Part 3
„U weet zeker wel,” zei nu de oude man, „dat wij Maleiers, die in de wildernis wonen, allen gelooven, dat er steeds tijgers om en in onze kampoeng’s zijn, die ons geen kwaad doen als zij nog geen menscheneter zijn. Slechts enkelen, als Radoe, krijgen van vader of grootvader het geheim over, hoe zij persoonlijk aanraking met hen kunnen krijgen, en dan leeren zij allerlei knappe dingen. Anderen weer zien de dieren overdag in de kampoeng’s, tusschen de huizen, en zij geven de dieren eten. Ik zelf kan ze niet zien, maar als ik ’s nachts een tijger hoor, dan weet ik ook heel goed of het een van onze gewone tijgers is, of dat het een vreemdeling is, of een menscheneter. Wij gelooven allen, dat, wat Radoe en andere kameraden ons van tijgers vertellen, waar is. Wij zien toch ook bij het zoeken van boschprodukten, in de diepste bosschen, hoe die soort menschen bepaald beschermd worden tegen ongelukken.”
Radoe knikte zijn grootvader toe, wij zwegen allen; met een kuchje brak de oude man de stilte.
„Het is al avond geworden, meneer, u wilt misschien wel gaan slapen. En als u wilt, zal ik u een anderen keer vertellen, hoe de kleinzoon van Bittertong tijger werd.”
Daar gingen zij, den zwart-en-zilveren maannacht in, langs het strand met de eeuwige branding.
Scherp teekenden zich de elegante cocoskronen tegen den hemel af, en de harde bladnerven streken prevelend langs elkaar in den nachtwind.
Van het strand klonk nog even het kuchje van den ouden man. In de kampoeng sloot knarsend de laatste deur, zacht kreunde een ontwakend kind in het donkere huis.
Na dit uur is alles des menschen stil. Maar de cocosbladeren prevelen in den nachtwind, en de witte woelige strook in de donkere zee bromt, gromt, de eeuwen door.
3. DE PAWANG RIMBA EN ZIJN BESCHERMER
De officier, commandant van onze kleine patrouille, had mij al eenige malen gevraagd, of ik onze gidsen wel vertrouwde. Het kwam hem voor, dat wij zoo langzaam den berg afdaalden en het wel heel lang duurde, voor wij zicht kregen op de vlakte, ons doel. Daar ergens was een bivak, waar de hoofdtroep ons wachtte en waar men zich stellig al ongerust maakte; het achtervolgen van een bende kwaadwilligen, die ons in een hinderlaag hadden gelokt, had ons meer tijd genomen dan aanvankelijk verwacht werd. Wij wilden er alles op zetten om vóór den nacht weer bij onze kameraden te zijn. Ik kon den luitenant niets anders zeggen dan dat ik gemerkt had, dat de gidsen volkomen thuis waren in deze ontzaglijke oerwouden en elk wildpad kenden, maar ook, dat wij terdege op onze hoede moesten zijn.
Maar dit was waarlijk geen wonder. Toen wij hopeloos verdwaald waren geraakt in een labyrinth van uitlokkende, breede olifantspaden, in een bosch zonder opvallende herkenningsteekens en donker onder een zonloozen hemel, hadden wij het geluk gehad plotseling op een paar jonge Atjehers te stooten, die op den terugweg naar huis waren, torsend de door hen verzamelde boschprodukten. Na veel moeite en onder aanlokkelijke beloften, hadden wij hen overgehaald hun vrachten te laten liggen en ons het bosch uit te brengen, naar de vlakte. Zij wisten niet, vanwaar wij kwamen en wat ons den vorigen dag overkomen was, maar zij moesten begrijpen, dat er dingen gebeurd waren, die hun niet aangenaam konden zijn; het was een woelige tijd daar in het woeste bovenstroomgebied van de Roode Rivier. Bovendien zouden zij er twee dagen mee verliezen.
De eerste uren van onzen snellen marsch hadden zij geen woord gezegd, het kon niet anders of zij zonnen op middelen om van ons weg te komen. Om onheil te voorkomen, hadden wij hen de vlijmscherpe wapens laten afgeven, en zij waren onder bijzonder toezicht gesteld van twee onzer beste maréchaussees; die hadden het temperament en het fanatisme der Atjehers reeds verscheidene malen aan den lijve ondervonden, en zij waren wat grimmig gestemd door de dingen, die ons den vorigen dag waren overkomen.
Maar tijdens een korte rust had ik wat met de gidsen gepraat, en zij wisten nu, dat ik een bestuursambtenaar was en geen militair; en mijn kennis van hun taal was juist voldoende om hen wat op hun gemak te stellen en hen ervan te overtuigen, dat wij van onzen kant tegenover hen niets kwaads in het schild voerden. En toen wij verder gingen langs het nauwelijks zichtbare boschpaadje, allen achter elkaar en ik tusschen hen beiden in, lieten zij zich langzamerhand wat meer gaan, en ik leerde van hen veel van allerlei groot wild, waarop zij gewoon waren te jagen, op hun manier. Zoo wezen zij mij, hoe ze op verschillende rhinocerospaden doodende vallen hadden gespannen, plekken, waar zij succes hadden gehad, en zij vertelden welke goede prijzen zij hadden gemaakt voor den hoorn, die voor Chineezen nog steeds groote waarde heeft als medicijn tegen verschillende kwalen.
„Zie,” zeiden ze, „hier hebben wij verleden maand weken lang overnacht, wij hadden hier in den omtrek verscheiden vallen gespannen.”
Wij hielden even halt. Op vier gekapte paaltjes en eenige kruishouten lag een vloertje van takken, een stellage van ’n meter boven den grond, met een dakje van pocar, die gemberachtige plant, welker lange, breede bladeren zich zoo goed hiervoor leenen.
„Hadden jullie geen wanden om dit hutje?”
„Neen, zoo hoog is het hier niet, dat wij ’t koud hadden; u ziet trouwens hier nog de asch van het vuurtje, dat wij brandden, maar dat deden wij vooral om de muskieten weg te rooken.”
In de asch stond het stempel van het Sumatraansche woud, een geweldig tijgerspoor.
„Maar... kijk hier eens! Was deze toen ook hier in de buurt?” vroeg ik verrast.
Zij keken onverschillig naar het spoor van hem, dien men in de wildernis nimmer bij zijn naam noemt. Eindelijk zei de jongste:
„O, die waren altijd om ons heen, en deze hier kennen wij heel goed”
„En jullie sliepen hier? zonder omwanding en bij zoo’n klein vuurtje?!”
De oudste glimlachte, beiden zwegen.
„Maar zeg mij nu eens, waren jullie werkelijk niet bang?”
De jongste lachte nu breed en keek mij aan.
„Toean, wij waren niet bang, zij beschermen ons immers!”
„Hoe bedoel je dat?”
„Wel toean, u weet dat zoo niet, maar mijn kameraad is pawang rimba, baas in het oerwoud, begrijpt u het nu? Wat zouden wij te vreezen hebben!”...
„Wat vertellen ze toch van dat tijgerspoor?” vroeg de luitenant, die bezorgd gekeken had naar de inmiddels te voorschijn gekomen zon, die met tropische snelheid naar den horizont gleed. Hij was nog niet lang in Atjeh en had geen woord verstaan.
„Och,” zei ik verstrooid, „zij zeiden zoo maar wat; ik vertel u dat later nog wel eens.”
Ik keek nog eens goed naar de gezichten van onze kameraden-tegen-wil-en-dank; ik zag, dat zij scherp geluisterd hadden om te trachten den zin te vatten van wat die Hollanders daar tot elkaar zeiden; ik zag ook, dat zij opgelucht waren, de blik van den bestuursambtenaar bleef ernstig-verrast, de officier lachte niet.
Toen zij ons bij het vallen van den avond aan den boschrand hadden gebracht, waren zij zichtbaar blij, dat de dag voorbij was en dat de gedane belofte werd ingelost.
Mij speet het de lenige, sterke lichamen in het bosch te zien verdwijnen, waar zij zich onmiddellijk oplosten in het snel vallende duister; voor ons een zwart mysterie met wondere geluiden, voor hen een veilig tehuis.
V. BENO, DE STUWVLOED
De gouverneur van de Oostkust van Sumatra had ditmaal zijn reis naar de Kampar-rivier zoo geregeld, dat hij den benô zou kunnen zien, den stuwvloed, welke deze rivier ongeschikt maakt voor geregeld bootverkeer.
Het woord „stuwvloed” geeft beter dan „vloedgolf” aan, wat men te zeggen heeft. Er is geen beter woord om een denkbeeld te geven van het brok water, dat, op twee of drie achtereenvolgende dagen, telkens bij volle en bij nieuwe maan, door den vloed uit zee wordt opgestuwd, en dat op verschillende punten in de honderden meters breede rivier soms een hoogte heeft van drie meter en meer, waar het met een snelheid van tien tot dertig kilometer per uur de bedding wordt binnen geschoven. Dat ontzaglijke brok water heeft een aaneengesloten front, een kokenden, brullenden muur. Het is, of een nieuwe rivier, van enkele meters hoogeren waterstand, heenschiet over de bestaande, die door de eb is leeg gezogen; en niet geleidelijk, maar inééns, zonder overgang. Een geweldige bandjir, maar in averechtsche richting.
Verschillende rivieren ter wereld vertoonen een verschijnsel, dat in meer of mindere mate met den beno overeenkomt. In Nederlandsch-Indië zijn het alleen de Kampar- en de Rokan-rivier, welke beide in de Straat van Malaka uitmonden, waar de beno heerscht. Op de Rokan is hij nimmer zoo hoog en zoo gevaarlijk als op de Kampar; doch men kan zich een begrip vormen van de massa water, welke bij vloed de kilometers-breede monden inschuift, wanneer men bij laag water de hoogte ziet van den „boom”, de steiger van het Chineezen-centrum Bagan Si Api-Api, de tweede visschersplaats ter wereld, aan den Rokan-mond.
Er zijn maar enkele Europeanen, die hier dit overweldigend natuurwonder gezien hebben, omdat deze afgelegen streken zeer weinig worden bezocht. Beide rivieren stroomen in haar benedenloop door de lage landen van Sumatra’s oostkust, welke hier niet de belangstelling hebben van het kapitaal; de bodem is niet vruchtbaar genoeg voor den grooten landbouw, en hier en daar strekken zich moerassen uit, ontstaan door overstroomingen of wanneer de machtige rivieren haar bedding verlegden.
Er zijn dan ook slechts sporadisch kleine nederzettingen der inheemsche bevolking. De Hindoe’s hebben, misschien tien eeuwen geleden, op enkele hoogere plekken aan de oevers hun rustpunten gebouwd, waarvan nog resten van gebakken steenen zijn overgebleven, maar talrijk zal de bevolking er wel nooit geweest zijn.
Voor de beide Sumatra-rivieren zal het ontstaan van den beno samen hangen met de vernauwing van de Straat van Malaka, veroorzaakt door de eilandenreeks ten oosten van midden- en zuid-Sumatra. Of, om het geologisch zuiver te zeggen: die eilanden zijn het overblijfsel van den band, welke Sumatra aan Malaka, aan het vasteland van Azië, heeft verbonden. Toen na den ijstijd het smeltwater aan de polen en in de gletschergebieden vrij kwam, grepen groote veranderingen plaats in den Indonesischen archipel. Eerst namen de Philippijnen afscheid van Borneo, en Bali van Java; daarna werd de band verbroken tusschen Java en Sumatra, en eindelijk maakten Borneo en Sumatra zich van elkaar los. Nu waren alleen Sumatra en Malaka nog aan elkaar verbonden, en ook het lage deel van deze verbinding dompelde ten slotte onder. Zoo ontstond de sleuf tusschen het vasteland van Azië en Sumatra, de wereldstraat van Malaka. Hoe lang het geleden is, dat deze laatste scheiding tot stand kwam, zal wel onbekend blijven. De geoloog zal het niet kunnen aanvaarden, doch op grond van gegevens in 163 A.D. door Ptolemaeus vastgelegd, beschouwd in verband met ethnologische aanwijzingen, is er plaats voor de veronderstelling, dat in het begin van onze jaartelling nog een smalle, lage landengte bestond tusschen Malaka en een gedeelte van Sumatra ten zuiden van de Rokan-monding.
Hoe het ook zij, er is hier een drempel in de Straat, het hoogere deel der oude verbinding, welke van invloed moet zijn op de wijze, waarop het bij vloed opkomende water juist de twee breede monden van Kampar en Rokan binnen schuift.
Aan deskundigen de beoordeling, ook omtrent de juiste oorzaak van de werking van den beno op de rivieren. Er zijn verschillende theorieën over, maar een wonder blijft het voor een ieder, wien het gegeven is het oogenblik te doorleven, waarop het kokende waterfront bulderend voorbij schuift, verder, steeds verder de breede rivier op.
Men had voor den bestuurder dezer gewesten een plek aan den linkeroever uitgezocht, vanwaar hij het schouwspel in de grootste kracht en van nabij zou kunnen zien. Benedenstrooms lag een zacht krommende rivierbocht met iets hoogeren rand, welke bij elken beno werd afgebrokkeld; was deze bocht gepasseerd, dan ging de stuwvloed met groote snelheid een recht rivierstuk op, en hier vertoonde de beno zich op zijn best.
Het was midden December, de moesson-regens hadden de rivier rijk gemaakt, en het was springvloed, twee factoren welke een hoogen stuwvloed deden verwachten. In dezen tijd van het jaar ging vrijwel geen dag voorbij zonder regen, daarom hadden rappe handen aan den oever een eenvoudig hutje gemaakt, een afdak van bladeren boven enkele banken van twijgen en takken, waarop de gouverneur, de plaatselijk besturend ambtenaar en eenige hoofden der bevolking zich in afwachting van de komende dingen hadden neergezet. Ook de oude Kampar-loods was met hen. Hij had den vorigen avond het Gouvernements-vaartuig „Diana”, waarmee de gouverneur de reizen in deze streken maakte, veilig ten anker gebracht achter het eiland Ketam, waar de beno nimmer gevaarlijk is; en in den vroegen morgen was het gezelschap in een lichte prauw stroomop geroeid.
Het was tien uur. De rivier, welke op deze plek meer dan drie honderd meter breed is, stroomde rustig langs den tien voet hoogen, steilen oeverrand. Het was nog eb, eerst over een uur werd de beno verwacht. Loodkleurig onder den zwaar betrokken hemel strekte het stille watervlak zich uit, dat men, van dit punt uit, kilometers ver naar boven- en naar benedenstrooms kan overzien.
„Is dit nu de plek, waar de beno voor de vaart het gevaarlijkst is?” vroeg de gouverneur.
„Neen, meneer,” antwoordde de loods, „het gevaarlijkste punt is bij Tandjoeng Poelai. De beno loopt den Kamparmond in van drie kanten, tusschen de zandbanken door, en vormt zich bij Ketam; daar is hij al merkbaar, maar niet gevaarlijk. Dan begint hij te zwellen en wordt al sterker en sneller; en op den drempel bij Poelai is hij het hoogst, wel tien voet en meer; daar spookt hij geweldig; maar ik heb u daar niet gebracht, omdat men daar niet zoo ver naar alle kanten kan zien en omdat er geen veilige plek aan den kant is als hier, waar wij nu zijn; hier komt hij ook wel eens drie meter hoog, maar heel zelden.”
„En waar is de „Madjoe” vergaan, en hoe kwam dat?”
„Dat gebeurde twaalf jaar geleden bij Tandjoeng Niboeng. Het was een kleine stoomboot, de bemanning wist niets van de kracht en de werking van den beno af en dacht het wel klaar te zullen spelen. Ze ging rechtop staan, sloeg om en liep dadelijk vol zand, alles was in één oogenblik vernield. De „Madjoe” spookt nog wel eens, maar bij Poelau Lawan, en de heele kampoeng loopt dan uit om het te zien.”
„En wat ziet men dan?”
De loods keek eens langs de rij hoofden en gaf een hunner een teeken om op de vraag te antwoorden.
Een oud, waardig man kuchte even, dat is zoo de gewoonte. Met spanning keken alle anderen naar hem. Dit was een man, die veel wist te vertellen.
„Niet iedereen kan dat zien, meneer, daar moet men de ilmoe voor hebben, er zijn maar enkelen, wien dat gegeven is; zij zien de „Madjoe” midden in de rivier. Bij Tandjoeng Semajang is ’t heel anders, dat heb ik zelf gezien.”
„Wat hebt ge daar gezien?”
De oude man kuchte nog eens. „Ja, meneer, ik zal ’t u vertellen, maar ik weet niet, of u ’t gelooft. Wij menschen aan de rivier zien die dingen, en onze voorvaderen hebben ’t ook gezien. Bij Tandjoeng Semajang, dat vroeger Si Bajang-Bajang heette, woonde heel vroeger een vrouw van den stam Singô Bônô. Wij noemen den beno hier bônô, of hij naar den stamnaam genoemd is, weten wij niet, maar men zegt, dat er toen nog geen beno was. Die vrouw had bovenaardsche macht, en dikwijls kwamen menschen in haar huisje aan den rivierkant om raad te vragen als er thuis zieken waren. Toen zij heel oud was geworden en niet goed meer loopen kon, zei ze op ’n dag tegen de menschen, die haar kwamen bezoeken, dat zij alleen wilde zijn om te bidden. Al die menschen hebben toen gezien, dat ’t huisje èn de oude vrouw plotseling verdwenen waren. Bij die plek is nu een kramat, een heilige plek waar men geloften doet. En als de beno op komt zetten, ziet men van daar, op de rivier, maar heel ver en in een mist, een schip met volle zeilen, of een prauw, die geroeid wordt met veel riemen, maar menschen ziet men nooit. Dikwijls zien wij die boot, ikzelf heb het ook gezien. En wij vinden het prettig als iemand de spookboot ziet, dat brengt geluk over de heele streek.”
Het was of de rivier te luisteren lag, zoo sloom, al langzamer, bewoog zij zich.
„Hoe lang zou dit al geleden zijn?”
„Dat weten wij niet; ’t was in den tijd, dat Toek Engok leefde. Die had ook bovenaardsche macht, hij kon elk willekeurig stuk hout gebruiken om er de rivier mee over te drijven, zelfs in den sterksten stroom. Soms bleef hij wel ’n week achter zijn klamboe. Een nieuwsgierige vrouw gluurde eens in de klamboe en zag, dat Toek Engok niet op zijn slaapplaats lag. Toen hij na eenige dagen uit de klamboe kwam, bekende de vrouw wat zij gedaan en gezien had; en nu vertelde de oude man, dat hij met een djin-vrouw getrouwd was en telkens naar haar toe ging. Hij had kinderen bij die vrouw, ook een zoon, die Radja Alam heette, maar niemand heeft ooit die vrouw en de kinderen gezien,”
Al donkerder werd de lucht. Alleen ver benedenstrooms streepte een zandbank fel wit in een zonnestraal. In een boom aan den oever had een groote, grauwgroene vliegenvanger een dooden tak uitgekozen als station voor zijn cirkelvluchtjes. Even loerde hij, dan schoot hij weg, hapte met duidelijk hoorbaar snappen van den snavel een argeloos insect beet, en keerde in een sierlijke bocht terug op precies hetzelfde plekje op zijn tak. En telkens weer cirkelde hij rond en steeds weer knapte de vangende snavel; het was al een kwartierlang het eenige geluid geweest buiten het hutje, waar de mannen stil luisterden naar de oude verhalen.
Toen het elf uur was, verdween de vliegenvanger; nu was alles stil, de natuur wachtte. Maar een kwartier later joeg een wilde windstoot door het bosch achter het hutje, en even later ratelde een hagelbui op het bladerendakje. Nog scheen de zon op de witte zandbank in de verte, en ze begon nu ook aan den overkant der rivier te schijnen, de looden hemel had zich ontlast en tusschen zware wolken grijsden lichtere vlekken. De rivier bleef donker, maar de wilde wind schoor over het water en bracht er schichtige schuimvlokken.
Twintig minuten vóór twaalf brak plotseling de zon breed door, en nu werd, misschien twee kilometer benedenstrooms, een witte streep dwars over de rivier zichtbaar.
„Dáár is-ie!” riepen de mannen, „hoort u dat bruisen, meneer?”
Nu hij zichtbaar was, hoorde men ook een zacht geruisch over het water komen. De rivier lag nu doodstil, de menschen zwegen. Snel aangroeiend kwam het bruisend geluid de rivier op en breeder werd de streep. Het was, of een raderboot zich de Kampar opwerkte. Nu brak de witte streep op de daareven verlichte zandbank, en duidelijk waren wild klotsende golven te zien, die hier en daar over de bank sprongen, alsof daar groote dieren renden, opsprongen en weer neerploften. Dan stak een sissende waterdam over naar de flauwe bocht, de hooge wal verdween voor een groot deel en doffe, dreunende schoten klonken, groote brokken van den steilen oever ploften in de kokende branding.
De zon bescheen nu de rivier helder, en duidelijk was te zien, hoe het waterfront zich opstelde voor het rechte rivierstuk, dat nu vermeesterd moest worden. In één rechte lijn kwam de schuimende, razende dam opzetten, verrassend snel nu, als een donderende artillerie-charge, maar paard aan paard, nek aan nek, één aaneengesloten front; hier en daar steigerden woeste golven, als wilde paarden. In grommend gebrul stortte de twee meter hooge, kokende vloed zich op het doodstille water, aan den oever spoten moddergolven op, enkele boomen werden van den oever meegesleurd.
De grond trilde, de huiverende mannen deden onwillekeurig eenige stappen achteruit, en vóór men het goed besefte, stoof het brullend geweld voorbij; de rivier was plotseling twee meter hooger geworden en er kookte een bruin brouwsel, waar stammen en takken en brokken drijfhout draaiden en wentelden en rechtop gingen staan en weer neer smakten, fel bewogen door geweldige kolken, die elkaar bevochten. In één moment was alles voorbij, ziedend, brullend, en de mannen juichten en brulden mee, met koude ruggegraat...
„Hebt u de paarden goed gezien, meneer?” vroeg het oude volkshoofd opgewonden.
„Bedoelt ge die springende koppen?”
„Ja, die noemen wij de paarden. Men zegt, dat er vroeger zeven wilde paarden waren, die den beno de rivier op trokken. Een opperhoofd van den stam Singo Bono, een groot „gagah” man, heeft er één uit geschoten, en toen is de beno vier malen weg gebleven. Hij is zwaar ziek geworden en heeft nimmer meer kunnen loopen; het is niet goed, zulke dingen te doen, wij menschen moeten voorzichtig zijn”...
Dien namiddag vertrok de gouverneur per „Diana” naar Médan, en in den laten avond zat hij in een makkelijken rotan-stoel op het bovendekje van het schip, en dacht terug aan het wonderlijk gebeuren van dien dag.
De volle maan spiegelde zich in het rimpelloos water van een der zeestraten in de groep der Bengkalis-eilanden, waar de „Diana” zacht door heen gleed. In den inktzwarten rand van het vloedbosch, tusschen den maannacht en het water, tjirpten de krekels. In enkele struiken aan den kant dansten duizende vuurvliegjes en zij maakten van de struiken rijk bekaarste kerstboompjes, maar de vlammetjes waren zwak fosforiseerende lichtjes, één seconde schenen zij en doofden dan alle even lang weer uit, als op commando, onwezenlijk, spookachtig in den zachten nevel van fosforglans.
Was het mogelijk, dat die spokendans van insecten gehoorzaamde aan een regelende macht? Vaste wetten heerschten ook hier, ongetwijfeld, even goed als ginds op die nu weer zoo stille, daareven kokende, ziedende rivier.
Een zachte kuch klonk op de trap naar het dekje. De oude loods van de Kampar had verlof gekregen mee te gaan naar Médan, daar woonde een getrouwde dochter, hij had zijn jongste kleinkind nog niet gezien. Zwijgend zette hij zich neer, met den rug tegen de railing. Voelde hij, waarom die eenzame man nog niet tot slapen kon komen in den wonderen maannacht? en dat die man—mensch als hij—behoefte had om nog eens met hem te spreken over het saam doorleefde?
„Ik ben blij, dat gij ook nog niet slaapt, loods; gij hebt den beno al zoo dikwijls gezien, maar ik had iets dergelijks nog niet meegemaakt. En nog telkens denk ik aan de verhalen, welke gijlieden mij verteld hebt.”
„Ja, meneer, ik heb gezien, hoc u naar ons luisterde; dat doet ons goed, wij zijn gehecht aan die overleveringen. Maar niemand heeft u durven vertellen, wat volgens onze voorvaderen de eigenlijke oorsprong moet zijn van den beno. Het is een vreemd verhaal, en onze godsdienst verbiedt ons aan zulke dingen te gelooven. Maar al waren onze voorvaderen nog niet „orang islam”, zij wisten veel. En al schamen velen zich er openlijk aan te gelooven, in ons hart... Ik zal u het verhaal vertellen.
„In oude, oude tijden leefde in het midden-stroomgebied van de Kampar een groot opperhoofd, die een beeldschoone dochter had Men zegt, dat zij wonderlijk geschapen was, haar boezem was half vrouwelijk, half als van ’n man. Maar ze was zóó mooi, dat alle mannen gek op haar waren. Zij trok zich daar niets van aan, ze wilde niets van haar aanbidders weten, en dit gaf het opperhoofd veel zorg. Hij was verbaasd te zien, dat het meisje blijkbaar maar één vriend op de wereld had, haar hond. Maar de vader wist niet, dat die hond de man van zijn dochter was; hij wist dit eerst, toen zij hem kwam bekennen, dat zij spoedig moeder zou zijn... en toen zeven kinderen werden geboren, bleken ze allen hondjes te zijn. Doodbeschaamd gooide het opperhoofd alle hondjes in de rivier, om elk spoor van deze vreeselijke schande te doen verdwijnen.