en zuiver en zichzelf denkend is de geest alles in mogelijkheid, niets in werkelijkheid vóór zijn werking, als een onbeschreven blad. Denken en begrip zijn hetzelfde; het zakelijke is begrip in mogelijkheid, afgezien van de stof.
Daar grootte en het begrip van grootte, water en ’t begrip van water te onderscheiden is (zoo ook bij vele andere dingen, doch niet bij allen, want bij sommigen is het hetzelfde) oordeelt men het begrip van vleesch en het vleesch ook met iets anders of met iets in andere verhouding; want het vleesch is niet zonder de materie maar als het stompneuzige, bepaalde vorm in bepaalde materie. Met het waarnemingsvermogen nu oordeelt men over het warme en koude en die elementen waarvan het vleesch een bepaalde verhouding is; het begrip van vleesch met iets anders óf iets gescheidens óf dat is als de verhouding van de gebroken lijn tot zichzelf als gestrekte. Verder bij de wiskundige dingen het rechte als het stompneuzige, want het is gebonden aan uitgebreidheid; maar het begrip, als het begrip van het rechte en het rechte verschillend zijn, is iets anders; laat het zijn tweeheid. Dus oordeelt men het met iets anders of dat zich anders verhoudt. En zooals dus in ’t geheel de zaken gescheiden zijn van de materie, zoo ook gaat het met den geest. Men kan vragen, als de geest eenvoudig is en onaangedaan en met niets iets gemeen heeft, zooals Anaxagoras zegt, hoe hij dan zal denken, indien het denken is iets ondergaan. Want in zoover twee dingen iets gemeen hebben, is het eene werkend het andere lijdend. Bovendien, (is er de verlegenheid), als hij zelf denkbaar is. Want dan moet of bij de andere dingen geest aanwezig zijn, als de geest zelf niet om iets anders denkbaar is en het denkbare één is in soort, òf de geest moet iets gemengds hebben dat hem denkbaar maakt als de andere dingen. Maar het lijden in iets gemeenschappelijks is vroeger onderscheiden, dat de geest in zekeren zin naar mogelijkheid de denkbaarheden is, maar niets in werkelijkheid voordat hij denkt. 430a. Men begrijpe het zoo als op een schrijftafel, waarop niets in werkelijkheid geschreven is; wat het geval is bij den geest. En zelf is hij denkbaar zooals de denkbaarheden. Want bij de dingen zonder materie is het denkende en het gedachte hetzelfde; want de theoretische kennis en wat zoo gekend wordt is hetzelfde. De oorzaak dat men niet altijd denkt moet nagegaan worden. In de materieele dingen is in mogelijkheid elk der denkbaarheden. Dus bezitten zij geen geest (want de geest is de mogelijkheid der zoodanige dingen zonder hun materie) maar de geest bezit wel het denkbare.
430 a 10–a 25. Als in de geheele natuur, zoo ook in den geest onderscheiding van materie en vorm, passieve en actieve geest. De actieve een gesteldheid als ’t licht, naar wezen werkzaamheid, zelfstandig, onaangedaan, zuiver en alleen onsterfelijk en eeuwig zichzelf. Die kan niet omvat worden door het sterfelijk bewustzijn, want de actieve geest denkt niets zonder het sterfelijk bewustzijn, dat eenheid van lijden en werken is.
Daar er, evenals in de heele natuur, iets is eenerzijds materie voor elk soort (dat is wat in mogelijkheid al de dingen van die soort is) anderzijds het veroorzakende en bewerkende doordat het alle dingen maakt, (zooals de verhouding is tusschen de kunst en de materie), zoo moeten ook in de ziel deze onderscheidingen aanwezig zijn. En zoodanig is de eene geest door alles te worden, de andere door alles te maken, als een gesteldheid, gelijk het licht; want op een zekere wijze maakt ook het licht de kleuren naar mogelijkheid tot kleuren in werkzaamheid. En deze geest is gescheiden, onaangedaan en ongemengd, van wezen werkzaamheid zijnde. Want altijd is hooger het bewerkende dan het lijdende en het principe dan de stof. En de kennis in werkzaamheid is hetzelfde als de zaak; (de kennis naar mogelijkheid gaat in tijd vooraf bij den enkele, maar in ’t geheel ook niet in tijd) en deze geest denkt niet nu wèl, dan niet. Op zichzelf is hij alleen dat wat hij is en dat alleen is onsterfelijk en eeuwig. Wij hebben er geen bewustzijn van, omdat dit onaangedaan is en de lijdende geest vergankelijk is en (de actieve geest) zonder deze niets denkt.
430 a 26–b 30. Bij denken van het ongedeelde geen waarheid of onwaarheid; dat komt eerst in de verbinding; het verbindende is de geest. Denken van het ongedeelde naar aantal of naar de soort. Denken van het negatieve en de tegenstelling en van wat geen tegenstelling heeft. Oordeel is waar of onwaar, begrip van het wezen steeds waar, als het zien van het eigenlijk zichtbare.
6. Het begrip nu der ongedeeldheden betreft die dingen, waaromtrent geen onwaarheid is. Die, waarin van waarheid en onwaarheid sprake is, zijn dan een verbinding van begrippen als een éénheid vormende, zooals Empedokles zeide: „gelijk van velen hoofden zonder hals ontsproten” die dan door de liefde verbonden werden, zoo worden ook deze gescheiden zijnde verbonden, zooals het onderling onmeetbaar zijn en de diagonaal; wanneer er sprake is van in ’t verleden of in de toekomst, denkt men er den tijd bij en stelt dien samen. 430b. Want de onwaarheid ligt altijd in de verbinding; immers noemt men het witte niet wit, dan heeft men het niet witte verbonden. Men kan ook alles scheiding noemen. Maar zeker is niet alleen ’t ware of onware dat Kleon wit is, maar ook dat hij wit was of zijn zal. Dat wat de eenheid bewerkt is bij alles de geest. Aangezien het ondeelbare tweevoudiglijk geldt, of naar mogelijkheid of in werkzaamheid, belet niets te denken het ondeelbare, wanneer men denkt de lengte (die is nl. ondeelbaar in werkzaamheid) ook in ondeelbaren tijd: want de tijd is deelbaar en ondeelbaar overeenkomstig de lengte. Nu kan men niet zeggen wat men in elk van beide helften denkt; want die bestaan slechts, als de verdeeling niet geschiedt, in mogelijkheid. Denkt men elk van beide helften afzonderlijk, dan verdeelt men ook tegelijk de tijd en dan denkt men (lengte) als lengten. Denkt men (lengte) als uit beide (helften) dan denkt men ook in den tijd voor beiden. Wat niet als grootte maar soortelijk ondeelbaar is, denkt men in ondeelbare tijd en met ’t ondeelbare van de ziel; maar bijkomstiglijk en niet zooals die vorigen, zijn deelbaar waarmee men denkt en de tijd waarin men denkt; want ook in dezen is iets ondeelbaars, maar misschien niet gescheiden, (’t zelfde) dat de tijd en de lengte één maakt. En dat is evenzoo in alle uitgebreidheid van tijd en lengte. Het punt en alle verdeeling en wat zoo ondeelbaar is, wordt verduidelijkt als de ontkenning. En de redeneering is gelijk voor de andere dingen b.v. hoe men het booze of het zwarte kent; nl. men kent het zoo te zeggen door het tegengestelde. Het kennende moet in mogelijkheid zijn en eenheid hebben. Als eenige der oorzaken geen tegendeel heeft, kent zij zichzelf en is in werkzaamheid en gescheiden. Het oordeel spreekt iets uit van iets, zooals de bevestiging en is altijd waar of onwaar; het begrip niet altijd, maar het begrip van het ding naar zijn wezen is waar en niet eenige bepaling omtrent iets; maar zooals het zien van het eigenlijke waar is, maar niet altijd waar of het witte een mensch is of niet, zoo verhouden zich de onstoffelijkheden.
431 a 1–431 b 1. Het door het waarneembare in werkzaamheid gebrachte waarnemingsvermogen, leidt tot streven en vermijden; voor het denkvermogen zijn de voorstellingen als waarneembaarheden. Er is een centraliteit van waarneming. Die oordeelt ook over ongelijksoortige eigenschappen in éénen.