Chapter 8 of 12 · 3973 words · ~20 min read

Part 8

„Dokter, ik hoor, dat u verteld zou hebben, dat u mijn collega van Langen gaat bezoeken op uw aanstaande dienstreis naar de binnenlanden, en dat u zich spottend zou hebben uitgelaten over zijn geestestoestand?”

De dokter, een genaturaliseerd vreemdeling, als eerstaanwezend officier van gezondheid belast met de geneeskundige inspectie in het gewest waarvan Kota Balei de hoofdplaats was, lachte pedant.

„Spottend? nou, dat weet ik zoo niet. Maar wat ik wel weet, is, dat uw chef, de resident, mijn opinie heeft gevraagd over enkele brieven, die uw collega geschreven heeft en mij over hem gesproken heeft, vooral over de wijze waarop van Langen zoo nu en dan tegen den resident optreedt, die dan toch zijn chef is. Wij medici kunnen over dergelijke dingen zoo moeielijk met leeken spreken, meneer Robbers, maar het komt mij bepaald noodzakelijk voor om uw collega eens te observeeren, of hij namelijk wel geheel normaal is. U zult dat toch zeker wel aan mij willen overlaten, niet waar?”

„U hebt onlangs in gezelschap gezegd, dat van Langen „van Lotje getikt is”, en dat kan nu wel heel grappig zijn, maar de leek wil zich de moeite geven om u eens in te lichten, wat van Langen doorgemaakt heeft, dan krijgt u eens een anderen kijk op de zaak.

„Van Langen was de knapste jongen van mijn jaar, van geest en van uiterlijk; brave, geestige kerel, goed zwemmer en cricketer, de meest getapte student in Delft. Geen wonder, dat de meisjes dol op hem waren. Een bekende Haagsche nuf begon hem meer en meer in te palmen, een bijzonder knap kind, maar een egoïst en koud als ijs. Voor haar was de hoofdzaak, dat hij haar boven anderen verkoos, maar van werkelijke liefde geen spoor. Zoo dachten wij, zijn vrinden, erover en hij heeft met mij gebroken omdat ik hem dat gezegd heb, juist voor de verloving publiek werd. Wij vonden het doodzonde, we wisten hoe fijngevoelig en goed hij was, en we zagen in de toekomst niets dan narigheid.

„Zij trouwden dadelijk nadat hij afgestudeerd was en vertrokken naar Indië. Zeven jaar later ontmoette ik hem weer voor het eerst, in een hotel. Hij kwam dadelijk naar mij toe, pakte me bij m’n schouders en zei met onzekere stem: „ben je nog boos? jij hebt gelijk gehad!”

„Arme kerel, wat zag hij eruit. Zes jaar hel achter den rug—toen ging zij er met ’n ouwe kerel vandoor, maar die was rijk. Van Langen was een gebroken man. Wij noemden hem in Delft een aanstaand gouverneur-generaal, en nu gold hij als ongeschikt voor het binnenlandsch bestuur! Men zond hem naar Oost-Borneo, naar den grenspost tegen Serawak aan; daar had hij het grensschild en den vlaggemast te bewaken, een ellendig oord en niets te doen. Twee Controleurs zijn daar volslagen menschenschuw weggegaan, een is er krankzinnig geworden, men zond er niet bepaald de goede krachten naar toe, dat spreekt. Van Langen kreeg het er natuurlijk ook te kwaad, men kan in zoo’n oord niet alleen zijn met z’n verdriet. De gezaghebber van een gouvernementsstoomer, die de plaats zoo nu en dan bezocht, kon het niet over zijn hart verkrijgen hem daar zoo te laten zitten en nam hem mee, met eenige moeite, want hij was ook al wat schuw. Toen zond men hem met ziekteverlof naar Holland en na een lange rustkuur was hij zoo opgeknapt, dat hij in Indië terug kwam. Hij heeft nu heel wat van z’n ouwe fut terug, maar hij kan zich wel eens geducht opwinden als hij tegenover oneerlijke en onbillijke dingen staat, en hij ergert zich groen aan ambtelijke futiliteiten. Hij noemt de dingen dan te veel bij den naam en drijft er den spot mee; dat de resident dit wel eens heel onaangenaam vindt, weet ik, maar dat hij niet normaal zou zijn, is onzin. De resident had hem niet dadelijk weer naar de binnenlanden moeten zenden; als ik geen kinderen had, die hier op school moeten gaan, zou ik graag met hem ruilen, hij woont er heerlijk, ’n mooi land, prachtig uitzicht op het meer. Hij heeft behoefte aan gezelligheid, dat is alles; er is te veel bitterheid gekomen in z’n leven, maar de blijheid begint het weer te winnen. Ik geef toe, dat hij niet uitbundig vrindelijk is tegenover iedereen en wel eens den indruk maakt wat stug te zijn, maar men weet ook niet alles, en daarom wilde ik u dit even vertellen.”

„Och, meneer Robbers, dat zijn zoo van die gevoelskwesties, die wij medici niet in de eerste plaats als object van beoordeeling nemen. Het publiek spreekt van „menschenschuw”... enfin, ik zal de gelegenheid hebben om hem te leeren kennen en hem persoonlijk ongemerkt te observeeren; de resident heeft mij dit uitdrukkelijk opgedragen. Over ’n paar weken zal ik zelf mijn vaststaand oordeel hebben, niet waar? Door onze practijk hebben wij een heel anderen kijk op dergelijke ziektegevallen dan leeken, die zich dikwijls door het gevoel laten meeslepen.”

„Ja, ja; dat geef ik in zooverre toe, dat u wel niet veel last van uw gevoel zal hebben. Maar dit wilde ik u nog zeggen, ik geef u den raad om mijn vrind van Langen niet meer belachelijk te maken; van een dokter verwacht men dit allerminst.”

De oud-militair in het gezelschap knikte tevreden, de vierde man, een piepjonge baar, verschoot van kleur.

De dokter slikte even. Hij dacht plotseling aan iets, dat hem al een paar dagen geweldig dwars zat; hij had een gesprek opgevangen van een sergeant, die een zieken makker in het hospitaal had opgezocht. De sergeant had eenige jaren geleden de bestorming van den kraton te Koeta Radja meegemaakt en had er „het ridder” [21] verdiend; in het kleine garnizoen van Kota Balei was hij een man, met wien men rekening had te houden. De dokter had hem tot zijn zieken kameraad hooren zeggen: „Moet jij je door de Pil laten opereeren?? Nou, dan zou ik m’n testament maar maken; wij hebben hem ook in Atjeh gehad; toen hij daar kwam, heette hij Jan Mes, omdat-ie d’r dadelijk met het mes bij is, maar toen-ie een paar makkers kapot gesneden had, hebben wij er Jan Mis van gemaakt”...

Hij moest nu met „het civiel” wat voorzichtig zijn, het is niet prettig als ’t zoo van twee kanten inregent.

„Controleur, ik heb niet de opzet gehad om uw vrind belachelijk te maken, maar ik zie het als medicus nu eenmaal anders, en ik ben toch vrij om mijn eigen oordeel te hebben, niet waar?”

„Laten we er maar niet verder over praten, ik heb gezegd wat ik te zeggen had... djongos!!”

De bittertjes werden betaald, Robbers en de oud-militair stonden op en gingen samen weg; de piepjonge baar herinnerde zich plotseling een dringende afspraak.

Eenige dagen later liet de dokter den controleur van Langen weten, dat hij van plan was een dienstreis door de binnenlanden te maken, en hij vroeg voor een middag en den nacht om logies. De reis tot het meer deed men in die jaren der vorige eeuw met een licht voertuig, door twee inlandsche paardjes getrokken. Als de besturende ambtenaar, die aan den oever van het meer woonde, gewaarschuwd was, vond men op het punt, waar de bergweg het meer bereikte, de sloep van den controleur, men werd na een uur roeien bij zijn dienstwoning gebracht, en vandaar werd de reis door de bergen voortgezet met gouvernements-rijpaarden, die er waren gestationneerd.

Toen de dokter aan het meer kwam, was er geen boot aan de aanlegplaats. Hij dankte het wagentje af, zette zijn koffer aan den oever, ging er op zitten, en wachtte. Een eenzaam hengelaar in een klein prauwtje was het eenige in de doodstille omgeving en op het roerlooze watervlak, dat zich zoo nu en dan bewoog; voorzichtig pagaaide hij, met eene hand, om zich telkens enkele meters te verplaatsen. Heel in de verte kraaide een haan, het deed de stilte nog drukkender worden.

Hoe lang zou hij hier nog hebben te wachten? Wat een gemis aan deferentie voor hem, een der eerste autoriteiten van de hoofdplaats! Die ambtenaren van het binnenlandsch bestuur, met hun groote macht in de binnenlanden, verbeeldden zich... maar, dat was waar ook, deze B.B.-man was immers niet goed wijs, hij had natuurlijk vergeten zijn boot te zenden... ellendige kerel! Er zat niets anders op, dan den eenzamen visscher te bewegen hem over te brengen; dat zou geld kosten, ’n onverwachte knauw in zijn declaratie, maar hij kon toch niet eeuwig blijven wachten en de koetsier was al lang met zijn wagentje vertrokken.

„Hooooi!!” praaide hij den hengelaar, „kom eens even hier!”

Langzaam, zeer tegen zijn zin, roeide de man naar den kant.

„Heb je de sloep van den controleur niet gezien?”

„Neen, toean, en als er menschen komen voor den controleur, dan is die boot hier al heel vroeg, want de roerganger heeft in de buurt een jonge vrouw!” grijnsde de hengelaar; hij was een oud mannetje en hij kende zijn wereld.

De dokter bekeek roeier en bootje. Een wanhopig geval, vond hij; ’n oud, zwak mannetje, en ’n kleine, vieze prauw, maar er was geen andere weg. Na eenig tegenstribbelen en door een in cijfers uitgedrukte belofte, gelukte het hem man en kano in te huren. De koffer, die het hoogstnoodige goed voor de aanstaande reis bevatte, moest zoo droog mogelijk blijven; daartoe werd ze op het eenige, losse zitplankje gelegd, in de voorsteven van het bootje. Voor de twee mannen zocht de hengelaar een paar stokken aan den wal, deze werden op maat gekapt en tusschen de boorden geklemd; hijzelf had genoeg aan één stokje, de dokter kreeg er twee om op te zitten.

„Eerst even hoozen,” zei de oude man, en hij zette zich aan het werk met een klapperdop, die in het bootwater dreef tusschen eenige doode visschen; hij schepte en schepte totdat de bodem van de kano zichtbaar werd; ziezoo!

Voor een Europeaan, die wat stijf en onhandig is, vormt het zitten in ’n kleine, ranke, lekke prauw, een episode. De voeten op den bodem te moeten zetten, waar men het water heel langzaam ziet binnen siepelen, is al niet aangenaam, maar veel moeielijker is ’t het vraagstuk op te lossen, of men trachten zal zijn evenwicht te behouden door de knieën aaneengesloten te houden, dan wel ze tegen de boorden te vleien. En als men dan als eenige basis van z’n bestaan twee stokjes heeft, die in bespottelijk korten tijd aanvoelen als gloeiende staven, als men braadt in de felle zon op windstil water en men ademt slechts kwalijke vischlucht in, dan wordt wel een zware wissel getrokken op ’s menschen blijheid.

De dokter was heel stijf en heel onhandig; hij kon niet zwemmen en was doodsbang voor dat diepe water zoo vlak naast zich; maar vooral: hij liep tegen de honderd kilo, zoo klein hij was, en het was in ’t bijzonder dat gewicht, dat hem letterlijk neerdrukte en de stokken in hem deed insnijden. En dan de ergernis, te zien en te voelen, hoe het vieze, visschige water in zijn brandnieuwe, witte schoenen drong... en die zon! Hoe kon men in Europa toch spreken van „het lieve zonnetje”, neen, de soldaten in Indië hadden wel gelijk, bij hen heet ze „de koperen ploert”. Mijn God, hoe kon dat ouwe mannetje zoo behaaglijk op z’n ééne stokje zitten, terwijl hij alle zelfbeheersching noodig had... zelfbeheersching? maar daar was geen sprake meer van; hij leed, en hij moest blijven lijden, nooit had hij zoo de waarde beseft van dat bekende gezegde van „in het schuitje zitten”.

Maar die controleur, zoo’n ellendige malloot!

Hij had de boorden van de prauw stevig vastgeklemd om het evenwicht te houden, maar nu moest hij het contact van lichaam en gloeiende staven eenigszins verbreken, hij leed onmatig. Jan Mes zette zich op de handen op, de armen gestrekt... dat gaf opluchting. Maar nu begonnen al gauw de boorden van de kano in de handpalmen te snijden... dan maar weer zitten... maar een gesmoorde gil ontsnapte hem... „aai!”

„Ajer?” (water) zei ’t ouwe mannetje, „ja hoor, er is weer veel water in de boot!” Hij legde de pagaai neer en reikte naar den drijvenden klapperdop.

„Nee, nee! roei door, man! ik zal wel hoozen, roei op!!”

Maar de dokter hoosde niet, want hij had geen derde hand.

Toen de kano aan de aanlegplaats voor de controleurswoning was vastgemeerd, wentelde zich een gebroken man aan wal. Gelukkig was daar niemand, die deze vreugdelooze aankomst zag; voor den visscher schaamde hij zich niet, die had al lang gemerkt, dat zijn passagier niet heelemaal gelukkig was.

Toen hij tot loopen in staat was... den volgenden morgen moest hij tien uur paardrijden!... hielp de visscher den koffer naar het huis van den controleur dragen. Hij ging den dokter voor, de trap op van de voorgalerij. Maar toen zijn hoofd ter hoogte van den vloer was, dook hij ineen alsof hij een schot verwachtte; ontdaan zette hij den koffer neer, zei met heesche stem: „daar zit de controleur”, en meteen liep hij op de teenen de trap af en zette het op een loopen, naar zijn prauw.

De dokter was geen held, wat wachtte hem daar in die voorgalerij? Maar hij kon toch dien visscher niet achterna gaan! Met een onaangenaam gevoel in zijn nekharen sloop hij de trap op... wat was hij begonnen! Er klonk geen revolverschot, maar toch was er wel eenige aanleiding voor den ouden hengelaar geweest om maar schielijk naar huis te gaan.

In de voorgalerij lag op een luiaardstoel een Europeaan met bloot bovenlijf, een gebatikte „slaapbroek” maakte zijn eenige kleedij uit; de beenen lagen over de lange leuningen van den stoel, de bloote voeten recht vooruit; hij staarde verdwaasd naar het meer door een bos op het voorhoofd neerhangend haar. En dit was de besturende ambtenaar, hier de vertegenwoordiger van Nederland, van Zijne Majesteit den Koning!

Maar de dokter vermande zich, dit was immers een patiënt.

„Is u de controleur van Langen?”

Een geeuw was het eenig antwoord uit de verder beweginglooze massa.

„Heeft u mijn brief ontvangen? Ik ben de inspecteur van den geneeskundigen dienst.”

„Brief? Wel mogelijk,” zei nu een loome, maar beschaafde stem.

„Weet u dat dan niet zeker?”

„Neeeee”... en de controleur geeuwde een langen geeuw.

„Mag ik vragen waarom niet?”

„Ja, dat mag; omdat ik alleen maar brieven door mijn schrijver laat open maken als ik er lust in heb.”

„En...”

„Dat heb ik al ’n heelen tijd niet.” Van Langen sloot de oogen; stilte alom.

Wat nu? Hemel, wat deed een zeker deel van zijn lichaam den dokter pijn; en men liet hem rustig staan, terwijl de ander in zaligheid lag te geeuwen. Hij moest een snel opkomende woede bedwingen; hij verbeeldde zich zelfs den lust te onderdrukken om dien luien, vadsigen malloot eens door elkaar te rammelen, maar dit bleef bij verbeelding, want er was iets in dien halfnaakten man, in zijn schouders en armen, dat hem dien lust tot vechten als levensgevaarlijk deed inzien.

„Mag ik bij u logeeren voor één nacht? ik wilde morgen doorreizen, zooals ik u schreef.”

„Logeeren? Och ja, waarom niet, sla zelf maar eens op die gong”... op inlandsche manier wees hij met uitgestoken lippen naar een gong, die vlak naast hem was opgehangen.

De dokter verbeet zich, maar hij suste zijn getarten mannenmoed, die man was immers een patiënt; en hij sloeg op de gong.

Van Langen had de oogen weer gesloten. Ergens achter het huis hinnikte een paard, het eenige geluid in de beklemmende stilte. De dokter kon zich nauwelijks staande houden, hij zou zelf maar een stoel nemen. Maar er was geen tweede stoel in de voorgalerij... zoo’n ellendige gek...

Eindelijk sloop uit het huis een slordig gekleede bediende de voorgalerij in.

„Toean?”

De oogen openden zich, „meneer blijft hier eten en slapen.”

„Saja”, en zacht sloop de djongos weer weg.

Weer een geeuw, nu luid en lang gerekt. „Hè, hè, lang niet zoo lekker gerust, dokter.”

„O, u heeft last van slapeloosheid?”

„Wat?! Welneen, man, alleen heb je aan den nacht niet genoeg en overdag is het zoo akelig schel in den Oost.” Hij rekte zich heerlijk en kwam overeind.

„Hé, zit u eigenlijk niet? Geen stoel?? O, dat is waar ook, de kippen hadden de stoelen zoo bevuild, dat ik ze maar eens een paar dagen te weeken heb laten leggen, in het meer.”

„Te weeken?... stoelen?...”

„Och ja, dat is zoo makkelijk, alles wat vuil is wordt in het meer geweekt, de visschen knabbelen alles brandschoon af. Hè, hè, hè, ik heb een heerlijken morgen achter den rug, al hebt u me ook gestoord Ik ben toch wel blij, dat u er bent, want ik heb een heerlijk stuk wild, voor mij alleen is ’t te veel en u zult wel honger hebben.”

De dokter voelde het eerste symptoom van opleving. Zóó gek was van Langen toch niet, of hij begon blijkbaar te beseffen, dat hij een autoriteit voor zich had. Jan Mes was bepaald gestreeld.

„Mag ik even mijn reispak verwisselen?”... van z’n schoenen sprak hij maar liever niet.

„Wel neen, blijf zooals je bent, ik doe ’t ook; ik zal u maar voorgaan.”

Een reiziger kon in die jaren der vorige eeuw vreemde dingen beleven in de binnenlanden van Indië, maar deze dokter zal toch wel de eenige gast aan de tafel van een bestuursambtenaar zijn geweest, die zijn gastheer in zoo luchtige kleedij mocht aanschouwen. Van Langen had enkele goede momenten, maar wat was hij al ver heen!

In de eetkamer, waar vechtende stieren maar heel weinig kwaad zouden hebben kunnen doen, stond in een hoek een ongedekte tafel; twee wrakke stoelen hadden nog juist zooveel aan rotan-zitting over, dat men er niet doorheen gleed.

„Ga zitten, dokter, ga zitten!”

De dokter ging voorzichtig zitten. Hij deed dit met groote voorzorg, niet alleen om de wrakheid van den stoel. Maar het viel mee, hij hing meer dan dat hij zat en juist dit was hem momenteel zeer aangenaam, eindelijk rust! Wat ’n situatie anders!

Maar nu verscheen de slordige djongos en hij zette twee diepe borden op tafel; in die borden lagen een glas, een mes en een lepel en vork.

„Help uzelf!” zei de controleur vergenoegd, „’t zal ons smaken, hoor!”

Alle ingrediënten werden uit de borden gevischt, Jan Mes’ barometer daalde.

Maar daar gleed de djongos weer binnen met twee schalen, die hij met grootsch gebaar op de gezellige tafel plaatste. Een heerlijke braadlucht steeg op uit de eene schaal, waarop een prachtig stuk vet vleesch lag; het leek wel een moot gebraden reuzepaling. De andere schaal was bedekt met geelbruine schijven, welke de dokter herkende als geroosterde oebi (cassave).

Van Langen sneed aan, wipte een flink stuk vleesch op ’s dokters bord, nam zelf een geweldige portie en viel onmiddellijk aan.

„Heerlijk, dokter, heerlijk, je moet toch maar boffen! U neemt zelf wel oebi, ik heb geen tijd meer.” Vergenoegd grommend, met groote happen, verslond hij het van vet druipend vleesch.

De dokter begreep, dat het maal zou bestaan uit hetgeen hem voorgezet was, maar enfin... het vleesch rook in elk geval heerlijk, en hij was dol op wild. De smaak was kostelijk, nooit nog had hij zulk vleesch geproefd.

„Inderdaad, meneer van langen, ’t is heerlijk vleesch, wat is ’t eigenlijk?”

„Dokter, ik heb nu heusch geen tijd, straks zal ik u ’t heele jachtverhaal vertellen.” Van Langen at niet meer, hij schrokte als een hongerige hond. De dokter werd aangestoken, hij kwam wat op z’n verhaal na zijn meertocht en had een prachtigen honger; de oebi was zoo taai als leer, maar ’t vleesch, ’t heerlijke vleesch! Wat trof dat goed, dat hij zóó dol was op wild! ook hij smulde gulzig... ja, hij wilde graag nog ’n stuk hebben...

„Ziezoo!” zei de Controleur en veegde met den rug van de hand langs den vetten mond, servetten kende men hier niet. „Eet nu maar rustig door, dokter, dan steek ik vast ’n strootje op, en ik zal u nu vertellen, hoe ik aan deze heerlijke wildbout gekomen ben. Eet u maar door, ’t is de kans in uw leven.”

„Ja, ’t is bepaald heerlijk, maar...”—en de dokter hikte even—„’t is wel vet, wel heel erg vet”...

„Nou, dat zal waar zijn, maar ’t was ook ’n zeldzaam exemplaar. Ik roeide gisteren langs den oever en had m’n geweer meegenomen, er zijn in dit seizoen nog wel eens wilde eenden op ’t meer. Nu was er in die streek een hertejacht gehouden, ’n dag of acht geleden; men had een bok aangeschoten en volgde het dier op de bloedsporen; aan den rand van een rots, die vrijwel loodrecht naar ’t meer daalt, hielden de sporen op, blijkbaar was ’t hert hier naar beneden gestort. Maar die plek staat bij de Inlanders in een slechten reuk en men was te bang voor z’n hachje om de jacht te vervolgen. Toen ik onder langs die rotspartij roeide, zag ik tusschen de biezen een hertehoorn uitsteken; ik begreep, dat het dier in dat lage water aan z’n eind was gekomen, maar ’t gekke van ’t geval was, dat het gewei bewoog...”

„Maar... ik eet hier toch niet ’t vleesch van ’n hert, dat acht dagen lang heeft liggen sterven??”...

„Wel nee, man! ’t dier was al lang dood. Maar weet je waarom ’t gewei bewoog? Een leguaan[17] had zich in ’t beest gevreten, ’t was waarachtig of ’t nog leefde; dat zie je dikwijls, en ’t kan heel bedriegelijk zijn.”

„Maar meneer van Langen, ik eet toch geen”... de dokter had ’t gevoel, dat het genoten vet ergens in zijn lichaam in opstand kwam.

„Laat me nu rustig m’n verhaal uitvertellen. Ik roeide heel zacht tot vlak bij ’t kreng; ik moet zeggen, dat er mannenmoed voor noodig was, want de lucht was verpletterend”....

De dokter kreunde; ergens in zijn binnenste steeg een vetprop hooger en hooger.

„Toen trapte ik ’n riem in ’t water en hield tegelijk m’n geweer klaar. Een lange kop loerde nieuwsgierig uit den halfverganen herteromp, ik gaf hem ’n portie zwaren hagel, en nu is dit vleesch ’t beste stuk van z’n staart; geen wonder, dat ’t zoo lekker vet... maar wat heb je, dokter??”

„Mijn God, meneer!”... de dokter vloog op, de voorgalerij in, de trap af, het vet was de baas geworden, de leguaan wreekte zich!

Van Langen was hem achterna gerend. „Jonge, jonge, dokter, wat spijt me dat nou, is dat nu zóó erg? En je bent zoo dol op wild! Als je vergevorderd wild eet, zul je ’t fijn adellijk vleesch noemen, en nu kun je er niet eens tegen, dat ik vertel van gezond wild, dat adellijk vleesch eet?? Ik vind leguanestaart altijd een traktatie... toe maar, dokter, benauwd?” en hij klopte zijn slachtoffer vriendelijk op den rug.

„Ik zei, dat ikzelf ’t zoo bijzonder lekker vind, zoo heerlijk vet... arme kerel, wat ben je misselijk, ’t lijkt hier wel zwaar weer aan boord! Maar heusch, ik dacht er u een groot pleizier mee te doen, zoo’n lekker vet stuk vleesch! Ja, ga er bij zitten man, tot de bui voorbij is.”

De dokter zeeg neer op den harden grond, hij had één oogenblik de gloeiende staven vergeten, maar werd er nu weer onbarmhartig aan herinnerd. De gekwelde man rolde zich op zij; goede hemel! en het leven was dien morgen nog zoo mooi geweest.

„Arme kerel! ga maar gauw wat liggen, de logeerkamer is klaar, ga maar mee!”

Met een barstend hoofd en slepende beenen volgde de dokter den controleur. Hij bracht het slachtoffer naar de bijgebouwen van het huis, welke ook op palen waren gebouwd. Een der bediendenkamers diende als logeerkamer, in een hoek lag tenminste een matras, zoo maar op den vloer.

„Wel te rusten, dokter, ’t beste hoor! Ik ga ook wat liggen, straks zal ik u eens laten zien, hoe ik mijn paarden heb gedrild”.... de deur ging dicht.