Chapter 6 of 12 · 3946 words · ~20 min read

Part 6

„Kijk eens, meneer, hoe deze groote boom gewurgd is; wij zeggen van iemand, die geleend geld niet terugbetaalt en daardoor zijn weldoener ongelukkig maakt: hij leent als de ficus.” Zoo wees Karim den toean van Tambang de reuzen van het woud; maar de fijne aroma’s van orchideeën en van boom-bloesems, waarmee de grond hier en daar bedekt was, ontgingen hem; ook trof het hem, den man van alle-dag-in-het-bosch, niet, hoe zoo nu en dan een vogeltrek de plechtige stilte verbrak, het fluiten en tjilpen van vogels van allerlei soorten en grootte, die zelf hun verbazing uitschetterden van zich vereenigd te zien, met een doel dat voor den mensch verborgen is.

Een enkele maal vloog een neushoornvogel hoog over de dichte boomtoppen; men zag hem niet met zijn langgerekten hals en den rooden snavelkroon, maar het sjoep-sjoep van den vleugelslag domineerde het bosch geheel; zelfs een oewir-oewir, de eeuwig snerpende cicade, die alleen maar zijn liedje zeurig eindigt om, tastend naar den goeden toon, weer te beginnen, zelfs hij werd geïmponeerd en wachtte, tot dat wonderlijke, rhytmische geluid uit den hooge vervaagd was.

„Wat is dàt, Karim?”

Van de overzijde van bet diepe ravijn, waarlangs het paadje voerde, kwam een nieuw geluid. Oeüw, oeüw..., klonk het galmend, eerst langzaam, dan sneller en sneller, en plotseling, heel onverwachts, klonk een zuiver menschelijke stem, die „waaa!!” riep; dan viel een geheel orkest vroolijk in, en het concert eindigde met haastige stootjes, die al zwakker werden.

„Dat zijn siamang’s meneer, kent u die dan niet?”

„Neen, ik ben altijd op Java geweest, daar heb ik dit nooit gehoord, en dit is mijn eerste dag in de rimba.”

„Zie,” zei Karim, „daar zitten ze, ze hebben ons zeker gezien.”

In de kroon van een der grootste boomen aan den overkant, zaten en hingen en zwaaiden een tiental zwarte gibbons, die groote staartlooze apen, wier embryologische ontwikkeling zoozeer gelijkt op die van den mensch.

„Maken die apen zóó’n geluid? Apen?”

„Ja meneer, alleen de kleinere apen zonder staart, de oengko’s gillen ook zoo, maar dat is een veel hooger geluid en niet zoo mooi.”

„Maar dat ééne geluid, net de stem van een mensch, doen zij dat ook?”

„Ja, dat is een ander dan die het roepen begint; dit doet een van de grootsten; zij zetten de huid onder de kin als een blaasbalg op; als wij ze jong vangen, worden ze heel tam, en zij hangen het liefst aan je lichaam; als ze groot worden, maken ze dat geluid ook en je hoort het in de heele kampong. Maar nu mogen we niet langer stilstaan meneer, anders wordt het te laat.”

„Karim, vindt ge het ook heerlijk in het oerwoud?”

„Och, meneer, ik ben mijn heele leven in het bosch geweest.”

„Ja maar, heb je dan niet het gevoel, dat het eigenlijk nergens zoo heerlijk, zoo mooi is als hier?”

Karim glimlachte en keek wat verbaasd.

„Toean, ’t is altijd zóó geweest, ik weet niet anders of de rimba is de rimba. Maar ik zou dood gaan, als ik in een stad moest wonen, daar moet je al je eten koopen.”

Nu glimlachte de witmensch, maar hij voelde, dat Karim hem moeielijk kon vatten; voor hem, den nieuweling, was deze dag een openbaring, hij was volkomen gepakt door de geweldige bekoring van het oerwoud.

Maar zij moesten voort, hij haalde diep adem, vooruit! Ginds wachtten nieuwe emotie’s. Na eenige uren zagen zij licht tusschen de boomen, zij trokken nu door jonger bosch, een vlak terrein, waar enkele jaren geleden de ladang’s waren van een kleine nederzetting aan den bovenloop der rivier.

„Nu voorzichtig,” zei Karim, „wij zijn niet ver meer van de plek waar ik hem verlaten heb, hij kan onmogelijk ver zijn.”

Karim had niet gerekend op de taaiheid van zijn olifant. Wel vonden zij de plek, waar hij het arme dier met zijn derden kogel gepijnigd had, ook resten van bast en takken, en mestballen, maar geen olifant. Het terrein was wederom een plaats van geregeld festijn van olifanten, overal waren open plekken, en hier en daar lagen modderige plassen, het had hier in de bergen blijkbaar dagenlang geregend. Karim was teleurgesteld.

„Meneer, blijft u met Amat hier, ik zal zijn spoor wel vinden.”

„Laten we dan eerst wat eten, Karim, wij hebben nog rijst van vanmorgen.”

„Dank u meneer, ik moet hem wel gauw vinden, eet u maar samen,” en onhoorbaar sloop de brave weg, met het onafscheidelijk kapmes als eenig wapen.

Amat en zijn baas onderzochten den etensdrager en vonden er genoeg naar hun gading; een halfvergane boomstam, droevig restant van het oorspronkelijke bosch, diende als bank en tafel.

Zij spraken zacht, het was best mogelijk, dat de solitair in de buurt was.

Het jonge bosch leek in geen enkel opzicht op het oerwoud, dat achter hen lag. Hier was het saai; waar de bodem niet door de olifanten was beloopen, was alles zwaar begroeid met kreupelhout en allerlei opslag. Ook wilde bananen waren opgeschoten in het felle zonlicht, en groote struiken van djilatang, den boombrandetel; voor den mensch is de aanraking van de bloote huid met zijn bladeren funest, maar insecten vreten er rustig ronde gaatjes in; bij voorliefde zou men zeggen, er zijn weinig andere bladeren in de wildernis, die zoo algemeen de belangstelling van de insecten hebben. En overal waren poear’s opgeschoten, die gemberachtigen met hun merkwaardige bloemen, van enkele soorten op lange stelen, van andere plat op den grond, roode en rood-en-gele sterren; en de lange bladstelen met de donkere, glanzende bladeren, die zich zoo goed leenen voor dakbedekking van bivakjes voor enkele dagen, schoten steil op, tien meter hoog soms.

Eén enkele calanthe was een sieraad in den groenen chaos; zij hadden deze aardorchidee ook in het bosch gezien, maar die soort heeft onaanzienlijke bloemen, die eigenlijk niet ontluiken; deze hier droeg een prachtigen tros van witte bloemen aan een langen stengel, opschietend tusschen haar matgroene, breede bladeren.

„Die zullen we meenemen, meneer, ik was vroeger djongos bij een mevrouw in Batavia, die had een heele rij van deze bloemen in de voorgalerij, en ik splitste de wortels en we kregen steeds meer bloemen, en mevrouw maakte er prachtige bouquetten van.”

Amat stond op en liep naar de calanthe, maar een knappend geluid van dor hout deed hem bevroren stilstaan.

Het was Karim maar. „En?”...

Karim was zichtbaar opgewonden. „Gaat u gauw mee, meneer,” fluisterde hij, „hij kon nog vrij goed loopen maar niet klimmen, en daarom kon hij den bergrug niet op, die tot aan de rivier om dit vlakke terrein loopt; hierheen!”

„Heb je hem gezien?”

Karim knikte slechts, hij was zóó zichtbaar onder den indruk, dat den blanken jager een lichte huiver langs den ruggegraat liep. Hoe verder zij kwamen, hoe meer bleek het geheele terrein door den opgesloten solitair te zijn „afgegraasd”, overal geknakte jonge boomen en slierten van bast, die hij verspillend had laten liggen. Vooral semantoeng-boomen (ficus alba), waar ook de tapirs zoo verzot op zijn, had de olifant uitverkoren; rondom ravage.

„Heeft die olifant dat alles alléén gedaan?”

Weer knikte Karim en beduidde den meneer van Tambang niet meer te spreken en voorzichtig te loopen. Zij slopen voort.

De stekende namiddagzon brandde fel in dit lage bosch; de nieuweling vond het er benauwd warm, maar inwendig was ook een vuurtje gaan branden, de spanning en de huiver van de jacht op het allergrootste wild, waaraan bijna niemand ontkomt.

Plotseling kwam het sein.

In de benauwende stilte kraakte hout en een boom plofte neer, een paar honderd meter vóór hen. Karim stond plotseling stil en greep zijn toean bij den arm. Hij glimlachte zuurtjes; zelfs voor hem, oude jagersman, was dit bekende geluid nog ontstellend. Men rekent er op, men wacht, wacht, en hoopt, en als het plotseling komt, als Hij zich aankondigt in zijn ontzettende kracht, dan staat het bloed even stil.

S. nam de geladen buks van den schouder. Ook hij was overweldigd door den schok, maar nu laaide het sportvuur op, en Karim moest hem tegenhouden toen hij vooruit schoot.

Langzaam, voorzichtig gingen zij verder, Amat mocht achter blijven, op zóóiets was de brave man niet ingeschoten.

De solitair waande zich alleen en veilig. De arme drommel leed, maar het eten ging hem nog goed af. Hij stond aan den voet van den bergwand, den rand van het oerwoud tevens; van een der groote boomen hing een liaan neer, een rotan, hij trok die met zijn slurf verder naar beneden en smulde van de jonge uitspruitsels, alsof er geen rotandorens bestonden; dit smaakte hem nog beter dan de bast van den pas gevelden jongen boom.

Zoo zagen de twee mannen hem met zijn reusachtige tanden, geen dertig meter van hen verwijderd.

Maar zij waren beiden lang niet uitgeleerd in den kamp tegen den grootste aller viervoeters; hij kreeg hun lucht en draaide zich plotseling naar hen toe. Karim schoot weg ergens in de ruigte, maar zijn toean zag zijn kans en legde rustig aan op den geweldigen kop, toen de stier, hinkend in een sukkeldrafje, op hen afkwam; zonder schetterende geluiden, maar doelbewust; de solitair kwam zich wreken.

Toen hij tot tien meter genaderd was, knetterde de Mauser een scherpen zweepslag door het bosch; het grauwzwarte reuze-lichaam stortte in de knieën, midden in een plas modder. De blijde jager deed wat zoovele nieuwelingen vóór hem hebben gedaan en wat nog zoovelen zal berouwen: hij vloog in felle jachtkoorts op zijn buit toe.

Hij heeft nimmer kunnen zeggen, hoe het eigenlijk gebeurde, hij zag een gevaarte bliksemsnel voor zich oprijzen en voelde in den nek iets zachts, dat groot en kil was. Eerst later begreep hij, dat het de omhelzing was van een slurf en herinnerde hij zich een verschrikkelijken gil gehoord te hebben, die niet van den solitair kwam,... dàn een hevige slag...

Toen S. weer wist nog te leven, voelde hij, dat hij op den rug lag in kleffe, diepe modder, en dat een verschrikkelijk gewicht op zijn rechterdij drukte; en toen hij de oogen opende, keek hij recht in een paar valsche oogen, een lange tand raakte bijna zijn gezicht. Hij zag nu ook, dat de olifant den rechter voorpoot op zijn dij had gezet. Nu trok het dier zijn poot slepend heen en weer, steeds over de half verpletterde dij. Wat wilde het dier toch? als het die bemodderde poot maar niet op zijn gezicht zette! Inderdaad, dat scheen het doel; langzaam-aan schuivend, over de borst, naderde de dreigende kolom het gezicht van het slachtoffer, en nu drukte hij het geheele hoofd in de modder...

In zulke oogenblikken wordt een mensch soms plotseling vreemd helder, zijn zenuwen brengen hem in een opwinding, die hem los maakt van het stoffelijke.

Het slachtoffer had plotseling lust om te lachen, immers: wat zou er nu gebeuren? hij dacht aan een kokosnoot onder een stoomhamer, zou het ding nu uit elkaar spatten? „krak”! of „pang”?!

Maar de modder werkte veerend; hij meende wel een licht kraken te voelen, maar dadelijk daarop was het vreeselijke gewicht weer op zijn borst, en toen hij de modderoogen weer open kon krijgen, zag hij, dat de olifant nog in dezelfde positie stond. De poot schoof nu over zijn borst; het dier stond er niet met zijn volle gewicht op, hij zwengelde er maar voortdurend als besluiteloos mee heen en weer. Maar het werd verschrikkelijk, de jager meende zeker te weten, dat zijn dij al lang gebroken was, dat nu al zijn ribben afknapten. Maakte het dier er maar een eind aan! Maar nu verplaatste de folterende poot zich naar de maagstreek van het slachtoffer, en walste hem plat, zoodat de inwendige mensch naar alle richtingen uitgeperst werd...

Vreemd, hij werd zijn bestaan wéér bewust, en wist dat hij dus nògal niet dood was.

Maar nu voelde hij, dat aan zijn voeten getrokken werd... een nieuwe foltering, hij kon het niet meer dragen en sloot zijn oogen.

Maar het trekken duurde voort, zacht, behoedzaam; welke duivelsche grappen haalde het dier nu met hem uit?

„Toean! Toean!” fluisterde een angstige stem.

„Karim?” hoorde hij een heesche stem vragen.

„Ja Allah, toean! leeft u nog?”

„Maar waar is de olifant?”

„Naast u, meneer, dood!”

Hij kwam pas weer tot bewustzijn in het ziekenhuis op zijn eigen onderneming; en naast zijn bed, tegen den wand, stonden twee reusachtige olifantstanden.

Eerst weken later mochten Karim en Amat hem vertellen, hoe zij hem voorzichtig op een snel gemaakte draagbaar hadden vervoerd; twee nachten en twee dagen hadden zij met den bewusteloozen man in het bosch doorgebracht, en zij hadden ’s nachts een afdakje van bladeren boven hem gemaakt en groote vuren gebrand van doode takken, om de tijgers uit de buurt te houden.

Eén van de tanden zag ik later bij den meneer van Tambang, toen een knappe dokter alle beenderen en botjes zóó goed geordend had, dat hij weer staan en gaan kon; de andere hing aan den wand in Karim’s woning.

„Wat die olifant bezield heeft? Ik weet het nog niet; Karim zegt, dat het dier op dien eenen poot, den gewonde, niet staan kon; maar mijn dokter denkt, dat ik dàt randgedeelte van de hersens geraakt heb, dat zijn pooten, of dien eenen gewonden poot, beheerschte, en dat de dood eerst na enkele minuten intrad; ik heb daar geen verstand van en de heele affaire lijkt mij wel een half uur geduurd te hebben, maar het zal wel zoo zijn; en juist op het moment, dat het dier mij begon te walsen, moet hij omgevallen zijn.”

„Ge hebt wel een harde eerste les gehad!”

„Dat heb ik. Maar wat ik óók heb ondervonden, is de trouw van mijn kameraden, de trouw van een man voor een man, het hoogste goed; en dat is mij alle ellende wel waard.”

VIII. DE LICHTTOREN AAN DEN VLAKKEN HOEK

Zestig meter oprijzend uit het vlakke, eenzame land, staat daar de slanke witte toren, wiens fonkelend oog den zeeman, die in den donkeren nacht uit den oceaan op Sumatra aanstuurt, uren tevoren waarschuwt, dat hij den Vlakken Hoek aan de straat van Soenda nadert.

Op de zwarte koraalbanken aan zijn voet, blakerend in de felle zonnehitte, zoeken bij laag water bedachtzaam wandelende reigers, witte en grijze, naar vischjes en garnalen. Een enkele zeearend laat zijn schaduw stil glijden over het water en langs het lichtgeel blinkend strand, tusschen het blauw der zee en het kriewelig groen van de dichte strandbosschen.

Tusschen de pool en Zuid-Sumatra houdt geen eiland de eeuwige deining van den oceaan tegen. Het kan dagen aaneen bladstil zijn aan de kust, terwijl een zware, bolle deining uit het westen of zuiden den horizont kartelt en de groote schepen om en om gooit op hun vaart langs de vermaarde „Wild Coast”.

Bij stormweer beuken er de rollers in één bulderenden donder, en in den mist van verstuivend brandingschuim wordt de strandlijn grauw en vervagen de bosschen.

De aarde dreunt van de beukende slagen, de toren rilt en knarst in zijn lendenen.

En in wilde nachten vliegen doodvermoeide vogels zich in den orkaan te pletter tegen het licht, dat hun zonnegloren en blijde warmte scheen.

Aan de landzijde is de vlakke bodem bedekt met bosch; hier en daar zijn lichtgroene pleinen van dicht alang alang-gras, waar eens bouwvelden geweest zijn.

Dicht bij den toren is een aanplant van cocos-palmen; maar de beren uit het bosch, de woestelingen met hun twintig vreeselijke kris-nagels, den aardigen kop wiegend boven het oranje-gele befje aan den hals, hebben uit de toppen der klapperboomen den zoeten palmiet gesnoept; zoo werd de groeikracht van de boomen vernield, en het is alsof een bliksemflits van top op top is overgesprongen om alle te dooden.

Bij die afstervende palmen ligt een kleine begraafplaats. Enkele graven van Europeanen, met verweerde opschriften, maken de troostelooze verlatenheid nog meer drukkend. Tot voor enkele jaren waren hier Europeesche lichtwachters, wel eens met vrouw en kinderen...

Cornelis Marianus Tarenskeen geboren 1885 verdronken 8 April 1894

Verdronken als negenjarig ventje, ergens daar bij het sissende schuim tusschen de zwarte koraalbanken, waar hij voor ziek zusje, dat in brandende koorts lag te ijlen, schelpjes zocht.

Nu wonen er slechts Inlandsche wachters. Zij voelen niet zóó het afgesneden zijn van de wereld als zij er zijn mèt hun vrouwen.

En vooral, zij hooren niet zóó: de stilte!

In het stille bosch, buiten de omheining om den toren, kan elk vallend blad leven beteekenen, en het flauwste geluid van knappend hout kan een ontstellende beteekenis hebben.... dáár leeft de stilte.

Binnen, in de omheining, zijn langs den torenvoet de fel-witte paadjes stijf uitgesneden; een eenzaam geitje beknabbelt de half verzengde grasrandjes met langzame bewegingen in de verschrikkelijke hitte-trilling van het omsloten binnenplaatsje. Halfbewustelooze katten kijken oogknippend naar het dier, dat zich in zulk een hitte zóó druk maakt in die felle zon; zij, die vet gevoed worden door de vrouwen der lichtwachters, die alleen maar wachten op de aflossing van hun mannen. Daar, in die ruimte, waar de mensch zich heeft afgesloten om veilig te zijn voor de gevaren van de wildernis, dáár is de stilte dood, verschrikkelijk.

De eerste inlandsche hoofd-lichtwachter, die den laatsten Europeaan afloste, was Si Tong, door zijne drie lichtwachters en hun vier koelies betiteld met den hem toekomenden eerenaam van „hoop” (hoofd).

Ieder van de wachters van den vuurtoren wordt om de drie maanden „aploes” (afgelost). Eens in de maand komt de witte Gouvernements-stoomer van Batavia, brengt nieuwe menschen en „rangsoen”: rijst, droge visch, zout enz., en voert afgelosten en zieken terug naar hun land, naar Java.

Van de kleine Blimbing-baai, waar het witte schip ankert, is een smalle weg aangelegd naar den toren, een kilometer lang, spatrecht door de gloeiende vlakte, akelig, desolaat strak. Eens in de maand loopen dan enkele menschen langs dien weg, totdat de baai weer leeg is, en alles weer stiller dan ooit.

De vlakke wildernis is gedeeltelijk moerasbosch, waar in de vette slib alleen de krabben snappen en de lugubre varaan [17] met mal-lange likkende tong den spiedenden kop vèr vooruit steekt; gedeeltelijk vrij laag bosch, waar het gewone kleine gedoe leeft van apen, tijgerkatten, varkens, marters en bunzingen. In die wildernis komen ook wel de grootere dieren, ook de Gestreepte, ook de zwarte panter en de nevel-panter, die waarschijnlijk in één nest lagen. Zij besluipen de herten en de reeën en de dwerghertjes met hun fijne beentjes en groote, bange oogen; — deze zijn voor de lenige katten een fijner hapje dan het dagelijksch maal aan varkensvleesch, en zij leveren voor de fulpen lichamen heel wat minder gevaar op dan de kop van den volwassen ever met de verschrikkelijke, onwrikbaar ingeplante slagtanden.

En eens in het jaar, als de tijd aangebroken is dat allerlei fijne gerechten, zekere jonge twijgen en bladeren en smakelijke jonge boombast, voor hen klaar staan aan zee, dan komen de Grooten van het woud met hun diepe, inwendige geluiden, met hun klaroengeschal. Zij komen van ver uit de binnenlanden, van hooge berghellingen. Op hun eindelooze rondreis slepen zij ook in de bosschen aan den Vlakken Hoek breede paden, die zich vereenigen en weer scheiden, een wirwar, waar alleen de achtergebleven bolvormige mestsporen den leek overtuigen, dat het geen menschenhand was, die deze wegen deed ontstaan. Gezellig oorflappend, afscheurend in lange reepen den heerlijken bast van de afgeknakte jonge boomen, schommelen de reuzen voort; tot aan het strand, tot bij den toren, dien zij niet meer vreezen; en zij nemen een bad in zee, en schuren zich, knippend de leuke oogjes, de jeukplekken van het bolle lichaam aan de glasharde, scherpe koraal.

Het meest vermaard is de Vlakke Hoek door zijn wilde karbouwen. Buffels, men weet niet van waar gekomen,—misschien van een nederzetting, lang geleden door haar bewoners plotseling verlaten, in wilde vlucht voor den ergsten duivel van Sumatra vóór de Hollanders hem bestreden: de pokken. Eerst verwilderden de dieren, toen kwamen zij langzamerhand in volslagen wilden staat. Degenen, die horens dragen, welke door den benedenwaartschen stand den tijger niet afdoend kunnen afweren in zijn aanval, zijn gedoemd door de klauwen van den Bonte te sneuvelen. Maar zij, die op den rotsvasten nek een goed verdedigden kop dragen, en die weten, dat de Oudste der dieren zich nog wel eens bedenkt voor hij zijn dunne huid, zijn zachten buik waagt aan de scherp aangepunte horens,—die blijven gespaard en vermenigvuldigen zich. En zoo zijn de kudden van eenige honderden wildemannen ontstaan, die sinds menschenheugenis aan den Vlakken Hoek voorkomen.

Dit is ook op Java bekend, en zoo nu en dan komen jagers van daar met het witte schip mede en slaan hun tenten op; zij jagen, dikwijls onder groote ontberingen, op den wilden karbouw en gaan een maand later weer naar Batavia terug.

Eens, toen Si Tong al baas was op den toren, was ook een Europeesche vrouw meegekomen, met haar man, een Hollandsch dokter [18]. Wonderlijke zielen die witte menschen, die moeite en ellende en gevaar in de wildernis komen zoeken, terwijl zij het thuis zoo goed hebben! Maar toch was de Njahi, zoo werd de chefsche op den toren genoemd, wonderlijk getroffen door den moed van haar witte zuster, die aan den Vlakken Hoek den eeretitel had verwonnen van Njonjah Brani, de Durfvrouw.

Zijzelf—zoo klein en fijn als zij was—voelde zich toch eigenlijk ook wel „brani”, en vooral, zij wilde er ook wel zoo flink uitzien als de Durfvrouw, die een pantalon droeg als haar man!

Tong had ook al eens, van een veilig plekje in een boom, een karbouw geschoten. Hij was dus niets minder dan die jagers, en toen zij een broek van hem had aangetrokken en met hem mee uittrok, voelde zij zich niet minder dapper dan de mevrouw. Alleen, zij zou zich niet zoo mal wagen als die blanke menschen; die hadden altijd haast en konden niet rustig op een veiligen boomtak wachten op komend wild.

Zoo werden Tong en zijn vrouw jagers, en het duurde niet lang, of het ging hun vervelen op het wild te wachten; ook hen beving de jachtlust, dien zij eerst niet konden begrijpen en voor domheid hielden. En Njahi kroop achter haar man aan door de hooge alang-alang als zij een hert beslopen, al klopte het hart haar in de keel uit vrees voor hem, die de stemming kleurt in de wouden en wildernissen van Sumatra, en die dikwijls juist begeert wat ons voor het geweer komt.

Zoo had dit menschenpaar het goed in de eenzaamheid, omdat zij genot vonden in de natuur, en zij leefden gelukkig en waren oppermachtig op den toren, bewonderd door de kameraden.

Wel werd de kleine bezetting in een nacht van Maart 1919 opgeschrikt door een hevige aardbeving, die den toren uit zijn voegen rukte, maar een inspecteur van Batavia constateerde, dat grondige reparatie alles spoedig weer in orde zou brengen.

Toen het verschrikkelijke gebeurde op 31 Mei, waren de werklieden alweer vertrokken, en alles ging weer zijn gewonen gang. Dien morgen, het schemerde nauwelijks, kwam Nata zijn „hoop” vertellen, dat hij versche buffelsporen had gevonden aan het strand, en dat deze naar een uitgestrekt alang alang-veld leidden. Hier kon vrouwelijke flinkheid, zelfs „met de broek aan”, niet helpen, bij dit karwei moest Tong zich van mannensteun verzekeren.

„Ajo, Saïn, wij gaan een karbouw schieten!” zei hij tot zijn fermsten lichtwachter.

„Ajo!” zei Saïn, „maar Bang (abang, oudere broer) ik heb pas ééns een geweer afgeschoten,—gejaagd heb ik nog nooit.”

Nou ja, zoo heel erg was dat toch eigenlijk niet, in elk geval was een buffel voor Saïn een bekend beest, hij zou niet, op het zien alleen, van angst beven als voor een tijger of een olifant.

Dàt vond de geheele mannelijke populatie, de vrouwen werden er buiten gehouden, zelfs de kleine, dappere njahi.

De wilde buffel ontdekte de twee mannen tegelijk toen zij hem in het lange gras beslopen.