Part 12
Het bruisen van de branding wordt in het ijle loof nagefluisterd; maar beneden, tusschen de zware stammen, heerscht de stilte. En als er in de gloeiende middaguren van mooie dagen geen zuchtje wind is, als de kleffe zeelucht niet verwaait, dan hangt de stilte loodzwaar neer; de cicade, die hier het eenige levende wezen schijnt en die halfweg een stam zijn hoog-snerpend deuntje telkens weer herhaalt, kan die stilte niet verbreken, accentueert nog meer de eeuwige rust en de verlatenheid.
Aan den horizont streepte een lange rookveer, daar stoomde een boot, een mailstoomer misschien naar Holland, naar onze kinderen...
Een scherpe steek op mijn hand riep mij plotseling uit het lieve vaderland terug. Een roode mier was van den stam, waar ik tegen geleund stond, op mij overgewandeld en nam bezit van de onverwachte prooi; zij zijn verzot op vleesch, deze kararangga’s, ze slaan de vervaarlijke kaken er stevig in, en zegevierend tilt het achterlijfje zich loodrecht op.
Arme drommels, hij en ik, wat waren we een oogenblik in de war! Ik was even, in een droom, in het verre vaderland, hij, in zijn vitaliteit, dacht zich zóó zeker van zijn prooi. Ik maakte zijn greep los en zette hem weer op zijn stam, waar hij even verdwaasd neerzat, maar dan vlug de pijnlijke kaken bevoelde, het achterlijfje in verbazing hoog in de lucht.
En nu ik weer tot de werkelijkheid terug gekeerd was, merkte ik niet meer alleen te zijn; aan het strand liepen twee kleine meisjes in haar nationaal badkostuumpje een eind de zee in; ook hier doen de kinderen aan „pootje baden”; maar zij waren zoo doodverlegen, toen zij den vreemden man ontdekten, dat ik me bepaald schuldig voelde en mij weg haastte, naar de auto, die reeds aan den overkant van de rivier stond te wachten; en Amin, mijn brave chauffeur, keek zacht verwijtend, wij moesten immers nog zóó ver!
Het weggedeelte dat nu volgde, voert door een der eenzaamste streken van Sumatra, welke men per auto kan doorkruisen. Links, aan de westzijde, loopt een smalle rand van jong bosch, dat het uitzicht op den oceaan afsluit. Aan den oostelijken kant strekken zich zwaar begroeide moerassen uit, ontstaan door de bandjir’s der rivieren als zij worden teruggedreven door den springvloed uit zee, en waardoor de lage oevers en het vlakke land overstroomd worden. Breeduit getakte ficusboomen steunen als met tal van licht gekleurde armen hun reusachtig dak, de zijtakken vormen loopbruggetjes naar andere boomen in een chaos van groen en van lianen en hoog klimmende, doornige rotans. De bodem is grootendeels drassig en staat in den regentijd diep onder water; er groeien pandanen en andere scherpbladige planten, en overal staan boschjes van jonge rotan, alles dicht, doornig en scherp. En worstelt de mensch zich door dien chaos, dan hangen overal, altijd juist ter hoogte van zijn oor, de bekende weerhaakjes aan de punt der sierlijke vederbladeren van den rotan, en telkens doen zij hun werk en zij bijten het gevangen oor nijdig hun bijnaam in: „wait-a-bit!”
In deze ondoordringbare moerasbosschen, waar men maar zelden het geluid van vogels hoort, zal de wereld van klimmende dieren misschien de overhand hebben, maar zij zijn ook een dorado voor slangen en varanen[23]; en het wilde varken vindt er altijd nog droge plaatsen genoeg om er in groote gezelschappen te leven. Zelfs de slimme olifant komt er geregeld; hij heeft er, van geslacht op geslacht, zijn veilig gebleken paden in vast getrapt en ze in de moerasranden uitgeschuurd. Wee! den jager—ik ondervond het later persoonlijk—die zich foppen laat en zonder dubbel op zijn hoede te zijn, een aangeschoten olifant volgt in zulke bosschen, in de overtuiging, dat de tonnen-zware reus hulpeloos en verloren is in die moerassen. Den Grooten van het woud deren bovendien de dorens van pandan en rotan niet, zij eten zelfs met smaak de jonge, stekelige uitspruitsels; en als zij de weeke onderlip maar met den slurf beschermen en de oogen dicht knijpen, dan loopen zij, op hun massieve rubber-zolen, door de dichtste dorenbosschen als een voetbal door het gras.
Die moerasbosschen zijn niet zwaar bevolkt, maar zij huisvesten eigenlijk alle dieren, behalve den tapir en den neushoorn. Ook de malaria-muskieten, de gevaarlijkste sluipmoordenaars van Indië, wonen er, en zij zijn een terreur voor de schaarsche bevolking van deze kust.
Het was dien dag bijzonder stil langs den eenzamen weg. Ik had gehoopt den zwarten panter terug te zien, die er eens mijn weg gekruist had, de slanke, hoogbeenige kat met den overdreven langen staart. Maar zelfs de varkens, die er in den laten namiddag gewoonlijk de bermen van den weg omwoelen, ontbraken; ik moest mij tevreden stellen met één reusachtigen varaan, die vlak voor de auto overstak en die slechts, door er een vervaarlijke versnelling in te zetten, nog juist aan de voorwielen ontsnapte; in het gras aan den kant stak hij zijn bespottelijk lange tong tegen ons uit.
Amin lachte. Hij was in zijn schik met den nieuwen wagen, die zoo geruischloos liep; dat was toch wel heel wat anders dan onze oude Fiat, hoe trouw deze ons ook gediend had; hij zat met trotsch-rechten rug aan het wiel, en ook hij genoot blijkbaar van de invallende koelte na den gloeienden dag, die in een vlammenzee van ons afscheid nam.
Snel viel nu de duisternis in, zonder merkbare schemering, en de bosschen werden zwart, nog vóór de wolkjes aan den hemel afstand konden doen van de zachte tinten in oneindige afwisseling, die het laatste licht hun gaf.
Aan den onderrand van het bosch, waar het àl zwarter werd, kriekten de krekels hun liedje, slechts hier en daar begeleid door het gezellig kwakken van een kikker in zijn plas.
En voort snorde de motor langs den witten grindweg. Het was al hoog tijd om de lantarens op te steken, maar Amin reed steeds zoo lang mogelijk zonder lichten; hij had enkele jaren een vrachtauto gereden met zulke slechte carbid-lampen, dat hij het veiliger achtte tot de uiterste grens op zijn scherpe oogen te vertrouwen, ook de carbid-lantarens van de Fiat waren verre van schitterend; en ik liet dergelijke dingen geheel aan hem over, den trouwen, zwijgzamen kameraad, die met zijn baas en zijn wagen heel wat meegemaakt heeft in de wildernis.
Maar nu werd het oppassen. Al was de witte weg nog duidelijk te onderscheiden, het bosch was zwart als inkt geworden, en men kan in de woeste streken van Sumatra nimmer weten, wat plotseling uit den boschrand schieten kan. Amin en ik hebben samen wonderlijke dingen beleefd, en men moet zelf de sensatie hebben genoten een snoezige tijgerwelp in het licht der lantarens voor de autowielen te zien hobbelen, met de stellige overtuiging, dat een razende moeder in den zwarten boschrand mee-galoppeert, om de wilde bekoring van een nachtrit door een wildernis als deze te begrijpen.
Nog drie bochten in den weg en wij zouden voor de Ngálam staan, de grilligste en gevaarlijkste van alle riviermonden, nog slechts 45 kilometer van huis.
Wij scherpten beiden de oogen.
Was het niet, of daar, even uit de bocht, een huis stond? Maar... midden op den weg, dat kon toch niet, en hier woonde geen levende ziel. Wat ik daar zag, was ook zwarter, en had boller vormen.
Wàt kon dàt zijn?! „Stop, Amin, ada hal, daar is iets vreemds!”
Hij ontdekte het op hetzelfde oogenblik, remde met alle macht en zette de motor af. De ontzaglijke stilte van den nacht kwam over ons, geen krekel zong, alleen heel in de verte gromde zacht de branding. En zestig meter vóór ons, lag op den weg een zwarte, platte heuvel. „Allah!”... en Amin rilde, „wat is dat, meneer?”
„Allem...” fluisterde ik, „dat moeten wel olifanten zijn, Amin!”
„Olifanten??”... zei hij doodverbaasd; hij was geen jager, en ik wist, dat hij nog nooit een olifant gezien had; „maar meneer, zullen we dan gauw draaien en terug gaan naar de pasanggrahan in Talo?”
„Amin, dat kàn niet; als wij probeeren te vluchten, komen ze stellig op ons af; en je weet, hoe ze met ossekarren doen, ze pakken de ossen tusschen de boomen weg en zeilen de huif van kadjangmatten de boomen in; zulke dingen zullen ze met onzen wagen ook probeeren, èn met ons.”
Maar wat dan?! We moesten toch iets doen. Al fluisterden wij, de dieren moesten al lang begrepen hebben, dat daar iets was, dat hun daadwerkelijke belangstelling waard was; alleen het vreemde, het voor hen nieuwe geluid moet hen bevangen hebben. Voorzoover wij zien konden, kwam er geen beweging in den zwarten klomp.
„Maar u hebt toch een geweer!” vond Amin plotseling uit, en het kostte mij moeite hem duidelijk te maken, dat men niet met een gladloops jachtgeweer in het donker optrekt tegen een front van opgeschrikte olifanten. Maar wat dàn?? pijnigde ik mijn hersens; bovendien ik wilde zoo graag meer weten van dien geheimzinnigen zwarten klomp, maar hoe?
Het was weer Amin, die een helder oogenblik had, en nu bracht hij de beslissing: „Mijn vriend Kono, die oude Javaansche chauffeur, heeft me eens gezegd: als je ooit het ongeluk hebt ’s avonds een olifant op den weg te ontmoeten, steek dan dadelijk je lantarens op, daar zijn ze bang voor,” en met stak Amin de hand in zijn zak, op zoek naar lucifers. Maar tegelijk bedachten wij onnoozelen ons eindelijk, dat deze nieuwe wagen electrische lampen had... en klik! daar lag de zwarte klomp bestraald door twee felle bundels licht. Inderdaad, rustende olifanten! en zij sloten ons geheel van de bewoonde wereld af; waarschijnlijk kwamen zij uit de moerassen en zij genoten van den nog warmen weg. Maar dadelijk stond een hunner op, en anderen volgden. Oogen knipperden, ooren wapperden, slurven slingerden, maar er was geen flikkering van zwaar ivoor. Het gezelschap, ongeveer tien man sterk, waggelde zeer onrustig heen en weer. Wat zouden zij doen? de seconden leken minuten; ze konden blijkbaar maar niet tot een beslissing komen.
Eindelijk scheidde een der grootste dieren zich af en wandelde links het bosch in; ik zie nog voor me de lijn van tegenzin en ergernis in den korten nek, en ik voel nog de ontzaglijke spanning van dit oogenblik... zouden de anderen volgen, en wat zouden zij dàn doen, als zij eens in de beschermende schaduw waren??
„Gauw, Amin, zet de motor aan, wij moeten zoo snel mogelijk er langs, als ze allen van den weg zijn.”
„Ja, maar...”
„Heusch, jongen, het moet; het is onze eenige kans!”
De motor ronkte, Amin rilde, ik misschien eveneens, maar ook het sportvuur laaide op.
Het zoemen van de motor deed de dieren tot een beslissing komen. Een tweede olifant volgde den eerste in het bosch, en daarachter kwam een nog grooter dier, een moeder blijkbaar, want, achter tegen haar aangedrukt, schommelde een alleraardigst rond olifantje, een reuzespeelbal van circuspaarden op dikke zuiltjes, de baby van den troep.
Negen dieren zagen wij zoo, stuk voor stuk, in den boschrand verdwijnen, de weg was vrij!
„Vooruit Amin, bismillah, de Heer helpe ons!”
Amin zette kloek de zaak in, het ging om ons leven, en de eerste zestig meter gaven ons een spanning, welke ik nimmer vergeten zal. Nog tien meter... de weg was nog vrij... en wij stoven langs de fatale plek. Wij keken beiden snel links, ik zag, dat Amin schrikte, een reusachtig dier stond geen vijf meter van ons... vooruit!!
Dan scheurde de lucht plotseling door een schetterende fanfare als uit honderd klaroenen, de betoovering door het felle licht was voorbij, nu gingen acht slurven en één heel klein slurfje recht in de lucht en achttien ooren werden plat aangedrukt... „tèèèèèèèèèèt, alarm! de vijand!!”
Aan het stuurwiel klonk een rauwe gil... „O, Allah, daar komen ze!” en Amin trapte het gas in de motor, de lichte wagen sprong gehoorzaam vooruit, maar als een dronken man, want in Amin’s nek was iets niet pluis, met ontstellende kracht sloeg hij eenige malen met de eene hand op de opstandige nekharen, en de andere had alle zekerheid verloren... „Ja, Allah, ze zitten ons naaaaaaa!!!”
Ik keek om, maar zag niets achter ons aanhollen... toen barstte ik uit in een onbedaarlijk lachen om de malle vertooning.
Maar ik klopte Amin op den schouder, en wij wenschten elkaar geluk, dat men dien avond thuis niet vergeefs op ons zou wachten.
Zoo was de eerste kennismaking met Baby-Olifant. Ik had hem in den boschrand niet meer zien staan, maar ik zou hem twee jaar later terug zien in een avontuur, waar mijn zoon, student met verlof, en ik slechts door een wonder heelhuids af kwamen; Baby’s moeder kwam daarbij te vallen, later sneuvelde ook zijn oom door onze kogels, in een moerasbosch, waar hij ons aanviel en mij bijna de gelegenheid ontnam om ooit deze schets over Baby’s familie te schrijven. Maar een venijnige tante nam de zorg voor het weesje over. En eens lazen wij uit de sporen, dat tante en Baby, achtergeraakt bij den troep, plotseling in wilden ren een nieuwen weg door het bosch hadden gebroken; en wij begrepen aan welk gevaar het jonge baasje ontsnapt was, omdat wij midden in het versche spoor van Baby’s achterpoot een nog verscher spoor zagen van Hem, wiens naam men in de wildernis niet noemen mag.
AANTEEKENINGEN
[1] Permandjika Allah, een verbastering van het Arabisch firman Allah het goddelijk woord. De gegeven overlevering uit Manna, in de residentie Bengkoelen, is een kostelijk voorbeeld van de vermenging van mohammedaansche, uitheemsche en daardoor onbegrepene zaken, en de bekoorlijke zielsuitingen van den „heiden” met zijn terugblik naar den Hindoe-Javaanschen tijd (de klei van Modjopahit!), met zijn goden en zijn Natuur. Merkwaardig is de verheffing van die wilde dieren, voor welke de Maleiers het meeste ontzag hebben, tot „ouderen” van den mensch.
[2] Dit haar-toilet, in het bijzonder onder vrouwen, is in het gezinsleven een uiting van hartelijkheid. Men ziet in de binnenlanden dikwijls een aaneengesloten rijtje van vrouwen en meisjes in de voorgalerij van een huis, op de bermen van den weg of in hoeken van marktpleintjes, gezellig bezig om elkaar dezen dienst te bewijzen.
[3] Bamban (emban) is een Maranta: Donax grandis. De steel is als hard bies. Naar het ovale blad noemt men een speer-lemmet van dien vorm; deze gelijkenis zal dit gedeelte van de meest vermaarde overlevering in Zuid-Sumatra hebben doen ontstaan.
[4] Deze overlevering van Bittertong moeten wij als volgt begrijpen. In de Pasemah-hoogvlakte, waar het verhaal speelt, zijn tal van hoogst merkwaardige beelden gevonden van menschen- en dierenfiguren (door mij beschreven in Bijlage D. van het Oudheidkundig Verslag, Batavia, 1ste kwartaal 1922, met 43 foto’s) waarschijnlijk vervaardigd in de eerste eeuwen onzer jaartelling, maar waaromtrent nog geen zekerheid bestaat. Nadat de volksstam, wiens grootheid die beelden waren, waarschijnlijk Negrito’s, door onbekende oorzaken verdween en de geheele streek volkomen verlaten was, maakte het zware bosch er zich weder meester van. Eerst eeuwen later kwamen nieuwe bewoners, zij waanden zich de eerste ontginners van het land, en toen zij onder en tusschen de wortels van de reuzen van het woud „versteende menschen en dieren” vonden, moest wel worden gedacht aan bovenaardsche invloeden. En zoo werd de legende van Bittertong geboren, den zwerver, die op zijn tochten overal menschen en dieren tot steen vervloekte; die van bloeiende nederzettingen een rotspartij maakte, enkel en alleen omdat men om hem lachte of het hem niet naar den zin maakte. Voor zijn rekening komt ook, in de beneden-landen van Palembang, het verdwijnen van Çiwaitische en Boeddhistische vestigingen aan de rivieren en de meren, waarvan men slechts nog de roode baksteenen vindt der tjandi’s en urnen, kralen en scherven. Hij „terroriseerde” geheel Zuid-Sumatra, van den Vlakken Hoek aan de zuidpunt tot in Djambi’s bovenlanden, van Aboeng in Tanah Lampoeng tot Moeko-Moeko aan de wilde westkust.
Met andere woorden: overal, waar bij de plaatselijke bevolking de legende van Pahit Lidah (Bittertong) levendig is, daar kan men er vrij zeker van zijn, dat er overblijfselen van oudheden te vinden zijn of geweest zijn.
Bittertong was dus niet één man, men moet hier denken aan een volksstam (Hindoe-Javanen of Hindoe-Maleiers), die over Zuid-Sumatra uitzwermde na het tijdvak, waarin de knappe beeldhouwers van Pasemah leefden, of aan het eind van die periode.
[5] gepofte padi.
[6] in dunne bamboe-kokers gestoomde kleefrijst.
[7] Setoewo, de tijger.
[8] In 1906 leerde ik een datoek (volkshoofd) kennen, die niet ver van Fort de Kock woonde, en die als doekoen vermaard was, vooral omdat hij zijn kunde als medicijnman ontleenen zou aan de kennis der Orang Boenian; hij verklaarde met een Boenianvrouw getrouwd te zijn. Ik won het vertrouwen van dezen man, en hij verhaalde mij, wat ik in deze schets bekend maak. Na lang aandringen kreeg ik van hem gedaan, dat hij mij naar het witte huis der Verborgenen zou brengen. Ik stelde slechts één voorwaarde: dat ik mijn revolver niet thuis zou laten; de braafheid van die „onzichtbaren” kon wel eens tegenvallen. Daartegenover stond, dat ik hem duizend gulden beloofde bij welslagen; een ontmoeting met spookmenschen zou daarmee niet duur betaald zijn! Hij vroeg eenigen tijd om ons bezoek voor te bereiden, en tot mijn stijgende verbazing trok hij zich niet terug... tot aan den vooravond van den grooten dag. Toen kwam hij mij waarschuwen, dat ik misschien deerlijk verwond zou worden door de doornige bamboe, dat mijn kleeren zouden scheuren, dat ik ziek zou worden; en toen niets hielp, verklaarde hij, dat zijn verhaal een verzinsel was. Ik heb dus de Verborgenen niet mogen zien! Maar ik weet, dat in het binnenste van enkele vooraanstaande Minangkabauers, die van de zaak afwisten, de overtuiging voortleeft, dat de datoek mij niet de waarheid heeft gezegd door te verklaren, dat hij maar wat verzonnen had: hij had immers aan de mooie Boengo moeten beloven, dat hij nimmer andere menschen mee zou brengen naar den Grooten Steen... „Wat is de Waarheid?!”
[9] Copsichus musicus, de Indische lijster; op Java: koetjitja, kadjer; om zijn kleurteekening noemt men hem wel eens: ekstertje; hij is de eenige mooi-fluitende tuinzanger op Java en Sumatra en leeft om en bij de huizen, ook in de grootste steden. Slechts de nachtegaal-lijster, die hier en daar aan den woudrand voorkomt en die als een nachtegaal slaat, overtreft hem in zijn zang. De Minangkabauers noemen de morgenschemering „moerai bakitjau”: als de moerai zingt.
[10] wettig, geoorloofd.
[11] rijstpelmolen, door waterkracht gedreven.
[12] Maleische titel van den Controleur in West-Sumatra.
[13] In naam van God, zoo waarlijk helpe mij God.
[14] „Nat!”
[15] „zingende” boomkrekels. Stridulantia, Cicadidae. De mannelijke leden dezer rechtvleugelige insecten, een familie der Cicaden (onderorde der Snavelinsecten) dragen in zich een muziek-orgaan, dat bij enkele der grootste soorten zoo krachtig werkt, dat het scherpe, snerpende geluid het menschelijk oor een oogenblik geheel verdooft, indien men den „zanger” tot op korten afstand nadert. Onder de twee groote, lederachtige schubben, welke de verlengstukken zijn van het achterborststuk, ligt een driehoekige holte, welke als bodem een dun overlangs geplooid vlies heeft; dit „trommelvlies” is bevestigd in een hoornachtig raam; een krachtige spier werkt door middel van een pees op den naar den rug gekeerden rand van het raam; door haar samentrekkingen geraakt het vlies in trillende beweging. Het resultaat is ongelooflijk voor een insect van enkele centimeters grootte; maar niet minder verbazingwekkend is het uithoudingsvermogen van deze dieren, die uren en uren achtereen, slechts met zeer korte pauzes, hun eentonige solo’s rondsnerpen. Soms houden enkelen van verschillende soort een oorverdoovend concert in het stille bosch, maar de een trekt zich niets van den ander aan en zij laten zich volstrekt niet door elkaar van de wijs brengen. Enkele soorten komen tot in de steden, vliegen ’s avonds dikwijls als projectielen tegen de lampen aan en verspreiden schrik in damesgezelschappen. Men ziet ze wel tegen lantarenpalen gekleefd, waar het aanlokkend licht hen bracht, en zij schetteren er hun hoogste lied alsof ze „thuis” waren, de groote oogen puilend uit het gezwollen voorhoofd.
Bij de oude Grieken gold een cicade, zittend op een harp, als het zinnebeeld der muziek, omdat een cicade zich neerzette op de plaats waar een snaar van Eunomus’ harp gesprongen was, toen deze met Ariston kampte om den eereprijs, en zoodoende Eunomus de overwinning bezorgde. Maar beter dan met het trillen van een harpsnaar kan men het geluid van de cicade vergelijken met een nasaal snerpend kindertrompetje. Mooi is het dus niet, maar men zou het in de mystiek van het Indische bosch niet gaarne missen. En mij deed het altijd denken aan de stille, Hollandsche heide, als, in de hittetrilling van een warmen zomerdag, de gele gors in de enkele noten van zijn bescheiden deuntje het liedje van verlatenheid zingt.
[16] een cultuuronderneming.
[17] Varanen worden in de wandeling „leguanen” genoemd; daarom is in de schets over den „krankzinnigen controleur” het woord leguaan gebruikt, ofschoon het uiteraard juister is van „varaan” te spreken (Varanus salvator). Dit dier kan een lengte bereiken van ongeveer twee meter. Het vleesch is voor vele volksstammen in Azië een lekkernij; het is inderdaad fijn van smaak, maar zóó vet, dat het niet raadzaam is om een Westerling, die er een proef van neemt, te herinneren aan het voedsel, dat de varaan gaarne tot zich neemt!
[18] Dr. Doyer en diens echtgenoote.
[19] Europeaan, eerst kort in de tropen.
[20] Toen de Heer W. Groeneveldt en ik deze eerste les van een solitair kregen, was ik assistent-resident te Fort van der Capellen, hij was als jong bestuursambtenaar aan mij toegevoegd. Op onze dienstreizen in de diepe binnenlanden, waarbij wij dikwijls dagen achtereen door de rimba liepen om ook de bevolking in verre uithoeken te bezoeken, deed zich dikwijls de gelegenheid voor om op groot wild te jagen, dat gevaar en last opleverde voor die inheemsche bevolking. Jachtpartijen in de binnenlanden geven veel meer en in veel ruimer mate kans om de mannelijke bevolking te leeren kennen, dan mogelijk is bij de gewone ambtelijke verhoudingen; de kennismaking heeft ongedwongen plaats en er wordt onderling vertrouwen gewekt door den band, welke zich tusschen mannen vormt bij gezamenlijk doorstaan gevaar.
[21] Bij „het militair” in Indië spreekt men van de Militaire Willemsorde als „het ridder”; zelfs het geslacht van een Javaansche keukenprinses ondergaat wijziging: „het kokki”. „Pil” is de vermakelijke titel van den officier van gezondheid bij Jan Fuselier; een goed dokter weten onze brave Jantje’s en „Kromo’s” (Inlandsche soldaten) zéér te waardeeren.
[22] De controleur Hellfrich, later resident van Bengkoelen, en daarna gouverneur van Curaçao.
[23] Casuarina equisetifolia L., ook tjemara genoemd.