Chapter 7 of 12 · 3993 words · ~20 min read

Part 7

De snuivende kop—neus, voorhoofd en horens in één horizontaal vlak—roerloos maar dreigend, joeg Saïn geen bijzonderen schrik aan, en zoo goed en kwaad het ging legde hij het oog aan het geweer en trok af... maar de patronen van de enkele Gouvemementsgeweren, welke aan lichtwachters ter beschikking worden gesteld, zijn oud, Saïn’s patroon weigerde. En nu sloeg hem de schrik in de beenen, want het ketsgeluid deed het driftige dier onmiddellijk tot den aanval overgaan. Maar Tong bleef rustig en een goed schot deed den buffel schuinweg verdwijnen in een boschje lage struiken, waar hij, blijkbaar zwaar gewond, even moest overdenken wat verder te doen.

De twee mannen kwamen nu overeen ieder in een van de enkele hoogere boomen in het boschje te klimmen, om van daar het aangeschoten dier neer te leggen. Hem op den vlakken grond in de dichte ruigte op te zoeken, achtten zij een poging tot zelfmoord.

Ieder, die ooit ondervonden heeft, hoe slecht zich Inlanders dikwijls aan jacht-afspraken houden, voelt met angstige zekerheid het eind van dit avontuur naderen.

Het was Tong, die, misschien omdat hij zijn kameraad het succes niet gunde, het gewonde dier tòch opzocht. En Saïn schoot, zooals in dergelijke gevallen altijd gebeurt, met niet-falende zekerheid een niet-weigerenden patroon af op de langzaam in de struiken bewegende schijf... en vond niet den buffel, maar zijn jachtkameraad roerloos liggen.

De arme kerel, die toch zóó weinig schuld had, durfde niet naar den toren. Uren later vond men hem ergens tegen de omheining gehurkt, starend in de ontzaglijke stilte, met het stijve lichaam van zijn baas tegen zich aan. En toen hij eindelijk antwoorden kon op hem gestelde vragen, toen hij de wilde smart van de kleine njahi zag, verzon hij leugens, en hortend kwamen verhalen van een geweer, dat onverwachts vanzelf was afgegaan.

En een onderzoek had plaats; maar eerst nadat de arme njahi brani op het witte schip was, naar Batavia, had Saïn den moed te zeggen, dat hij gelogen had.

Op het witte schip lag een kleine vrouw te snikken, op het dek, bij de railing.

Men had haar een kajuit willen geven,—toen een matras, om op het dek rustig te kunnen uitslapen haar groot verdriet. Maar zij kroop tegen de railing aan, om zoo dicht mogelijk te zijn bij het land, waar op de verlaten begraafplaats onder de stervende palmen een nieuw graf gekomen was; zoo lang mogelijk wilde zij den Vlakken Hoek zien met zijn witten toren.

Zoo sliep zij in, op het harde dek. En zij, die niet wisten en de arme ziel zagen liggen, konden een glimlach niet bedwingen... omdat zij niet begrepen, waarom dat kleine vrouwefiguurtje een gelapte mannebroek droeg.

IX. DE SOLITAIR EN HOE WIJ DOOR HEM GEJAAGD WERDEN

Met Groeneveldt en een totok [19] was ik op reis in het bovenstroomgebied van de Batang Hari, de geweldige, die als Djambi-rivier in de Straat van Malaka valt.

Het was in 1909; slechts enkele militaire patrouilles hadden deze streken bezocht, maar uit den tijd van hun gezag, eenige jaren tevoren, toen een aantal kwaadwilligen in Djambi een flinke les niet langer konden ontberen, dateerden de breede voetpaden tot aan ver gelegen dorpen. Zóó dicht waren de oerwouden waardoor die paden slingerden, dat er nergens gras groeide; en de klei-bodem was oorzaak, dat er de indrukken van de gespijkerde schoenzolen der militairen maanden en maanden waren blijven staan,—een herinnering aan de macht van den witmensch bij de goedige bevolking, die zelve nooit eenig kwaad bedoeld had.

In den morgen hadden wij, zwijgend in het heerlijke bosch, een zwarten panter verrast, die zich vermeide langs den rimba-boulevard. Ons aankomen had stellig een aanzwellend rhythmus, dat hem niet beangst had, een rhythmus in de lucht en in het dreunen van den grond, maar zonder kwetsende stemgeluiden. Maar toen wij in blij ontzag, misschien met een enkel onderdrukt geluid, plotseling stil stonden op de bocht van het pad, draaide hij verrast den kop om. Nog slanker scheen hij nu op de hooge beenen, nog langer leek de dreigend zwaaiende, overdreven lange staart... en wèg was hij.

En ’s middags was het mij gelukt voor onze „keuken” een kidjang te schieten, een reebok, die op de zilte asch van een pas gebrande ladang afkwam; weken lang zouden wij kunnen smullen van de dèndèng, het pittig gekruide en gedroogde vleesch, dat vooral van hertedieren zoo croquant en smakelijk is.

En toen wij na den straffen dag in het oude bivakje kwamen, dat indertijd door de militairen was opgezet aan een beek bij een kleine kampoeng, toen wij zagen hoe innig saai er alles uitzag, toen grepen Groeneveldt en ik maar gauw naar het geweer om de verveling te ontloopen. Wij konden nog even vóór den donker probeeren het juiste plekje te vinden, waar een ever zou staan te wroeten in een braak liggend veld, of een bezoek zou brengen aan een manggaboom aan den kampoengrand, die zijn vruchten vallen liet.

Wij wandelden het terrein geheel door; sporen genoeg, maar geen varkens. Misschien had de oudste ever bekend doen maken, dat een tijger in de buurt was? Hoe dikwijls was het ons opgevallen, dat de dieren elkaar op onbegrijpelijke wijze schijnen te waarschuwen; wij zeiden op jacht dikwijls als het wild maar niet te vinden was: „’t heeft zeker weer in de varkenscourant gestaan, dat wij komen zouden!”

Het was heelemaal mis dien avond. En tot overmaat van ramp viel plotseling een zware bui uit de lucht, juist toen het donker werd.

Wij besloten te schuilen onder een hoog op palen gebouwd huisje, een der enkele waaruit deze nederzetting bestond.

Wij hoorden het houtvuur op de stookplaats knetteren, er waren dus menschen in huis. Toen hoorden wij zacht krakende voetstappen, dan eindelijk de gedempte stem van een oude vrouw, die zeide, dat het kind nu wel sliep; en dan spraken zij eindelijk, zacht maar duidelijk, altijd maar weer over het kind, de trots van grootmoeder en dochter.

Wat voelt men zich uitgesloten, wanneer men daar binnen zoo gemoedelijk en huiselijk de zachte stemmen hoort en het gezellig vuurtje er meeknettert van knusse warmte en lekkere pot. En ons kletterde de regen van het dak langs onze neuzen neer.

Ginds, heel ver in den zwarten nacht, was het weerlicht niet van de lucht. Hoe lang zouden wij hier nog moeten wachten? en dan naar dat „gezellige” bivak; eerst nog een bad in het drabbig geworden beekje,—wat zou het paadje naar het water glibberig zijn... kom, wij moesten er toch maar door.

Wij stootten elkaar plotseling aan... waarover praatten nu de vrouwen?

„Gadjah toenggal,” een solitair, hadden wij beiden hooren zeggen; in onze jagerhersens was plotseling het electrische schelletje overgegaan... wat werd daar van een solitair gezegd?

De jonge vrouw haalde nog eens op, wat haar man verteld had. Den vorigen avond had hij in de korte schemering nog even wat boeloeh moeten snijden, om thuis van de gespleten reepen een vischfuik te vlechten.

’t Was wel wat laat geworden, omdat hij moeite had een paar oude stengels van de taaie bamboe uit te zoeken; jonge kon hij niet gebruiken, die worden te gauw door houtwurm doorzeefd.

Juist toen hij zich bukte om de op lengte gekapte stukken bijeen te rapen, had hij ’t gevoel, dat er een huis vlak achter hem voorbij ging; maar dadelijk wist hij, dat het een olifant moest geweest zijn, stellig de reusachtige solitair, die nu al eenige weken in deze streek onrust bracht en geheele aanplantingen verslond en vertrapte.

Wij luisterden ademloos, gespannen als een veer.

Het was voor den man, die met een groot kladi-blad boven het hoofd, de kampoeng-parapluie, door den regen thuis kwam, een geweldige schrik bij het licht van zijn flambouw van verdord klapperblad plotseling twee witmenschen met blinkende geweren onder zijn huis te zien staan.

„Kilat” (weerlicht) ontviel hem, en hij verraadde daarmee, dat hij aan het weerlichten dacht, en dus aan olifanten, wier ivoorglans immers flikkert tot tegen den zwarten hemel.

Maar hij had al gehoord van onze komst, was spoedig over den schrik heen, en fluks lieten wij hem alles van den solitair vertellen. Hij was een kante kerel en bood aan ons in het lage bosch te brengen, waar het dier in den morgen gewoonlijk sliep of rondkuierde. Een plannetje werd gemaakt, en toen de regen opgehouden had, konden wij den totok in het gezellige bivak verrassen met een uitnoodiging om even een olifant mee te gaan schieten.

Groeneveldt en ik kenden op dat oogenblik een olifant alleen nog maar uit dierentuin en circus; verder konden wij nog eenige verhalen van anderen ophalen... nou ja, gevaar is overal en altijd op jacht; het was alleen wel jammer, dat deze solitair nog maar één tand had; de andere was afgebroken, had onze man verteld. Maar enfin, over de verloting van dien eenen tand zouden wij wel nader spreken...

Toen den volgenden morgen de zon in het lage bosch begon te schijnen waar ergens de solitair moest slenteren, slopen daar eenige dappere, gewapende mannen langs het weinig begane pad. Velen tegen een, ettelijke dood en verderf dreigende geweren tegenover den goedzak met den éénen tand.

Vooraan liep onze Maleier geruischloos op zijn sterke, lenige voeten, een vlijmscherp kapmes in de hand, een vervaarlijk wapen in de hand van den man van het bosch, die nooit zijn huis verlaat zonder speer of slagwapen.

Achter hem liep een grijzende hadji, een bekend jager. In den tijd, dat het Gouvernement nog premies betaalde voor het dooden van tijgers, had hij, die als vroom Moslim niet meer geloofde aan den band tusschen den mensch en den Gestreepte, heel wat tijgers gedood. Hij besloop de dieren in hun slaap, en stopte hun een kogel, of een van een brug losgeraakt moertje of een ander stuk ijzer, in het oor; dàn was hij zeker, dat zijn oude tromplader hem niet in den steek liet. Nu had hij zijn roer thuis gelaten, hij schaamde zich tegenover de Hollandsche jagers, die zoo uitmuntend gewapend en zoo brani (moedig) zijn...

Achter den hadji kwam ik, mijn trouwen dubbelloop van Jan Visser van Deventer in de hand. Ik had in ’t geheel niet op olifanten gerekend, ik had trouwens in die dagen nog geen zwaardere buksen. Dan kwam de totok, gewapend met een legergeweer, dat hij van een luitenant had geleend, met wien hij de reis van Holland gemaakt had. Groeneveldt en ik waren uiterst jaloersch, dat nu juist dat geweer in zijn handen was; wij hielden ons het hart vast bij de gedachte, dat hij ervan gebruik zou moeten maken, want hij was een beste jongen, maar geen jager; de geheele geschiedenis is voor hem geen pretje geweest.

Groeneveldt, getooid met een koket jagershoedje, sloot den optocht. Groeneveldt rookt buiten elke willekeurige sigaar en schiet met elk willekeurig geweer, dat hem voor de hand komt.

Hij was nu gewapend met een heel oude Beaumont-karabijn; hoe hij er aan gekomen was, kunnen wij ons beiden niet meer herinneren. Maar onvergetelijk is ons dat geweer gebleven, omdat het een geheim ongemak had en op willekeurige momenten, juist als men het allerminst verwachtte, plotseling met een ijselijken knal afging; maar ook, omdat het ons daardoor het leven heeft gered.

Wij slopen voort, reeds was de nabijheid van den olifant ons gesignaleerd, onze Maleiers lazen in de sporen de situatie.

Nu waarschuwde onze voorman door een handbeweging om toch vooral stil te zijn.

Nog weer een waarschuwend gebaar. Zagen de Maleiers al iets daar in dat kreupelhout? lag hij daar te slapen? Zij suggereerden ons het sluipen, wij waren nog nooit achter een olifant geweest, en wij slopen, als dieven in den nacht. Wij reageerden met domme lachjes op onbegrijpelijke, opgewonden gebaren of gezichtstrekken, die zoo iets moesten beteekenen als „daar ligt-ie ergens, hij slaapt”, of „als jullie nou maar goed schiet, want wij kunnen niets!” en dergelijke opwekkende dingen, die o! wonder, opeens heelemaal niet meer opwekkend waren.

Nu een heel dringend gebaar, sssst... dáár... sssst; nu vooral niet op brekende takjes trappen, sssssst... waar?????... de halzen lang gerekt, de neuzen bleek, elke zenuw een vioolsnaar...

„Pang!!!!”

... een vreeselijk schot tusschen ons in. De totok kromp in lenige lichaamswringing naar links, de rechterhand greep in hevigen schrik naar de rechterheup... „o, God!”

En Groeneveldt, ontdaan, aschgrauw, keek met schuldige, maar o! zoo verbaasde oogen eerst naar de heup van zijn voorman, dan naar zijn geweer.

„Hè!” zei de totok, „is dàt schrikken!”

„Maar man, ben je dan niet gewond???”

„Wel neen!”—en wij keken elkaar aan, en brulden, en huilden van het lachen... maar Groeneveldt en ik danken nòg onze boschgodjes, dat die eene kogel niet een paar centimeter meer links was, want de totok had wel degelijk naar een kogel gegrepen, waarvan hij den windstoot gevoeld had.

De solitair moet wel wonderlijke dingen hebben gedacht, toen hij zich muisstil op de zelf ingetreden paden verwijderde. Maar vriendelijk waren zijn gedachten niet, en nu maakte hij zijn plannen, en hij nam de leiding.

Al spoedig hadden de Maleiers de versche sporen gevonden, voetsporen en dampende mest.

Ook zagen wij schuurplekken tegen boomen, waar stukjes modder de hoogte aangaven van de schouders, van de schoft. Wij maten zoo modderplekken op een hoogte van 2½ meter en een voetspoor op een vochtige plek had een middellijn van 43 centimeter. Wij zagen boomen van een dij-dikte geknakt, ontworteld... en het enthousiasme steeg bij elke nieuwe ontdekking niet, omdat wij niet bepaald meer de absolute overmacht gevoelden, en omdat de verloting van dien eenen tand ons wat verder weg gelegen voorkwam dan den vorigen avond in het bivakje.

Wij volgden hem, hij bracht ons door zwaarder bosch naar een lichte plek, een oude ladang, twee jaren geleden verlaten en nu met dichten opslag van ongeveer vijf meter hoog begroeid, een dorado voor een olifant, een festijn van de smakelijkste takken en bladeren en bast, voor ons een ondoordringbare muur van groen.

Maar hij was er rustig ingewandeld en lokte ons langs zijn nieuwe pad, waar de mestballen nog dampten. Ik kon het gevoel niet van mij afzetten een fuik binnen te loopen, maar wat wil een man met een geweer in die gevallen anders doen, dan het risico nemen van de jacht op groot wild. Jagen mag per slot van rekening niet maar dooden alleen zijn. Jaag niet, indien gij er tegen op ziet zelf ook eens in den slechten hoek te moeten zitten... vooruit dus, de fuik in, ik moest trouwens aan de jongeren het voorbeeld geven... maar mijn trouwe dubbelloop begon aan te voelen als een proppeschieter, en men vraagt zich in dergelijke gevallen af: wat doe je hier!

In een ontzaglijke spanning liepen wij achter de Maleiers aan; waren zij niet bang? of wisten zij precies waar het dier was? Zouden wij nu plotseling tegenover hem staan, en wat dan? moest ik met mijn dubbelloop...

Hoor! daar gaf de olifant het mij later zoo welbekende signaal, met een doffen slag viel een boom, de solitair stond aan den boschrand links van ons.

Zenuwachtig verrast, dat hij zich zoo spoedig aankondigde, keken de Maleiers mij aan.

„Maar dat is toch een houthakker; zóó’n boom!?”

„Neen, toean, dàt is hij!” zei de hadji met een kort, stil lachje.

Wij wisten al, dat hij een reus was, maar... welk een ontzettende tegenstander. En toch: hoe heerlijk, hoe alles in ons beheerschend was de jachthuiver!

Zóó voelde ik het later, met een goede buks in de hand, maar toen...

Blafte daar een beer of een oude ever? dat machtige geluid, dat het bosch deed trillen...

„Hij heeft ons opgemerkt,” zei de hadji, hij keek onbewogen, maar ik zag, dat hij in enorme spanning was.

„Wat nu?” vroeg ik zacht.

„Wachten,” zei hij kortaf en bukte zich, alsof de struiken hem iets te zeggen hadden; hij luisterde naar de doodelijke stilte. Wij stonden op ongeveer dertig meter van den boschrand, dien wij hadden verlaten, in een gloeiende, nauwe steeg met muren van groen...

Toen kwam over de stille toppen van het kreupelhout een verward geluid van langzaam slepen, van kraken en breken.

De solitair had ons, waar hij ons hebben wilde en zocht nu in den wind onze lucht. Wij wisten toen nog niet, wat dat te beteekenen had, maar wij konden er toch geen bezwaar tegen maken, dat Groeneveldt bescheiden zijn geweer laadde.

Wij fluisterden elkaar toe manmoedig elkander te zullen steunen... ieder herdacht nog even zijn zonden.

Plotseling werd het stil, even slechts. Hij had ons gevonden.

En dan scheurde de wereld door één uitdagend, snerpend gedaver, de aanvalstrompet van den boozen solitair, en dadelijk daarop kwam door het ondoordringbare kreupelhout een sneltrein recht op ons af.

Toen begreep ik eerst precies, wat de duivelsche opzet was van dezen jagenden solitair, die de rollen had omgedraaid, en ik wist, dat wij verloren waren, indien wij bleven staan; wij konden slechts enkele meters voor ons uit zien, en niets kon ons voor den eersten aanval beschermen.

„Terug naar het bosch!” riep ik. Ergens naast mij zag ik een der Maleiers tusschen de lage struiken weg schuivelen, een tulband was hem voor, ook laag bij den grond.

Toen gingen ook wij terug, wij trachtten tòch door de struiken den kortsten weg te vinden naar de zware boomen van het bosch.

Toen kwam in het tumult, dicht bij het naderend gedaver, een vreeselijke ontploffing, en dadelijk daarop een ontzettende stilte...

„Groeneveldt!”

Ergens uit de ruigte gromde een toonloos antwoord, niet een geluid van wanhoop of schrik, maar van ergernis en verbazing, en dadelijk daarop: „waar is-ie?”

Ja, waar was hij?

Ieder wist, dat de solitair niet meer dan een meter of tien van ons af was, toen het schot viel. Wie had geschoten, wat was er gebeurd, en waar was hij? Stond hij ons te beloeren voor een tweeden aanval?

Toen wisten wij nog niet, hoe een olifant muisstil op zijn caoutchouc-zolen langs het zelf ingetreden pad terug gaat, als hij bang wordt; wij konden ons niet voorstellen, dat de kolos, zóó dicht bij ons, onhoorbaar zou kunnen loopen in de dreigende stilte, die ingevallen was dadelijk na het schot...

Eerst onder de boomen waren wij van de verrassing bekomen, en daar vertelden de Maleiers, dat de solitair terug was gegaan.

„Ja... ’t is natuurlijk weer dat beroerde geweer geweest,” zei Groeneveldt, „ik schrok me ’n aap!” En wij begrepen nog niet dadelijk, dat die oude Beaumont met zijn ongemak ons het leven had gered.

„Waar is je hoed, Groeneveldt?”

„Daar ergens”... een vermoeide handbeweging in de richting van de ontploffing.

„Haal dien dan even”... zei ik vriendelijk.

Nimmer zal ik den blik vergeten, die mij schuinweg werd toegezonden en die bijna de diepe ergernis van het antwoord overtrof... „Ik zou met dit geweer dien hoed daar halen?????”...

Er zijn momenten, dat men niet vatbaar is voor humor; wij waren op dat oogenblik in dat stadium; maar het is voor ons een van de kostelijkste herinneringen uit onzen gouden jachttijd gebleven.

Nu werd krijgsraad gehouden.

Het was wel fnuikend, dat onze Maleiers den snel geslonken heldenmoed van den superieuren witmensch hadden bijgewoond. Hier moest op de tanden gebeten worden.

En hoe gering ook de innerlijke kracht was waarmee ik de beslissing uitsprak, met pathos werd gezegd, dat wij den solitair weder moesten opzoeken.

Nu pleegde mijn trouwe kameraad insubordinatie. [20] Hij sprak:

„Ik heb altijd gedaan wat mij is opgedragen, maar met deze spuit dat beest achterna, hoor ’s”... en dit in een doffe dropping jaw-toon...

De Maleiers wisten raad. Zij begrepen, waar zij den solitair zouden kunnen vinden. Onze man zou hem op een of andere manier weten op te jagen naar ons toe, en dan kon hij maar één pad volgen.

„Gaat u maar mee!” en de hadji bracht ons op een heuveltje waar enkele beklimbare boomen stonden, juist niet dik genoeg om veilig te zitten.

Groeneveldt en ik zochten ieder een boom uit. De totok keek besluiteloos rond, vergeleek de dikte van alle stammen. Mijn boom leek hem de beste, en zoo klom hij achter mij aan; de hadji was al halfweg den top.

„Haast je wat!” riep ik naar beneden, „ik zie ginds alang-alang branden, dat zal onze man hebben gedaan om hem op te jagen.”

Toen werd de totok zenuwachtig, vroeg of Groeneveldt’s boom niet beter was, zoo niet dikker dan toch taaier... maar plotseling werd ik door iets anders bezig gehouden; ginds, niet ver van het grasvuurtje, twee honderd meter van ons af, zag ik boven den rand van laag bosch een wandelende fontein van roode aarde; toen zag ik een blazende slurf, dan werd het geheele lichaam zichtbaar van een enormen olifant met één zwaren, bruingelen tand. Hij was blijkbaar woedend, draaide al blazend heen en weer, besluiteloos.

„Daar komt-ie!” hoorden wij onzen man gillen... dit deed den totok een beslissing nemen, als een aal gleed hij mijn stam af...

„Meneer,” zei de hadji, „ziet u die open plek, daar komt hij langs, schiet u dan, meneer!” Die plek lag honderd meter van ons af; moest ik op dien afstand, met een ronden kogel uit mijn gladloop, dien razenden kolos neerleggen???...

„Stil toch!”... de totok schraapte luidruchtig met klimmende beenen en laarzen langs Groeneveldt’s stam... „schiet toch op, man!”

In een sukkeldrafje kwam de solitair, grijsbruin van halfopgedroogde modder, de kale plek oploopen... donderend klonk mijn schot, maar al riep de hadji bemoedigend „kena” (raak), ik zelf had niet de minste zekerheid een goed schot te hebben gedaan, en dan nog!

Wat echter met de meeste stelligheid tot ons doordrong, was het feit, dat onze totok bezig was zelfmoord te bedrijven. Op ongeveer vier meter boven den grond, juist de meest aangename hoogte voor de slurf van een olifant, hingen twee menschenbeenen te slingeren...

„Schiet nou op, hij is dadelijk hier!”

„Ik kàn niet meer”...

„Waarom niet?”

„Dat wéét ik niet”...

„Ja maar, je hangt nu nèt zoo hoog, dat”...

„Dat weet ik wel, maar ik kàn niet meer”...

„Wel allemachtig, maar hou je beenen dan toch stil”...

Doodsche stilte, Groeneveldt keek op het slachtoffer neer, als een kaptein over den rand van zijn brug, zijn mondhoeken trokken verdacht...

Goddank bleef alles stil, de solitair koos zich tòch een anderen weg.

Eerst later hoorden wij, dat hij acht kilometer doorgeloopen was, door zware heiningen en aanplantingen heen. Menschen, die op een goed omrasterd rijstveld werkten, hoorden een rauwen gil en zagen hun grootmoeder door de lucht vliegen: de solitair liep haar met huisje en al onderste boven.

Toen wij over het gevoel van gepaste schaamte heen waren—wij hadden in den heel vroegen morgen aan onze Maleiers gevraagd of hun kapmessen wel scherp genoeg waren, voor den tand—toen vroeg ik den hadji, hoe dit beest toch zóó slim geworden zou zijn.

Nimmer vergeet ik den leuken grijns op het verweerde gezicht. „Nou meneer, eerlijk gezegd hadden wij kampoeng-menschen al zeventien maal op hem geschoten. Ik zelf heb al eens vlak naast hem gestaan en heb hem onder de kin geraakt, twee maal heb ik hem in de polsen geschoten, niets hielp. Maar dat hebben wij u niet eerder willen vertellen, want dan lachen jullie ons maar uit; jullie zijn zoo knap, en zoo... brani!”

X. DE KRANKZINNIGE CONTROLEUR

Om de „kletstafel” in de sociëteit te Kota Balei zaten vier mannen zacht te deinen in hun wipstoelen, de voeten rustend op de ijzeren staaf, die de pooten van de ronde tafel verbond. Het tweede bittertje, dat den prikkel moest geven voor de juiste waardeering van de copieuze rijsttafel, die thuis hun deel zou zijn, was juist door den „djongos” gebracht. Deze had daarop zijn post verlaten, een deurpost namelijk, waar hij slaperig tegen had staan leunen totdat hij voor de tweede ronde was geroepen. Nu had hij weer den tijd om in de buffetkamer, achter een deur, een lekker tukje te doen; een leege petroleumkist was voor dat doel in het hoekje gezet, het was voor de inlandsche bedienden het beste plekje van de sociëteit.

Een der vier mannen had op dit oogenblik gewacht, hij wilde niet, dat de bediende iets zou kunnen opvangen van wat hij te zeggen had.