Part 1
DE VROOLIJKE VROUWTJES VAN WINDSOR.
PERSONEN:
Sir John Falstaff. Fenton. Zielig, een vrederechter te platten lande. Slapperman, neef van Zielig. Ford, } burgers van Windsor. Page, } William Page, Page’s zoon, een knaap. Sir Hugo Evans, een geestelijke, uit Wallis herkomstig. Dokter Cajus, een geneesheer, Franschman. De Waard van de herberg: De Kouseband. Bardolf, } Pistool, } in dienst bij Falstaff. Nym, } Robert, page van Falstaff. Simpel, bediende van Slapperman. Rugby, bediende van dokter Cajus.
Juffrouw Ford. Juffrouw Page. Anna Page, haar dochter. Vrouw Haastig, huishoudster bij dokter Cajus.
Bedienden van Page, Ford, enz.
Het tooneel is in en bij Windsor.
EERSTE BEDRIJF.
EERSTE TOONEEL.
Windsor. Voor Page’s huis.
Vrederechter Zielig, Slapperman en Sir Hugo Evans komen op.
ZIELIG. Sir Hugo, praat er mij niet meer van; ik wil er een Sterrekamerzaak van maken; al ware hij twintigmaal Sir John Falstaff, hij zal weten, dat hij met Robert Zielig, zijn edelgeboren, te doen heeft.
SLAPPERMAN. In het graafschap Gloster, vrederechter en coram.
ZIELIG. Ja, neef Slapperman, en custalorum.
SLAPPERMAN. Ja, en rato-lorum er bij; en een geboren edelman, eerwaarde, die zich armigero schrijft, op iedere rekening, borgstelling, kwijting of dagvaarding, armigero.
ZIELIG. Ja, dat doe ik, en dat hebben wij allen gedaan al sinds driehonderd jaar.
SLAPPERMAN. Al zijn afstammelingen, die voor hem waren, hebben het gedaan; en al zijn stamvaders, die na hem komen, mogen het doen; zij mogen hun dozijn zilveren pietermannen op hun riddermantel dragen. 17
ZIELIG. Het is een oude riddermantel.
EVANS. Die dosijn silveren pieten komt choet bij een ouden mantel; zij staan hem choet, stappend; het is een chesellig beest voor ten mensch en betuit chehechtheid.
ZIELIG. De pieterman is een versche visch;—gezouten visch behoort in een oud wapen.
SLAPPERMAN. Ik kan het vierendeelen, neef; niet waar?
ZIELIG. Als gij een vrouw neemt, ja, en de wapens vereenigt.
EVANS. Hij neemt van u, als hij fierendeelt.
ZIELIG. Wel volstrekt niet.
EVANS. Wel seker, bij onze lieve frouw; als hij een fierde van uw mantel heeft, plijven er maar drie slippen voor u self, naar mijn onnoozel pechrip. Maar dat is alles hetselfde;—als Sir John Falstaff u onaangenaamheids pechaan heeft, dan pen ik van de kerk en wil recht chaarne mijn welwillendheid u aandoen en versoeningen en kompremiesen tusschen u maken. 34
ZIELIG. De geheime raad zal er kennis van nemen; het is oproer.
EVANS. Het is niet choet, dat de cheheime raad van een oproer hoort; er is cheen freese Chots in een oproer te hooren; heb wel attentaat hierop.
ZIELIG. Nu, bij mijn ziel, als ik nog jong was, zou het zwaard het uitmaken.
EVANS. Het is peter, dat frienden het swaard sijn en het uitmaken; en tan is er nog een andere spikkulatie in mijn prein, die misschien iets choets uitwerkt. Taar heb je Anna Page, tochter van den heer George Page, dat een aartige maachtelijkheid is.
SLAPPERMAN. Juffer Anna Page? Zij heeft bruin haar en een fijne stem, zooals de meisjes hebben.
EVANS. Zij is juist de persoon uit de cheheele wereld als maar te wenschen is door u, en sevenhonderd pond geld en choud en silver fan haar chrootvader op zijn sterfbed,—Chod cheve hem een froolijke opstanding!—als sij in staat is seventien jaar te tellen. Het sou een goede suinigheid zijn, als wij ons gehassebas en gewirrewar wechlieten en een huwelijk maakten tusschen mijnheer Abraham en Anna Page.
SLAPPERMAN. Heeft haar grootvader haar zevenhonderd pond nagelaten?
EVANS. Ja, en haar fader laat haar nog meer tuiten.
SLAPPERMAN. Ik ken de jonge juffer; zij heeft goede gaven.
EVANS. Sevenhonderd pond en uitsichten zijn choede chaven.
ZIELIG. Nu, laat ons den braven heer Page een bezoek gaan brengen. Is Falstaff daar?
EVANS. Zou ik u foorliegen? Ik feracht een leugenaar, zooals ik iemand feracht, die niet te fertrouwen is. De ridder, Sir John, is er, en ik pit u, laat u raden door uw welmeeners. Ik wil kloppen op de deur om mijnheer Page. (Hij klopt aan). Hé, hola, Chot segene uw huis!
PAGE (van binnen). Wie is daar?
EVANS. Hier is Chots zegen en uw choede friend en de frederechter Zielig; en hier is de jongeheer Slapperman, die u misschien een ander liedje singen sal, als de saak naar uw smaak is.
(Page komt op.)
PAGE. Het verheugt mij, uw edelheden wel te zien. Ik dank u voor dat wild, mijnheer Zielig.
ZIELIG. Ik ben verheugd u te zien, mijnheer Page; het moge u wel bekomen. Ik wenschte, dat het wild beter ware geweest; het was slecht geschoten.—En hoe maakt het de goede juffrouw Page?—En ik ben u altijd van harte erkentelijk, ja, recht van harte.
PAGE. Ik dank u, heer.
ZIELIG. Heer, de dank is aan mijn kant; bij ja en neen, dat is hij.
PAGE. Ik ben verheugd u te zien, beste heer Slapperman.
SLAPPERMAN. Hoe maakt het uw lichtbruine windhond, heer? Ik hoorde zeggen, dat hij bij Cotswold achter is gebleven.
PAGE. Dat was niet uit te maken, heer.
SLAPPERMAN. Gij wilt er niet voor uitkomen, gij wilt er niet voor uitkomen.
ZIELIG. Dat wil hij niet.—’t Was een ongeluk, ’t was een ongeluk;—’t is een goede hond.
PAGE. Niets bijzonders, heer.
ZIELIG. Ja, heer, hij is een goede hond, en een fraaie hond; wat zal men er meer van zeggen? hij is goed en fraai.—Is Sir John Falstaff hier?
PAGE. Ja, heer, hij is binnen en ik wenschte, dat ik een goed werk kon doen.
EVANS. Dat is gesproken als een christenmensch.
ZIELIG. Hij heeft mij beleedigd, mijnheer Page.
PAGE. Nu, heer, hij bekent het eenigermate.
ZIELIG. Bekend is nog niet geboet; is het zoo niet, mijnheer Page? Hij heeft mij beleedigd; inderdaad, dat heeft hij;—in een woord, dat heeft hij;—geloof mij;—Robert Zielig, esquire, zegt, dat hij beleedigd is.
PAGE. Daar komt Sir John.
(Sir John Falstaff komt op, met Bardolf, Nym en Pistool.)
FALSTAFF. Zoo, mijnheer Zielig, gij wilt mij bij den koning verklagen?
ZIELIG. Ridder, gij hebt mijn dienaars geslagen, mijn herten geveld en het huisje van mijn boschwachter opengebroken.
FALSTAFF. Maar toch „de dochter van uw wachter niet gekust?”
ZIELIG. Stil, geen grappen! gij zult dit moeten verantwoorden.
FALSTAFF. Dit wil ik terstond doen:—ik heb dit alles gedaan; ziedaar mijn antwoord.
ZIELIG. Ik breng het voor den geheimen raad.
FALSTAFF. Gij deedt beter, het in uw geheime lade te houden; men zal u uitlachen.
EVANS. Pauca verba, Sir John; pak zoete prootjes. 123
FALSTAFF. Laat hèm liever een zoutbroodje pakken.—Slapperman, ik heb u een gat in ’t hoofd geslagen; is dat stof tot een aanklacht tegen mij?
SLAPPERMAN. Nu zeker, heer, ik had stof genoeg in mijn hoofd tegen u; en ook tegen uw schurken van gauwdieven, Bardolf, Nym en Pistool. Zij sleepten mij naar de herberg, en maakten mij dronken en leegden toen mijn zakken.
BARDOLF. Gij Banbury-kaas!
SLAPPERMAN (terugwijkend). O, ’t is nietmetal.
PISTOOL. Wat, Mephostophilus!
SLAPPERMAN. O, ’t is nietmetal.
NYM. Flentertje, zeg ik! pauca, pauca; flentertje, dat is mijn humor.
SLAPPERMAN (altijd meer terugwijkend). Waar is Simpel, mijn knecht?—weet gij het ook, neef?
EVANS. Frede, pit ik u. Laten wij tot een verstand komen; daar is drie scheidensrechters in deze zaak, als ik mij wel fersta; dat is de heer Page, fidelicet, de heer Page; en daar ikself, fidelicet, ikzelf, en de derde man is, in de laatste plaats en finaliter, de waard uit „de Kouseband.”
PAGE. Wij drieën, wij willen de zaak onderzoeken, en tusschen hen in het effen brengen.
EVANS. Brafo! ik wil een kort pechrip fan de saak in mijn sakpoekje maken; en wij willen later alles pespreken met alle moochlijke pehoetsaamheid.
FALSTAFF. Pistool!
PISTOOL. Hij hoort met ooren.
EVANS. De tuifel en sijn chrootmoeder! Wat is tat foor een manier van spreken: „Hij hoort met ooren!” Kom, tat is toch cheaffectioneerd.
FALSTAFF. Pistool, hebt gij de beurs van den heer Slapperman gesneden?
SLAPPERMAN. Ja, bij deze handschoenen, dat heeft hij, of ik wil nooit meer in mijn eigen groote kamer komen. Het waren een halve kroon in scheepjesschellingen, en twee mooie schuifbord-schellingen, die mij twee schellingen en twee stuivers het stuk hebben gekost bij Yed Miller, zoowaar ik deze handschoenen heb.
FALSTAFF. Is dit echt waar, Pistool?
EVANS. Neen, het is falsch, als het een puitelsnijderij is.
PISTOOL. Ha, vreemd’ling van ’t gebergt’!—Sir John, gij meester mijn, Ik daag die blikken degenkling hier uit; En looch’ning slinger ik uw labras toe, Ja, looch’ning! Ha, gij heffe en schuim, gij liegt!
SLAPPERMAN (op Nym wijzend). Bij deze handschoenen, dan was hij het.
NYM. Wees gewaarschuwd, heer, en kom met goede humors uit. Ik doe „Hap snap!” met u, als gij mij met dien grijpschaar-humor aan boord komt; dat is het fijne van de zaak. 172
SLAPPERMAN (op Bardolf wijzende). Bij mijn hoed, dan was hij het met dat roode gezicht; want al kan ik mij niet herinneren, wat ik deed, toen gij mij dronken hebt gemaakt, toch ben ik niet geheel en al een ezel.
FALSTAFF. Nu, wat zegt gij, Scharlaken en Hans?
BARDOLF. Wel, Sir, ik voor mijn part zeg, dat die heer zichzelf bedronken heeft, tot hij zijn vijf zinsneden kwijt was.
EVANS. Sijn fijf sinnen, zegt men; foei, wat die onwetendheid toch is!
BARDOLF. En toen hij vetjes was, Sir, werd hij, om zoo te zeggen, gecasseerd; en zoo gingen zijn conclusa’s de spiegaten uit.
SLAPPERMAN. Ja, toen hebt gij ook latijn gesproken; maar dat doet er niet toe. Ik zal mij nooit van mijn leven weer bedrinken, na dezen streek, dan in eerlijk, net, godzalig gezelschap; als ik mij weer bedrink, wil ik dronken zijn met menschen, die de vreeze Gods hebben, en niet met dronken schurken.
EVANS. Nu, bij Chod, dat is een frome gesindheid.
FALSTAFF. Gij hoort, dat al deze dingen geloochend worden, heeren; gij hoort het.
(Anna Page komt op, met wijn; gevolgd door Juffrouw Ford en Juffrouw Page.)
PAGE. Neen, dochter, neem den wijn weer mee, wij willen binnen drinken.
(Anna Page af).
SLAPPERMAN. O hemel, dat is juffer Anna Page.
PAGE. Ei, zie, juffrouw Ford!
FALSTAFF. Juffrouw Ford, op mijn eer, het is mij recht aangenaam u te zien. Met uw verlof, lieve juffrouw!
(Hij kust haar.)
PAGE. Vrouw, heet deze heeren welkom.—Komt, wij hebben een warme wildbraadpastei voor ons middagmaal; komt, heeren, ik hoop, dat wij alle verbittering zullen afdrinken.
(Allen af, behalve Zielig, Slapperman en Evans.)
SLAPPERMAN. Ik gaf wel veertig schellingen, als ik mijn liedekens- en klinkdichtenboek hier had.
(Simpel komt op.)
Wel, Simpel, waar hebt ge gezeten? Ik moet mijzelven bedienen, niet waar? Heb je het raadselboek ook bij je, heb je ’t?
SIMPEL. Het raadselboek? wel, hebt gij dat niet aan Elsje Kleingoed geleend, met de laatste Allerheiligen, veertien dagen voor Sinte Michiel?
ZIELIG. Kom, neef; kom neef; wij wachten op u. Een woordje met u, neef. Zie eens, hier, neef. Er is, als het ware, een voorslag, zoo van verre gedaan door Sir Hugo hier. Verstaat gij mij?
SLAPPERMAN. Ja zeker, en gij zult mij niet onredelijk vinden. Als het zoo is, zal ik alles doen, wat redelijk is.
ZIELIG. Neen, maar versta mij.
SLAPPERMAN. Neen, maar dat doe ik.
EVANS. Geef sijn peweging het oor, heer Slapperman. Ik sal u de saak peschrijfelijk zijn, als gij ontfankelijkheid sijt daarfoor. 223
SLAPPERMAN. Neen, ik wil doen, wat mijn neef Zielig zegt. Neem het mij niet kwalijk, zeg ik, maar hij is vrederechter in zijn landschap, hoe eenvoudig ik hier ook staan mag.
EVANS. Maar dat is de fraag niet; de fraag heeft betreffing op uw huwelijk.
ZIELIG. Ja, dat is de zaak, man.
EVANS. Ja, tat is het; tat is de eigentlijke saak en met juffer Anna Page.
SLAPPERMAN. Nu, als het dat is, dan wil ik haar trouwen, op ieder redelijk verlangen.
EVANS. Maar kunt gij het meisje peminnen? Laat ons tat, wil ik, fan uw mond of fan uw lippen fernemen, want verschillende philosophen beweren, dat de lippen stukken sijn fan den mond; daarom, seg ons uitdrukkelijk, kunt gij uwe affictie op het meisje overbrengen?
ZIELIG. Neef Abraham, kunt gij het meisje beminnen?
SLAPPERMAN. Ik hoop, neef, zoo te doen, als het iemand past, die redelijk wil doen.
EVANS. Neen, Gods heilige mannen en vrouwen, gij moet possitierlijk seggen, of gij uwe sinnen op haar kunt fersetten.
ZIELIG. Dat moet gij. Wilt gij haar trouwen, als zij goed wat meebrengt?
SLAPPERMAN. Ik wil nog wel een grooter ding doen dan dat, op uw verlangst, neef, in alle redelijkheid.
ZIELIG. Neen, begrijp mij, begrijp mij, beste neef; wat ik doe, is om u een plezier te doen, neef. Kunt gij het meisje beminnen?
SLAPPERMAN. Ik wil haar trouwen, neef, op uw verlangst. Al is de liefde in den beginne zoo groot niet, dan kan de hemel dit bij nadere kennismaking verergeren, als wij eens getrouwd zijn en meer gelegenheid hebben om elkander te kennen; ik hoop, van de vertrouwelijkheid zal meer en meer despect groeien; maar als gij zegt „trouw haar,” dan wil ik haar trouwen; daartoe ben ik gedissolveerd en dat vrij en dissoluut.
EVANS. Tat is mij seer verstandig antwoord, alleen find ik fout tat woord dissoluut; dat woord is naar onse meening „rissoluut.” Maar de petoeling is choed.
ZIELIG. Ja, ik denk, mijn neef heeft het goed bedoeld.
SLAPPERMAN. Ja, of anders laat ik mij hangen, ja!
(Anna Page komt weder op.)
ZIELIG. Daar komt de schoone juffer Anna.—Ik wilde wel, dat ik jong was, om uwentwil, juffer Anna.
ANNA. Het eten staat op tafel, mijn vader verzoekt de heeren binnen te komen.
ZIELIG. Tot zijn dienst, schoone juffer Anna.
EVANS. Chod sal mij liefhebben, ik sal bij het chratias niet uitplijven. 274
(Zielig en Evans af.)
ANNA. Wil uw edelheid zoo goed zijn, binnen te gaan, mijnheer?
SLAPPERMAN. Neen, ik dank u, inderdaad, van harte. Ik ben heel wel zoo.
ANNA. Het eten wacht op u, heer.
SLAPPERMAN. Ik ben niet hongerig, ik dank u, waarlijk.—Ga, knaap, want al zijt gij mijn bediende, ga en bedien nu mijn neef Zielig. (Simpel af.) Een vrederechter mag soms aan een vriend wel verplichting hebben voor een knecht.—Ik houd nu maar drie bedienden en een jongen, tot mijn moeder dood is; maar wat doet dat? Ik leef toch als een arm edelman van geboorte.
ANNA. Ik mag niet zonder uw edele binnengaan; zij gaan niet aan tafel, vóór gij komt.
SLAPPERMAN. Inderdaad, ik zal niets eten; ik dank u, niet minder dan of ik het genoten had.
ANNA. Maar ik bid u, heer, ga toch binnen.
SLAPPERMAN. Ik blijf liever buiten om hier wat te wandelen; ik dank u. Ik heb pas mijn scheen geschaafd, toen ik onlangs op rapier en dolk met een schermmeester trok, drie raakstooten om een schotel gestoofde pruimen; en op mijn woord, na dien tijd kan ik de lucht van warm eten niet uitstaan.—Wat blaffen daar uw honden zoo? zijn er beren in de stad?
ANNA. Ik geloof van ja, heer; ik heb er van hooren spreken.
SLAPPERMAN. Dat is een groote liefhebberij van mij, maar ik kan daarbij zoo licht twist krijgen als maar iemand in Engeland. Gij wordt bang, als gij den beer los ziet, niet waar?
ANNA. Ja, zeker, heer.
SLAPPERMAN. Dat is voor mij eten en drinken. Ik heb Sackerson wel twintigmaal los gezien en hem bij den ketting gepakt; maar ik verzeker u, de vrouwen hebben daarbij zoo geschreeuwd en gegild, dat het een aard had. Maar wezenlijk, de vrouwen kunnen hen niet uitstaan; het zijn leelijke ruige schepsels.
(Page komt weder op.)
PAGE. Kom toch, beste heer Slapperman, wij wachten op u.
SLAPPERMAN. Ik zal niets eten; ik dank u, heer.
PAGE. Wat! kippen en pasteiën! gij moogt niet weig’ren. Kom mede, kom!
SLAPPERMAN. Nu, ik bid u, ga voor.
PAGE. Kom toch, heer!
SLAPPERMAN. Juffer Anna, gij moogt voorgaan.
ANNA. Ik? volstrekt niet, heer; ik bid u, ga voor.
SLAPPERMAN. Voorwaar niet; ik zal niet voorgaan, voorwaar niet; die onbeleefdheid doe ik u niet aan.
ANNA. Ik bid u, heer.
SLAPPERMAN. Nu, dan wil ik liever onbeleefd dan lastig zijn. Maar gij doet uzelve onrecht, ja zeker, ja!
(Allen af.)
TWEEDE TOONEEL.
Aldaar.
Sir Hugo Evans en Simpel komen op.
EVANS. Chaat uw wegen en fraag naar dokter Cajus zijn huis, waar tat is; en taar woont een sekere frouw Haastig, die als het ware sijn min is of sijn droge min, of sijn kok, of sijn huishoudster, of sijn waschvrouw of sijn strijkster.
SIMPEL. Goed, sir.
EVANS. Neen, het komt nog peter.—Geef haar dezen prief; want sij is een frouw, die erge bekendschap is van juffer Anna Page; en de prief is, dat ik haar versoek en becheer uws meesters wenschen bij juffer Anna Page te helpen. Ik pit u, cha. Ik heb nog niet afchecheten, taar komen nog pippelingen en kaas.
(Beiden af).
DERDE TOONEEL.
Een kamer in de herberg De Kouseband.
Falstaff, de Waard, Bardolf, Nym, Pistool en Robert komen op.
FALSTAFF. Mijn waard van de Kouseband!
WAARD. Wat zegt mijn ijzervreter? Spreek geleerd en wijs.
FALSTAFF. Waarachtig, mijn waard, ik moet eenigen van mijn gevolg wegdoen.
WAARD. Dank af, IJzerhercules, casseer; laat hen wegdraven, hop, hop!
FALSTAFF. Ik zit op tien pond in de week.
WAARD. Gij zijt een wereldvorst, Cæsar, keizer, man van ijzer. Ik wil Bardolf overnemen; hij zal vaten opsteken, hij zal bier aftappen; is dit goed gesproken, IJzerhector?
FALSTAFF. Doe dat, mijn beste waard.
WAARD. Ik heb het gezegd; laat hem volgen.—(Tot Bardolf.) Ik wil u laten schuimen en kalken; ik ben een man van mijn woord; volg mij.
(De Waard af.)
FALSTAFF. Bardolf, volg hem. Tappen is een goed ambacht; een oude rok levert een nieuw wambuis, een verweerd dienstman een verschen tapper. Ga, vaarwel!
BARDOLF. Het is een leven, zooals ik altijd gewenscht heb. Het zal mij er best in gaan.
(Bardolf af.)
PISTOOL. O snood Gongarisch wicht, wilt gij de kraan regeeren?
NYM. Hij werd in den drank verwekt, is het niet een kostelijke humor? Zijn aard is niet een heldenaard, dat is de humor er van.
FALSTAFF. Ik ben blij, dat ik zoo van die tondeldoos afkom; zijn diefstallen waren al te zichtbaar; in het kapen was hij als een onbedreven zanger, hij hield de maat niet.
NYM. De beste humor is, in een kwart tellens te stelen. 31
PISTOOL. Te lijmen, zegt de wijze; stelen, foei! Een figo aan dat woord!
FALSTAFF. Mannen, ik ben bijna door mijn zolen heen.
PISTOOL. Welnu, laat winterhielen volgen.
FALSTAFF. Er helpt niets aan; ik moet gaan stroopen; ik moet op buit uit.
PISTOOL. Om voedsel schreeuwt het jonge ravenbroedsel.
FALSTAFF. Wie van u kent Ford hier in de stad?
PISTOOL. Ik ken den man; voorwaar, hij is gegoed.
FALSTAFF. Mijn brave jongens, ik wil zeggen, wat er in mij omgaat.
PISTOOL. Twee el, en meer.
FALSTAFF. Geen schimpscheuten nu, Pistool! ’t Is waar, dat ik omga met een middel van twee el, maar ik zoek nu een middel, om niet te verliezen en veel te krijgen. Om kort te gaan, ik wil het hof maken aan de vrouw van Ford. Ik heb voorkomendheid bij haar bespeurd; zij praat, zij lacht toe, zij geeft uitlokkende wenken; ik kan den zin van haar vertrouwelijke gezegden zeer wel gissen, en de stugste uitdrukking van haar houding is, goed verengelscht: „Sir John Falstaff, ik ben de uwe.”
PISTOOL. Hij heeft haar wel bestudeerd en haar wil vertaald, uit de eerbaarheid in het Engelsch.
NYM. Het anker zinkt diep; zal deze humor houden?
FALSTAFF. Nu gaat het gerucht, dat zij de koorden heeft van haars mans beurs; hij heeft een legioen engelen.
PISTOOL. Werf even zooveel duivels aan, en op haar los, mijn zoon!
NYM. De humor stijgt, nu wordt het goed; humoriseer mij die engelen!
FALSTAFF. Ik heb hier een brief aan haar geschreven,—en hier nog een aan Page’s vrouw, die mij eveneens vriendelijke oogjes gaf en mijn uiterlijk met zeer nauwlettende blikjes monsterde. Nu eens vergulde haar oogstraal mijn voet, dan weder mijn achtbaar lijf.
PISTOOL. Dan scheen de zon daar op een mesthoop neer.
NYM. Ik dank u voor dien humor.
FALSTAFF. O, zij nam mijn uiterlijk met zulk een begeerige opmerkzaamheid in oogenschouw, dat de gretigheid van haar oog mij als een brandglas dreigde te verzengen. Hier is ook voor haar een brief; zij draagt ook de beurs; zij is een streek van Guyana, louter goud en overvloed. Ik wil schatmeester voor haar beiden zijn en zij zullen mijn schatkisten zijn; mijn Oost- en West-Indië zullen zij zijn, en ik zal met haar beiden handel drijven. Ga, breng gij dezen brief naar juffrouw Page, en gij dezen naar juffrouw Ford. Wij zullen vooruitkomen, jongens, wij zullen vooruitkomen. 82
PISTOOL. Zou ik Sir Pandarus van Troje worden? Ik, met dit zijgeweer! Eer haal’ mij Lucifer!
NYM. Ik wil mij met geen pooveren humor inlaten. Daar, neem uw humor-brief terug! Ik wil mij aan een levenswandel van reputatie houden.
FALSTAFF (tot Robert). Hier, knaap, breng gij de brieven en met zorg. Zeil als mijn bootje naar die gouden kusten.— Weg, schurken! smelt, verdwijnt als hagelsteenen; Loopt u de hakken af, schuilt, bergt u, voort! Falstaff wil nu den humor van den tijd, De Fransche wijze om rijk te worden leeren, Ikzelf en die omboorde page mijn.
(Falstaff en Robert af.)
PISTOOL. Dat gieren u in uw gedarmt wroeten! Want valsche steenen plukken rijk en arm. ’t Zal klinken in mijn buidel, als gebrek U, snooden Turk uit Phrygië, nijpen zal!
NYM. Ik broed op plannen, die den humor van de wraak hebben.
PISTOOL. Gij zint op wraak?
NYM. Bij ’t luchtgewelf en bij zijn sterren, ja.
PISTOOL. Met geest of staal?
NYM. Met alle twee die humors. Zijn liefde-humor deel ik Page meê.
PISTOOL. Zoo wordt door mij aan Ford ontvouwd, Hoe Falstaff, snood en vet, Zijn duif’jen aanrandt en zijn goud, Wil sluipen in zijn bed.
NYM. Mijn humor zal niet verkoelen; ik wil Page ontvlammen, dat hij naar vergift grijpt; ik wil hem de geelzucht aanjagen, want het oproer in mij is gevaarlijk; en dat is mijn ware humor.
PISTOOL. Gij zijt de Mars der malcontenten; Ik sta u bij; ga voor.
(Beiden af.)
VIERDE TOONEEL.
Een kamer in het huis van Dokter Cajus.
Vrouw Haastig, Simpel en Rugby komen op.
VROUW HAASTIG. Hé, John Rugby!—Wees zoo goed en ga aan het venster en zie, of gij ook onzen heer, den heer en dokter Cajus ziet aankomen; want, waarachtig, als hij komt, en hij vindt iemand in zijn huis, dan heeft Gods lankmoedigheid en ’s konings Engelsch het zwaar te verantwoorden.
RUGBY. Ik zal gaan uitkijken.
VROUW HAASTIG. Doe het; daarvoor zullen wij van avond een biersoepje hebben, waarachtig, bij het laatste restje van het steenkolenvuur. (Rugby af.)—Een eerlijke, gewillige en goedhartige knaap, zoo goed er maar in een huis een wezen kan; en, ik verzeker je, geen aanbrenger en geen twiststoker; zijn ergste gebrek is, dat hij aan het bidden te veel verslaafd is; van dien kant is hij wel wat zielig; maar zoo heeft ieder zijn gebrek; dus dat mag wel zoo wezen. Je naam is Peter Simpel, zegt ge?
SIMPEL. Ja, bij gebrek aan beter.
VROUW HAASTIG. En mijnheer Slapperman is je meester?
SIMPEL. Ja zeker. 19
VROUW HAASTIG. Draagt hij niet een grooten ronden baard, zoo van ’t fatsoen van een handschoenmakers-snoeimes?
SIMPEL. Neen, zeker niet, hij heeft maar een klein nietig gezicht, met een kleinen gelen baard, van de Kaïnsbaardkleur.
VROUW HAASTIG. Een zachtzinnig man, niet waar?
SIMPEL. Ja zeker, maar hij heeft zijn handen tot zijn dienst, zoo goed als iemand, dien ik ken; hij heeft laatst met een konijnenmelker gevochten.
VROUW HAASTIG. Wat je zegt!—O ik moet hem wel kennen; werpt hij het hoofd niet in den nek als het ware, en loopt hij niet als een man van gewicht?
SIMPEL. Ja waarlijk, dat doet hij.
VROUW HAASTIG. Nu, de hemel zende aan Anna Page geen slechter partij! Zeg aan zijn eerwaarde, aan den heer Evans, dat ik voor uw meester wil doen wat ik kan. Anna is een goed meisje, en ik wensch—
(Rugby komt weder op.)
RUGBY. O wee, daar komt onze meester.