Part 2
„Hai!” rilde de datoek, „dat moet wel een Boenian zijn!” en Matoe huilde.
Midden in den nacht voelde de datoek, dat iemand hem wakker maakte; hij tastte rond, maar voelde niets. Hij begreep, dat de Verborgenen hem riepen en stond op.
Hij was in een huis, zoo mooi als hij nooit gezien had; het bestond uit niet minder dan dertien roeang’s, de ruimten tusschen de rijen palen waarop het dak rust. Het huis was geheel met planken omwand en smetteloos wit. Er waren veel menschen; ook de oude man, die hem had opgezocht, en nu werd het feest gevierd van zijn huwelijk met Si Boengo, de Bloem, de mooie dochter van den zwarten toeankoe.
Vroeg in den morgen stond de datoek op en ging naar buiten, om een bad aan den put te nemen en het morgengebed te doen. Maar toen hij den eersten schep water over zich gestort had... zie! daar stond hij zich te baden aan den eigen put, naast den eigen rijstpelmolen, en toen hij terug wilde gaan naar de mooie Boengo in het witte huis, zag hij slechts de gewone dagelijksche omgeving. Nu stond hij voor Matoe’s huis, binnen sliep iedereen nog rustig, de deur was gesloten en hij moest Matoe wakker maken om binnen te komen. Zelfs de deur van de slaapkamer had Matoe nog op slot gevonden... en nu wisten zij, dat de datoek door spookmenschen was weggevoerd.
In den avond van den volgenden dag liep de datoek naar de soerau, het gebedehuis waar hij zijn avondgebed zou doen. Hij dacht over het gebeurde, was het werkelijkheid? Hij zag de mooie, jonge vrouw weer voor zich en verlangde intens bij haar te zijn.
Plotseling stond de zwarte toeankoe voor hem en hij kon niet meer denken. Hij wilde trachten te onthouden, wat er met hem gebeuren zou, maar vóór hij het wist stond hij in het witte huis, en Boengo was bij hem.
Vier malen bracht de oude man hem bij zich thuis, maar toen zei hij: „ik kan je niet altijd komen halen, je moet nu maar aan Boengo vragen, hoe je den weg naar ons kunt vinden.”
„Als je hart sterk naar mij trekt,” antwoordde de Bloem hem, „als je werkelijk naar mij verlangt, ga dan naar den Batoe Gadang, den grooten steen bij de brug van Loendang. Ziet ge op dien steen een versch citroenblad liggen, neem het dan op en wrijf het over je dichte oogen, en je zult den weg naar ons huis zien. Maar kom nimmer met andere menschen, en als er geen citroenblad ligt op den steen, doe dan geen moeite om den weg te zoeken in de dorenbamboe bij dien steen. Je kleeren zullen aan flarden scheuren en je zult doodziek worden.”
Op enkele tientallen meters van dien steen loopt de ijzeren baan van Fort de Kock naar Paja Koemboeh, en uit den trein zien de reizigers een grooten rolsteen in de bedding der beek. Vlak ernaast ligt een boschje bamboe doeri, voor menschen en grootere dieren volslagen ontoegankelijk, een muur, gevlochten door scherp gedoornde, taaie stengels.
Maar telkens als de datoek het geurige blad over de dichte oogen wreef, lag daar in dat boschje een wit pad, en het voerde naar de woning der spookmenschen.
Toen het huwelijk van den datoek en de mooie spookvrouw met kinderen gezegend was, eerst toen wilde Boengo hem de overleveringen van haar stam verhalen, ook, hoe de Verborgenen voortkomen uit aardsche menschen.
In den tijd, dat Mohammad de profeet nog op aarde ging, leefden er twee zusters; de eene was met een rijk man getrouwd, de andere had een arm huwelijk gedaan. De rijke gaf eens een groot feest en noodigde er Mohammad, den profeet. De arme wilde hem ook zoo gaarne beleefdheid en eerbied bewijzen, maar hoe konden zij het van hun armoedje doen!
„Weet je wat,” zei de arme man, „ga jij de dorpen af en vraag wat men missen kan, daar kun je rijst en specerijen van koopen. Ik zal het bosch ingaan en halal [10] wild schieten; dan kunnen wij ook een feestmaal hebben en bidden om zegen.”
Zij gingen. De vrouw werd hier en daar geholpen en kon haar inkoopen doen. Maar hij jaagde heel het bosch af zonder een enkel stuk wild te zien. Verdrietig ging hij naar huis, maar dicht bij zijn woning sloop een dier door de struiken, en snel had hij het met een pijl uit zijn blaasroer neergelegd. Maar hoe beschaamd was hij, toen hij zag, dat het wild een groote kat was, spierwit, zooals toen alle katten nog waren.
Maar... soedahlah, dan maar een kat, niemand zou het immers merken, het feest moest doorgaan, de profeet had nu eenmaal de uitnoodiging aangenomen. Hij vilde snel het dier, sneed er den kop en de pooten af, en bracht het bij zijn vrouw; en zij maakte van het vleesch en de specerijen allerlei heerlijke gerechten, voor het feest aan Mohammad den profeet.
De gasten kwamen, ook de profeet, en zij zetten zich neer. Hij was gewend bij het maal zijn lievelingskat bij zich te hebben, en toen hij hem niet zag, vroeg hij ernaar en riep toen het dier met luide stem.
O! rechtvaardige Allah, daar sprongen uit alle gerechten tal van katten, gekleurd, gestreept, gespikkeld... de arme man had de lievelingskat van den profeet gedood, en, in tientallen herlevend, sprong het dier uit de gerechten, van zijn vleesch gemaakt, te voorschijn, de witte vacht in bonte afwisseling geteekend door de sporen en de kleuren der verschillende specerijen.
Doodelijk verschrikt en beschaamd vluchtte het arme menschenpaar naar de donkere bosschen, en zij verscholen zich daar voor den toorn van den profeet, voor den spot der menschen. Maar honger dreef hen het bosch uit, en zij gingen naar den profeet, vernederden zich voor hem en smeekten om genade.
De profeet toornde niet, hij had immers zoo vele en mooie katten voor die eene witte terug gekregen. Maar de arme lieden bleven den spot der menschen vreezen, zij wisten dit niet te kunnen dragen, en nu smeekten zij Mohammad hen te verbergen voor die anderen. Zij waren altijd braaf geweest en geloovig, zij hadden nooit iets kwaads gedaan vóór dit eene gebeurd was, wat zij bedoeld hadden alleen om den profeet eerbied te bewijzen.
In groot medelijden bad de profeet tot God om de arme lieden onzichtbaar te maken voor hun medemenschen, en zóó ontstonden de eerste Orang Boenian... voor Allah’s almacht is niets onmogelijk!
2. ZIJ, DIE NIET GELOOFDEN
In den 15den der 1001 Nachten verhaalt Sheherazade aan Sultan Shahryar de geschiedenis van den sheik Shahabeddin:
De sultan van Egypte verzamelde op zekeren dag alle geleerden uit zijn rijk en behandelde met hen het volgende onderwerp. De Moslims zeggen, dat de engel Djabraïl (Gabriël) den profeet Mohammad uit zijn bed lichtte en hem alles toonde, wat in de zeven hemelen, in het paradijs en in de hel te zien is. Daarna voerde de profeet nog 90.000 gesprekken met Allah, en toen hij door den engel in zijn bed werd terug gebracht, had hij nog juist den tijd om een kruik, die bij zijn vertrek omgevallen was, op te zetten vóór al het water er uit was gestroomd...
„Wie kan zulke belachelijke verhaaltjes gelooven!” had de sultan gezegd. Doch de geleerden antwoordden hem: „Voor Allah’s almacht is niets onmogelijk”... en nu ontstond een strijd, die de grootste tweespalt in Egypte veroorzaakte.
De mare hiervan drong ook door tot sheik Shabeddin. Hij begaf zich dadelijk op weg naar den sultan, die hem met eerbied ontving. Zij zetten zich in een vertrek neer met vier vensters, welke op verzoek van den sheik gesloten werden. Nadat zij over verschillende zaken gesproken hadden, stootte de geleerde sheik één voor één de vensters open, en de sultan zag tot zijn ontzetting achtereenvolgens, dat een ontelbaar leger tegen zijn paleis optrok, toen, dat heel Kaïro in vlammen opging; daarna, dat een geweldige vloed zijn paleis bedreigde. Maar deze tafereelen werden door den sheik te niet gedaan, zoo deed hij ook weer verdwijnen het heerlijke landschap, dat de sultan door het vierde venster aanschouwde, terwijl hij wist, dat zich tot aan den horizont een onvruchtbare woestijnvlakte uitstrekte.
Daarop liet de sheik een groote kuip water brengen, en hij verzocht den sultan zich daarin neer te zetten en het hoofd even onder te dompelen. De sultan deed dit... en hij bevond zich aan den oever van een groot, onbekend water, tusschen rotsen en bergen. Hij leefde zeven jaar in dit vreemde land, had er onnoemelijk veel leed, huwde er en kreeg zeven zoons en zeven dochters. Hij kwam, zonder dit te weten, op een goeden dag terug op de plek, waar hij het vreemde land was binnen gekomen, nam er een bad in de rivier, en toen hij het hoofd boven water stak, bevond hij zich... in zijn paleis, omringd door zijn hovelingen, en zij en de sheik verklaarden, dat hij zoo even zijn hoofd had ondergedompeld en dadelijk weer boven water gekomen was...
Ook op Sumatra moest Allah, eeuwen geleden, een man straffen, die het nieuwe geloof niet wilde aanvaarden.
Hij en zijn vrouw waren goede menschen. Zij woonden diep in het bosch, aan den bovenloop van een der rivieren, die in Straat Malaka uitmonden; in een wereldje op zichzelf, waar slechts geruchten doordrongen van het bestaan van een grootere wereld. Zij kregen kinderen en hadden het goed. Maar zoo nu en dan, als de vrouw merkte hoe ongeloovig haar man was, kibbelden zij heftig, en zijn ongeloof was voor de vrouw het eenige verdriet, dat zij kende.
Eens, dat hij voor een feestelijken maaltijd een kip had geslacht en die begon te plukken, kwam zijn vrouw terug op een twistgesprek, dat zij hadden gehad, omdat de man niet geloofde aan de almacht van Allah. Driftig stond hij op en riep uit: „Nou krijg ik genoeg van die nonsens, ik ga een bad nemen; pluk jij nu zelf de kip ook maar!” en hij wierp haar het half-kale dier voor de voeten. Toen daalde hij den oever af, in wrevel en ergernis. Dat eeuwige gezeur! zij hadden het samen zoo goed, maar als dat ééne kwam, dat hem zoo onbeduidend leek, dan was alles mis.
Hij dompelde in de rivier onder, maar toen hij weer boven kwam, was hij in een vreemd land met onbekende menschen. Hij trouwde er en kreeg kinderen, maar geluk kon hij niet vinden, al doolde hij overal rond om het te zoeken. Zoo kwam hij, na zeven jaar, aan een rivier, en nam er een bad. Maar toen hij het hoofd weer boven water stak, zag hij zijn eigen badplaats, en boven aan den hoogen oever zijn eigen huisje! Hij herinnerde zich plotseling, wat zeven jaar geleden gebeurd was en hij kromp ineen van verdriet. Hij rende den wal op... wat zou er van zijn goede vrouw geworden zijn!
„Dàt is vlug!” riep ze vroolijk, blij toen ze zijn berouwvol maar toch zoo gelukkig gezicht zag. Hoe heerlijk, dat hij zoo dadelijk zijn fout had ingezien... de kip was nog niet geheel geplukt!
Nu geloofde de man. En de kinderen, in het vreemde land achtergelaten, waren de eerste Boenian’s.
3. SPOKEN-NACHT
Middernacht.
Wild drijft Si Dòlak Dòlai, de Kwade Wind, door de diepe ravijnen van den Marápi.
Hij kwam van over het meer van Singkárak, waar woeste, korte golfjes nòg zijn spoor teekenen. Jagend was hij den Vuurberg opgegaan, wegvagend de stoompluim boven den krater, ros van weerkaatsten vuurgloed, en nu wielt hij neer den berg af, de vlakte in van Agam.
Zwiependen regen drijft hij voor zich uit, de woesteling, die de wortels van den ficus afbreekt als draad, die het nederigste kruid loswoelt, die de rijstschuren der menschen aflicht van de neuten...
In diepen, donkeren nacht slaapt roerloos, stil, de kampoeng, In bamboebosch en palmkroon verscholen. Maar zwiepend, geeselend, wilde jacht, komt bulderend wind èn regen, En plotseling flikkert door het zwart een bliksemflits Die àl verlicht het donker van zoo even.
De bamboe buigt en kreunt, dof vallen oude klapperblâren, In ’t donker huis was alles rust, maar akelig kraait de haan, Die ’t bliksemlicht zich zonnegloren dacht.
Bang kreunt ontwakend meisje En dringt zich tegen moeder aan... „O, moeder, moeder, hoor dan toch, wat vreeslijke geluiden... „Hoor, moeder, lieve moeder toch, waarom kraait onze haan?”
„Stil kindje, slaap maar vast, en tegen moeder aan; „En wees niet bang van wat je hoort, „In onze kintjir [11] stampt men rijst... de Orang Boenian...”
Sei ruhig, bleibe ruhig, mein Kind, In dürren Blättern säuselt der Wind...
„O, moeder, hoor! dat diep geluid, wat kan ’t toch zijn, „Dat boven joelt en neergiert in ’t ravijn?”
„Wees rustig toch, mijn lieve schat, en druk je tegen moeder aan... „Ginds viert men feest en dreunt de gong... de Orang Boenian”.
Mein Vater, mein Vater, und hörest du nicht? Sei ruhig, bleibe ruhig, mein Kind...
IV. WILDE DIEREN ALS BESCHERMGEEST VAN DEN MENSCH
1. DE VOLGTIJGER
Het is meer dan twintig jaar geleden, dat de luitenant P. mij als besturend ambtenaar te Koeta Radja opzocht om mij iets bijzonders te vertellen, en hij deed mij een van de wonderlijkste verhalen, welke ik ooit gehoord heb.
„U is zelf jager, anders zou ik het haast niet durven vertellen! Ik was gistermiddag even op snippen uitgegaan, het was kwart vóór vijf, toen ik, op de fiets, bij de sawah’s kwam. Ik had mijn jaszakken vol hagelpatronen, kaliber 9, maar geen enkele snip vloog van de nog niet beplante rijstvelden op; en zoo wandelde ik al zoekend door, langs de sawahdijkjes, tot aan dat boschje struiken, dat u wel kent en dat er ligt als een eilandje in zee, er staat één afgestorven hooge cocos-palm midden in, ’t heele ding is niet grooter dan het grondoppervlak van een inlandsche woning.
„Er was geen zuchtje wind, de sawahwerkers hadden de velden al verlaten, het was nog gloeiend heet, en stil, plechtig stil.
„Toen ik op ’n meter of twintig van het boschje kwam en er met een bocht op toeliep, keek ik er pas goed naar... en het was of mijn nekharen stijfop bevroren! Aan den zijkant van het boschje, den kop afgewend en starend over de geweldige sawahvlakte van kilometers rondom, stond een volwassen koningstijger, roerloos, als ’n standbeeld. Ofschoon het niet de eerste tijger was, dien ik voor ’t geweer kreeg, was ik een oogenblik volslagen verlamd. Maar toen mij als ’n pijnlijke zweepslag door de hersens ging, dat ik alleen maar snippen-patronen bij me had, kon ik weer denken en ik herinnerde me plotseling, dat ik toevallig één patroon met zware loopers in mijn broekzak gestopt had, en ik besloot de kans te wagen... wat moest ik trouwens anders doen, wegloopen zou waanzin zijn geweest. Mijn vingers trilden, maar ik verwisselde gauw een hagelpatroon tegen de loopers. Nog stond hij in zijn majesteit rustig te staren. Ik beefde niet meer toen ik aanlegde, en juist toen het prachtige dier kalm den kop naar mij toe draaide, zat mijn schot in z’n hart, en zonder eenig geluid zakte hij in elkaar.”
„Maar... hier een tijger?! men kan nog eerder ’n wilden ijsbeer op het Plein in den Haag verwachten!”
„Ja, ik begrijp, dat het verhaal zelfs u te machtig is, maar ik heb de huid meegebracht, en ook de Atjehers, die op mijn schot dadelijk uit den kampoengrand kwamen. Al zagen zij met eigen oog den nog warmen tijger, zij denken geloof ik nòg aan tooverij. Trouwens, ik weet zelf niet, wat ik ervan denken moet... vanwaar kwam deze tijger, die hier overdag, vlak bij Koeta Radja, in die gloeiende sawah-zee stond te staren, uitkijkend alsof hij iets wachtte, iets zocht?”
Terwijl hij sprak, zag ik de stille, gloeiende vlakte, de bekende 1000 meter-strook om Koeta Radja, vroeger geheel van huizen en bosch gezuiverd ter beveiliging van de hoofdplaats tegen onverhoedsche overvallen; en naast het boschje lage struiken met den afgeknakten klapperboom, zag ik het wondere prachtige dier, starend, op den uitkijk, wachtend en al maar starend, de zacht zwaaiende staart het eenig teeken van leven. De mysterie uit de koele bosschen in de stovende, boomlooze moddervlakte, waar den ganschen dag de menschen uit de rondom gelegen dorpen hadden gewerkt; en overal moest de menschenlucht nog zwaar hangen, in de velden, aan de dijkjes, de lucht die hem zoo tegenstond...
Eenige maanden later openden wij de kleine renbaan achter Peutjoet, het kerkhof bij Koeta Radja, waar zoovele kranige Hollandsche jongens rusten. De rennen zouden zoo dadelijk beginnen.
„Komt de Kedjoeroehan van Lhong niet?” vroeg ik aan een der meest bekende Atjehsche hoofden. Ik miste den paardenliefhebber uit het zuiden, die mocht hier niet ontbreken.
Teukoe Radja Itam glimlachte verlegen.
„Och, toean, jullie gelooft zulke dingen toch niet, en ik weet zelf niet meer wat ik er van denken moet. Maar u bent bestuursambtenaar, ik zal het u toch maar zeggen.”
Hij keek even rond, niemand kon ons gesprek hooren, een lichte huiver trok om zijn mondhoeken.
„Is het waar, dat enkele maanden geleden een officier op de groote sawahvlakte bij Koeta Radja een tijger heeft geschoten? Ja? dus dat is toch werkelijk waar?!...
„De Kedjoeroehan van Lhong had een volgtijger, die overal bij hem was, onzichtbaar, maar hij beschermde mijn vriend tegen allerlei gevaar. Een paar maanden geleden werd de Kedjoeroehan opgeroepen door den gouverneur, den generaal van Heutsz, voor die zaak waar u wel van weet. Toen hij goed en wel in Koeta Radja was, wist mijn vriend, dat zijn kameraad niet meer bij hem was; hij had de wijsheid, de ilmoe, dit te weten, al zag hij hem gewoonlijk ook niet. Hij begreep, dat het dier op een of andere manier verdwaald was, bang geworden misschien voor de menschen en de drukte; maar hij was ervan overtuigd hem thuis te zullen vinden, zoo iets was wel meer gebeurd.
„Hij kwam thuis, maar de tijger was er niet, en zonder hem durft de Kedjoeroehan nog geen verre reizen te doen.
„Niemand van ons begrijpt, hoe en waarom het dier daar midden in de sawah’s zichtbaar en daardoor kwetsbaar is geworden. Maar wij weten, dat het de volgtijger van den Kedjoeroehan is, die door dien luitenant is doodgeschoten...”
Wij keken elkaar ontroerd aan.
De bel ging voor den eersten ren.
2. RADOE
De oude man, een voornaam volkshoofd in Zuid-Sumatra, meende wel honderd jaar te zijn, en hij kon dit bewijzen: hij was immers al vader van een paar flinke jongens, toen de Groote Uitbarsting plaats had, toen het dagen achtereen vrijwel donker was, de hemel een-en-al donder en bliksem leek en de zee vol dreef van puimsteen... en ik deed geen moeite hem voor te rekenen, dat Krakatau eerst 35 jaar geleden doodelijken angst verspreidde in heel Zuid-Sumatra en in West-Java. Hij was nu eenmaal een erkend honderdjarige, en er was geen reden hem deze illusie te ontnemen. De brave, eerwaardige man voelde zich gelukkig in den weliswaar overschatten ouderdom, en voldaan en gelukkig keek hij achterom, zonder het voor ons westerlingen onmisbaar perspectief in dien terugblik te leggen.
Hij was een goed adat-kenner en hij vertelde met trots en smaak van de oude gebruiken van zijn stam.
Voor mij was hij een waardevol vriend, omdat hij nog steeds goeden invloed had op zijn volk en doordat hij mij kostelijke overleveringen vertelde, als ik op mijn dienstreizen dat woeste gedeelte van Zuid-Sumatra bezocht; en telkens was ik verheugd de trouwe hand te kunnen drukken. In die rustige binnenlanden gelden de overleveringen als onomstootelijke geschiedenis, en zeer zeker ontbreekt in vele de zuiver geschiedkundige kern niet, al heeft de Islam ook veel leelijke franje geweven aan de legenden van deze „heidenen”, die eerst in den laatsten tijd, ja in het begin van deze eeuw, tot den Mohammedaanschen godsdienst zijn overgegaan.
Een vorige maal had de oude man mij verhaald, dat in vroegere tijden enkele kwaadaardige roovers de macht hadden zich te doen beschermen door krokodillen. Ik had hem toen verteld dit wel meer te hebben gehoord, en dat door de Minangkabauers van Midden-Sumatra aangenomen wordt, dat het landschapshoofd van Loeboek Oelang Aling, een berucht rooverhoofdman, die ten slotte door de politie moest worden afgemaakt, een volg-krokodil had, die hem overal op zijn riviertochten vergezelde. Daarop had de oude man mij beloofd de volgende maal zijn kleinzoon Radoe te zullen meebrengen, op wien hij al zijn kennis zou overdragen, Radoe, die de schermkunst van een koningstijger had geleerd.
„Radoe, je kunt aan dezen Hollander gerust alles vertellen. Of meneer het gelooft, weet ik niet, maar meneer schrijft graag allerlei dingen op, en hij lacht ons niet uit, ons domme menschen!”
Maar nu lachte ik wel even. „Wij, domme menschen,” dit is zoo de gewone uiting van bescheidenheid, van voorzichtigheid vooral. Er zijn misschien menschen, die dit de juiste zelfschatting achten, maar niet zij, die in nauwe aanraking zijn gekomen met die oude, waardige mannen, die, zonder schoolsche wijsheid, gekomen zijn tot beschouwingen, waarin de rust van eeuwen ligt; een evenwicht, vastgelegd in de „adat”, het gewoonterecht, dat regelen stelt evengoed tot basis van familierecht en rechtspraak als tot het aangeven van goede gebruiken en vormen, en dat, met de overleveringen, als erfgoed overgaat van geslacht op geslacht, totdat... en hier spreken diezelfde oude wijze mannen, totdat al het oude door de wielen van spoortreinen en automobielen, door de voortschrijdende „beschaving”, zal overreden zijn.
Ik lachte dus even, en de wijze man begreep dien glimlach en lachte vergenoegd mee.
„Veel kan ik u niet vertellen, meneer,” zei Radoe. „Mijn grootvader van moederskant had vele ilmoe’s en hij leerde mij wat ik doen moest, als ik ooit een tijger zou tegen komen van een soort, zooals hij mij beschreef. Ik hoop, dat u het mij niet kwalijk zal nemen, meneer, maar ik kan u dat niet precies uitleggen, u begrijpt dat zeker wel; maar zoo’n tijger is meer een mensch dan een dier. Eens op een middag heb ik aan den rand van het bosch zoo’n tijger ontmoet. Ik ben dadelijk naar het eerste het beste huis gegaan en ik heb de menschen gevraagd mij te helpen om een offerande voor hem te maken, een „sedekah” bestaande uit rauwe eieren en kleefrijst. De Oude aanvaardde die offerande, want, juist zooals grootvader mij gezegd had, de eieren waren den volgenden dag leeg, maar de schalen waren niet gebroken. Ik wist nu, dat de tijger mij goedgezind was en dat hij mij verschillende dingen zou leeren als ik hem weer ontmoette.
„En zoo heb ik schermen van hem geleerd, het silat en het koentau. Ik verzeker u, dat ik alleen maar een mensch in hem kon zien als hij met mij schermde. Hij heeft het mij goed geleerd, men zegt, dat ik de beste schermer in deze landen ben, en dat is ook wel zoo; ik heb dat alles aan hem te danken.
„Maar u moet niet denken, dat ik de eenige ben, die zoo bevriend is met een tijger. Ik heb dikwijls van menschen uit de Boven-Kampar gehoord, dat enkelen gewoon zijn zich midden tusschen de tijgers te begeven, dat zij haast doof worden van het schreeuwen en brullen van de dieren. En ik ken iemand uit de Boven-Rokan, die op den rug van zijn kameraad reizen maakt”...