Part 7
Over den reuk en het ruikbare is de bepaling minder gemakkelijk dan bij het behandelde; want de aard van de reuk is niet zoo duidelijk als het geluid of de kleur, de oorzaak is dat wij deze gewaarwording niet nauwkeurig bezitten maar minder dan vele dieren; want de mensch ruikt slecht en heeft geen reukgewaarwording zonder gevoel van afkeer of genot, daar blijkbaar het zintuig niet nauwkeurig is. Het is aannemelijk dat op deze wijze ook de staroogigen de kleuren gewaarworden en de onderscheiden der kleuren hen alleen blijken doordat zij al of niet vrees verwekken; zoo neemt ook het menschelijk geslacht de reuken waar. Want de reuk schijnt overeenkomst te hebben met de smaak en de soorten van de smaken met die van de reuk, maar wij hebben nauwkeurigen smaak omdat deze een soort tastzin is en de mensch die gewaarwording ’t nauwkeurigst heeft; want in de andere gewaarwordingen blijft de mensch bij velen van de dieren achter, maar in den tastzin bezit hij de andere ver overtreffende nauwkeurigheid. Daarom is hij ook het verstandigste der levende wezens. Een bewijs is dat ook onder het menschelijk geslacht het onderscheid van aanleg van dat zintuig afhangt en van niets anders; want de hardvleezigen zijn slecht van aanleg voor ’t denken, de zachtvleezigen goed. Zooals bij smaken de eene zoet, de andere bitter is, zoo ook bij de reuken. Maar sommige dingen hebben overeenkomstigen reuk en smaak b.v. zoete reuk en zoete smaak, andere omgekeerd. Eveneens is er bittere, wrange, zure en zoete reuk; maar, gelijk wij zeiden, doordat de reuken in hun onderscheid niet zeer duidelijk zijn, zooals de smaken, hebben zij daaraan hun namen ontleend naar de gelijksoortigheid der zaken; nl. de zoete van saffraan en honig, de bittere van thym en dergelijke en zoo de anderen. 421b. Evenals bij het gehoor en iedere gewaarwording, deze het hoorbare betreft en het onhoorbare, gene het zichtbare en het onzichtbare, zoo betreft de reuk het reukbare en onreukbare. Het onreukbare is deels gezegd van wat in ’t geheel geen reuk kan hebben, deels van wat weinig of slechte reuk heeft. Evenzoo spreekt men ook van wat geen smaak heeft.
Ook de reuk gaat door een middenstof als lucht of water; want ook de waterdieren blijken reukgewaarwordingen te hebben, de bloedige evenals de bloedelooze, zooals ook de dieren in de lucht; want eenigen van dezen komen van verre op het voedsel af waarvan zij de reuk krijgen. Daarom doet zich een moeilijkheid voor dat, terwijl alles gelijkelijk ruikt, de mensch wèl bij inademing, maar niet wanneer hij uitademt of zijn adem inhoudt, noch van verre noch van dichtbij, zelfs niet wanneer het voorwerp binnen op het neusgat wordt geplaatst. En dat hetgeen op het zintuig zelf geplaatst wordt onwaarneembaar wordt is aan alle zintuigen gemeen, maar dat zonder inademing geen (reuk)waarneming plaats vindt is een bizonderheid bij de menschen, die bij proefneming blijkt; dus zouden de bloedelooze dieren, daar zij niet inademen, eenige andere gewaarwording bezitten naast de bekenden. Dit is echter onmogelijk, daar zij immers de reuk waarnemen, want de waarneming van het riekende, het wel- of kwalijk riekende, is de reuk. Ook blijken zij vernietigd te worden door dezelfde sterke reuken als de mensch, zooals van asphalt, zwavel en dergelijke. Ruiken dus is noodzakelijk, maar niet met inademen. Het lijkt dat dit zintuig bij de menschen tegenover dat van de andere dieren verschilt zooals de oogen tegenover die der staroogigen; want de oogen van den mensch hebben als een schut of hulsel de oogleden, die men moet bewegen en optrekken om te zien; de staroogigen hebben niets zoodanigs, maar zien onmiddellijk wat zich in het doorschijnende bevindt: zoo lijkt ook het reukzintuig bij den eenen onbedekt te zijn als ’t oog, en bij hen die de lucht opnemen een bedeksel te hebben dat bij inademen opengaat terwijl de aderen en porieën zich verwijden. 422a. En daarom ruiken de inademende dieren niet in het water, want zij moeten door inademen ruiken en dat is onmogelijk in het water. De reuk betreft het droge, zooals de smaak het vochtige; het reukzintuig is naar mogelijkheid zoodanig [50].
422 a 8—b 16. Smaak. Geen middenstof, als bij den tastzin. Betreft het vochtige. Onderscheidingen van smaken.
Het voorwerp van de smaak is iets tastbaars en dat is de oorzaak waarom het niet waarneembaar is door het midden, dat een vreemd lichaam is; immers hetzelfde geldt van den tastzin. En het lichaam waarin de smaak is, het proefbare, is in ’t vochtige als zijn materie en dat is iets tastbaars. Daarom ook indien we in ’t water waren zouden wij het daarin geworpen zoete waarnemen; maar dan zou onze gewaarwording niet gaan door den middenstof, maar doordat het zoete met het natte vermengd werd evenals bij den drank. De kleur wordt niet zoo gezien, door het vermengd worden noch door de uitvloeiingen. Aan de middenstof (bij het zien) beantwoordt (bij de smaak) niets; maar zooals het zichtbare de kleur is, zoo het proefbare de smaak. Niets verwekt smaakgewaarwording zonder vochtigheid, maar het heeft in werkzaamheid of naar mogelijkheid vochtigheid, zooals het zoute; want dat is zelf licht smeltbaar en doet de tong mede aan door ’t smelten. Zooals het gezicht betreft het zichtbare en onzichtbare (immers de duisternis is onzichtbaar, maar ook die onderscheidt het gezicht) en bovendien het te zeer schitterende (want ook dat is onzichtbaar maar op andere wijze dan de duisternis) en tevens het gehoor gaat over geluid en stilte, waarvan het eene hoorbaar het andere onhoorbaar is, en over groot geluid, evenals het gezicht over het schitterende (want zooals het geringe geluid onhoorbaar is, zoo op een zekere wijze ook het groote en gewelddadige) en men eenerzijds van het volstrekt onzichtbare spreekt, zooals in andere gevallen van het onmogelijke, anderzijds van ’t niet waarneembare dan, wanneer iets wat zijn natuur meebrengt niet of in onvoldoende mate bezit, zooals het voet- en pitlooze; zoo betreft dan ook de smaak het proefbare en niet proefbare, dat is hetgeen weinig of slechte smaak heeft of een smaak die den zin vernietigt. De grondslag zal zijn het drinkbare en ondrinkbare; want beiden zijn een smaak, maar het laatste een slechte en die den zin bederft, het eerste naar de natuur. Het gemeenschappelijke van tastzin en smaak is het drinkbare. 422b. Daar het proefbare vochtig is moet het dit betreffende zintuig noch in werkelijkheid vochtig zijn, noch buiten de mogelijkheid zijn vochtig te worden. Want de smaak ondervindt iets van het proefbare als zoodanig. Dus moet het zintuig van de smaak bevochtigd worden terwijl het niet nat is, maar nat kan worden zonder vernietiging. Een bewijs is dat de tong niet waarneemt wanneer zij verdroogd noch wanneer zij te vochtig is; want dan is de aanraking met het eerstkomende vochtige, zooals wanneer men na vooraf een sterke smaak geproefd te hebben een andere proeft en zooals den zieken alles bitter voorkomt omdat zij met de tong vol van dergelijke vochtigheid waarnemen. De soorten van de smaak zijn, zooals bij de kleuren, als enkelvoudig tegengesteld, het zoete en het bittere, aansluitend bij het eerste het vettige, bij het andere het zoute, daartusschen het scherpe en strenge en wrange en zure; dat zijn ongeveer de onderscheidingen van de smaken. Dus het smaakzintuig is wat in mogelijkheid zoodanig is, het proefbare wat het zintuig in werkelijkheid zoo maakt.
422 b 17—424 a 16. Tastzin. Verschil in de waarneembaarheden daarbij en bij de andere zinnen en omtrent het midden—dat bij den tastzin met het lichaam één is; bij de tong is tastzin en smaak hetzelfde. Er moet bij den tastzin evenzeer een midden zijn als bij de anderen, wil de werkzaamheid mogelijk zijn. Maar anders dan bij de anderen wordt het zintuig tegelijk met het midden—niet dóór het midden—aangedaan.—De waarneembaarheid verwerkelijkt het naar mogelijkheid aan haar gelijke tastzintuig; het zintuig treedt als gemiddelde op tegenover de tastbaarheden en wordt dus oordeelend—en neemt het tastbare en ’t niet tastbare waar.
Over het tastbare en den tastzin geldt dezelfde redeneering; want als de tastzin niet één gewaarwording is maar meerdere, dan moeten ook de tastbaarheden meerdere zijn. Er is te vragen of zij meerdere gewaarwordingen zijn dan wel ééne en wat het zintuig van den tastzin is, het vleesch en het daarmede overeenkomstige in de andere dingen of niet, maar dat dit de middenstof is en het eigenlijke zintuig iets anders inwendigs. Want iedere gewaarwording betreft één tegenstelling b.v. gezicht wit en zwart, gehoor hoog en laag en smaak bitter en zoet; maar in het tastbare zijn vele tegenstellingen, warm en koud, droog en vochtig, hard en zacht enz. Deze vraag vindt een zekere oplossing doordat ook bij de andere gewaarwordingen meerdere tegenstellingen bestaan, zooals bij de stem niet alleen hoog en laag maar ook luid en zacht, vloeiend en ruw en andere dergelijke. Ook bij kleur zijn andere dergelijke onderscheidingen. Maar wat het eene is dat de grondslag vormt, zooals bij gehoor geluid, dat is bij den tastzin niet duidelijk.
423a. Of het zintuig inwendig is of niet, maar onmiddellijk het vleesch, dat wordt niet uitgemaakt doordat de gewaarwording tegelijk met de aanraking komt. Immers ook wanneer men om het vleesch iets van een vlies spande, merkt men evenzeer de gewaarwording terstond bij de aanraking; en toch is het duidelijk dat daarin het zintuig niet is; en ware het aangegroeid, dan zou de gewaarwording nog sneller doordringen. Daarom schijnt het zoodanige deel van het lichaam zoo te zijn alsof de lucht in een kring om ons heen gegroeid was; want dan zouden wij meenen met één midden geluid kleur en reuk waar te nemen en gezicht gehoor en reuk zouden één gewaarwording schijnen: Maar nu doordat datgene, waardoor heen de bewegingen geschieden, gescheiden is (van het lichaam), blijken de gezegde zintuigen verschillend te zijn. Bij den tastzin is dit nu onduidelijk; immers het is onmogelijk dat het bezielde lichaam uit lucht of water bestaat, want er moet iets vasts zijn. Er blijft over dat het gemengd is uit aarde en die dingen [51], zooals het vleesch, en wat daarmee overeenkomstig is, bedoelt te zijn; zoodat noodzakelijk ook het lichaam is het midden van den tastzin, dat aangegroeid is, waardoor de gewaarwordingen gaan, die meerderen zijn. Dat zij meerderen zijn bewijst de aanraking bij de tong; want zij neemt alle tastbaarheden met haar zelfde deel waar als de smaak. Als nu ook het overige vleesch de smaak waarnam, dan zou de smaak en de tastzin een en dezelfde gewaarwording schijnen; nu zijn zij twee doordat zij niet onderling te verwisselen zijn.
Hier doet zich een moeilijkheid voor. Als ieder lichaam diepte heeft als derde afmeting, en twee lichamen waartusschen eenig lichaam is, elkaar niet kunnen aanraken, en het natte niet zonder lichaam is noch het bevochtigde, maar het noodzakelijk water is of water heeft; en wat elkaar aanraakt in ’t water, terwijl de uiteinden niet droog zijn, noodzakelijk water tusschenbeide heeft dat de uiteinden dekt; zoo dit waar is, dan kan het een het ander niet aanraken in het water en op dezelfde wijze ook in de lucht (want de lucht is tegenover de in haar zijnde dingen als het water tot de daarin zijnde dingen, maar wij merken dat minder, evenals ook de dieren in het water, wanneer wat vochtig is het vochtige aanraakt). 423b. Gaat dus de waarneming van alles op dezelfde wijze of bij verschillende dingen verschillend, zooals men maar aanneemt dat de smaak en de tastzin door aanraking en de anderen gescheiden waarnemen? Niet alzoo, maar ook het harde en zachte nemen wij door andere (middenstoffen) waar evenals het geluidgevende, het zichtbare en het ruikbare, maar deze van verre, de eersten van dichtbij. Daarom merken wij het niet, immers wij nemen alles waar door de middenstof, maar bij die gewaarwordingen merken wij het niet. En toch, zooals wij ook vroeger zeiden, ook indien wij door een vlies alle tastbaarheden waarnamen zonder te merken dat het afscheidt, zouden wij ons zoo verhouden als nu in ’t water en in de lucht; want wij meenen nu de dingen zelf aan te raken zonder dat er een middenstof is. Maar het tastbare onderscheidt zich van de zichtbaarheden en geluidgevende dingen doordat wij die gewaarworden door een inwerking van de middenstof op ons, maar de tastbaarheden niet door toedoen van de middenstof maar daarmede tegelijk, zooals die een stoot krijgt door zijn schild heen; immers niet het schild krijgt en geeft den stoot, maar beiden (persoon en schild) krijgen hem tegelijk. In ’t geheel lijkt het dat vleesch en de tong zich tegenover het zintuig zoo verhoudt als de lucht en het water tot het gezicht en ’t gehoor en de reuk. Wanneer het zintuig zelf aangeraakt wordt, kan er noch bij de laatsten noch bij het eersten waarneming zijn b.v. wanneer men eenig wit lichaam onmiddellijk op het oog legt. Hieruit blijkt dat het gewaarwordingsvermogen bij het tastbare inwendig is. Want dan geldt hetzelfde als voor de andere (zinnen); immers wanneer de waarneembaarheden op het zintuig gelegd worden heeft geen gewaarwording plaats, maar wanneer ze op het vleesch gelegd worden, wèl; dus is het vleesch de middenstof van den tastzin.
Tastbaar nu zijn de onderscheidingen van het lichaam als zoodanig; ik bedoel de onderscheidingen tusschen de elementen, warm, koud droog en nat, waarover wij vroeger hebben gesproken in het geschrift over de elementen [52]. Het dezen betreffende tastzintuig, dat, waarin de gewaarwording die tasten heet eigenlijk aanwezig is, is het lichaamsdeel dat in mogelijkheid dusdanig is; want gewaarworden is iets ondergaan. 424a. Dus hetgeen dit naar werkzaamheid aan zichzelf gelijk maakt, werkt daarop in terwijl dit naar mogelijkheid dusdanig is. Daarom nemen wij het even warme en koude of harde en zachte niet waar, maar de overmaat, daar de waarneming als een midden is tusschen de tegenstelling in de waarneembaarheden. En daarom beoordeelt (de waarneming) de waarneembaarheden. Want het midden is oordeelkundig, want het verhoudt zich tot elk van beide tegendeelen als hun tegendeel en zooals wat wit en zwart zal waarnemen geen van beide in werkzaamheid moet zijn en beiden in mogelijkheid (evenzoo bij de andere) zoo moet bij den tastzin (het waarnemende) noch warm noch koud (zijn). Zooals verder het gezicht in zekeren zin het zichtbare en het onzichtbare betrof en eveneens de andere de tegenstellingen waarnamen, zoo betreft ook de tastzin het tastbare en ontastbare; ontastbaar is de tastbaarheid die zeer geringe onderscheiding biedt, zooals de lucht, en de overmaat onder de tastbaarheden zooals de vernietigende. Zoo is nu elk der gewaarwording in omtrek behandeld.
424 a 17—b 18. Gewaarwording in ’t algemeen betreft de vormen, niet de materie. Het waarnemende verschilt in wezen van het object, doordat het geen grootheid maar een verhouding aan de grootheid is, die daarom vernietigbaar is en niet bij planten voorkomt. De waarneembaarheid is er alleen voor het betreffende vermogen, ook bij tastzin en reuk.
In ’t algemeen moet men betreffende alle gewaarwording begrijpen dat de gewaarwording is hetgeen de waarneembare vormen aanneemt zonder de materie, zooals de was het merk van den ring opneemt zonder het ijzer en het goud en het gouden of koperen merk aanneemt maar niet als goud of koper; eveneens wordt de waarneming van ieder aangedaan door hetgeen kleur of smaak of geluid heeft, maar niet in zoover elk van die dingen (iets) maar iets zoodanigs genoemd wordt en naar het begrip. En het zintuig is allereerst datgene, waarin het zoodanige vermogen is. In aanzijn nu is het hetzelfde, maar in begrip iets anders; want het waarnemende is een grootheid, maar het begrip van het waarnemend-zijn en de waarneming is niet grootheid maar een verhouding en vermogen van de grootheid. Hieruit blijkt ook waarom toch de overmaat der waarneembaarheden de zintuigen vernietigen; immers wanneer de beweging van het zintuig te sterk is, wordt de verhouding (d.w.z. de waarneming) opgeheven evenals ook het accoord en de toon, wanneer de snaren sterk getokkeld worden; en waarom de planten niet waarnemen die iets van ziel hebben en iets ondergaan van de tastbaarheden zelve, immers zij worden koud en warm; de oorzaak is nl. dat zij geen middentoestand hebben noch zulk een principe dat de vormen van de waarneembaarheden kan opnemen, maar zij ondergaan ze met de stof. 424b. Men zou kunnen vragen of datgene wat niet kan ruiken iets ondergaat van de reuk of van de kleur wat niet kan zien, en evenzoo bij de anderen. Maar wanneer het ruikbare de reuk is, bewerkt de reuk, zoo iets, het ruiken; dus kan niets wat niet kan ruiken iets ondergaan van de reuk en hetzelfde geldt van de anderen, noch iets van wat wèl kan, anders dan in zoover elk het bepaalde waarnemingsvermogen heeft. Ook blijkt dit aldus. Noch licht of duisternis noch geluid noch reuk doet de lichamen aan maar hun dragers, b.v. de lucht met donder splijt het hout. Maar wèl doen de tastbaarheden en de smaken de lichamen aan; want waardoor zouden anders de onbezielde lichamen aangedaan en veranderd worden? Doen dan soms ook die anderen (nl. licht, geluid, reuk) aan of is niet elk lichaam vatbaar voor inwerking door reuk en geluid en die aangedaan worden zijn onbepaald en houden geen stand, zooals de lucht; want die riekt als op eenige wijze aangedaan. Wat dan is ruiken anders dan iets ondergaan? Of is ruiken ook waarnemen, maar de lucht die aangedaan is, wordt in korten tijd waarneembaar (niet waarnemend.)
Eind van boek II.
424 b 22—425 b 11. Niet meer dan 5 zinnen mogelijk (de tastzin en die wier elementen water en lucht zijn). Geen bizondere zin voor de gemeenschappelijke waarneembaarheden. Waarom meerdere gewaarwordingen.
Dat er geen andere gewaarwording is behalve de vijf—gezicht, gehoor, reuk, smaak, tastzin—kan men hieruit gelooven. Namelijk van alles, waarvan de gewaarwording tastzin is, hebben wij werkelijk gewaarwording (want alle gevallen van het tastbare als zoodanig zijn voor ons door den tastzin waarneembaar); voorts is het noodzakelijk dat, wanneer een gewaarwording ontbreekt, ons ook een zintuig ontbreekt; wat wij door onmiddellijke aanraking waarnemen is door den tastzin waarneembaar, dien wij werkelijk bezitten, wat wij niet onmiddellijk maar door middenstof waarnemen, nemen wij waar door de elementen als lucht en water. Nu is het zoo gesteld dat als wij door één midden meerdere ongelijksoortige waarneembaarheden waarnemen, hij die het overeenkomstige zintuig heeft, noodzakelijk beide moet kunnen waarnemen (als b.v. het zintuig uit lucht is en de lucht de middenstof is voor geluid en kleur); als er meer middenstoffen voor dezelfde gewaarwording zijn b.v. voor kleur lucht en water (want beide zijn doorschijnend), zal degeen die slechts een van beide middenstoffen heeft, waarnemen wat door beiden gaat. 425a. En alleen uit deze twee der elementen zijn de zintuigen, uit lucht en water; (want de pupil is van water, het gehoor van lucht, de reuk van elk van beiden); het vuur behoort tot geen zintuig of gemeenschappelijk tot allen (want niets is tot waarnemen in staat zonder warmte); aarde of tot geen zintuig of is ’t meest met den tastzin bizonderlijk gemengd; zoodat er overblijft dat er geen zintuig is buiten water en lucht. Deze bezitten werkelijk eenige levende wezens en dus bezitten alle gewaarwordingen de niet onvoltooide of gebrekkige wezens; want ook de mol blijkt onder de huid oogen te hebben. Dus als er niet een ander lichaam is of een eigenschap tot geen der aardsche lichamen behoorende, dan ontbreekt er geen gewaarwording.
Verder kan er ook geen bizonder zintuig zijn van het gemeenschappelijke dat wij met iedere waarneming bijkomstig waarnemen, als beweging, stilstand, vorm, grootte, getal en eenheid; al deze nl. nemen wij door beweging waar, zooals grootte door beweging en dus ook vorm, want de vorm is een grootte; en het rustende door het niet bewegen; het getal door de ontkenning van het aanéén zijn en door de bizondere waarnemingen; want elke waarneming neemt één ding waar. Het is dus duidelijk dat er van geen enkele van deze een eigen gewaarwording zijn kan b.v. van beweging; want het zal zoo zijn, zooals wij nu met het gezicht het zoete waarnemen. Dit komt omdat wij van beiden gewaarwording hebben waardoor wij ook wanneer zij samenvallen ze tegelijk kennen; zoo niet, dan zouden wij het alleen bijkomstiglijk waarnemen, zooals den zoon van Kleon niet als zoon van Kleon maar als wit en dit (witte) heeft als bijkomstigheid zoon van Kleon te zijn. Van het gemeenschappelijke hebben wij stellig een gemeenschappelijke, niet bijkomstige, gewaarwording, die dus niet een eigene is; want anders zouden wij ze niet waarnemen dan zooals gezegd is betreffende het zien van Kleon’s zoon. De bij elkaar als eigen behoorende waarneembaarheden nemen de gewaarwordingen bijkomstiglijk waar, niet als die enkelen zoodanig, maar in zoover de gewaarwording één is, wanneer zij tegelijk hetzelfde betreft b.v. van gal als bitter en geel; want het is niet het werk van een andere gewaarwording te zeggen dat beiden één zijn; daarom vergist men zich ook en meent men, wanneer iets geel is, dat het gal is. 425b. Men zou kunnen vragen waarom wij meerdere gewaarwordingen en niet eene alleen hebben. Wellicht opdat de als algemeenheden met de gewaarwordingen verbondene ons niet zouden ontgaan, als beweging, grootte en getal; want indien alleen het gezicht er was en dat het witte betrof, zou van alles veel ontgaan en hetzelfde schijnen doordat tegelijk kleur en grootte met elkaar verbonden waren. Maar daar nu ook in een andere waarneembaarheid de algemeenheden aanwezig zijn, wordt het duidelijk dat elk van dezen iets anders is.
424 b 12—427 a 16. Gewaarwording van de waarneembaarheid gaat gepaard met die welke zichzelve betreft. Gewaarwording in werkzaamheid is hetzelfde als het waarneembare in werkelijkheid en werkzaam in het naar mogelijkheid waarneembare. Dit laatste blijft ook zonder de gewaarwording in werkzaamheid. Gewaarwording is evenals accoord een verhouding van het zintuig en het waarneembare, die verstoord kan worden door overmaat. Het gemengde geeft meer genot in de gewaarwording dan het eenvoudige. Onderscheiding van gelijktijdige ongelijksoortige waarneembaarheden door één gewaarwording, die gelijkheid en verschil tegelijk waarneemt zooals het punt één of twee is.
Daar wij gewaarworden dat wij zien en hooren, moet men door het gezicht waarnemen dat men ziet of door een andere gewaarwording. Maar dan betreft dezelfde waarneming het gezicht en de voorwerpelijke kleur en zoo zullen twee waarnemingen bij hetzelfde voorwerp zijn of de waarneming zal zichzelf betreffen. Neemt men aan dat de gewaarwording van het gezicht een andere is, dan komt men tot eindeloosheid of eenige waarneming zal zichzelf betreffen. Dus moet men dat van de eerste waarneming laten gelden. Hier is de moeilijkheid dat, als gezichtswaarneming zien is er wat gezien wordt kleur of het kleurhoudende is, wanneer men het ziende ziet, het eerste ziende kleur moet hebben. Dus blijkt dat gezichtswaarneming hebben niet één is; immers ook wanneer wij niet zien, oordeelen wij met het gezicht en de duisternis en het licht, maar niet op gelijke wijze. Verder is ook het ziende in zekeren zin gekleurd; want het zintuig neemt elk der waarneembaarheden op zonder de stof. Daarom zijn ook wanneer de waarneembaarheden verwijderd zijn de waarnemingen en beelden in de zintuigen.
In de werkzaamheid zijn het waarneembare en de waarneming een en hetzelfde, in het begrip niet. B.v. het geluid en het gehoor in werkzaamheid; men kan nl. gehoor hebben zonder te hooren en wat geluid heeft maakt niet steeds geluid. Maar wanneer wat kan hooren en wat geluid kan geven in werkzaamheid is, dan komt tegelijk het gehoor in werkzaamheid en het geluid in werkzaamheid; het eene kan men hooring ἄκουσις en het andere geluiding ψόφησις noemen.