Part 4
„Maar ziet! de vloed uit zee, die tot aan het land van het groote opperhoofd aan de oevers merkbaar was, begon zich langzamerhand te rimpelen, de rimpels werden kabbelingen, de kabbelingen groeiden tot golfjes, en zóó werd de beweging in het water al sterker en sterker. Eerst was het ruischen, toen grommen en brullen, en eindelijk was de beno volgroeid. En nu zag men hier en daar, midden in den bruisenden dam, zeven koppen, die de leiding hadden. Dit waren de volwassen geworden honden, die hun moeder zochten. En tot nu toe komen zij telkens weer uit zee, waar zij wonen, en ze rijden op den vloed de Kampar op; en zij springen en grommen, en vernielen alles war zij tegen komen. In woeste vaart razen zij voort, schouder aan schouder; maar telkens weer raken zij eindelijk uitgeput, en zij zakken maar weer af naar zee, waar zij wonen, en den volgenden keer en nog eens, en nòg eens, probeeren zij het weer, maar nimmer vinden zij hun moeder.
„Zoo moet de beno ontstaan zijn, dat is van geslacht op geslacht op ons overgegaan. Ik weet niet, of het eigenlijk wel mogelijk is, maar onze voorvaderen wisten zooveel, dat wij nu niet meer begrijpen.”
De loods zweeg en keek op naar den stillen man in zijn stoel. Hij zag hem opstaan en naar de railing loopen, waar hij stil bleef turen in den nacht van zilver en zwart. Hoog in de lucht, juist langs de volle maan, stippelden zich enkele kalong’s af, die reusachtige vleermuizen, die ’s avonds met loggen, loomen vleugelslag het oneindige ingaan, met een doel, dat men slechts gissen kan. Nu waren zij misschien op weg naar rijpe boomvruchten ergens op een eiland, dat twintig kilometer uit de kust lag. En ’s morgens zouden zij weer den terugweg aanvaarden, naar de kaal vernielde boomen, waar zij bij honderden hun kolonies hebben. Heen en weer, op en neer, de eeuwen door; als de razende beno en als de dansende vuurvliegjes.
LICHT EN SCHADUW
VI. DE MENSCHEN-ETER
In de pasanggráhan van Tandjoeng, aan den bovenloop der Kampar-rivier, stond de mandoer, belast met de bewaking van dit rusthuis voor doortrekkende ambtenaren, aan de telefoon en trachtte het midden-stationnetje Moeára Máhat op te bellen.
„Moeara Mahat! Moeara Mahat!??”... tok-tok, tok-tok, trommelde hij op het telefoonkastje, zooals Inlanders in de binnenlanden wel meer doen, denkend, dat dit helpen zal om de aandacht van den opgeroepene te trekken.
„Moeara Mahat??”... och, hij was wel gewoon lang op antwoord te wachten... tok-tok, tok-tok...
Het telefoonlijntje, door het gouvernement aangelegd langs het rijpad aan den rivieroever, dat door het oerwoud loopt, is alleen bedoeld om de uitoefening van het bestuur in deze zoo afgelegen streken te vergemakkelijken; om de mandoer’s der rusthuizen te waarschuwen, als de controleur, de besturende ambtenaar, deze streek zal doortrekken om de meer bevolkte stroomop gelegen landen te bezoeken.
Niet dikwijls maakt de controleur die reis, en het aantal andere ambtenaren, voor wie de mandoer een bed moet opmaken en een eenvoudige „rijsttafel” moet trachten te koken, is zeer gering. Deze rusthuizen liggen telkens een dagreis van elkaar verwijderd; maanden lang staan zij leeg in dit gebied van Sumatra van de diepste wouden, de grootste pythons en de meeste tijgers.
Als het telefoonbelletje er rinkelt, staan de mandoers dan ook lang niet altijd klaar, zoodat lang wachten op antwoord gewoonte is. Elke post wordt door een zeker aantal malen bellen opgeroepen, maar als een mandoer het belletje maar hoort, legt hij alvast het nieuwsgierig oor te luisteren, al weet hij ook, dat anderen elkaar zoeken. De lijn, die toch al zooveel te lijden heeft van takken en omgevallen boomen, ondervindt veel hinder van nieuwsgierige mandoers.
De man van Tandjoeng hoorde een zwak hanekraaien in den microphoon, het was stellig de nieuwe mandoer van Batoe Bersoerat, die daar stond te luisteren, hij was met een massa kippen „van beneden” gekomen... „niet hinderen, Batoe Bersoerat!” en plotseling brak het lied van den haan af.
De mandoer van Tandjoeng was een man van geduld, maar dezen éénen keer was hij wel zeer gejaagd, want hij had een vreeselijk bericht voor den controleur te Bangkinang, en Moeara Mahat had de verbinding te geven.
Hoor, een zacht, hem wel bekend geluid ruischte langs de lijn, de nauwelijks overgebrachte donder van de beruchte stroomversnelling, waar Kampar en Mahat haar ontmoeting vieren... Moeara Mahat!
„Hier Moeara Mahat!”
„„Verbind mij dadelijk met den controleur, gauw!””
„„Toean Koemandoer? [12] Ja Allah, toean, ik heb zulke slechte berichten. Het nagri-hoofd van Si Biroeang heeft iemand hierheen gezonden om u te laten weten, dat die tijger nu weer een vrouw heeft neergeslagen, en hij vraagt of u niet helpen kan; de menschen op de afgelegen rijstvelden durven bijna niet meer uit hun huisjes te komen.””
„Weer een, mandoer? de hoeveelste is dit nu al?”
„„De zeventiende, toean. Hij wil niets anders meer eten. Het geeft niets, of men in de vallen geiten of honden zet, hij loopt ze voorbij. De geheele bevolking van Si Biroeang is in doodelijken angst en men hoopt nu maar op uw hulp; dit laat het nagrihoofd u zeggen.””
Het was een vreeselijk bericht, maar de controleur lachte stil om de almacht, welke weder aan het Bestuur werd toegedacht.
„’t Is goed mandoer, zeg aan den boodschapper, dat hij de menschen in Si Biroeang moet zeggen, dat ik probeeren zal tijgerjagers van Java hier te krijgen, en zeg ook, dat ik een premie van ƒ 100,— uitloof voor dien tijger. Zul je dat duidelijk zeggen?”
„„Insja Allah [13], Toean!””
Een week later stond in eenige van de Java-couranten de volgende advertentie:
Tijgerjagers!
In Si Biroeang aan de Kampar-rivier heeft een koningstijger reeds 17 menschen neergeslagen, hij terroriseert de geheele streek en spot met vallen en andere vangmiddelen.
Kom, en verlos de bevolking van dezen terreur!
de Controleur van Boven-Kampar Besseling.
Maar helaas, wel traden de bekende tijgerjagers gebroeders Ledeboer met den controleur in briefwisseling, maar de reis was zelfs hun te bezwaarlijk en te tijdroovend; van Padang aan de Westkust uit, is het een volle spoordag tot Paja Koemboeh, dan 45 kilometer tot Kota Baroe, en daarna nog ruim drie dagen te voet in zwaar terrein naar Si Biroeang, verscholen in de ontzaglijke rimba.
En de tijger werd steeds brutaler.
Tok-tok... tok-tok... tok-tok... Bangkinang?!... de achttiende, de negentiende... waar was het eind?
Reeksen ladang’s, droge rijstvelden, werden verlaten en overgelaten aan wroetende varkens en stelende apen, aan rille herten en logge tapir’s.
Zou het eind zijn, dat men allen zou moeten wegtrekken, zooals heel Rambahan in de IX kota’s bij Si Djoendjoeng was leeggeloopen voor den Bonten Oude?
Nù nog vertelt men in de Boven-Kampar van dien éénen tijger, en hoe de sidderende mensch hem eindelijk toch de baas werd.
De eerste menschen, op wie hij een aanval waagde, waren een man, zijn vrouw en haar moeder, die bij Bandjar Karikan het bosch ingingen om kastanjes (barangan) en de eerste frissche tampoesvruchten te zoeken.
Hij was een oude tijger. Reeds eerder had hij dit rechtop gaande, trage wild willen bespringen, toen hij begon te voelen, dat zijn snelheid verminderde en dat de rosse flits van een vluchtende ree niet meer te achterhalen was; toen hij bang werd voor de slagtanden van een ouden ever, in boozen grijns nog verder ontbloot. Maar hij durfde niet, al sloop hij ’s nachts reeds lang om de woningen der menschen om zijn kans te zoeken. Overdag waagde hij zich niet zóó dichtbij, maar toch had hij al een slachting verricht onder de huisdieren van den mensch; hoe dom liet een hond zich neerslaan, en hoe idioot gedroegen zich de geiten, als zij nieuwsgierig kwamen aanloopen op het klaaglijk geblèer van een kameraad, die hij weghaalde! Bij de koeien was het alleen maar oppassen voor de horens... maar de menschen hadden hun vee nu scherp bewaakt, ook in het veld, en hij was bang voor dat allertraagste wild. Waarom eigenlijk? en waarom kon hij de menschenlucht maar niet verdragen?
Maar nu liet hij zich niet meer afschrikken, te violent kwelde hem de honger. Nu zou hij het doen... en hij drukte zich naast het pad neer in de struiken.
De man zag hem ’t eerst, enkele meters vóór zich, en hij begreep aan de houding van het dier het ontzettend gevaar. Vluchten was onmogelijk meer, het eenige wat zij konden doen, was neerhurken, een „gewone” tijger schrikt, als hij een mensch ziet neerhurken als om hem te bespringen.
„Hurken!!” riep hij de vrouwen toe, die vlak achter hem liepen op het smalle pad. Vergeefs! met één sprong wierp het dier zich op den man, sloeg de tanden in zijn dij, en trok... maar de kloeke vrouw klemde zich met heel haar lichaam aan den man vast; weer rukte hij, maar de moed van de vrouw gaf den man zijn bezinning terug, hij greep zijn kapmes, dat hem van schrik uit de hand gevallen was en gaf het dier bliksemsnel een houw over den kop, boven de felle oogen.
Ai! dat viel den Bonten Oude niet mee, hij liet zijn prooi los en was in enkele sprongen in het bosch verdwenen. Maar in de stille kampoeng liet hij de vreeselijke zekerheid achter, dat een menschen-eter geboren was, de grootste vijand van den mensch aan den rand van het oerwoud.
Een menschen-eter!
Ieder kind in de boschstreken van Sumatra weet wel, dat er tijgers voorkomen. Zelfs daar, waar zij in betrekkelijk grooten getale leven, in de zoogenaamde „tijgerstreken”, is de bevolking er in haar fatalisme vrij onverschillig onder. Er zijn immers wel meer gevaren in de rimba, waar olifanten, rhinocerossen en woeste beren zijn; nog veel meer aan den rand van het oerwoud, waar het altijd booze varken en de valsche, sexueele apen vooral voor vrouwen en kinderen gevaar opleveren; en, al komen giftige slangen en pythons slechts hier en daar in bedenkelijke mate voor, ook voor hen dient men op zijn hoede te zijn. Niet voor niets verlaat in vele boschstreken het kapmes of de speer den man nooit, zoodra hij zich van huis en erf verwijdert; zelfs de vrouwen wapenen er zich dan met een kapmes.
Vooral in de wildernis, welke aan den rand van het oerwoud opslaat, nadat de mensch den boschgrond na ontginning weer verlaat, en waar men brandhout hakt en eetbare planten en vruchten zoekt, kan men een kapmes niet ontberen. En dat mes moet tevens als wapen dienst kunnen doen, omdat daar de meeste dieren voorkomen. Immers, daar is koelte en gedempt licht en heerlijke eenzaamheid in de aangrenzende rimba, en, ernaast, warmte en zonnebrand op de bouwvelden der menschen. Daar groeien alle planten, in het duister, in den schemer en in het licht, welke de wilde planteneters noodig hebben. En zij weer trekken de roofdieren aan, die nergens een betere kans hebben om de altijd hongerige maag te vullen.
De herten, de reeën en de dwerghertjes zouden in het oerwoud alleen niet genoeg voedsel meer vinden, de varkens evenmin; en aan den boschrand worden door den mensch allerlei heerlijkheden geplant, welke zij rekenen tot de hun toekomende hapjes; zelfs rhinocerossen en tapir’s zijn verzot geraakt op de malsche aanplantingen van den mensch, terwijl de olifanten zich verbeelden het niet meer te kunnen stellen buiten den opslag van jonge boomen en de plantages der menschen.
En hoe genieten niet de vleesch-eters van de aanwezigheid van vee, van honden, geiten en kippen, welke de mensch wel zoo goed is voor hen op te kweeken.
De schuwe katten worden hierdoor naar de woonsteden der bevolking getrokken. Ook de allergrootste; hij, dien men in het bosch nimmer bij den naam noemt, omdat hem dit slecht zou stemmen; omdat men ontzag verschuldigd is aan den Oudste der wezens op aarde en er een nauwe band is tusschen de ziel van den mensch en van hem, den Grooten Heer, den Grootvader, den Gestreepte, den Bonten Oude.
Volstrekt niet altijd is de tijger dan ook de vijand van den mensch, hij verdedigt hem zelfs wel eens tegen onzichtbare gevaren; en niemand denkt erover hem kwaad te doen, zoolang hij de gewone tijger blijft, de jager op herten en reeën, de verdelger van het wilde varken, den schadelijksten vijand van den moslimschen landbouwer, die zelf het smakelijk varkensvleesch niet eten mag.
Maar indien de tijger zijn bangheid overwint, als hij, door honger gedreven, den mensch aanvalt,—het door hem onderschatte, maar het allergevaarlijkste aller dieren,—dan eerst wordt hij een vijand, het bloeddorstige beest, zooals de blanken hem beschouwen. Zijn vrees is dan verdwenen en zijn brutaliteit grenst aan het ongelooflijke; maar hij blijft voorzichtig, sluipt onhoorbaar rond, en berekent met groote sluwheid zijn kansen; en zoo wordt hij een verschrikking, die overal loert en dreigt.
Dit alles wisten de menschen aan de Boven-Kampar maar al te goed; men hoopte alleen nog maar, dat de houw over het voorhoofd den menscheneter slecht zou bekomen.
De kastanjetijd was voorbij, de getah-zoekers vonden nog slechts een enkele tampoes.
Toen gebeurde het, dat een man, die naar zijn ladanghuisje terugkeerde van het beekje, waar hij in den namiddag gebaad had, plotseling de grauw-gele lichtflits uit het bosch zag schieten. Ontwijken was onmogelijk, de tijger sloeg hem met één slag het hoofd uit elkaar, maar toch had hij kans gezien het dier in den sprong een steek in de borst te geven, en ook ditmaal droop de menscheneter af, omdat hij maar niets begreep van die plotselinge, vlijmende pijn, nu alweer, terwijl de prooi zoo ongevaarlijk leek. Maar aan het pad vond men den man liggen, en er ging een rilling door Si Biroeang, want de stervende had nog kunnen fluisteren, dat de tijger een breed, onbehaard litteeken had boven de oogen, en hij had gezegd te waken voor de vrouwen en kinderen.
Weer merkte men een tijdlang niets van den menscheneter; de nieuwe wond moest helen, bovendien deden de tegenvallers hem besluiten een ander jachtterrein te zoeken.
Plotseling dook hij op te Panalian in de Boven-Rokan. Langs de voetpaden, slingerend om de voor den mensch vrijwel onbegaanbare ravijnen, is het een groote afstand; maar voor een tijger, het ideaal van lenige kracht, tellen de moeielijkheden van het terrein niet, hij sluipt er dwars doorheen.
Een vader kwam met zijn zoontje van het beekje, dat hen van water voorzag. Hun ladang lag hoog aan den rimba-rand, het was een heele klimpartij naar het huisje, en het smalle paadje was wel heel erg begroeid; de verhalen van Si Biroeang waren overgewaaid, en al was hier geen menscheneter in de buurt, het pad moest morgen eens flink open gekapt worden, voor moeder en de meisjes.
Het kind zag het, hoe een reusachtige zwart-gele kat uit de struiken op den rug van zijn vader vloog en hem neervelde, de rug opgekromd, alle de klauwen in het lichaam van den man. Toen keek het dier blazend naar het kind om, zette de tanden in den nek van zijn prooi en sleurde hem in enkele sprongen het bosch in. Het zesjarig ventje was van schrik gevallen, hij kon maar niet op zijn beentjes staan en kroop op handen en knieën naar moeder, om haar te vertellen, dat vader was meegenomen door een groot dier met een streep boven de oogen.
Nu brak een ontzettende tijd aan voor de menschen van Panalian en Si Biroeang. Nu hier, dan daar viel een slachtoffer, nimmer kon men gissen waar de volgende slag zou vallen.
Aan het kleine pleintje van Panalian zat een oude man boven aan de trap op den deurdrempel van zijn huisje, starend naar de ondergaande zon en naar zijn maistuin, waar de zware kolven rijpten. Het werd laat en hij wist, dat de zoon van zijn buurman nog niet thuis gekomen was; hij hoorde het praten van de ongeruste ouders, die de voordeur reeds hadden gesloten.
Eindelijk, daar kwam hij, een flinke aardige jongen van zeventien jaar, maar, ja Allah, vergiste de oude man zich niet?! zag hij niet in de struiken achter den jongen den vreeselijken lichtschijn...
„Loop!” gilde hij... „daar komt-ie!!”
Maar nauwelijks keek de jongen om, of suizend, laag bij den grond, bliksemsnel, was de menscheneter bij hem, en duidelijk zag de bevende oude den kop met het vreeselijke teeken.
Drie honderd vaâm sleepte de tijger zijn prooi het bosch in. Daar vond men den volgenden morgen het lijk, maar de buik was geheel uitgevreten, ook het hart en de longen waren weggehaald, die eet de tijger het liefst.
Toen trok men weg van de ladang’s, en zelfs in de kampoeng durfde men in den namiddag niet meer de huizen uit.
Overal werden vallen gemaakt, maar de klaaglijk blatende geitjes en de akelig huilende honden, die het ondier in de val moesten lokken, zagen hem onverschillig voorbijgaan.
Ach, leefde Hadji Akoet nog, die had wel raad geweten. Hij was immers de eenige geweest, die elken olifant op den vlakken grond aandurfde. Maar ten slotte had ook hij het afgelegd, een moeder-olifant, die zijn aandacht niet had getrokken, had hem met de vier pooten plat gewalst en men had zijn lijk thuis gebracht als een zak bloedende brij.
Datoek Bandaro, die er met zijn werpnet op uit was geweest, had gezorgd vroeg thuis te zijn. Het was een nieuw net, lang had hij eraan geknoopt, maar het was dan ook een lust in de hand geweest, en veel blinkende visch hadden moeder en dochters voor het avondeten gebakken.
De mooie djála had de datoek vóór het huis, tusschen twee slanke rijstschuren, te drogen gehangen.
„Toe vader, wacht nu niet te lang met uw net binnen te halen, ’t wordt al donker!”
„Ja, kind.” Het was toch maar goed, dat de kinderen zelf eraan dachten om voorzichtig te zijn, en het net zou nu wel zoo wat droog zijn.
„Toe nou, vader!”... Nog even moest hij een strootje rollen; de tabak was wat kruimelig, het nipah-blaadje zoo stug; maar nu zou hij toch gaan, het werd al avond. Bambang, de geest van het avondrood, gluurde met bloederige oogen tusschen de boomen. Gauw maar, en hij haastte zich naar het net en beurde het met uitgestrekte armen, naar boven kijkend waar de hangpunten waren... toen kwam een vreeselijke slag in de volle borst...
„Basah!” [14] hoorden de huisgenooten hem gillen, en alles was voorbij.
Twee dagen later kwam een arm vrouwtje van de rivier, waar zij al hare laboe’s had gevuld, die aardige karaffen van gedroogde kalebas, welke men als ze nog jong zijn afbindt en in elken gewenschten vorm kan laten groeien. Zij moest water hebben om te koken en voor den nacht, het weeuwtje had heel wat kindermonden te voeden. Zorgvuldig schikte zij de volle laboe’s in haar kain (lenden-kleed), dat er onder het loopen niet te veel uit zou storten.
De kinderen, die binnen op moeder wachtten, hoorden vóór den trap een doffen slag... stellig weer een cocosnoot, door eekhorens aangeboord en nu, verdroogd, uit den boom gewaaid.
Maar moeder kwam maar niet thuis, en toen de kinderen eindelijk angstig de deur openden, zagen zij naast moeder’s kain de laboe’s liggen, kapot en verstrooid... haar had de tijger meegenomen. Zij was het twintigste slachtoffer.
Toen gebeurde het midden over dag, in de rijstvelden.
De vrouwen stonden er te manoewai, de rijpe padi-aren werden met het scherpe mesje afgesneden en in het mandje gelegd, dat de vrouwen op haar heup droegen; de mannen hielpen bij het verzamelen van den oogst.
Een heldere, vroolijke dag. Hier, waar zij elkander allerlei grappen toeriepen over de golvende, gouden padi, in het open veld, hier vergat men angstig te zijn voor het dagelijks dreigende gevaar. En toen het middag werd, rustte men uit op een oud grafheuveltje midden in de sawah’s, en men dronk koffie en at wat kleefrijst in de schaduw van de enkele lage boompjes.
Dan ging men weer aan het werk. Gloeiend trilde de lucht nu boven de roerlooze velden, en eenzaam, hoog in de lucht, krijschte een kiekendief zijn akeligen kreet, als een ontstellende waarschuwing, men weet niet vanwaar noch waarom.
En aan den boschrand stond de koning van de rimba, en mat den afstand tusschen het bosch en de menschen... hij had in dagen niet gegeten. En niemand zag, hoe hij even later voortsloop, langs een sawah-dijkje, naar de àl matter klinkende stemmen der menschen.
Insah stond het dichtst bij het bosch. Zij haastte zich, haar kind, een half jaar oud, hing in een slendang op haar rechterheup te slapen, bevangen door de warmte; zij zou nog twee mandjes snijden, dan moest zij gauw naar huis, het werd te gloeiend voor haar eersteling.
Steeds matter werden de stemmen, eindelijk klonk alleen nog, zoo nu en dan, de akelige waarschuwing van den rondglijdenden roofvogel...
Insah’s zuster zag hem het eerst, sluipend langs een dijkje achter de jonge moeder, en als waanzinnig gilde zij Insah toe om haar te waarschuwen... te laat, in bliksemsnellen aanval was hij bij de jonge vrouw, greep haar in een dij en sprong met haar weg.
„O, Allah! mijn kind!” hoorde men haar gillen, en toen zagen zij, die daar als versteend stonden, dat Insah trachtte haar slendang los te trekken om haar kind te redden, maar het gelukte haar niet. Eerst bij den geweldigen afzet van den tijger om over de omheining langs den boschrand te springen, rukte de knoop los, en de nog steeds roerlooze menschenkinderen zagen, hoe Insah in goddelijke moederliefde alleen aan haar kind dacht, het vrij kreeg en het, in den sprong, achter zich in de dichte padi wierp...
Twintig, dertig menschen hadden dit ongelooflijke gezien, terwijl zij, roerloos nog en zwijgend, daar stonden in de ontzaglijke stilte in den trilgloed.
Maar toen, plotseling,... werden zij allen waanzinnig? Met één verschrikkelijken kreet, in een delirium van woede, vlogen mannen en vrouwen den tijger achterna... dat kon niet, dat mocht niet... o, God, hoe was dat mogelijk...
De sidderende menschjes waren zelf wild dier geworden, waanzinnig van schrik en dol van woede vlogen zij voort, het bosch in. Daar, in de ruigte tusschen de boomen, kon de tijger met zijn prooi niet snel vooruit komen, en nu braken achter hem tientallen menschen in krankzinnig gebrul door de struiken op hem af.
Was hij blijven staan, bij Allah, men was hem te lijf gegaan, zóó maar, zonder wapens, met nagels en tanden! liever dood, dan zóó iets te zien gebeuren en niets te doen. De tijger moet zelf begrepen hebben, dat dit geen menschen meer waren, maar tot uiterste dolheid gedreven dieren, te veel om te weerstaan, en hij liet zijn prooi vallen en vluchtte.
Maar het moedertje van liefde leefde niet meer, de schrik moet haar gedood hebben, in het mandje, dat nog aan haar hals hing, lagen nog enkele aren. Zij was het een-en-twintigste slachtoffer!
En de menschen konden slechts nóg voorzichtiger worden; vallen werden niet eens meer gemaakt nadat een man, die een dergelijke „pindjára” in elkaar timmerde, van achteren was aangevallen; uitgemaakt werd nu, dat het dier de plannen der menschen doorzag, het maken van vallen was vergeefsche moeite.
De enkele menschen, die hun rijpende padi op de bergladang’s niet geheel in den steek konden laten, wilden zij niet hongeren, waagden zich slechts in gezelschappen van vier en vijf naar de rivier om water te halen en er te baden. Het was of overal de verschrikking loerde, of men ingesloten was door dien éénen tijger.
Op een der meest afgelegen plekken woonde in een hutje een man in de volle kracht van den levensherfst. Hij was weliswaar niet zóó moedig als Hadji Akoet, maar toch was hij een groot jager, en alleen omdat hij nog stand hield, waren ook anderen gebleven en nog niet naar het dorpje gevlucht.