Part 6
Daar hetzelfde vermogen van de ziel voedings- en voortplantingsvermogen is, is het noodig ook eerst omtrent voeding te spreken, want door die verrichting onderscheidt zich dit vermogen van de anderen. Men meent dat de voeding is tegendeel met tegendeel, maar niet elk met elk, maar die tegendeelen die niet alleen ontstaan uit elkander hebben maar ook wasdom; immers vele dingen ontstaan uit elkaar die niet allen bepaalde grootheden zijn, zooals het gezonde uit het zieke. Ook de bepaalde grootheden blijken niet evenzeer voor elkander voeding te zijn, maar het water wèl voor het vuur, het vuur echter voedt het water niet. Onder de enkelvoudige lichamen nu zijn deze (tegendeelen) wel eenerzijds voeding, anderzijds wat gevoed wordt. De moeilijkheid doet zich voor dat volgens de eenen het gelijke door het gelijke gevoed wordt alsook groeit, de anderen denken, zooals gezegd is, omgekeerd het tegendeel door het tegendeel, daar het gelijke geen werking ondervindt van het gelijke en het voedsel verandert en verteerd wordt: en de verandering gaat bij alles naar het tegengestelde of het midden (neutrale). 416b. Verder ondervindt het voedsel werking van wat gevoed wordt, maar niet omgekeerd, evenals de timmerman niet van de stof maar de stof van hem, en de timmerman verandert alleen van rust tot bedrijvigheid. Maar of het voedsel het laatst bijkomende is of het eerste, dat maakt onderscheid. Zoo beide, maar het eerst bijkomende als onverteerd, het laatste als verteerd, dan kan men in beiderlei zin over het voedsel spreken; in zoover het onverteerd is, wordt het tegendeel door het tegendeel gevoed, in zoover het verteerd is, het gelijke door het gelijke. Dus blijkt dat beiden in zeker opzicht juist en niet juist spreken. Daar niets zich voedt dat geen deel heeft aan leven, is het bezielde lichaam als zoodanig hetgeen gevoed wordt en het voedsel heeft niet slechts een bijkomstige betrekking tot het bezielde. Het begrip van voeding en bewerking van groei is niet hetzelfde; in zoover n.l. het bezielde een grootheid is, geldt bewerking van groei, inzoover het een bepaald iets en wezen is, voeding; want deze handhaaft het wezen en iets bestaat zoolang het gevoed wordt en de voeding veroorzaakt de wording, niet van hetgeen gevoed wordt, maar van zijnsgelijke; want zijn wezen bestaat reeds en niets verwekt zichzelf maar handhaaft zich. Dus is het zoodanige zielsprincipe het vermogen dat den bezitter handhaaft in zijn wezen en het voedsel brengt dat vermogen tot bedrijvigheid. Daarom is zonder voedsel geen bestaan mogelijk. Als wij drie onderscheiden, wat gevoed wordt, waardoor het gevoed wordt en het voedende, is het voedende de eerste ziel, wat gevoed wordt het deze bezittende lichaam, waardoor het gevoed wordt het voedsel. Daar men naar het doel alles behoort te noemen en het doel is de verwekking van zijnsgelijke, is de eerste ziel datgene wat het zijnsgelijke verwekken kan. „Waardoor het gevoed wordt” is tweevoudig, evenals waardoor men stuurt, en de hand en het roer, het eene bewegende en bewogen wordende, het andere alleen bewogen wordende. Alle voedsel nu moet noodzakelijk verteerd kunnen worden, en het is de warmte die de vertering bewerkt; daarom heeft elk bezield wezen warmte. In omtrek nu is hiermede gezegd wat voeding is, uitvoeriger moet later de zaak verduidelijkt worden in de daarover handelende geschriften [40].
416 b 32—418 a 6. Van voeding tot gewaarwording komende, eerst over deze in ’t algemeen als een verandering. Hierbij dezelfde vraag als bij de voeding en voorts waarom zij niet inwendig werkt maar objecten vereischt. Zij is alleen naar mogelijkheid. Onderscheidingen in de mogelijkheid, bij doen en lijden of veranderen—veranderen tot vernietiging of tot verwezenlijking. Dit onderscheid is niet met een woord te noemen. De gewaarwording betreft het enkele, anders dan de kennis die het algemeene betreft; dit laatste is in de ziel, het eerste is van buiten. De verhouding van zintuig en waarneembaarheid als tusschen mogelijkheid en werkzaamheid lost ook de eerste vraag naar ’t gelijke of ’t ongelijke op.
Na deze uiteenzetting willen wij over alle waarneming in ’t algemeen spreken. De gewaarwording gaat door ’t bewogen worden en lijden, zooals gezegd is; want zij is een zekere verandering. Maar sommigen zeggen dat ook het gelijke van het gelijke inwerking lijdt; hoe dit mogelijk of onmogelijk is hebben wij in de algemeene besprekingen omtrent ’t doen en lijden [41] gezegd. Er doet zich een moeilijkheid voor, waarom er ook van de gewaarwordingen zelf geen gewaarwording is en waarom (de zintuigen) zonder de dingen van buiten geen gewaarwording tot stand brengen, terwijl ze vuur, aarde en de andere elementen inhouden, waarop de gewaarwording zich richt, op hen zelf of op hun bijkomstigheden. Het is dus duidelijk dat het zintuig niet in bedrijvigheid is, maar slechts in mogelijkheid. Dus is het er mede zoo, gelijk het brandbare niet brandt op zich zelf zonder het verbrandende; anders zou het zichzelf verbranden en niet het vuur in werkelijkheid noodig hebben. Daar wij op tweeërlei wijze spreken van gewaarworden (want wij zeggen dat hetgeen naar mogelijkheid hoort en ziet, hoort en ziet, ook als het slaapt, evenals hetgeen nu bedrijvig is), spreekt men ook op tweeërlei wijze van de gewaarwording, eenerzijds als naar vermogen, anderzijds als in bedrijvigheid en evenzeer van het gewaarworden, naar vermogen en in werkzaamheid. Laten wij nu eerst spreken alsof het inwerking lijden en het bewogen worden en het werkzaam zijn hetzelfde is; want de beweging is een zekere werkzaamheid, die echter onvoltooid is [42], zooals elders gezegd is. Alles lijdt inwerking en wordt bewogen door het bewerkende en in werkzaamheid zijnde; daarom laat zich zeggen dat het inwerking lijdt van het gelijke alsook van het ongelijke, zooals wij zeiden; want de inwerking lijdt het ongelijke, maar die geleden hebbende is het gelijk.
Ook moeten wij onderscheiding maken omtrent vermogen en werkelijkheid; nu immers spreken wij er zonder onderscheid over. Er is iets kundig op die wijze, zooals wij een mensch kundig noemen omdat de mensch behoort tot de kundigen en de kennis hebbenden; ook op die wijze, zooals wij kundig noemen hem die de spraakleer kent; ieder van deze beiden bezit het vermogen niet op dezelfde wijze, maar de een omdat zijn soort en stof dusdanig is, de andere omdat hij, als hij wil in staat is tot kennisuitoefening, als niets van buiten het belet; die nu aan de uitoefening is, is kundig in werkelijkheid en in eigenlijken zin kennende deze A. De beide eersten nu zijn naar mogelijkheid kundig, maar de een is veranderd door leering en misschien uit de tegengestelde toestand omgeslagen, maar anders die uit het bezitten van de gewaarwording of de spraakleer zonder uitoefening tot het uitoefenen overgaat.
417b. Ook het inwerking ondergaan is niet eenvoudig, maar het eene is een zekere vernietiging door zijn tegendeel, het andere veeleer een bestendiging van het in mogelijkheid zijnde door het in werkelijkheid zijnde en dat zoo eraan gelijk is als mogelijkheid zich verhoudt tot werkelijkheid; want dat wat de kunde heeft wordt kennisnemend, wat òf geen verandering is (immers de toename is tot eigen voleinding en tot werkelijkheid) òf een ander soort van verandering. Daarom moet men niet zeggen dat het denkende in het denken verandert evenmin als de bouwmeester wanneer hij bouwt. Wat nu tot werkelijkheid voert uit hetgeen in mogelijkheid is moet betreffende het denken en beseffen niet leering heeten maar anders; maar wat uit den staat van mogelijkheid leert en kennis krijgt door wat in werkelijkheid en onderwijzend is, daarvan moet men niet zeggen dat het lijdt of twee wijzen aannemen van verandering, de verandering tot de ontstentenis en die tot de gesteldheid en wezenlijkheid. Voor het gewaarwordingsvermogen is de eerste verandering door het verwekkende, wanneer het verwekt is, verhoudt het zich reeds als kunde en het gewaarworden [43]. En het gewaarworden in bedrijvigheid wordt gezegd evenals het kennisnemen, maar het verschilt doordat bij het gewaarworden de oorzaken van de bedrijvigheid van buiten komen, het zichtbare en het hoorbare, en eveneens de overige waarneembaarheden. De oorzaak hiervan is dat de gewaarwording in werkzaamheid de enkele dingen betreft, de kunde de algemeenheden; deze laatsten zijn op zekere wijze in de ziel zelf. Daarom staat het denken in eigen macht wanneer men wil, gewaarworden niet in eigen macht; immers het is noodig dat het waarneembare aanwezig is. Hetzelfde is het geval met de wetenschappen betreffende de waarneembaarheden en door dezelfde oorzaak, omdat de waarneembaarheden zijn de enkele dingen van buiten.
Maar hierover hebben wij later gelegenheid tot duidelijker uiteenzetting. Nu gelde deze bepaling dat hetgeen als in mogelijkheid genoemd wordt niet enkelvoudig is, maar eenerzijds zooals men zegt dat het kind veldheer kan zijn, anderzijds zooals men het van hem, die de militaire leeftijd heeft zegt en dat zoo zich ook het gewaarwordingsvermogen verhoudt. 418a. Daar het onderscheid hiervan geen naam heeft, maar het als onderscheid en als welk onderscheid bepaald is, moet men noodzakelijk het lijden en veranderen als de geldige benamingen gebruiken. Het gewaarwordingsvermogen is in mogelijkheid zooals het waarneembare reeds in werkelijkheid is, gelijk gezegd is. Het ondergaat inwerking als het niet gelijke, maar na de inwerking is het gelijk gemaakt en is zooals het andere.
418 a 7—a 25. Waarneembaarheid: algemeene, eigene, bijkomstige. De eigene zijn de eigenlijke, waarnaar het wezen van de gewaarwording bepaald is.
6. Bij elke gewaarwording moeten wij over het waarneembare eerst spreken. Van het waarneembare spreekt men in drieërlei zin; hierbij neemt men twee dingen eigenlijk waar, één bijkomstiglijk. Van de twee is het eene eigen aan elke gewaarwording, het andere gemeenschappelijk aan allen. Eigen noem ik dat, wat men met een andere gewaarwording niet kan waarnemen en waaromtrent men zich niet kan vergissen, als het gezicht tegenover de kleur, het gehoor tegenover het geluid en de smaakzin tegenover de smaak. De tastzin laat meerdere onderscheidingen gelden; toch oordeelt elke (zin) over déze dingen en vergist zich niet dat er kleur of geluid is, maar wat het gekleurde is of waar, of wat het geluidgevende is of waar. Dergelijke dingen nu zijn eigen aan elke (zin), gemeenschappelijk zijn beweging, rust, getal, vorm en grootte; want dergelijke zijn aan geen zin eigen, maar gemeenschappelijk aan allen. Immers voor den tastzin is een zekere beweging waarneembaar en voor het gezicht. Van bijkomstiglijk waarneembaar spreekt men b.v. wanneer het witte de zoon van Diares is; want dat neemt men bijkomstiglijk waar, omdat het witte dit als bijkomstigheid heeft, wat men waarneemt. Daarom ondervindt men in zooverre geen inwerking van het waarneembare. Van de eigenlijke waarneembaarheden zijn de eigene de waarneembaarheden in waren zin en die, waarop elke gewaarwording in haar wezen betrekking heeft.
418 a 26—419 b 3. Zichtbaarheid: kleur en iets nameloos. Kleur en licht. Licht werkzaamheid van het doorschijnende (aether). Kritiek op Empedocles’ beweging van het licht. Phosforescentie. Kleur is de inwerking op het actueel doorschijnende d.i. op het licht als middenstof. Kritiek op Demokritos. De middenstof is ook vereischt bij geluid en reuk, schijnbaar niet bij tastzin en smaak. Bij reuk iets dat water en lucht gemeen hebben.
Het is het zichtbare, waarop het gezicht betrekking heeft. Het zichtbare is kleur en wat door een omschrijving is te zeggen maar geen naam heeft; in het vervolg zal wel blijken wat wij bedoelen. Het zichtbare dan is de kleur. Dat is wat behoort bij het zelfstandig zichtbare; zelfstandig niet naar ’t begrip [44], maar omdat het in zichzelf de oorzaak heeft van zijn zichtbaarheid. Alle kleur beweegt hetgeen in werkelijkheid doorschijnend is en dat is haar wezen. 418b. Daarom is zij niet zichtbaar zonder licht maar wordt alle kleur van alles in licht gezien. Daarom moeten wij eerst over het wezen van het licht spreken. Er is dan iets doorschijnends. Doorschijnend noem ik wat wel zichtbaar is, maar niet zelfstandig zichtbaar eenvoudig gezegd, maar door vreemde kleur. Zoodanig is lucht en water en vele vaste lichamen; want niet als water of lucht zijn zij doorschijnend, maar omdat dezelfde natuur in deze beiden aanwezig is als in het eeuwige bovenaardsche lichaam [45]. Licht is de werkzaamheid daarvan, van het doorschijnende als zoodanig. Waarin dit in mogelijkheid is, is ook de duisternis [46]. Het licht is als de kleur van het doorschijnende, wanneer het in werkelijkheid doorschijnend is door vuur of iets zoodanigs als het bovenaardsche lichaam; want ook dit heeft iets dat een en hetzelfde is. Dus, wat het doorschijnende en wat het licht is, is gezegd, dat het noch vuur noch in ’t geheel een lichaam, noch een uitvloeiing van eenig lichaam is (want in dat geval zou het óok een zeker lichaam zijn), maar de aanwezigheid van vuur of iets zoodanigs in het doorschijnende; immers het is niet mogelijk dat twee lichamen tegelijk in dezelfde ruimte zijn. En het licht is het tegendeel van de duisternis; de duisternis is de ontstentenis van dusdanige geaardheid bij het doorschijnende, dus is blijkbaar ook de aanwezigheid er van het licht. Empedocles en wie verder zoo gezegd heeft leert niet juist dat het licht zich beweegt en te eeniger tijd tusschen de aarde en ’t hemelruim komt, buiten onze waarneming; want dat strijdt met de klaarheid van het begrip en met de verschijnselen; want in een kleine ruimte zou het aan de waarneming kunnen ontgaan; maar voor de afstand van zonsopgang tot zonsondergang is die eisch te kras. Wat kleur aanneemt is het ongekleurde, voor ’t geluid het geluidlooze. Kleurloos is het doorschijnende en het onzichtbare of nauwlijks zichtbare, zooals zal zijn het duistere. Zoodanig is het doorschijnende, maar niet wanneer het in werkelijkheid maar wanneer het in mogelijkheid doorschijnend is; want ’t zelfde wezen is nu duisternis, dan licht. 419a. Niet alle dingen zijn zichtbaar in ’t licht, maar alleen de eigen kleur van alles; immers eenige dingen worden niet gezien in ’t licht, maar laten zich waarnemen in de duisternis, zooals de vuurachtige en stralende verschijnselen (die gezamenlijk geen naam hebben) als paddestoelen, hoorn, vischkoppen, schubben en oogen; maar van niets daarvan ziet men de eigen kleur. Door welke oorzaak nu deze dingen gezien worden blijft hier onbesproken; nu blijkt zooveel dat wat in ’t licht gezien wordt, kleur is; daarom ook wordt die niet gezien zonder licht; want dat was het wezen van de kleur dat zij bewerkt het in werkzaamheid doorschijnende en de werkelijkheid van het doorschijnende is het licht. Een duidelijk teeken hiervan is dat, als men het gekleurde op het oog zelf houdt, men het niet zal zien, maar de kleur bewerkt het doorschijnende b.v. de lucht en daardoor als samenhangend geheel wordt op het zintuig ingewerkt. Want hierin vergist Demokritos zich als hij meent dat, wanneer de tusschenruimte ledig was, ook een mier in den hemel duidelijk zou gezien worden; want dat is onmogelijk. Immers het zien geschiedt doordat de zin iets ondergaat, dit kan niet gebeuren door de kleur zelf die gezien wordt; dus blijft er over dat het door de middenstof gebeurt, zoodat er noodzakelijk een middenstof moet zijn, maar wanneer de ruimte ledig is, zal er niet alleen niet duidelijk, maar in ’t geheel niets gezien worden.
Waarom het nu noodzakelijk is dat de kleur in ’t licht gezien wordt, is gezegd. Vuur wordt in beiden, in duisternis en in licht, gezien eveneens met noodzakelijkheid; want het doorschijnende wordt daardoor doorschijnend. Dezelfde redeneering geldt voor geluid en reuk; want niets daarvan verwekt de gewaarwording wanneer het het zintuig aanraakt, maar door reuk en geluid wordt de middenstof bewerkt en daardoor elk van beide zintuigen, maar wanneer men het geluidgevende of riekende op het zintuig zelf plaatst, verwekt het geen gewaarwording. Met tastzin en smaak staat het evenzoo, ofschoon het niet zoo schijnt; later zal blijken waardoor. De middenstof voor geluiden is de lucht, voor reuk heeft zij geen naam; want zooals het doorschijnende voor kleur, zoo is het voor wat zich laat ruiken een gemeenschappelijk iets bij lucht en water, dat in deze beide aanwezig is; immers ook de waterdieren blijken reukgewaarwording te bezitten. Maar de mensch en de ademhalende landdieren kunnen niet ruiken zonder ademhalen. 419b. De oorzaak ook hiervan zal later besproken worden.
419 b 4—421 a 6. Geluid, gehoor en stem (bezield geluid). Beteekenis van hoog en laag.
Nu willen wij eerst over geluid en gehoor handelen. Geluid is tweevoudig, eensdeels geluid in werkzaamheid, anderdeels in mogelijkheid; want sommige dingen noemen wij geluidloos, als spons, wol, andere niet geluidloos b.v. koper en al wat vast en glad is, omdat het het vermogen heeft geluid te geven. Dat is tusschen zich en het gehoor een geluid in werkzaamheid te maken. Het geluid in werkzaamheid gebeurt steeds van iets tegen iets en in iets; want het is de slag die ’t geluid maakt en daarom is ’t ook onmogelijk dat er geluid ontstaat wanneer er maar één ding is; immers hetgeen slaat is iets anders dan wat geslagen wordt; dus wat geluid geeft doet dat tegen iets (slaande) en ’t slaan is niet zonder beweging. Zooals wij zeiden ontstaat geluid niet door den slag van willekeurige dingen; immers wol die geslagen wordt maakt geen geluid, maar wel koper en al wat glad en hol is; koper omdat het glad is; het holle maakt door de terugkaatsing vele slagen na de eerste, daar datgene wat bewogen wordt er niet kan uitgaan. Ook hoort men in lucht en water, maar minder. Niet van de lucht of het water hangt het geluid af, maar er moet een slag van vaste lichamen zijn tegen elkaar en tegen de lucht en dit gebeurt, wanneer de lucht die geslagen wordt standhoudt en niet vervloeit. Daarom, wanneer de lucht snel en hard wordt geslagen, geeft zij geluid; want de beweging van het zweepen moet de breking van de lucht voorkomen, zooals wanneer men een hoop of kring van dwarrelend zand zou slaan, die in snelle beweging is. Weerklank ontstaat, wanneer van de lucht die bijeengehouden wordt doordat het vat haar afscheidt en verhindert gebroken te worden, de lucht teruggestooten wordt als een bal. Het lijkt dat er altijd weerklank is, maar niet duidelijk; immers het gaat met het geluid als met het licht; want ook het licht wordt altijd weerkaatst—anders zou er niet overal licht zijn, maar duisternis buiten wat de zon beschijnt—maar het wordt niet zóó weerkaatst als van water of koper of iets anders glads, dat het schaduw maakt, waardoor wij het licht onderscheiden. Terecht acht men het ledige datgene, waarvan het hooren afhangt. Immers de lucht is wel het ledige en die maakt dat men hoort, wanneer zij als één en samenhangend bewogen wordt. Maar doordat zij ijl is, klinkt zij niet wanneer het geslagene niet glad is. In dat geval wordt zij één [en] in samenhang [47] door het oppervlak; want het oppervlak van het gladde is één.
Geluidgevend nu is wat de aaneengesloten luchteenheid tot aan ’t gehoor beweegt. Het gehoor is van nature verbonden met de lucht; doordat het in de lucht is, wordt bij beweging van de buitenlucht de lucht er in bewogen. Daarom heeft het levend wezen niet overal gehoor noch dringt de lucht overal door; immers het deel dat bewogen moet worden en bezield is heeft niet overal lucht. De lucht zelf nu is zonder geluid door haar onvastheid; maar wanneer zij verhinderd wordt te breken dan is haar beweging geluid. De lucht in de ooren is ingebouwd met ’t oog op onbewegelijkheid, opdat men nauwkeurig al de onderscheidingen der beweging zal waarnemen. Daarom hooren wij ook in water, omdat het niet indringt tot de met ’t gehoor verbonden lucht zelf, zelfs niet in de ooren door de windingen. Wanneer dit gebeurt, hoort men niet, en ook niet wanneer het trommelvlies aangedaan is zooals de menbraan van de pupil. Maar juist een teeken van het wel of niet hooren is dat altijd het oor ruischt als de hoorn; want steeds heeft de lucht in de ooren een eigen beweging; maar het geluid is vreemd en niet eigen. En daarom zegt men dat men hoort met het ledige en ruischende, omdat wij hooren met wat begrensde lucht heeft. Is hetgeen geslagen wordt of het slaande wat klinkt? Veeleer beiden, maar op verschillende wijze; want het geluid is de beweging van wat kan bewogen worden op die wijze als hetgeen van de gladde oppervlakken afgestooten wordt, wanneer men ze aanstoot. Niet dus alles, zooals gezegd is, klinkt wanneer het geslagen wordt en slaat b.v. wanneer iemand een naald met een naald treft; maar wat geslagen wordt moet effen zijn, zoodat de lucht vereenigd afgestooten wordt en trilt. De onderscheidingen der geluidgevende dingen komen uit in het geluid in werkzaamheid; want zooals zonder licht de kleuren niet gezien worden, zoo blijkt ook zonder geluid het hooge en ’t lage niet [48]. Deze benamingen zijn overgebracht van de tastbaarheden; immers het scherpe treft de waarneming in weinig tijd diep, het zware in veel tijd weinig diep. Nu is niet het scherpe snel, het zware traag, maar van het eerste wordt de beweging door de snelheid zoodanig, van het tweede door de traagheid. 420b. En er schijnt overeenkomst te bestaan met het scherpe en stompe bij den tastzin; want het scherpe steekt, om zoo te zeggen, ’t stompe stoot, doordat het eene in weinig tijd beweegt, het andere in veel tijd, zoodat bijkomstiglijk ’t eene snel, ’t andere traag is.
Dit zij nu omtrent geluid vastgesteld. De stem is een bepaald geluid van het bezielde; want van het onbezielde heeft niets een stem, maar men spreekt in beeld van de stem van fluit b.v. en lier en de andere onbezielde dingen die volume, toon en voordracht hebben; want het lijkt dat ook de stem die heeft. Vele dieren hebben geen stem, zooals de bloedelooze en van die bloed hebben de visschen. Dit heeft ook zijn grond, daar immers het geluid een bepaalde beweging van de lucht is. Maar die naar men zegt stem hebben, zooals de visschen in den Acheloûs, maken geluid met hun kieuwen of iets anders zoodanigs. Stem is het geluid van een dier, niet elk [49] en niet met een willekeurig lichaamsdeel. Maar daar alle geluid ontstaat doordat iets slaat tegen iets en in iets en dat is de lucht, kan met reden alleen datgene stem uitten dat de lucht opneemt. Immers de lucht bij de ademhaling gebruikt de natuur op dit punt voor twee verrichtingen, evenals de tong voor den smaak en het spreken, van welke de smaak is iets noodzakelijks, (die daarom ook bij meerderen aanwezig is) terwijl de spraak voor het hoogere is. Zoo gebruikt zij ook de adem voor de inwendige warmte als iets noodzakelijks (de oorzaak zal elders ter sprake komen) en voor de stem opdat het hoogere aanwezig zij. Het orgaan voor de ademhaling is de luchtpijp; waarvoor dit lichaamsdeel ook is, dat is de long, want in dit lichaamsdeel hebben de landdieren het meeste warmte van allen. Ook de hartstreek heeft in de eerste plaats de ademhaling noodig. Daarom is het noodzakelijk dat door de inademing de lucht binnen komt. Dus is de stoot van de ingeademde lucht bewerkt door de ziel in die deelen tegen de zoogenaamde luchtpijp, de stem. Want zooals wij zeiden is niet ieder geluid van een dier stem (want men kan met de tong geluid maken en zooals bij hoesten), maar het stootende moet bezield zijn en vergezeld zijn van eenige voorstelling, want de stem is een geluid met beteekenis; en de stem is niet ’t geluid van de ingeademde lucht, zooals de hoest, maar daarmede stoot men de lucht in de luchtpijp tegen deze. 421a. Een bewijs is dat men geen stem kan uiten bij in- of uitademing, maar als men den adem inhoudt; want daardoor veroorzaakt die den adem inhoudt de beweging. Ook blijkt waardoor de visschen stom zijn, doordat zij nl. geen luchtpijp hebben. Dat lichaamsdeel missen zij omdat zij de lucht niet opnemen noch inademen. De reden nu waarom dit zoo is, behoort in een andere behandeling.
421 a 7—422 a 7. De reuk, overeenkomst met de smaak. Onderscheidingen, Middenstof, Bizonderheid bij de menschelijke reukgewaarwording. De reuk betreft het droge.