Part 5
Uit het gezegde blijkt dus dat het kenvermogen der ziel niet tot grond heeft dat zij uit de elementen bestaat en dat van een beweging der ziel niet goed of waar gesproken wordt. Daar nu het kennen tot de ziel behoort en het gewaarworden en meenen en verder het begeeren en willen en de neigingen in ’t geheel en ook de plaatselijke beweging voor de levende wezens uit de ziel voortkomt en bovendien groei, rijpheid en neergang, komt de vraag op of dit alles tot de heele ziel behoort, of wij met de heele ziel denken, gewaarworden, bewegen en al ’t andere doen en lijden of dat er verschillende deelen met verschillende werking zijn? 411b. En het leven eindelijk, ligt dat in een van de deelen of in meer of in allen of heeft het nog een anderen grond? Sommigen dan zeggen dat de ziel deelen heeft en dat een deel denkt, een ander begeert. Wat is het dan toch wel, dat de ziel samenhoudt als zij gedeeld is? Toch wel niet het lichaam; omgekeerd zal veeleer de ziel het lichaam samenhouden; immers als de ziel uitgetreden is, „verwaait en vergaat” [36] het lichaam. Als dus iets anders haar één maakt, dan is dàt eigenlijk de ziel en daarvan zal men weer moeten vragen of het één of meerledig is. Is het één, waarom dan niet van ’t begin af ook de ziel één? Is het gedeeld, dan moet de redeneering weer naar het samenhoudende daarvan vragen en gaat zij zoo voort in ’t eindelooze. Men zou ook kunnen vragen omtrent de deelen der ziel, welk vermogen elk deel in het lichaam heeft. Immers indien de heele ziel het geheele lichaam samenhoudt, moet ook elk deel een deel van het lichaam samenhouden. Dat lijkt iets onmogelijks; welk deel toch de geest samenhoudt of hoe, valt moeilijk zelfs te verzinnen. Het blijkt ook dat de planten bij verdeeling leven en onder de dieren eenige insecten, zóó dat de deelen dezelfde ziel hebben soortelijk, ofschoon niet numeriek; want elk van de helften hebben gewaarwording en plaatselijke beweging een tijd lang. Dat het niet blijvend is, is niet vreemd; want zij hebben niet de organen om hun wezen te handhaven. Maar desniettemin hebben elk der helften alle deelen van de ziel en de deelzielen zijn soortgelijk onderling en met de geheele ziel, tegenover elkaar als of zij (de deelzielen) niet zelfstandig zijn, tegenover de geheele ziel zóó dat die deelbaar is. Ook lijkt het principe in de planten een soort ziel; want dit alleen is gemeenschappelijk aan dieren en planten en het bestaat gescheiden van het principe der gewaarwording, maar niets heeft gewaarwording zonder dit principe.
Einde van boek I.
411 b 31—412 b 9. Algemeene definitie: de ziel is de eerste (voorloopige) werkelijkheid van een natuurlijk bewerktuigd lichaam. Deze werkelijkheid is de ware eenheid van ziel en lichaam.
412a. Wat de vroegeren omtrent de ziel geleerd hebben, daaromtrent volsta het gezegde; laat ons als van ’t begin af terugkeeren en trachten de ziel te bepalen en de algemeenste definitie er van op te geven. Wij noemen dan een kategorie der dingen de substantie en van deze spreken wij eenerzijds als stof, wat op zichzelf niet iets bepaalds is, anderzijds als vorm en gestalte, naar welke eerst van iets bepaalds sprake is; als derde noemen we wat uit beiden voortkomt. De stof is mogelijkheid, de vorm werkelijkheid [37] en dat in tweevoudigen zin, deels zooals de kennis, deels zooals het studeeren. Substanties in den eigenlijksten zin zijn de lichamen en van deze de natuurlijke; want die zijn de Principes van de anderen. De natuurlijke lichamen zijn levend of levenloos; leven is zelfonderhouding, groei en afname. Dus is elk natuurlijk, levend, lichaam substantie en wel als de samengestelde. Daar nu ook van een zoodanig geheel, nl. een levend lichaam, sprake is, is het niet het lichaam dat de ziel is; want het lichaam is geen op een voorondersteld iets betrokken zijn, maar verhoudt zich veeleer als vooronderstelde en stof. Derhalve moet de ziel substantie zijn als vorm van een natuurlijk lichaam, dat naar mogelijkheid leven heeft. Die substantie is werkelijkheid. De ziel is dus van een zoodanig lichaam de werkelijkheid. Deze is tweevoudig, deels zooals de kennis, deels zooals het studeeren. Blijkbaar dus zooals de kennis; want in ’t aanzijn van de ziel is én slaap én waken; het waken is overeenkomstig met het uitoefenen, de slaap met het bezitten zonder werkzaamheid; als verschijnsel is bij den enkeling de kennis voorafgaand. Derhalve is de ziel de eerste werkelijkheid van een natuurlijk lichaam dat naar mogelijkheid leven heeft. Een zoodanig lichaam is dat, wat bewerktuigd is. Organen zijn ook de deelen der planten, maar gansch eenvoudige: zoo is het blad omhulsel van de vruchtwand, de vruchtwand van de vrucht; de wortels zijn overeenkomstig met den mond, want beiden nemen het voedsel op. 412b. Moet men dus een voor alle ziel gemeenschappelijke definitie geven dan is zij de eerste werkelijkheid van een natuurlijk, bewerktuigd, lichaam. Daarom moet men ook niet vragen of de ziel en het lichaam één is, evenmin als van de was en de figuur of in ’t algemeen van de stof van elk ding en datgene waarvan de stof grondslag is. Want terwijl men van „één” en „zijn” spreekt in verscheiden zin, is het eigenlijke de werkelijkheid.
412b 10—413 a 10. De ziel het wezen van het lichaam, als het gezicht het wezen van het oog en de gewaarwording van het heele gewaarwordende lichaam. Het naar mogelijkheid levende is niet het doode, noch is de ziel meer dan in aanleg het werkzame. Scheiding van ziel en lichaam. Ziel en lichaam als schipper en schip?
Wat nu de ziel is, is in ’t algemeen gezegd nl. substantie naar het begrip beschouwd. En dat is het wezen voor het bepaald lichaam. Stel dat een werktuig b.v. een bijl een natuurlijk lichaam was, dan zou immers het bijlwezen zijn substantie zijn en de ziel zou dàt zijn; van deze gescheiden zou het alleen nog in naam een bijl zijn. Maar nu is het een bijl; immers niet bij een zoodanig lichaam is het wezen en het begrip de ziel, maar van een bepaald natuurlijk lichaam dat het principe van beweging en rust in zichzelf heeft. Men moet het gezegde ook bij de onderdeelen nagaan. Als ’t oog een levend wezen was, dan zou ’t gezicht daarvan de ziel zijn, want dat is de substantie van ’t oog naar het begrip beschouwd. Het oog is de stof van het gezicht; ontbreekt dit dan is het geen oog meer behalve in naam, als ’t steenen oog of ’t geschilderde. Wat nu van ’t deel geldt moet men toepassen op ’t geheele levende lichaam; want zooals ’t deel (van ’t gewaarworden) staat tot ’t (lichaams)deel, zoo de geheele gewaarwording tegenover het heele gewaarwordende lichaam als zoodanig. Niet wat de ziel verloren heeft, heeft naar mogelijkheid de strekking tot leven, maar wat de ziel heeft; het zaad en de vrucht is naar mogelijkheid het bepaalde lichaam. 413a. En zooals het snijden en het aanschouwen, zoo is ook het waken de werkelijkheid, zooals het gezicht en de kracht van het werktuig, de ziel; en het lichaam is het naar mogelijkheid zijnde; maar zooals het oog de pupil mét het gezicht is, zoo hier een levend wezen de ziel mét het lichaam. Dat nu de ziel niet gescheiden is van ’t lichaam, of als zij deelbaar is, deelen van haar, is duidelijk; want van eenige (zielsdeelen) is de werkelijkheid bij de deelen (des lichaams) zelf behoorend; niets intusschen belet de scheiding bij sommige deelen, doordat die geen werkelijkheid van eenig lichaam zijn. Bovendien is nog niet duidelijk of niet de ziel zóó de werkelijkheid des lichaams is als de schipper van een schip. Zoo nu moeten in ’t algemeen de bepalingen en omtrekken van de ziel zijn.
413 a 11—414 a 3. Eisch voor de ware definitie: zij moet van de ervaring tot het begrip voeren. De ziel is het kenmerk van het leven. Het leven is op zijn minst zelfonderhoud, groei en afname, als bij de planten; bij de dieren komt er gewaarwording bij en daarvan allereerst de tastzin; beiden om nader te bespreken reden. De vermogens en hun onderdeelen bestaan trapsgewijze, de verderen niet zonder de eersten. Bij verdeeling van planten en insecten blijft de ziel één met hare vermogens; die zijn dus niet zelfstandig, behalve misschien het denkvermogen. Alleen in begrip zijn de vermogens te scheiden.
Daar uit het meer bekende maar dat onduidelijk is voortkomt het duidelijke en wat naar ’t begrip meer kenbaarheid heeft, moeten wij weer beproeven op die wijs haar wezen na te gaan; immers de definitie moet niet alleen het „dat” uitdrukken, zooals de meeste definities doen, maar moeten ook de oorzaak inhouden en doen blijken. Nu lijken de definities wel conclusies van de sluitredenen b.v. kwadraatmaken is het maken van een gelijkzijdige rechthoek gelijk aan een ongelijkzijdigen. Zulk een definitie is de conclusie van de sluitrede; maar de (def.) die kwadraatmaking noemt het vinden van een gemiddelde noemt de oorzaak van de zaak. Als uitgangspunt van het onderzoek dan nemen wij dat het bezielde van het onbezielde onderscheiden is door het leven. Wanneer van de meerdere opvattingen die het woord leven heeft er maar één in het ding aanwezig is, zeggen wij dat het leeft, zooals verstand, gewaarwording, plaatselijke beweging en rust, ook inwerking door voeding en afname en groei. Daarom spreekt men ook van leven bij alle planten; immers die blijken in zich een vermogen en principe te hebben zoodanig dat zij afnemen en aangroeien in de tegengestelde richtingen; want niet naar boven alleen groeien zij en niet naar onder, maar gelijkelijk in beide richtingen en overal heen voeden zij zich en leven voortdurend, zoolang zij voedsel kunnen nemen. Dit vermogen kan van de anderen afgescheiden worden, de anderen niet hiervan in de sterfelijke wezens. Dit blijkt bij de gewassen, die geen ander zielsvermogen hebben. 413b. Het leven nu bezitten de levende wezens door dit principe, maar met de gewaarwording eerst is er sprake van het dier: immers ook wat zich niet beweegt noch van plaats verandert, maar gewaarwording heeft, noemen wij dier en niet slechts levend wezen. Van gewaarwording bezitten allereerst allen tastzin. Zooals het voedingsvermogen kan afgescheiden worden van den tastzin en alle gewaarwording, zoo de tastzin van de andere gewaarwordingen. Het voedende noemen wij het zoodanige deel van de ziel, dat ook de gewassen toekomt; al de dieren blijken den tastzin te bezitten; door welke oorzaak het eene en het andere zoo is, zal later ter sprake komen.
Nu willen wij ons hiertoe bepalen, dat de ziel van de genoemde vermogens de bron is en zich daarnaar onderscheidt als ’t voedende, gewaarwordende, denkende en de beweging. Of elk daarvan ziel of deel der ziel is, en zoo deel, scheidbaar alleen in begrip of ook in plaats, dat is betreffende sommigen dier vermogens niet moeilijk te zien, maar eenigen geven bezwaar. Zooals immers bij de planten eenigen bij verdeeling blijken te leven, gescheiden van elkaar, en de ziel dus daarin in werkelijkheid één is in elke plant, maar is mogelijkheid meervoudig, hetzelfde zien wij in andere onderscheidingen van de ziel gebeuren bij de gelede dieren als zij doorgesneden worden; immers elk van beide deelen heeft gewaarwording en plaatselijke beweging en met gewaarwording immers ook voorstelling en streven; want waar gewaarwording is, is ook smart en vreugde en waar deze zijn is noodzakelijk ook begeerte. Wat den geest betreft en het denkvermogen is nog niets gebleken, maar het lijkt een ander soort van ziel te zijn en dit alleen kan afgescheiden bestaan als het eeuwige afgescheiden van het vergankelijke. De overige deelen van de ziel zijn, zooals uit het gezegde blijkt, niet afscheidbaar, gelijk sommigen [38] zeggen, maar wèl verschillend volgens het begrip; want gewaarwording hebben en vermogen tot oordeelen is verschillend, daar toch gewaarworden verschilt van oordeelen. En hetzelfde geldt van elk van de andere genoemde vermogens. En verder hebben eenige der levende wezens al deze vermogens, sommige sommigen er van en eenigen slechts één—en hierin zal het onderscheid tusschen de levende wezens gevonden worden—; de oorzaak hiervan moeten wij later nagaan. 414a. Hetzelfde geldt voor de gewaarwordingen; sommigen bezitten allen, anderen eenigen, anderen alleen de noodzakelijkste, den tastzin.
414 a 4—28. De ziel, als eigenlijke bron van het leven, is vorm, niet stof en vorm van een bepaald lichaam, zooals de vorm in ’t algemeen een eigen stof vooronderstelt.
Datgene nu waardoor wij leven en gewaarworden laat zich op twee wijzen bespreken evenals datgene waardoor wij weten (aan de eene kant wetenschap, aan de andere de ziel; want door elk van deze beiden zeggen wij te weten); en evenzeer is datgene, waardoor wij gezond zijn, aan de eene kant gezondheid, aan den anderen een deel of ’t geheel van ’t lichaam. Naardien nu de wetenschap en de gezondheid vorm en gestalte en begrip en om zoo te zeggen werkelijkheid van het opnemende is, de eerste de werkelijkheid van het voorkennis-geschikte, de andere van het op-de-gezondheid-betrekkinghebbende (daar namelijk in het lijdende en aangedane de werkelijkheid van het werkende is) en de ziel datgene is waardoor wij leven en gewaarworden en denken in eigenlijken zin, is dus de ziel een begrip en gestalte, maar niet stof en substraat. Daar substantie, zooals wij zeiden, drieërlei beteekent, eensdeels vorm, anderdeels stof, eindelijk beider samenstel en hiervan de stof mogelijkheid, de vorm werkelijkheid en beider samenstel het bezielde is, is niet het lichaam de werkelijkheid van de ziel, maar deze die van een bepaald lichaam. En daarom oordeelen zij juist, die meenen dat de ziel niet zonder lichaam is, maar ook geen lichaam; want zij is geen lichaam maar verbonden met het lichaam en is daarom in een lichaam aanwezig en in een bepaald lichaam, niet zooals de vroegeren haar in een lichaam voegden zonder nadere bepaling in welk en hoedanig lichaam, ofschoon ook volgens de ervaring niet iets willekeurigs iets wat dan ook opneemt. Zoo is het ook in overeenstemming met het begrip; want de werkelijkheid van ieder ding pleegt te komen in wat de mogelijkheid inhoudt en in de bijbehoorende stof. Dat de ziel nu een werkelijkheid is en begrip van datgene wat de mogelijkheid heeft om het resultaat te zijn, is hieruit duidelijk.
414 a 29—415 a 13. De vermogens van de ziel van het eenvoudigste tot het hoogste—van het voedingsvermogen tot het denken—vormen een reeks, waarnaar de levende wezens onderscheiden worden. De algemeene definitie voldoet bij ziel evenmin als bij figuur; de volgorde moet begrepen en elk zielsvermogen afzonderlijk behandeld worden en nog in ’t bizonder de denkende geest.
Van de vermogens der ziel hebben sommigen alle genoemden zooals wij zeiden, anderen eenigen, eenigen slechts één. Als vermogens noemden wij het voedende, het strevende, het gewaarwordende, het plaatselijk bewegende, het denkende.
De planten hebben alleen het voedingsvermogen, anderen dit en het gewaarwordingsvermogen. Hebben zij dit, dan ook het streefvermogen; want streven is begeerte en drang en willen en alle dieren hebben althans één gewaarwording, den tastzin; voor wat gewaarwording heeft, geldt vreugde en smart en ’t aangename en smartelijke en voor wat die gelden, daarvoor geldt ook de begeerte; want dat is het streven naar ’t aangename. Ook hebben zij gewaarwording van het voedsel; want de tastzin is de gewaarwording van het voedsel; want alle levende wezens worden door ’t drooge, natte, warme en koude gevoed en daarvan is de tastzin de gewaarwording; zij betreft de andere waarneembaarheden bijkomstig. Immers tot voeding draagt niets bij geluid noch kleur noch reuk en de smaak is iets van de tastbaarheden. Honger en dorst is begeerte, honger naar ’t droge en warme, dorst naar het koude en natte en de smaak is als iets dat dezen kruidt. Later zal dit verduidelijkt worden; nu bepalen wij ons hiertoe, dat de dieren die tastzin hebben ook streven bezitten. Omtrent de voorstelling is niets uitgemaakt en dat moet later nagegaan worden. Eenigen hebben bovendien de plaatselijke beweging, anderen het denkvermogen en den geest, als de menschen en wat verder zoodanig is of hooger.
Dus is het duidelijk dat er op dezelfde wijze één definitie van ziel kan zijn als van figuur; want hier is geen figuur buiten driehoek enz., noch dáár ziel buiten de genoemden. Er is ook bij de figuren een gemeenschappelijke definitie mogelijk, die op allen zal passen maar aan geen figuur eigen zal zijn; evenzoo bij de gezegde zielen. Daarom is het dwaas hierbij en bij andere dingen de gemeenschappelijke definitie te zoeken, die bij geen der wezens eigenlijk zal behooren, noch betrekking heeft op het eigene en verenkelde soort en die wèl zoo is, daar te laten. Bij de figuren en de ziel is dezelfde verhouding; steeds is in het volgende in mogelijkheid aanwezig het vroegere bij de figuren en bij de bezielde wezens, zooals in den vierhoek de driehoek, in het gewaarwordingsvermogen het voedingsvermogen. Dus moet men afzonderlijk nagaan wat de ziel van elk wezen is, b.v. wat die van een plant, van een mensch of dier is. En waarom ze zich zoo in opeenvolging verhouden moet men nagaan. 415 a. Want zonder het voedingsvermogen bestaat het gewaarwordingsvermogen niet, maar van het gewaarwordingsvermogen is het voedingsvermogen afgescheiden in de planten. Wederom is zonder den tastzin geen andere gewaarwording aanwezig, wel tastzin zonder de anderen; want vele dieren hebben noch gezicht noch gehoor noch gewaarwording van reuk. En van die gewaarwording bezitten hebben sommigen het plaatselijk bewegingsvermogen, anderen niet. Als laatste hebben het kleinste aantal begrip en verstand; want de eindige wezens die begrip bezitten hebben ook al de overige vermogens, maar die elk daarvan bezitten hebben niet allen begrip, maar sommigen niet eens voorstelling, terwijl anderen alleen daarop leven. Over de beschouwende geest geldt een andere redeneering. Het blijkt dus dat de redeneering over elk van deze (vermogens) ook de meest geldige omtrent de ziel is.
415 a 14—b 7. De vermogens komen na hun werkingen en deze na hun uitwerksel. Het eerste en de grondslag is de voeding en voortplanting, die de band vormt tusschen het eindige en het eeuwige.
Het is noodzakelijk wanneer men hiernaar onderzoek doet, omtrent elk der (vermogens) te bepalen wat het is en zoo verder omtrent de volgende en de overige dingen na te gaan. Als men moet zeggen wat elk er van is b.v. wat het denk-, of gewaarwordings- of voedingsvermogen is, moet men nog eerder zeggen wat het denken of gewaarworden is; want vóór de vermogens zijn naar het begrip de verwerkelijkingen en verrichtingen. Als dat zoo is, en men nog eerder dan deze de objecten moet nagegaan hebben, moet men eerst omtrent dezen bepalen om dezelfde reden, nl. omtrent voeding, het waarneembare en het denkbare. Alzoo moet eerst over voeding en voortplanting gesproken worden, immers de voedende ziel bezitten ook de anderen en dit is het eerste en gemeenschappelijkste vermogen van de ziel, waarop bij allen het leven berust. De verrichtingen daarvan zijn zich voortplanten en voedsel gebruiken; immers de natuurlijkste verrichting van de levende wezens, voor zoover zij volledig en niet defekten zijn, of van zelf ontstaan, is het maken van een ander naar zijn eigen aard, een dier een dier, een plant een plant, opdat zij het eeuwige en goddelijke deelen naar vermogen; want daarnaar streeft alles en daarom verricht alles alle handelingen volgens de natuur. 415b. Het „daarom” is tweevoudig, eensdeels (de zaak) waarom, anderdeels (de persoon) waarvoor [39]. Daar het (enkele) nu niet het eeuwige en goddelijke ononderbroken deelachtig kan zijn doordat geen eindig ding één en hetzelfde kan blijven, neemt alles er aan deel zooals het kan, het eene meer het andere minder en wat blijft is niet het enkele zelf maar het zoodanige, niet naar getal maar naar wezen één.
415 b 8—416 a 18. De ziel is principe van beweging, doel en wezen van ’t levende lichaam. Op een doel wijzen de organen. Verandering en groei en afname betreffen de ziel: kritiek van Empedocles’ mechanisme. Voeding is ook niet verbranding zonder meer, want die mist de zelfbepaling.
De ziel is van het levende lichaam oorzaak en principe woorden van meer dan één beteekenis; en overeenkomstig is de ziel oorzaak naar de drie onderscheiden wijzen, want zij is de bron van de beweging, en het doel; en als het wezen van de bezielde lichamen is de ziel oorzaak. Het laatste wordt ingezien omdat voor alles het wezen de oorzaak is van het zijn, en voor de levende wezens het zijn leven is en daarvan de ziel oorzaak en principe is. Bovendien is de werkelijkheid (de ziel) het begrip van wat naar mogelijkheid is. ’t Is duidelijk dat ook als doel de ziel oorzaak is; want zooals de geest om iets handelt, op dezelfde wijze ook de natuur en dat is haar doel. Zoodanig iets is bij de levende wezens de ziel, ook naar de natuur beschouwd; want al de natuurlijke lichamen zijn werktuigen der ziel, en zooals bij de dieren zoo ook bij de planten, als zijnde ter wille van de ziel. Het „terwille van” is tweevoudig, eensdeels de zaak waarom, anderdeels de persoon waarvoor. En verder is ook de bron van de plaatselijke beweging ziel; maar niet alle levende wezens bezitten dit vermogen. Ook verandering en groei betreft de ziel; immers de gewaarwording is wel een zekere verandering en niets heeft gewaarwording zonder ziel. Evenzoo staat het met groei en afname; immers niets neemt af of groeit van nature zonder voeding en niets wordt gevoed dat niet aan leven deel heeft. Hier is Empedokles af te keuren wanneer hij zegt dat door bijvoeging de planten hun groei krijgen, terwijl zij naar onderen wortel schieten doordat zoo de natuurlijke beweging van de aarde is en naar boven (klimmen) doordat het vuur die richting neemt. 416a. Want hij spreekt verkeerd van naar boven en naar onderen; immers boven en onder beteekenen niet hetzelfde voor elk ding als voor het geheel, maar als het hoofd van de dieren zoo verhouden zich de wortels van de planten, als men de organen anderen of dezelfde moet noemen naar hun werking. En bovendien, wat is het dat het vuur en de aarde, die tegengestelde richtingen zoeken, samenhoudt? Want is er niets dat tegenhoudt, dan zullen ze uiteengerukt worden; is er wèl iets, dan is dat de ziel en de oorzaak van het groeien en de voeding. Sommigen meenen dat de natuur van het vuur op zichzelf oorzaak van de voeding en de groei is; immers het blijkt het eenige van de lichamen of elementen dat vanzelf gevoed wordt en groeit en dus zou men ook bij de planten en de dieren daaraan die werking moeten toeschrijven. Echter is het wel in zekeren zin medeoorzaak, maar niet eenvoudig oorzaak, wat veeleer de ziel is; want de groei van het vuur gaat onbepaald door zoolang er brandstof is, maar alle natuurlijk samengestelde lichamen hebben een grens en bepaling van grootte en wasdom; dit zijn dingen van de ziel maar niet van vuur en veeleer van begrip dan van stof.
416 a 19-b 31. Voeding werking van tegendeelen op elkaar of van gelijk op gelijk? Vooronderstelt bezield zijn en is te onderscheiden van wasdom, maar leidt tot de voortplanting, die dus doel is van de eerste (eenvoudigste) ziel. Bij voeding is de verwerkende warmte voorondersteld als de hand bij het sturen.