Part 5
De zon was reeds lang achter de hooge rimba ondergegaan, nu kleurde zij de witte wolkjes rood, daarna donker-violet. In het bosch zetten honderden cicaden [15] hun snerpend avondlied in, en log, met droefgeestigen slag, dreven kalong’s voorbij, die reusachtige vleermuizen, die uitvliegen als het avond wordt om vruchten te zoeken in het bosch en in de kampoeng’s. Het lieve moerai-lijstertje zong haastig nog de laatste noten van zijn laatste lied; hij moest in den vroegen morgen weer de eerste zijn om de natuur en de menschen wakker te zingen.
Zwarter dan zwart werd nu de boschrand, vreemde onbestemde geluiden mengden zich in het lied der cicaden, de galmende stem van den geest, die de semamboe-rotan bewaakt, de diepe bas van den reuzekikker; de schrikgeluiden van vogels, die in hun eersten dommel werden verstoord, misschien door een slang of door den spookachtigen luiaard, nu vlug geworden in de boomtoppen daar het zonnelicht hem de oogen niet meer verblindde. In den donkeren hemel slechts enkele sterren, geen kalong’s meer, wel wapperende vleermuizen, die gejaagd worden door dien zwarten roofvogel, die pas uitvliegt als het donker wordt; zij flapperden in telkens van richting veranderende vlucht, onbestemd, spookachtig, met akelige kindergeluidjes.
Zwarter en stiller werd het bosch, het zware geluid van den reuzekikker overheerschte nu, eerst een hik, dan een volle galm...
Wie van de menschenkinderen aan den rand van het diepe woud hoorde het, dat mal hooge geluid ginds in de verte,... Aaaoeoe, en dadelijk daarop een zacht gedreun, als een waarschuwende vulkaan...
HIJ was het, voor niemand bang in den nacht in zijn wonderwoud; den kop laag neer, de voorpooten wijd uit elkaar... Aaaaaoeoe... de Tijger op het oorlogspad!
„Wat er ook gebeurt, welke geluiden jullie ook hooren,—denk eraan, niemand komt uit zijn hut, ieder wacht den morgen af!” had de groote jager gezegd.
Zijn ladang-huisje had een trapje met niet minder dan twaalf treden,—hoe hoog en veilig lag hij daar op den vloer te slapen, geweer en speer naast zich.
Maar door den donkeren nacht met wondere geluiden sloop de verschrikking nader, hongeriger dan ooit, nu de menschen zóó op hun hoede waren; hij moest eten, en rook hij niet, dat hier een mensch was... Welk gevaar! maar het hongervuur in zijn ingewanden dreef hem; hij klom als een kat langs een kruishout der palen naar boven tot aan de omwanding van boombast; wèl scherp drongen de nagels in het hout, zoodat de menschen later de duidelijke sporen vonden; en nu klom hij langs de omwanding, waar de klauwen vasten greep hadden, steeds hooger, tot aan de „singok”, de opening onder het dak... en vandaar stortte hij zich op den rustig slapenden man.
Een rochelend gebrul hoorden de buurlieden midden in den nacht,—zij begrepen niet, maar krompen ineen van vrees, en bleven waken en rillen. En om vier uur in den morgen hoorden zij een vreemd, laag-mauwend geluid langs den boschrand wegvagen, als van een kat, die bang is dat een kameraad haar een lekker hapje zal afnemen.
Eerst toen de zon hoog stond, wist de geheele streek, dat men slechts een stuk van een dij had terug gevonden in het ladanghuisje met het trapje van twaalf treden. En de rilling ging tot Bangkinang, tot Padang, over het twee-en-twintigste slachtoffer.
Maar nu vereenigden zich de mannen om aan dit verschrikkelijke leven een eind te maken. Het moest toch mogelijk zijn den tijger door een lokaas te vangen; als hij maar hongerig genoeg was, als de menschen dus nòg voorzichtiger en waakzamer werden. En niet een gewone val zou worden gemaakt, maar een katjòendang; twee zware klapperboomen werden geveld, aan elkaar gebonden en laag schuin opgezet, de uiteinden werden met sterke rotan’s verbonden aan andere boomen, maar beneden liep een dun touwtje en het minste rukje daaraan kon de stevige rotan’s dadelijk doen losglippen.
En toen de nacht kwam, huilde een vastgebonden hond in een gegraven gat onder het dunne touwtje; en elken volgenden nacht galmde zijn schrikkelijk huilen door de stille kampoeng, waar de menschen in uiterste waakzaamheid bijeen scholen.
Niemand heeft het in dien eenen donkeren, wilden nacht gehoord, maar de grond dreunde en de hond huilde niet meer.
En toen den volgenden morgen de moerai met zijn heerlijk lied de menschen wekte, vond men onder den katjoendang een tijger verpletterd, een reus met afgebroken slagtanden en schurftigen rug, boven de oogen een breed litteeken...
„Moeara Mahat, Moeara Mahat!” tok-tok, tok-tok,... toen vloog de juichkreet langs de draad, dat de geteekende menschen-eter eindelijk gevallen was.
VII. ONDER DEN VOORPOOT VAN EEN OLIFANT
Het had den vorigen avond sterk geweerlicht, de mannen van het dorp waren er dan ook van overtuigd, dat er ergens in de buurt olifanten moesten zijn, al was het vroeg in den tijd.
Wat daar telkens even flikkert aan den hemel, stil, zonder eenig gerommel, is immers de weerschijn van het ivoor der olifantstieren. Maar men had in de naaste omstreken nog geen sporen gevonden; wel waren er berichten uit de oeloe, den bovenloop der rivier, dat de olifanten er zich dit jaar vroeger hadden vertoond dan gewoonlijk.
In den vroegen morgen lichtte een kleine jongen een vischfuik, die aan den rivieroever was opgesteld, enkele kilometers bovenstrooms van het dorp, en parmantig stapte hij met den buit naar huis. Maar plotseling liet hij de visch vallen en rende terug naar het dorp... op bet pad bij de rivier had hij ’t rookende „visitekaartje” van een olifant zien liggen, de mestballen, ter grootte van een babyhoofd, die de tegenwoordigheid van de Grooten van het woud verraden. Dampend nog! hoe dicht dus was hij het dier, misschien een kudde gepasseerd.
Nu waarschuwde men elkaar, snel werden alle omheiningen van de bouwvelden nog eens terdege nagezien. Tegen het wilde varken, den grootsten vijand van den inlandschen landbouwer, kan men volstaan met een dichte, lage heg; en als aan den buitenkant een sloot wordt gegraven met steil afgestoken kanten, zijn de aanplantingen veilig voor den knorrenden wroeter. Maar in de olifantstreken is het zaak de omheiningen hoog en zwaar te maken. Nog dikker maakte men nu den wal van zware takken en stronken; dit waren de overblijfsels van wat enkele maanden geleden nog zwaar bosch was, gekapt na den regentijd en in den drogen moesson zooveel mogelijk opgebrand, waarna de humusrijke bodem den rijstkorrel kan ontvangen.
Een oude, tanige vrouw, die aan den uitersten rand der kampong woonde en die buiten het wereldsch gedoe was komen te staan, had van de waarschuwing niets gemerkt; zij slofte haar dagelijkschen gang naar den boschrand om wat hout te sprokkelen, dat kon de eenzame nog wel dragen. Ginds hadden haar man en zij, dadelijk na hun huwelijk, ook een ladang gehad, een rijstveld zóó vruchtbaar, dat zij er drie jaar achtereen een goeden oogst hadden gehad. En zij hadden er het laatste jaar zooveel doerianpitten geplant, dat er een zwaar doerianbosch was opgegroeid, zoodat de jongere generatie dezen grond verder had ontzien. Of de eerste vruchten al afvielen? dan moesten de kleinkinderen er snel een hutje bouwen en er de wacht houden, want iedereen is verzot op doerians, menschen en dieren, en op de markt brengen zij heel wat op.
Waarlijk, bij dien stam, tusschen de overal opgeschoten struiken, lag al een gélende, groote vrucht; gelukkig, dat ’t nog niet de olifantentijd was, de geweldige dorens, waaraan de vrucht haar naam ontleent, zijn voor deze dieren geen bezwaar.
Juist reikte de hand van het oudje naar de begeerlijke vrucht, toen uit de lucht, langs den boom, iets als een loodkleurige reuzeslang neerkwam, en toen zij opkeek, zag zij langs een olifantenslurf de ondeugende oogen valsch lachen, en zij zag nòg een dier en nòg een... zij was doodgemoedereerd midden in een kudde gewandeld.
Niet alleen waanzinnige angst, ook razernij omdat de doerian haar betwist werd, gaven het oude mensch de kracht en de bezieling tot een akeligen, loeienden gil. De olifanten schalmeiden in snerpend gedaver terug, zoodat in de kampong de spelende kinderen opschrikten en het geblaf en gekijf der gladakkers even verstomde. Maar het nare geloei was hun toch te machtig, en stil hobbelden zij weg naar rustiger oorden.
De oude Karim, de groote jagersman in deze landstreek, inspecteerde dien dag zijn arsenaal. Het buskruitmagazijn was nog goed gevuld; uit het vaatje buskruit, dat door den besturenden ambtenaar aan het distriktshoofd was verstrekt ter uitroeiing van schadelijk gedierte, was aan Karim niet minder dan twee flesschen vol toegewezen, en hij had ze voorzichtig in den grond begraven; dat kruit was best en niet duur, want het kwam uit den militairen voorraad, op aanvraag van den controleur; vroeger, toen men het achterbaks moest zien te krijgen, werden de Inlanders geducht afgezet door Chineezen of Maleische handelaars. Met z’n kogels stond het minder goed. In het zakje, bruinberookt aan den keukenwand hangend, vond Karim nog maar drie kogels, die in zijn voorlader pasten; ook nog een paar ijzeren moeren en boutjes, die hij van een werkman van den waterstaat had overgenomen toen hij „in de stad” een jongen beer had verkocht, die in een hertestrik verdwaald was. Die boutjes waren heel best om er een slapenden tijger mee in het hart te schieten, maar voor het één-centimeter pantser van een olifant deugden zij niet.
„Vader,” zei zijn zoon Oesoef, „ge moet den nieuwen meneer van Tambang [16] nog eens wat puntkogels vragen, hij hoopt altijd nog, dat u hem eens een olifant laat schieten, hij geeft ze u stellig.”
„Hai! daar zeg je wat. We zullen naar Tambang gaan en meneer waarschuwen, dat er olifanten zijn, ik heb het hem moeten beloven; ik krijg dan stellig mijn puntkogels, en misschien kan meneer nu wel mee; als hij een stier kan schieten, krijg ik een goed cadeautje.”
„Vader, je hebt nog drie kogels, laten wij zelf eerst eens gaan zien; als ge een grooten stier schiet, zonder meneer, is toch de volle waarde van de tanden voor ons alleen.”
En zoo gingen zij den volgenden morgen samen op pad. Maar de troep was wonderlijk opgeschrikt, eerst na drie dagen lang de sporen te zijn gevolgd, diep de bergen in, hoorden Karim en zijn zoon het bekende vreugdebrullen en het vallen van boomen... de ouverture van vrijwel elk jachtavontuur, waarin mensch en olifant een rol spelen. Zij beslopen den troep, niet om dadelijk te schieten; een inlandsen jager weet heel goed welke kansen zijn hachje loopt, als hij met zijn voorlader als openlijk aanvaller optreedt. Zij zochten een zwaren, beklimbaren boom uit en wachtten, spiedend op een veiligen tak. Zij troffen het, de troep trok op korten afstand onder hen door, zij telden zes koeien en een volwassen maar nog jongen stier met weinig ivoor; gezellig oorflappend en met diepe, inwendige geluiden, kuierde het gezelschap langzaam voort. Toen het bosch weer stil was, lieten de jagers zich afglijden; Karim was zeer teleurgesteld, zoo’n stier was de moeite niet waard.
„Wij zullen hun nog eens den weg afsnijden Oesoef, misschien hebben wij niet den heelen troep gezien.”
Met een grooten omweg trokken zij snel op, om de kudde vóór te komen. De dieren wandelden een uitlooper van den berg af, langs een vrij diep ravijn. Het lag voor de hand in dit ravijn neer te dalen, de overliggende helling weer te beklimmen en aan den overkant de richting te volgen evenwijdig aan die, waarin de kudde liep; zij konden daar sneller loopen, zonder de olifanten op te schrikken.
Maar het neerdalen in het ravijn moest zoo stil mogelijk geschieden, het kon zijn, dat de kudde nog in de buurt was.
Als schaduwen gleden de mannen op hun lenige, bloote voeten de helling af, elk dood takje moest vermeden worden, alleen niet-zwiepende boomen dienden bij de afdaling tot steun. De bedding van het ravijn, waar een beekje over zware rolsteenen klaterde, was op die plek met zware bamboe begroeid. Zij rustten even in de schaduw, en zij schepten zich met de hand het koele water naar den happenden mond. Beiden zwegen, het water kletterde van steen op steen en het geluid weerkaatste in het dichte blad der gebogen bamboetoppen, die den hemel afsloten.
Maar wat was dat? Een ruischen, in de bamboe tegen de straks te beklimmen helling, brak de stilte; daar bewoog zich een dier, dat blijkbaar doodstil had staan wachten om de beteekenis van de lichte geluiden aan den overkant van het ravijn te begrijpen, maar dat nu weer gerustgesteld was.
Dan ratelde een daverend, knerpend schot door de donkere stilte, een bamboe die met ontzaglijke kracht gebroken werd.
„Ja, Allah!” kreunde Oesoef zacht; hij zag, dat zijn vader verbleekte, naar zijn geweer greep en hem wenkte om zich met hem achter een groot rotsblok te verschuilen. Zoo wachtten zij. Het geruisen werd sterker, de bamboe’s spetterden, en toen zagen zij op tien meter afstand een reusachtigen olifant, met zware gele tanden, naar het water kuieren, een solitair, uit den troep gestooten door den nieuwen, jongen leider. Vluchten was onmogelijk; trouwens, Karim was den eersten schrik spoedig te boven en hij zag zijn kans.
Een ervaren Europeesch jager zou geheel beheerscht zijn door de bange vraag: sta ik wel onder den wind? maar inlandsche jagers realiseeren niet, welk een belangrijke factor dit is, en zij letten er in het schijnbaar volslagen windstille bosch niet op, omdat zij niet weten hoc fijn de reuk van een olifant is. Karim speculeerde slechts op de slechte oogen van het dier, en hij kon dit nu rustig doen, omdat de luchtstroom in het ravijn toevallig gunstig was. Toen de solitair stond te drinken, schoof Karim zich op langs het groote steenblok; hij mikte lang, op een der polsen van het dier; te beproeven met een schot uit zijn voorlader de hersens te raken, zou kruit verspillen en voor hen levensgevaarlijk zijn; de pols is kwetsbaarder, en als het nu maar gelukt een olifant zoodanig kreupel te schieten, dat hij zich moeielijk kan voortslepen, dan kan men hem nòg en nòg eens weer in den pols schieten, totdat hij een makkelijke prooi wordt.
Daverend klonk de voorlader, en stil zonk de doodelijk verschrikte reus neer; maar dadelijk stond hij weer op en vluchtte; niet snel echter, want het eene been sleepte. Stralend keken de jagers elkaar aan, maar zij spraken niet, dit wreede spel moest voorzichtig herhaald worden, het ging zoo goed.
In twee dagen tijd schoot Karim zijn drie kogels in dezelfde pols. Maar toch sleepte het dier zich nog voort, den berg af, klimmen was hem niet meer mogelijk.
En toen hij nu nòg niet liggen bleef, moest Karim wel besluiten den meneer van Tambang erbij te halen. Hij had nu aanspraken gekregen op dezen olifant met zijn prachtige tanden; hij kon hem gerust verlaten, heel ver kon hij niet meer gaan, en anderen zouden hem zoo diep in het bosch wel niet vinden.
Zij keerden naar de kampoeng terug, en twee dagen later kreeg de heer S. op Tambang bezoek van Karim, den jagersman.
„Toen Oesoef en ik in ’t bosch waren, ontmoetten wij hem. Ik dacht aan u en heb hem drie schoten in den pols gegeven, en toen ben ik u dadelijk gaan waarschuwen. Als u nu zou kunnen gaan, en ik mag mee in uw auto, dan kunnen wij rijden tot kampoeng Ramboetan, en morgen breng ik u langs een boschpad op de snelste manier naar den olifant. Hij kan bijna niet meer loopen.”
„Waar is Oesoef?”
„Hij kreeg vannacht koorts, wij kwamen laat thuis omdat ik zoo spoedig mogelijk bij u wilde zijn. Ik denk, dat de vermoeienis en de schrik van zijn eerste ontmoeting met een olifant het hem hebben gedaan. Ik heb hem thuis gelaten, maar u neemt zeker nog wel iemand mee?”
Ja, dat vond de meneer van Tambang ook. Hij wist bovendien, dat een inlandsen jager ongaarne alleen op avontuur gaat met een witmensch. Hij voelt verantwoordelijkheid, en men kan nooit weten wat er gebeuren kan.
„Wij zullen mandoer Amat meenemen, Karim, die kan dan ook ons potje koken; hij kan van alles, al is hij een oude man.”
Karim en Oesoef waren den troep dwars door het zware terrein nageloopen; voor S. koos hij nu de route via Ramboetan, veel langer indien men loopen moest, maar per auto een belangrijke bekorting.
In Ramboetan werd de nacht doorgebracht. In de vroege morgenuren viel de eerste zware regen van ’t seizoen, het voorspel van den langen regentijd. Toen de zon opging, fonkelden de regendruppels aan de bladeren, een heerlijke, frissche morgen, een goed begin. S. nam zijn zwaren Mauser-karabijn op den schouder, Amat en Karim hadden ieder een vrachtje aan kleeren, eetwaren, wat borden en kook-gerei.
Het pad langs de rivier voerde door een jong bosch, dat op gezette tijden door olifanten doorkruist werd; in de laatste week, zoo hadden de kamponglieden verteld, had zich hier geen troep meer vertoond.
Op S., die eerst kort op Sumatra was, en nog nooit achter olifanten was geweest, werkten scherp de indrukken in, welke een olifantenterrein op een nieuweling maakt. De wirwar van breede, schoone paden in de ruigte van de wildernis; de onwaarschijnlijk zware, geknakte boomen; de resten van afgescheurde reepen boombast, die wandelend worden verorberd en de richting van den eter aangeven; de ongelooflijke hoogte van schuurplekken aan schuinstaande boomen, het is alles zóó afwijkend van de gewone rust in het bosch, zóó geweldig, dat het aandoet als iets, dat in lang vervlogen tijden moet hebben plaats gehad, iets, dat men wel nimmer zelf zal meemaken. Maar dan zijn er de bewijzen van het reëele, van het onlangs gebeurde, de mestballen. En hier, in dit terrein, lagen zij in soorten, groote en kleine, van oudere en jongere formatie. Van een kort geleden bezoek getuigden de mestballen, waarin padikorrels als op een kweekbed waren opgeschoten, het was duidelijk, dat een aanval was gedaan op de rijstschuren bij de kampong. Soms worden deze geheel vernield, soms weer keurig uitgepompt door een gat, dat een olifant in een der bamboewanden stoot. Er zijn olifanten, die er een speciale sport van maken; eens vergiste zich een stier; een vrouw, die in haar keuken bezig was, zag plotseling een zwaren olifantstand door den wand dringen.
De meneer van Tambang stond verrast naar de bolvormige rijst-kweekbedden te kijken.
„U vindt dat merkwaardig, maar kijkt u hier eens,” zei Karim.
Op een plek, waar een troep blijkbaar gerust had, lag een partij mest van ouderen datum; uit de bal-resten schoten jonge mangga’s op, en van die plek, het bosch in, liep een spoor van overal jonge manggaboompjes.
„Maar Karim, hoe is ’t mogelijk, dat er zóóveel mest ligt?”
„Ja meneer, dat is altijd zoo. De olifanten hebben zulke groote lichamen, dat zij ontzaglijke hoeveelheden blad en bast en vruchten moeten eten, en de vezels verteren niet en blijven lang liggen. Wij zullen onderweg eens kijken, of er ook gekleurde mestballen zijn; wij kunnen dikwijls daaraan zien, welke bladeren zij gegeten hebben.”
Zij verlieten nu het jongere bosch en betraden het oerwoud. De meneer van Tambang haalde de boschlucht diep in; hij genoot, van het bosch, van de verhalen van den ouden jager met zijn eerwaardig gezicht en zijn heldere, pientere oogen.
„Laten we even op dezen omgevallen stam gaan zitten en vertel me nog eens uitvoerig wat ge van onzen olifant weet.”
„Ik kan u niets meer vertellen dan ik al gedaan heb. O ja, ik vertelde u nog niet van die sporen van zijn tanden in de tebing? Vlak bij de plek, waar hij uit het bamboebosch brak, was aan den ravijnkant een kleine aardstorting, zoodat er een loodrecht stuk wand was ontstaan, een tebing zeggen wij. Nadat hij na mijn eerste schot was weggloopen, ontdekten wij in die tebing de sporen van een van zijn tanden, ik kon mijn voorarm gemakkelijk in ’t gat steken, zóó zwaar zijn z’n tanden.”
„Waarom rammen olifanten zulke gaten in den grond?”
„Wij zeggen, dat ze zich zoo oefenen in het stooten, zij doen het ook in den paartijd, dan zijn ze erg wild, misschien doen zij het ook in booze buien; u heeft het toch zeker wel dikwijls van stieren gezien, hoe ze den grond met hun horens omwoelen.”
Karim greep naar zijn voet, een springbloedzuiger had zich op de wandeling tusschen zijn teenen vastgezet.
„Kijk ’s,” zei hij, „ziet u die daar?”
Vóór de voeten van S. stonden, tusschen de bladeren op den grond, twee bloedzuigertjes rechtop, dun nog, dus hongerig en hunkerend naar menschenbloed; het voetje stevig vastgezogen, de rest van het zwarte streepje zwaaiend, wuivend, wild zoekend de goede richting naar de fel begeerde prooi. Een wist het plotseling, en in enkele spanpassen had hij den rand van den schoen beet. Er kwamen er meer, haastig, van verscheiden kanten, verschillend in kleur en dikte, allen ernaar hunkerend om zich tien maal dikker te zuigen aan menschen-bloed.
„Karim, ge weet zoo veel, wat eten die beesten toch als zij geen menschenbloed krijgen; vrijwel alle oerwouden moeten er van vergeven zijn en hoe enkele menschen komen er maar. Zij zitten immers nooit op wilde dieren?”
„Neen, toean. Wij zeggen, dat ze lucht en humus eten; maar het is wonderlijk, hoe vinden zij ons; zij hebben niet eens oogen of een neus. Hoe ouder en vruchtbaarder het bosch is, hoe meer patjet’s.”
„Nu moet ge mij nog iets vertellen. Ik hoorde vannacht, toen ik even wakker was, een geluid, dat uit een boom vlak naast ’t huis waar wij sliepen, kwam; het leek wel een uiltje.”
„O, meneer, hebt u dat gehoord?” Karim schrikte.
„Ja, wat zou dat?”
„O, voor u is dat niks, maar wij vinden het niet prettig, en sommigen zeggen, dat het ongeluk brengt als het boeak-uiltje zoo vlak bij een huis roept. Zij was vroeger een zuster van de maan, en als ze die ziet, roept ze al maar door. Maar dat zijn voor de witmenschen domme verhaaltjes, is ’t niet?... Maar wilt u voor u-zelf eens kijken hoe laat het is, als de zon zóó staat” - en hij wees op den zonnestand van drie uur - „kunnen wij er zoowat zijn”.
Het was elf uur. Het terrein begon al steiler te worden; de olifantsporen hadden zich afgebogen, de mannen liepen nu in ongerept oerwoud, alleen het bijna onzichtbare paadje van boschproduktenzoekers, dat zij volgden, sprak van verstoring van de eeuwige rust. Maar veel gebruik werd er niet van gemaakt; nu en dan stond Karim, die vooraan liep, het lange kapmes in de hand, even stil om zich niet te vergissen; hier en daar waren boomen over het paadje gevallen en moest een nieuw pad worden gezocht. Moeielijk was dit niet, in het oerwoud is de bodem gewoonlijk begroeid met lagere planten en struiken, voor zwaren opslag van boomen is de schaduw te overwegend; alleen daar, waar omgevallen boomen een gat hebben gemaakt in het groene dak, roept de zon dichten opslag in het leven, daar hebben gevallen zaden en door vogels overgebrachte vruchtenzaden een goede kans. Boven, in boomholten en in de oksels van takken, doen de vogels hun onopzettelijk werk overal. En het zijn in het bijzonder de zaden van ficus-vruchten, die zij daar mèt de vruchtbare mest brengen. Slaan deze aan, dan zenden enkele soorten hun wortels naar den bodem, en zij worden straks pilaren; andere omwikkelen er den gastvrijen boom mee, en het slot voor alle moederboomen is, dat zij vroeg of laat verstikt worden en ten onder gaan. Zóó ontstaan trotsche, rechtstammige reuzen, ficusboomen wier kroon een kwart hectare beslaat, maar ook die wonderlijke à jour-stammen, een netwerk van wortels met een kern van wegrottend hout, het overblijfsel van de oude moederboom, die den parasiet niet kon afschudden.