Chapter 1 of 12 · 3992 words · ~20 min read

Part 1

WAAR MENSCH EN TIJGER BUREN ZIJN

L. C. WESTENENK

MCMXXVII ’S-GRAVENHAGE H. P. LEOPOLD’S UITGEVERS-MIJ

AAN MIJN KINDEREN

VOORWOORD

Deze schetsen zijn van verschillenden aard.

Het eerste gedeelte ervan is gewijd aan de mysterie der Natuur van den Nederlandsch-Indischen archipel, zooals zij door devoot geloovende menschenkinderen is saamgeweven met hun godsdienst en met overleveringen over voorvaderen en onzichtbare wezens. Dat geloof is het eigen animisme, beïnvloed door de Hindoe’s, die reeds in de eerste eeuwen onzer jaartelling immigreerden; en sedert enkele eeuwen werkt vooral de Islam in en doet het warmgetinte beeld door een nivelleerende deklaag langzamerhand verdwijnen. Het laagje is nog dun en op de meeste plaatsen doorzichtig, maar het werk wordt meedoogenloos voortgezet.

De legendarische verhalen worden gegeven met den ernst, waarmede zij als geschiedenis of wetenschap worden aanvaard door de plaatselijke inheemsche bevolking.

In het tweede gedeelte worden verschillende gebeurtenissen geschetst, welke zich afspeelden in diepe binnenlanden en eenzame uithoeken. Ook worden schetsen gegeven van enkele merkwaardige wilde dieren, zooals de mensch hen kan leeren kennen.

Aan den rand van het oerwoud is de plaats van handeling van bijna alle deze schetsen; waar de brave, gave natuurmenschen wonen en waar zij de buren zijn van de dieren der wildernis.

Ook de meeste dieren leven daar, en niet in het diepst van het oerwoud. Niet dáár, waar de galmende argusfazant voor eeuwig moet verblijven, de ondankbare, op wien de vloek rust van den rossen boeboet, den spoorkoekoek, die hem de prachtige sieroogen had geschilderd op de lange staart, maar die beloond werd met sirih-spog, waarvan zijn veeren nòg de kleur dragen.

Het meeste leven is aan den bosch-zoom, waar de mensch geleidelijk voortschrijdt, hakkend en kappend aan de grootheid der woudreuzen om den vruchtbaren humusbodem te kunnen ontginnen, en waar telkens een gedeelte der eens bewerkte gronden weer verwildert, waardoor dichte opslag ontstaat van jong hout en van planten, een dorado voor allerlei dieren. Daar zijn, naast het gedempte licht en de koelte der bosschen, de open hemel en de felle zonnebrand op de bouwvelden der menschen, en alles wat voedsel zoekt komt er saam.

Met het oerwoud, de rimba, zijn in het bijzonder bedoeld de ongerepte bosschen op Sumatra.

Hier vooral, op dit eiland met zijn ontzagwekkende vulkanen en ravijnen, zijn droomende kratermeren en woeste rivieren, is het de Loerende Verschrikking, die alles beheerscht in de mystiek der wildernis. HIJ, wiens naam men in het oerwoud nimmer noemt, met het felle oog en den nooit missenden klauw, die in den bliksemsnel-suizenden aanval een flitsende lichtschijn is van geel en grauw.

Hier ook breken de Grooten van het woud op hun eindelooze zwerftochten nieuwe wegen in de bosschen, met klaroengeschal en daverend geweld.

Uitdrukkelijk wordt verklaard, dat de beschreven gebeurtenissen en feiten—ernst en luim—geen verdichtsels zijn; slechts in enkele schetsen zijn de namen van personen of plaatsen veranderd. Te goed ben ik mij bewust, dat de waarheid van het geschetste de eenige werkelijke waarde ervan zal kunnen uitmaken.

De teekeningen in dit boek zijn van de hand van den beeldhouwer L. S. W. van der Noordaa, de omslag is geteekend door mijn zoon.

Wassenaar, Februari 1927.

INHOUD

Voorwoord Blz. IX

SCHEMERING

I. Het Oudste Wezen op Aarde, en de Mensch 3 II. Van Mensch tot Tijger 5 III. Maleische Spookmenschen:

1. De „Orang Boenian” 13 2. Zij, die niet geloofden 20 3. Spokennacht 22

IV. Wilde dieren als beschermgeest van den mensch:

1. De Volgtijger 25 2. Radoe 29 3. De Pawang Rimba en zijn Beschermer 33

V. Beno, de Stuwvloed 37

LICHT EN SCHADUW

VI. De Menschen-eter 49 VII. Onder den voorpoot van een olifant 63 VIII. De lichttoren aan den Vlakken Hoek 79 IX. De Solitair, en hoe hij ons jaagde 87 X. De krankzinnige Controleur 99 XI. Penjoe, de trage Zeeschildpad 121 XII. Telegoe, de Stinkdas 129 XIII. Jozef, de Neushoornvogel 137 XIV. De eerste ontmoeting met Baby-Olifant 149

Aanteekeningen 159

SCHEMERING

I. HET OUDSTE WEZEN OP AARDE, EN DE MENSCH

Permandjika Allah [1] tikte een stofje van achter het oor... zóó ontstond de eerste vaste stof in het heelal. Het werd grooter en grooter, en toen het acht vadem in het vierkant mat, zette God zich er op neer.

Toen God nu naar beneden zag, ontstond de aarde, en toen Hij opkeek naar boven, strekte zich daar de groote hemel uit. En bij het zien naar links en naar rechts werd de zee geschapen, door blazen de wind.

Naast God waren de aartsengelen Israpel, Mikaïl en Djabraïl, en de vijfde was Alahtaälah, Onze Lieve Heer.

Toen sprak God: „Laat ons nu Adam scheppen!”

En er werd klei gehaald van Modjopahit, en Onze Lieve Heer en de aartsengelen kneedden het, om Adam te vormen.

Maar God zag, dat het schepsel vier beenen had, en Hij sprak: „Dit is Adam nog niet”, en de goddelijke adem blies het schepsel naar de aarde en het was daar De Oudste, Setoewò, de Tijger.

Nu werd nieuwe klei van Modjopahit gehaald, maar de engelen vormden er schepsels uit van negen, acht en zeven vadem lang, en zij werden tot goddelijke wezens: de Déwa Parali, negen in aantal, en de acht Déwata’s en de zeven Déwa’s, maar Adam was nòg niet gelukt.

Toen maakte Onze Lieve Heer een schepsel met vier pooten en een langen staart. Maar God, die wist hoe Adam zijn moest, noemde dit wezen Alilias en liet het in zee vallen, den Krokodil.

Nog eens liet God probeeren Adam te scheppen, maar het nieuwe schepsel was groot en had vier zware pooten... God liet hem neer op aarde: Aliliman, den Olifant.

Toen liet God den aartsengel Djabraïl zich spiegelen in het stille water van een diepe rivierbocht, en naar het beeld, dat het water weergaf, werd Adam gevormd, en God noemde hem: Ali Mohammad.

Nu gaf God een menschenziel aan Onzen Lieven Heer, liet hem die goed in de gesloten hand houden om haar aan Adam te brengen en hem die ziel in te blazen.

Tot vier malen opende Onze Lieve Heer onderweg de hand, eerst de vijfde maal kreeg Adam zijn ziel.

Toen sprak God: „Gij hebt vier malen uit uw hand laten vallen, wat ik u gegeven had. Gaat heen en ziet, wat daaruit geworden is!”

En nu zag Onze Lieve Heer, dat op de plek, waar hij de eerste maal zijn hand had geopend, pisang’s (bananen) waren opgeschoten; op de plaats, waar het voor de tweede maal was gebeurd, groeide kladi (eetbare colocasia); mais zag hij op de derde plek, en rijst was het laatste der gewassen, welke, door de wijsheid en goedertierenheid van God, aan den mensch waren vooraf gegaan om hem te voeden.

II. VAN MENSCH TOT TIJGER

Als in den gloeienden middag in de dorpen de honden niet meer blaffen en de menschen te loom zijn om te praten, als de boomen onbegrijpelijk roerloos staan in de drukkende stilte, als alleen de rosse kiekendief tegen het strakke blauw in cirkels rondglijdt en zijn akeligen schreeuw doet hooren, dan trillen de hittegolven boven de doodstille alang-alang velden, waar geen levend wezen meer beweegt.

Maar soms ziet men in dat stovende, stil wachtende, hooge gras één enkelen scherpen spriet in wonderlijke trilling; als een degenkling, die, zuiver verticaal, snel heen en terug wordt gedrild.

Wankelbaar aangezet... zegt de nuchtere westerling; in het bosch ziet men bij schijnbaar volslagen windstilte dikwijls één enkel groot blad doelloos heen en weer zwaaien, met onverklaarbare kracht, en lang achtereen.

Maar de nakomelingen van Bittertong in Zuid-Sumatra, zij, die de oude overleveringen van den stam kennen, weten het wel beter wat dien spriet doet trillen, en zij gedenken den grooten voorvader en zijn bovenaardsche macht.

Seroenting was zijn naam; Padang Langgar in Pasemah Lébar, in de bovenlanden van Palèmbang, was zijn dorp. Hij had vader noch moeder, en ieder wist dat hij sakti was, begaafd met bovenaardsche macht.

Hij was gehuwd met Poetri Bidadari, een zuster van Arija Tebing, ook een machtig man in Pasemah.

De zwagers hadden hun ladang’s in het oerwoud uitgekapt, naast elkaar, slechts een gevelde boomstam vormde de grens. Maar aan de zijde van het rijstveld van den arija werd de schors van dien boomstam goud, terwijl aan Seroenting’s kant slechts zwammen en paddestoelen opschoten. En al draaide hij ’s nachts den stam wel eens om, steeds was het goud voor den zwager, de zwammen voor hem.

Dit werd den sterken man te machtig en hij schraapte het goud van den anderen kant naar zich toe. Maar nu vielen harde woorden, en het eind was een strijd op leven en dood tusschen de zwagers met hun aanhangers.

Daar zij even „sakti” waren, kwam het niet tot een beslissing. Het was echter den arija opgevallen, dat, wanneer hij in het gevecht zijn zwager uitdagend iets toeriep, diens stem telkens uit een andere richting antwoordde. Tebing vond het raadzaam den strijd op te schorten, tot hij achter het geheim van zijn zwager zoude zijn, en hij wist zijn zuster over te halen om dat geheim aan haar man te ontfutselen.

Op een warmen dag, toen Seroenting van een bad in de rivier thuis kwam, stelde zij hem voor zijn lang haar eens te reinigen. [2] De zachte handen van zijn vrouw maakten zijn hersens doezelig... en toen zij dat merkte, weefde zij haar net om den niet meer waakschen man te vangen.

Den volgenden dag kon zij haar broeder zeggen, dat Seroenting de macht had zijn ziel te verbergen in een alang-alang blad. „Kijk maar eens rond,” had hij gezegd, „als er één spriet staat te drillen, dáár heb ik mijn ziel verborgen; niemand weet dat, en daarom kan men mij niet dooden. Men moest eens weten, dat men mij dan toch kan kwetsen door het blad te speren met een steel van de bamban!” [3]

Dadelijk heropende nu Arija Tebing de vijandelijkheden; al spoedig had hij de gelegenheid een drillend alang-alang blad met een Donax-steel te spietsen... de strijdenden zagen Seroenting plotseling voorover vallen, met een zware wond aan het been, en uit het geknakte blad lekte een druppel bloed.

Seroenting had den strijd verloren. En uit den druppel bloed werd de eerste Kreupele Tijger geboren; zijn nakomelingen wonen op de hellingen van den vulkaan Dempo, en zij zijn voor anderen dan Seroenting’s afstammelingen de meest gevreesde dieren in Sumatra’s oerwouden.

Seroenting was zóó onder den indruk van het gepleegde verraad, dat hij besloot in zee den dood te zoeken. Hij bakte van klei een groote martavaan, zette zich daarin neer en liet zich de rivier afzakken. Maar een bandjir joeg de tempajan door de branding en zette Seroenting op een eiland. Daar woonde een oud man, die van Modjopahit kwam. Seroenting vertelde hem alles, en vroeg hem hulp om zich te kunnen wreken.

„Doe je mond eens open... dit is mijn hulp,” zeide de oude man en spuwde hem in den open mond.

En toen Seroenting verbaasd zeide, dat deze hulp weinig zou baten, liet de grijsaard hem de oogen sluiten, en toen hij ze weder opende, was de oude verdwenen, en hij zag, dat hij terug was in zijn eigen woning, zijn vrouw was van wroeging gestorven.

Men stroomde samen om zich van dit wonder te overtuigen. Er moest nu feest worden gevierd, en Seroenting liet zijn zuster vlug rijst wasschen aan de rivier. Maar toen zij wat lang weg bleef en hij gekscherend zeide: „zij zal versteend zijn!”... ziet, daar vond men op de Padang Pandjamoeran het meisje als een steenen beeld terug.

Seroenting Sakti en de aanwezigen begrepen nu plotseling, dat hij de vreeselijke macht had gekregen om menschen tot steen te kunnen vervloeken, dat zijn tong (lidah) scherp en bitter (pahit) was; Pahit Lidah (Bittertong) werd nu zijn titel. [4]

Arija Tebing vluchtte met al zijn volgelingen naar het westen, naar de woeste wouden van den Barisan-keten. Bij den Gebroken Berg (Boekit Patah), tusschen Pasemah Lébar en de marga Kelam, haalde Bittertong zijn zwager en de zijnen in, maar zij verscholen zich goed, zoodat Bittertong hen niet vinden kon. Toen riep hij uit: „Verdwijn dan maar voor goed en wordt steen, of allerlei ziekten!”

„Goed,” antwoordde Arija Tebing, „wij zullen als veroorzakers van ziekten hier op den Gebroken Berg blijven wonen, en als je kinderen en kindskinderen hier passeeren, vermoorden wij hen”...

Kleine, groene vogeltjes (boeroeng idjong), die nergens anders voorkomen, bewaken nog steeds den bergpas, en wee! den afstammeling van Seroenting, die hun scherpe snaveltjes durft te trotseeren, het stille oerwoud laat hem niet weer los.

Poetri Bidadari had Seroenting een zoon geschonken, Semidang Sakti genaamd, en deze is de stamvader geworden van den grooten stam Semidang, die zich ten westen van den Gebroken Berg, aan de westkust van Zuid-Sumatra, gevestigd en ontwikkeld heeft.

Een van de centra van dien stam is het land om de woeste Padang Goetji-rivier, welke haar graniet-rolsteenen tot speelgoed geeft aan de eeuwige branding, die ze ronder en kleiner rolt, en ze eindelijk mijlen ver langs de kust opstapelt.

Eeuwen geleden trok een troepje menschen langs den bovenloop van de Padang Goetji-rivier door de nog nooit door menschenvoet betreden oerwouden, het ongestoord domein van olifant, neushoorn en tapir.

Sangga Roedjoengan, een kleinzoon van Bittertong, zocht met de zijnen naar goeden, vlakken grond langs de rivier, waar men ladang’s zou kunnen aanleggen. De breede paden der olifanten maakten het zoeken gemakkelijk, de eerste hutten werden aan den waterkant opgezet, en al spoedig kwamen ook anderen uit het oorsprongsland den voortrekker achterna.

Briang noemden zij de plaats, waar zij hun rijstvelden uit het zware bosch kapten, elk jaar werden weer nieuwe ladang’s aangelegd, en aan den boschrand leefde men gelukkig. Wel begonnen varkens hen al spoedig te plagen, en de apen leerden, dat hier wat te halen viel; ook kregen de kolonisten geregeld bezoek van kudden olifanten, die slechts met de grootste moeite werden verjaagd nadat zij geheele velden rijst hadden afgegraasd en vertrapt. Maar toch was de padi-opbrengst meer dan voldoende, en de gevreesde pokken, de ziekte, die zoovele stammen teisterde vóór de Hollanders haar bestreden, scheen hier niet te zullen komen in dit gezegend oord.

In de eerste jaren was op de verlaten velden al spoedig weer nieuw bosch opgeschoten; maar toen het veestapeltje zich uitbreidde, gaven de koeien het bosch weinig gelegenheid zich te herstellen, en waar de rijst gestaan had, schoot welig de onuitroeibare op, de alang-alang. Zij strekte het vee tot voedsel, en werd ze te oud en te hard, zoodat de runderen het scherpe gras niet meer lustten, vermengd als het bovendien raakte met dood, vergaan blad, dan werd in den drogen tijd de brand erin gestoken. Bijna alle uitloopers en alle opslag van loofhout gingen in de knetterende vlammenzee verloren, ook alle nesten van wilde kippen, van kwartels en leeuweriken; maar op den zwarten grond kwamen al na enkele dagen de scherpe, heldergroene sprietjes van de onuitroeibare op, en het was smullen voor het vee. Ook herten en reeën kwamen nu, in schichtig oorenspel, den boschrand uit, likten de zilte asch van den grond en graasden de sprieten af... om dikwijls een prooi van den loerenden mensch te worden, die hen wild opjoeg naar de in lange rij opgestelde, taaie rotan-strikken.

Zoo ging het jaar na jaar. Maar niet alle oude alang-alang werd het vuur tot prooi. Groote hoeveelheden toch werden door de kolonisten gesneden, om, tot bossen gebonden, te dienen als dakbedekking der woningen.

Op een gloeiend heeten dag stond Sangga Roedjoengan alang-alang te snijden aan den versten boschrand. Het was reeds lang het uur, dat zijn vrouw hem als gewoonlijk nasi (gekookte rijst) moest brengen, waarom bleef zij vandaag zoo lang weg? Het kon niet, dat zij het vergeten zou hebben... en hoe onuitstaanbaar boorde toch vandaag de zon tot in zijn hersens, hij hield het haast niet uit; juist nu, dat hij ook zoo’n onbegrijpelijken dorst had; stellig had zijn vrouw een bamboekoker water bij zich...

Nevels trokken voor zijn oogen, waar bleef toch zijn vrouw, het was om gek te worden!

Thuis huilde het jongste kind zóó klagelijk, dat moeder voor de eerste maal het oudste meisje maar naar vader zond. Zij was zoo flink al, en midden in de grootste daghitte zou ze wel geen nijdige varkens of andere dieren ontmoeten. Het kind zette de mand nasi op het hoofd en ging op weg, en toen de bakoel zwaar werd en de nek moe, bracht zij de handjes aan de slapen, de ellebogen wijd uitgezet, dat gaf ’t hoofd steun.

In de doodstille alang-alang, in de trillende hittegolven, kreunde de vader van dorst en honger, en wilde gedachten maakten hem tot een ander wezen. Zie! wat kwam daar het pad af?... dat hooge voorhoofd, die hoorns aan de slapen, was dat niet een hert? Vleesch om te eten, bloed om te drinken! Hij kroop neer in het hooge gras, en in één sprong bemachtigde hij het wezen en verslond het rauw om den inwendigen brand te stillen...

Maar toen hij lange haren in den mond voelde, kwam hij tot bezinning en vroeg zich af, wat er toch met hem gebeurd was. Hij snelde naar huis, en toen hij daar hoorde, dat zijn kind met het eten gestuurd was, rende hij terug naar de alang-alang en zag daar, naast overblijfselen van een lichaam, een paar armbandjes, welke hij maar al te goed herkende.

Sangga Roedjoengan begreep en voelde, dat hij anders was geworden; een wilde lust trok hem naar het diepe, koele woud, weg uit dit licht, weg van de menschen. Maar hij had nog de kracht om naar zijn vrouw te gaan en haar te zeggen, dat hij een verschrikkelijke vergissing had begaan...

„Houd mij niet tegen, ik ben niet meer een mensch als vroeger, ik moet weg, het bosch in. Je zult mij nimmer als mensch terug zien, maar ik ben niet voor je verloren: als jij of de kinderen, en alle onze nakomelingen, soesah hebben, zoek mij dan op „di Padang Soedoet”, aan den rand van het oerwoud. Maak dan een sanggal, een offer van vier rauwe kippeneieren en „padi dirandang”, [5] en leg de eieren tusschen lamang [6]. Maar, vrouw, zeg aan de kinderen, dat zij, noch iemand van onzen stam ooit meer een bakoel op het hoofd mogen dragen, en nimmer met de handen aan de slapen mogen loopen. Ik voel, dat ik De Oude, Setoewo [7] zal worden, en zooals ik nu een witten lendendoek draag, zoo zal ik aan een witten band kenbaar zijn”... en mèt was hij verdwenen.

Het is eerst tien jaar geleden, dat de menschen van Briang gebrek kregen aan grond en weg moesten trekken uit het oude land. Amaloedin, de lamme, was de laatste, die den tijger geworden voorvader met een sanggal aan den boschrand opriep, wanneer men soesah had in den stam; hij is nu zes jaar dood, en niemand weet meer precies, hoe Amaloedin voeling hield met den voorvader.

Maar wie van den stam herinnert zich niet, hoe de groote koningstijger met den witten buik zich dikwijls vertoonde bij feesten, en hoe hij rustig bij een der vreugdevuurtjes zich uitstrekte en meemaakte de vreugde van zijn vele nakomelingen! Hoe weten velen zich te herinneren, dat zij als kleine jongen naar het dier gooiden, en hoe doodelijk verschrikt zij waren, als hij hen dan aanviel, al deed hij hen geen kwaad. En zij, die, tegen het adat-verbod in, pisang brachten naar een feest, moesten tot straf ondergaan, dat de tijger hen dreigend bij de hand greep, zonder echter door te bijten.

Al is de band nu verbroken, de laatsten, die in Briang gewoond hebben, zouden niet den moed hebben een mandje op het hoofd te dragen, en voor den geheelen stam van Semidang geldt nog het heilig verbod om onder het loopen de handen aan de slapen te brengen, omdat dit het vreeselijk onheil gebracht heeft over den kleinzoon van Bittertong.

III. MALEISCHE SPOOKMENSCHEN [8]

1. DE „ORANG BOENIAN”

De Orang Boenian zijn wezens aan den mensch gelijk, maar zij zijn alleen zichtbaar voor hem, die met een Boenianmeisje getrouwd is. Braver zijn zij dan de mensch, omdat de leugen bij hen onbekend is. Toch griezelt het den jongen man, die ergens op het lage dammetje om zijn sawah onverwachts lekkernij vindt, op kleurige bladeren hem aangeboden door een spookmeisje, dat hem heeft gadegeslagen terwijl hij op zijn rijstveld werkte, en dat hem op deze manier komt vragen haar man te worden.

De Boenian’s leven en sterven als gewone menschenkinderen, zij bouwen ook huizen, en zij houden kippen en vee. De bevolking van Tilatang bij Fort de Kock weet heel goed, dat vroeger tal van buffelsporen voerden uit de grot in den Boekit Boenian, den Berg der Verborgenen, maar men heeft er nooit een karbouw gezien.

In bijna alle streken van Sumatra komen zij voor, de meesten in Minangkabau, de Padangsche bovenlanden. Zij wonen gewoonlijk in grotten, of zij bouwen hun voor den mensch onzichtbare huizen ergens in dichte bamboe-stoelen, in den ontoegankelijken wirwar van takken en luchtwortels van een reusachtigen ficusboom, en in de rimba, het diepe oerwoud; soms op den top van hooge bergen, waar elk geluid gedempt wordt door de zware mossen, welke stammen, takken en lianen met een dikke laag bedekken.

In wilde nachten komen zij in de pelmolens der menschen om er hun rijst te stampen, of zij vieren feest, en in de onbestemde geluiden van den storm hoort het Maleische oor duidelijk het zingend dreunen van de groote gong.

En luistert men lang, heel lang, in de grotten van het kalkgebergte van Kamang, waar de spookachtige onrust der vleermuizen en hun krassende kreetjes de grafstilte niet kunnen breken, dan hoort men eerst het tikken van eeuwig druppend water, maar het gaat over in een zachten, rillenden toon van koperen instrumenten, heel ver in het diepe donker... de „gamelan” der Orang Boenian.

Het was den vorigen dag in den grauwen morgenschemer al beginnen te motregenen, en nòg druilden de boomen aan den boschrand en waren in een mistig waas verscholen.

De datoek, volkshoofd in zijn kampoeng, woonde nu al eenigen tijd bij Matoe, zijn oudste vrouw. Zij zaten voor een der open vensters van het huis, en zij spraken over de padi, die juist uitgeloopen was, en over een troep brutale apen, die uit het bosch waren gekomen. Twee van de dieren hadden zij betrapt, toen zij bezig waren de jonge rijstscheuten voorzichtig uit te trekken om den korrel te hebben; het was ondoenlijk de apen uit de ladang te houden, toch lachten zij om hun menschelijke, knijpende vingertjes, om den diepen ernst bij hun werk.

Zij keken naar buiten in den grauwen dag.

Hij zag het eerst den kleinen zwarten man, die plotseling uit den mist trad, ergens tusschen de boomen, en die nu het erf kwam oploopen en zijn zwarten knapzak ophing aan een uitstekenden balk van de rijstschuur. En toen die man vroeg of de datoek thuis was en deze hem noodigde boven te komen, kwam hij de trap op, ging op de hem door Matoe aangeboden mat zitten en dronk zwijgend de koffie, welke zij den mannen voorzette.

Ook de datoek zweeg, het was hem wonderlijk te moede. Wat voelde hij toch?... wat was het toch weer, wat wist hij van dezen zwarten man?

En plotseling doorleefde hij een droom. Een vrouw had met hem gesproken en hem gevraagd, of hij met haar dochter wilde trouwen. Hij was zeer verrast geweest en had bedenktijd gevraagd; daarop had zij hem gezegd, dat hij de beslissing maar zeggen moest aan „den zwarten toeankoe”. Verbaasd was hij wakker geworden, het schemerde al, de moerai [9] floot de menschen wakker met zijn jubelend lied en de droom was spoedig vergeten. Maar nu kwam alles met beklemmende duidelijkheid terug...

„Ik kom het antwoord halen,” zei slechts de oude, zwarte man. De datoek kon niet goed meer denken, hij was geheel in de war.

„Ja...” hoorde hij zichzelf bedremmeld zeggen, „ik wil wel met uw dochter trouwen.”

En toen de oude dadelijk daarop wegging en zijn zwarten knapzak over den schouder sloeg, zagen Matoe en haar man, dat hij plotseling verdwenen was.