Part 5
JUFFROUW PAGE. Dit wil ik niet; ik zoek u wel een beet’ren. 88
VROUW HAASTIG. En dat is mijn meester, de heer dokter.
ANNA. O liever tot aan ’t hoofd in de aard bedolven, En dan met knollen doodgegooid!
JUFFROUW PAGE. Kom, wees maar kalm.—Mijn goede master Fenton, Ik ben niet voor u en niet tegen u; Mijn dochter zal ik vragen, wat haar hart zegt; En wat dat spreekt, zoo zal mijn keuze zijn. Doch nu vaarwel; zij moet volstrekt naar binnen, Want anders wordt haar vader boos.
(Juffrouw Page en Anna Page af.)
FENTON. Vaarwel, geëerde vrouw; vaarwel, mijn Anna!
VROUW HAASTIG. Zie, dat is nu mijn werk.—Wat! zeide ik, wilt gij uw kind weggooien aan een dwaas of aan een dokter? Let wel, master Fenton; dit is mijn werk.
FENTON. Ik dank u; en ik bid u, geef van avond Mijn Anna dezen ring.—Hier! dit voor u.
(Fenton af.)
VROUW HAASTIG. Nu, de Hemel geve u geluk! Een goed hart heeft hij; een vrouw zou door water en vuur loopen om zoo’n goed hart. En toch zou ik wel willen, dat mijn meester juffer Anna kreeg; of ik zou willen, dat die heer Slapperman haar kreeg; of, eigenlijk, ik zou willen, dat mijnheer Fenton haar kreeg. Ik wil doen wat ik kan voor alle drie, want dat heb ik beloofd en een man een man, een woord een woord, maar speciaal voor mijnheer Fenton.—Och, ik heb nog weer een nieuwe boodschap aan Sir Falstaff van mijn twee juffrouwen; wat ben ik toch een beest, dat ik zoo treuzel!
(Vrouw Haastig af.)
VIJFDE TOONEEL.
Een kamer in de herberg de Kouseband.
Falstaff en Bardolf komen op.
FALSTAFF. Bardolf! hoort gij?
BARDOLF. Hier, Sir.
FALSTAFF. Ga een kan sek voor mij halen; doe er een sneê geroosterd brood in. (Bardolf af.) Heb ik dat moeten beleven, in een mand, als een vracht slachtersafval, weggedragen en in de Theems gesmeten te worden? Waarachtig, als ik mij ooit weer zulk een poets laat spelen, dan mag ik mijn hersens laten uitnemen en boteren en aan een hond als nieuwejaars-tractatie geven. De schurken lieten mij zoo onbarmhartig in het water tuimelen, alsof zij een blinden troep jonge honden, van vijftien in een worp, moesten verzuipen; en het is toch uit mijn omvang wel te begrijpen, dat ik een soort van behendigheid in het zinken heb; al was de bodem zoo diep als de hel, naar beneden zou ik. Ik zou verdronken zijn, als de kant niet zandig en ondiep was geweest, een dood, waar ik een afschuw van heb, want het water doet een mensch opzwellen, en wat voor een ding zou ik geweest zijn, als ik opgezwollen was! Ik zou een mummieberg geweest zijn! 19
(Bardolf komt weder op, met den wijn.)
BARDOLF. Daar is vrouw Haastig, Sir, om u te spreken.
FALSTAFF. Kom, laat ik wat sek bij het Theemswater gieten, want mijn buik is zoo koud, alsof ik sneeuwballen had geslikt als pillen om mijn nieren af te koelen. Roep haar binnen.
BARDOLF. Kom binnen, vrouwtje.
(Vrouw Haastig komt binnen.)
VROUW HAASTIG. Met uw verlof,—neem mij niet kwalijk,—ik wensch uw edelheid een goeden morgen.
FALSTAFF. Neem die bekers weg. Ga en brouw mij een potteken sek, maar lekker.
BARDOLF. Met eieren, Sir?
FALSTAFF. Neen, enkel van zichzelf; ik wil geen kippenzaad in mijn brouwsel. (Bardolf af.)—Wat is er?
VROUW HAASTIG. Wel, Sir, ik kom van juffrouw Ford; zij zendt u een vloed van groeten.
FALSTAFF. Een vloed! Nu, ik heb overvloed gehad; ik ben in een vloed gesmeten; ik heb mijn buik vol van vloed.
VROUW HAASTIG. Ach, lieve tijd! die goeie ziel, dat was haar schuld niet; zij is zoo giftig op haar knechts, die hebben hun erectie verkeerd begrepen.
FALSTAFF. Dat heb ik de mijne ook gedaan, door te bouwen op de belofte van een mal vrouwmensch.
VROUW HAASTIG. O Sir, zij lamenteert er over, dat uw hart zou breken van het te zien.—Haar man gaat van morgen op de vogeljacht; zij vraagt u nog eens bij haar te komen, tusschen achten en negenen. Ik moet haar dadelijk bescheid terugbrengen; zij zal u schadeloos stellen, dat verzeker ik u.
FALSTAFF. Nu, ik zal bij haar komen, zeg haar dat. En zeg haar ook, dat zij eens bedenke, wat een mensch is; laat haar eens bedenken, hoe broos die is, en daarnaar beoordeelen, wat ik verdiend heb.
VROUW HAASTIG. Ik zal het haar zeggen.
FALSTAFF. Doe dat. Tusschen negenen en tienen, zegt ge?
VROUW HAASTIG. Acht en negen, Sir.
FALSTAFF. Goed, ga nu; ik zal zorgen er te wezen.
VROUW HAASTIG. Ik wensch u den vrede, Sir.
(Vrouw Haastig af.)
FALSTAFF. Het verwondert mij, dat die heer Beek niets van zich laat hooren. Hij liet mij zeggen, dat ik thuis moest blijven. Zijn geld bevalt mij wel.—O, daar komt hij. 60
(Ford komt op.)
FORD. Gegroet, Sir.
FALSTAFF. Zoo, heer Beek! Gij komt zeker hooren, wat er tusschen mij en de vrouw van Ford is voorgevallen?
FORD. Ja zeker, Sir John, daarvoor kwam ik.
FALSTAFF. Mijnheer Beek, ik wil u met geen leugens aankomen. Ik was op het aangewezen uur bij haar aan huis.
FORD. En hoe ging het u, Sir?
FALSTAFF. Zeer slecht, mijnheer Beek.
FORD. Hoe zoo, Sir? was zij van gedachten veranderd?
FALSTAFF. Dat niet, mijnheer Beek, maar dat ellendige horenbeest, haar man, die, mijnheer Beek, in een eeuwige onrust van jaloerschheid verkeert, komt me daar op het oogenblik van onze ontmoeting, toen wij elkaar slechts even omarmd, gekust, elkaar onze liefde hadden betuigd, kortom als het ware den proloog van ons stuk hadden opgevoerd; en achter hem komt een gansche bende van zijn rotgezellen, die hij in zijn woede had samengeroepen en aangezet, om, waarachtig, huiszoeking te houden naar het lief van zijn vrouw.
FORD. Wat! terwijl gij daar waart?
FALSTAFF. Terwijl ik daar was.
FORD. En hij zocht naar u en kon u niet vinden?
FALSTAFF. Dit zult gij hooren. Het geluk wilde, dat er een zekere juffrouw Page binnenkwam, die het bericht bracht van de komst van Ford; en die had, bij de verlegenheid van Fords vrouw, een inval; en zoo stopten ze mij in een waschmand.
FORD. In een waschmand?
FALSTAFF. Zoo waar God leeft, in een waschmand! en zij pakten mij in met vuile mans- en vrouwehemden met sokken en vuile kousen en smerige servetten. O, mijnheer Beek, dat was het afschuwelijkste mengsel van gemeene luchtjes, dat ooit een neusgat beleedigde.
FORD. En hoe lang hebt gij daarin gezeten?
FALSTAFF. O gij zult hooren, mijnheer Beek, wat ik heb moeten uitstaan, om ten uwen bate die vrouw tot slechtheid te brengen. Toen ik zoo in de mand gepropt was, werden er een paar van Fords schoften, zijn knechts, geroepen door hun meesteres, om mij, onder den naam van vuile wasch, naar de Datchetlaan te dragen. Zij namen mij op de schouders, en vlak bij de deur ontmoetten zij den jaloerschen schelm, hun meester, die hun een paar keer vroeg, wat zij daar in de mand hadden. Ik sidderde van angst, dat de waanzinnige schelm aan het onderzoeken zou gaan; maar het noodlot, dat hem tot hoorndrager bestemd heeft, hield zijn hand terug. Nu, hij ging op zijn zoek en ik ging als vuile wasch weg. Maar let nu op het vervolg en stel u voor, mijnheer Beek: ik ondervond de verschrikkingen van drieërlei dood: vooreerst, een ondraaglijken angst van ontdekt te worden door een jaloerschen stinkenden belhamel; dan, gekromd te liggen als een goede bilbaokling in den omtrek van een kwartschepel, gevest aan spits, hoofd en hiel; en dan vastgestopt te zijn, als een flesch sterken drank, met stinkend vuil goed, dat in zijn eigen vet verging. Bedenk dit,—een man van mijn slag,—bedenk dit,—die voor de hitte zooveel als boter is, een man van voortdurend dooien en smelten; het was een wonder, dat ik den stikdood ontging. En dan, bij het kookpunt van dit zweetbad, toen ik meer dan half gestoofd was in vet als een Hollandsch gerecht, in de Theems geworpen te worden en afgekoeld, gloeiend heet, in dien stroom, als een hoefijzer,—denk eens aan, sissend heet,—denk eens aan, mijnheer Beek.
FORD. In allen ernst, Sir, het spijt mij, dat gij om mijnentwil zooveel hebt moeten lijden. Mijn zaak staat dus wanhopig, want gij zult om mijnentwil geen tweede poging wagen?
FALSTAFF. Mijnheer Beek, ik wil in de Etna geworpen worden, zooals ik in de Theems geworpen ben, eer ik van de zaak afzie. Haar man is van ochtend op de vogeljacht gegaan; ik heb van haar een tweede uitnoodiging tot een samenkomst ontvangen; tusschen achten en negenen is het uur, mijnheer Beek.
FORD. Het is al over achten, Sir.
FALSTAFF. Is het? dan wil ik mij dadelijk voor mijn afspraak gereedmaken. Kom weer bij mij, zoodra het u gelegen komt; dan zult gij hooren, hoe ik vorder; en ten slotte willen wij aan het geheel daardoor de kroon opzetten, dat zij de uwe wordt. Vaarwel! Gij zult haar hebben, mijnheer Beek; mijnheer Beek, gij zult dien Ford tot horendrager maken.
(Falstaff af.)
FORD. Wat! hoe! is dit een visioen? is dit een droom? slaap ik? Vriend Ford, ontwaak! Ontwaak, vriend Ford! Er is een scheur gekomen in uw besten mantel, vriend Ford! Zoo gaat het, als men getrouwd is! zoo gaat het, als men waschgoed en waschmanden heeft! Maar goed, ik zal zelf openlijk verkondigen wat ik ben, ik wil het zwijnjak nu vatten; hij is in mijn huis; hij kan mij niet ontsnappen; ’t is een onmoog’lijkheid, dat hij mij ontsnapt; hij kan niet in een stuiversbeursje, niet in een peperbus kruipen. Maar opdat de duivel, die met hem is, hem niet helpe, wil ik de onmogelijkste hoekjes doorzoeken. Al kan ik niet afschudden, wat ik ben, zal toch de gedachte, dat ik ben wat ik verafschuw mij niet mak maken; als ik horens moet dragen tot dolwordens toe, zoo wil ik ook de zegswijze eer aandoen en echt stierlijk dol zijn.
(Ford af.)
VIERDE BEDRIJF.
EERSTE TOONEEL.
Een straat.
Juffrouw Page, vrouw Haastig en William komen op.
JUFFROUW PAGE. Is hij al ten huize van den heer Ford, denkt gij?
VROUW HAASTIG. Zeker, hij is er al, of hij komt er zoo dadelijk; maar hij is echt separaat dol, dat zij hem in het water gesmeten hebben. Juffrouw Ford laat u vragen, dat gij terstond bij haar komt.
JUFFROUW PAGE. Ik kom op ’t oogenblik; ik moet eerst nog maar mijn jonge mensch hier naar school brengen. Zie, daar komt zijn onderwijzer juist aan: ’t is vandaag een vrije dag, naar het schijnt.
(Sir Hugo Evans komt op.)
Hoe is het, Sir Hugo? geen school vandaag?
EVANS. Neen, heer Slapperman heeft frijaf checheven aan de knaapjes om te spelen.
VROUW HAASTIG. O die goeie mensch!
JUFFROUW PAGE. Sir Hugo, mijn man zegt, dat mijn zoon niets ter wereld leert uit zijn spraakkunst. Wees zoo goed en vraag hem eens het een en ander uit zijn taalboek.
EVANS. Kom hier, William, houd den kop op, kom!
JUFFROUW PAGE. Komaan, jongen, het hoofd op; antwoord uw meester; wees niet beschroomd.
EVANS. William, hoeveel chetallen is in het nomen?
WILLIAM. Twee.
VROUW HAASTIG. Nu, dan moet ik zeggen, ik dacht, dat er een meer zou wezen, want ze zeggen altijd: „Alle goeie dingen zijn drie.”
EVANS. Stil met uw chereutel!—Wat is slecht in het Latijn, William?
WILLIAM. Malus.
VROUW HAASTIG. Wel wel, die wat mal is, is daarom nog niet slecht, zeker niet.
EVANS. Chij sijt een schrikk’lijk onnoozelheid persoon, frouw; ik pit u, stil.—Wat is lapis, William?
WILLIAM. Een steen.
EVANS. En wat is een steen, William?
WILLIAM. Een kei.
EVANS. Neen, het is lapis. Ik moet u pitten, houd uw prein pij malkaar.
WILLIAM. Lapis.
EVANS. Prafo, William. Fan wie, William, worden de artikels ferleend?
WILLIAM. De artikels worden ontleend van het pronomen en de declinatie is: singulariter nominativo, hic, haec, hoc.
EVANS. Nominativo hig, haeg, hog;—ik pit u, let wel op. Genitivo: hujus. Nu, hoe is de accusativus naamfal?
WILLIAM. Accusativo: hinc,— 47
EVANS. Ik pit u, heb uw chedachten, kind. Accusativo: hung, hang, hog.
VROUW HAASTIG. Hong hang hoog. Dat is een echte galgentaal, dat Latijn.
EVANS. Houd toch op met uw chesnater, frouw. Wat is de naamval in den focativus, William?
WILLIAM. O, vocativo,—o,—
EVANS. Petenk toch, William, de focatief is caret.
VROUW HAASTIG. Een karretje, goed op een zandweg.
EVANS. Frouw, houd op.
JUFFROUW PAGE. Stil toch!
EVANS. Hoe is de genitivus in de pluralis, William?
WILLIAM. De genitivus?
EVANS. Ja.
WILLIAM. Genitivo: horum, harum, horum.
VROUW HAASTIG. Wat, harem en hoerem! Maar eerwaarde! O jongen, jongen, dat is geen taal voor kinderen!
EVANS. Schaam u, frouwmensch!
VROUW HAASTIG. Gij doet verkeerd met het kind zulke woorden te leeren.—Hij leert het kind van hikken en van hakkelen; en dat doen ze wel van zelf; en dan dat hoerem, o, foei!
EVANS. Frouw, sijt chij maanziek? hebt chij tan cheen pechrip fan cheslachten en de numeri en de casus? Chij sijt een dwaas kristensmensch, als ik er maar een kan wenschen.
JUFFROUW PAGE. Ik bid u, zwijg.
EVANS. Seg mij nu, William, een paar declinaties fan de pronomens.
WILLIAM. O hé, die heb ik vergeten.
EVANS. Het is: qui, quae, quod; als chij vercheet uw qui’s, uw quae’s, uw quod’s tan moest chij worden chepritst. Cha nu heen en speel; cha.
JUFFROUW PAGE. Hij weet er toch meer van dan ik dacht.
EVANS. Hij is een choede wierige kop. Faarwel, mistress Page.
(Sir Hugo Evans af.)
JUFFROUW PAGE. Goeden dag, beste Sir Hugo.—Ga naar huis, jongen.—Kom, wij houden ons te lang op.
(Allen af.)
TWEEDE TOONEEL.
Een kamer in het huis van Ford.
Falstaff en Juffrouw Ford komen op.
FALSTAFF. Juffrouw Ford, uw leedwezen heeft mijn lijden verslonden. Ik zie, dat gij toewijding bezit in uw liefde en dit zweer ik u te vergelden tot de breedte van een haar toe; niet alleen, juffrouw Ford, met eenvoudige liefdediensten, maar met al het toebehooren, bijbehooren en ceremonieel der liefde. Maar zijt gij nu veilig voor uw man?
JUFFROUW FORD. Hij is op de vogeljacht, waarde Sir John.
JUFFROUW PAGE (achter het tooneel). Hola, lieve juffrouw Ford, hola!
JUFFROUW FORD. Spoedig, Sir John, spoedig! die kamer in.
(Falstaff af.)
(Juffrouw Page komt op.)
JUFFROUW PAGE. Zeg eens, mijn waarde, er is toch niemand hier in huis behalve gijzelf?
JUFFROUW FORD. Wel neen, niemand dan mijn eigen volk. 14
JUFFROUW PAGE. Is dat waar?
JUFFROUW FORD. Ja zeker.—(Fluisterend.) Spreek wat luider.
JUFFROUW PAGE. Nu waarlijk, ik ben blij, dat gij niemand hier hebt.
JUFFROUW FORD. Waarom?
JUFFROUW PAGE. Waarom? wel, vrouwtje, uw man heeft weer zijn oude vlagen. Hij gaat daar ginds zoo te keer tegen mijn man; hij schimpt op alle getrouwde mannen en hij vloekt op alle Eva’s dochters zonder onderscheid, en slaat zich op het voorhoofd en schreeuwt: „Bot uit, bot uit!” zoodat alles, wat ik ooit van dolheid gezien heb, zacht en kalm en geduldig was in vergelijking met de woede, die hem nu bevangen heeft. Ik ben blij, dat de dikke ridder niet hier is.
JUFFROUW FORD. Waarom? spreekt hij dan van hem?
JUFFROUW PAGE. Van niemand anders dan van hem; en hij zweert, dat hij de vorige maal, toen hij hem zocht, in een waschmand het huis is uitgedragen; hij verzekert aan mijn man, dat hij op dit oogenblik hier is, en hij heeft hem en de rest van het gezelschap hun vogeljacht doen opgeven, om nog eens een proefje van zijn argwaan hier te geven. Maar ik ben blij, dat de ridder niet hier is; nu kan hij zich van zijn eigen dwaasheid overtuigen.
JUFFROUW FORD. Is hij al dicht bij, juffrouw Page?
JUFFROUW PAGE. Vlak bij, aan het eind van de straat, hij zal zoo dadelijk hier zijn.
JUFFROUW FORD. Ik ben verloren! de ridder is hier.
JUFFROUW PAGE. Wat! O, dan komt gij geheel te schande, en hij is een kind des doods. Foei! wat zijt gij voor een vrouw!—Hij moet weg, hij moet weg! Liever nog schande, dan moord en doodslag!
JUFFROUW FORD. Maar waar zal hij heen? waar blijf ik met hem? zou ik hem weer in de mand stoppen?
(Falstaff komt weder te voorschijn.)
FALSTAFF. Neen, ik ga niet weer in de mand. Kan ik niet weggaan eer hij hier is?
JUFFROUW PAGE. Ach God, drie broeders van Ford houden aan de deur de wacht met pistolen, opdat er niemand ontkome, anders zoudt ge nog kunnen wegsluipen vóór hij er is. Maar wat doet gij hier? 55
FALSTAFF. Wat moet ik doen?—Ik wil in den schoorsteen kruipen.
JUFFROUW FORD. Daar schieten zij altijd hun vogelroeren in af.
JUFFROUW PAGE. Kruip in de bakoven.
FALSTAFF. Waar is die?
JUFFROUW FORD. Daar zal hij ook zoeken, op mijn woord; geen kast of koffer, geen kist of spinde, geen kelder of put, of hij heeft een kort overzicht van al die plaatsen, en hij doorzoekt die op het lijstje af; er is geen mogelijkheid om u in huis te verbergen.
FALSTAFF. Dan zal ik er uit gaan.
JUFFROUW PAGE. Als gij er uit gaat in uw eigen gedaante, dan zijt gij des doods, Sir John. Ja, als gij in een vermomming er uit kondt komen,—
JUFFROUW FORD. Hoe kunnen wij hem vermommen?
JUFFROUW PAGE. O lieve tijd, dat weet ik niet. Geen vrouwerok is wijd genoeg voor hem; anders kon hij een kap opzetten en een kindoek en een zakdoek nemen, en zoo ontsnappen.
FALSTAFF. Lieve vrouwtjes, bedenkt toch iets; het onmoog’lijkste nog eer dan een ongeluk.
JUFFROUW FORD. Wacht! de moei van mijn meid, het dikke wijf van Brentford, heeft boven een rok hangen.
JUFFROUW PAGE. Op mijn woord, die zal hem passen; zij is even dik als hij; en dan is er ook nog haar linnen kap en haar kindoek.—Vlug naar boven, Sir John.
JUFFROUW FORD. Ga, ga, beste Sir John; juffrouw Page en ik, wij zullen wat linnen zoeken voor hoofdbedekking.
JUFFROUW PAGE. Vlug, vlug! wij komen u zoo dadelijk opdirken; schiet ondertusschen den rok vast aan.
(Falstaff af.)
JUFFROUW FORD. Ik gaf er wat voor, dat mijn man hem in die verkleeding aantrof; hij kan dat oude wijf van Brentford niet uitstaan; hij zweert er op, dat zij een tooverkol is en hij heeft haar het huis verboden en een pak slaag beloofd, als zij hier durft komen.
JUFFROUW PAGE. De hemel voere hem voor uws mans knuppel, en de duivel voere vervolgens den knuppel bij het slaan!
JUFFROUW FORD. Maar komt mijn man werkelijk daar aan?
JUFFROUW PAGE. Ja, in allen ernst, hij komt; en hij praat van de mand ook; de hemel weet hoe hij er van gehoord heeft.
JUFFROUW FORD. Daar zullen wij achter zien te komen; ik zal den knechts last geven de mand weer weg te dragen, zoodat zij hem weer aan de deur er mee ontmoeten, evenals de vorige maal.
JUFFROUW PAGE. Goed, maar hij kan zoo dadelijk hier wezen; wij moeten hem nu dadelijk als de heks van Brentford gaan uitdossen. 100
JUFFROUW FORD. Ik zal eerst aan de knechts zeggen, wat zij met de waschmand te doen hebben. Ga maar naar boven; ik breng dadelijk een paar doeken voor hem.
(Juffrouw Ford af.)
JUFFROUW PAGE. Aan de galg met dien ontuchtigen schelm! wij kunnen hem niet genoeg beetnemen.
Bedriegen kan, zoo leere ons doen, de schijn; Een vrouw kan vroolijk en toch eerbaar zijn; Zij is niet slecht, die gaarne schertst en lacht; Neem eer voor stille waat’ren u in acht.
(Juffrouw Page af.)
(Juffrouw Ford komt weder op, met haar twee Bedienden.)
JUFFROUW FORD. Vlug, mannen, neemt de mand weer op uw schouders; uw meester is vlak bij de deur; als hij u gelast haar neer te zetten, dan gehoorzaamt gij. Vlug, haast u!
(Juffrouw Ford af.)
EERSTE BEDIENDE. Komaan dan, neem op.
TWEEDE BEDIENDE. De hemel geve, dat zij niet weer vol riddervleesch zit.
EERSTE BEDIENDE. Dat hoop ik niet, ik draag al zoo lief zulk een klomp lood.
(Ford, Page, Zielig, Cajus en Sir Hugo Evans komen op.)
FORD. Ja, maar als het toch waar blijkt te zijn, vriend Page, weet gij dan een middel, om mij zotskap-af te doen zijn?—Ah! zet die mand neer, schurken!—Laat er iemand mijn vrouw roepen!—Jong vleesch in een mand!—O gij schurken van koppelaars! Het is een bende, een troep, een samenrotting, een samenzwering tegen mij. Maar nu zal de duivel te schande worden.—Vrouw, vrouw! zeg ik.—Er uit, er uit, gij!—Zie eens, vrouw, wat fraaie wasch gij naar de bleek stuurt.
(Juffrouw Ford komt weder op.)
PAGE. Neen, dat gaat al te ver! Heer Ford, men kan u niet meer vrij laten rondloopen; men moest u boeien aanleggen.
EVANS. Neen, dit is maansiekte; dat is tol als een tolle hond.
ZIELIG. Inderdaad, heer Ford, dit is niet welgedaan; inderdaad.
FORD. Dat zeg ik ook, heer.—Kom hier, juffrouw Ford; juffrouw Ford, de eerbare vrouw, de zedige vrouw, dat deugdzaam wezen, dat een jaloerschen gek tot man heeft!—Ik verdenk zonder eenigen grond, mejuffrouw, niet waar?
JUFFROUW FORD. Dat doet gij,—de hemel zij mijn getuige!—indien gij mij van eenige oneerbaarheid verdenkt.
FORD. Goed gezegd, stalen voorhoofd; houd maar vol.—Voor den dag, kerel!
(Hij haalt waschgoed uit de mand.)
PAGE. Dat gaat te ver.
JUFFROUW FORD. Schaamt gij u niet? laat die hemden met rust.
PAGE. Ik zal u wel krijgen!
EVANS. Tat is onferstandig. Wilt gij uw frouw haar hemden uitsmijten? Kom, laat dat.
FORD. De mand zal leeg, zeg ik.
JUFFROUW FORD. Waarom, man, waarom?
FORD. Mijnheer Page, zoo waar ik een man ben, in deze mand is gisteren iemand mijn huis uitgedragen geworden. Waarom zou hij er niet weer in zijn? In mijn huis is hij, dit is zeker; mijn berichten zijn echt; mijn jaloerschheid is gegrond.—Er uit met de geheele wasch!
JUFFROUW FORD (de wasch uit de mand halend). Daar! Zoo gij daar een man vindt, sterve hij den dood van een vloo.
PAGE. Hier is geen man.
ZIELIG. Zoo waar ik een eerlijk man ben, dit is niet welgedaan, heer Ford; gij maakt uzelven te schande.
EVANS. Heer Ford, chij moet liefer pitten, en niet folgen de verpeeltingen fan uw hart; tit is jaloerschheden.
FORD. Nu ja, hier is hij niet, dien ik zoek.
PAGE. Neen, en nergens anders dan in uw brein.
FORD. Helpt mij nog deze eene maal mijn huis doorzoeken; als ik niet vind, wat ik zoek, verschoon dan mijn buitensporigheid niet in het minst; maak mij dan voor eeuwig tot onderwerp van spot aan tafel en laat het een spreekwoord worden: „zoo jaloersch als Ford, die een holle noot doorzocht om zijns vrouws lief te vinden.” Doet mij nog slechts eenmaal het genoegen en zoek het huis met mij door.
JUFFROUW FORD. Hé, juffrouw Page, kom met de oude vrouw beneden; mijn man wil boven op de kamer zijn.
FORD. Oude vrouw! wat is dat voor een oude vrouw?
JUFFROUW FORD. Och, het is de moei van onze meid, de oude vrouw Brentford.
FORD. Wat, die heks, dat oud wijf, die oude tooverkol! Heb ik haar mijn huis niet verboden? Die heeft hier een boodschap te doen, niet waar? Wij zijn onnoozele mannen; wij weten niet, wat er binnengesmokkeld wordt onder de leus van waar te zeggen. Zij geeft zich af met tooveren, met beheksen, met horoskooptrekken en al zulke duivelskunsten, die boven ons bereik zijn; wij weten niets.—Kom beneden, gij tooverkol, gij heks; kom beneden, zeg ik.
JUFFROUW FORD. Neen, lieve, beste man! O lieve heeren, laat hem toch de oude vrouw niet slaan!
(Falstaff komt weder op, in vrouwenkleederen, geleid door juffrouw Page.)
JUFFROUW PAGE. Kom, moeder Smeer; kom, geef mij de hand.
FORD. Ik zal haar smeren. (Hij geeft Falstaff stokslagen.) Mijn huis uit, gij heks, gij tooverkol, gij stinkdier, gij oud vel! voort! voort! Ik zal u bezweren, ik zal u waarzeggen! 196
(Falstaff af.)
JUFFROUW PAGE. Schaamt gij u niet? Ik geloof, dat gij de arme vrouw hebt doodgeslagen.
JUFFROUW FORD. Ja, zoo ver zal hij het nog brengen.—Het doet u veel eer aan.
FORD. Aan de galg met die heks!