Part 8
I. 1. 158. Een halve kroon in scheepjesschellingen. In ’t Engelsch mill-sixpences, munten op den muntmolen in 1561 voor het eerst geslagen; de stempel werd later veranderd. Een kroon gelieve men hier twee gulden waard te denken; het Engelsch heeft hier zeven grooten, seven groats, wat samen 28 pence is; hoe het mogelijk is, zeven grooten in zesstuiversstukken (of ƒ 1.— in schellingen) te verliezen, moge Slapperman zelf uitleggen.—„Schuifbordschellingen”, Edward shovel-boards zijn groote zware, onder Edward VI geslagen schellingen, die voor het spelen op het shovel-board of shove-groat gebezigd werden. Op dit schuifbord, den voorlooper als het ware van het biljart, werden zulke munten, maar ook wel steentjes van een pond gewicht en meer, met de hand voortgeschoven en moesten dan bepaalde punten of lijnen bereiken.
I. 1. 164. Vreemd’ling van ’t gebergt. Omdat Evans een Walliser is.—Labras, dat volgt, is Spaansch voor „lippen”; er waren in Sh.’s tijd veel Spaansche woorden in gebruik.—Voor het „grijpschaar” staat in ’t Engelsch nuthook, een lange staak met een haak aan ’t eind, om noten van de boomen te halen; het woord is een spotnaam te rekenen voor politiemannen en slaat tevens nog op Slapperman’s magerheid.—„Scharlaken en Hans” zijn de namen van twee volgelingen van Robin Hood, die nu vereenigd op Bardolf worden toegepast, om hem te gelijk als spitsboef en drinkebroer te kenschetsen.
I. 1. 200. Met uw verlof, lieve juffrouw! Kussen was in oud-Engeland een zeer gewone begroeting.
I. 1. 209. Het raadselboek. In 1600 werd „The booke of merry riddles” uitgegeven, dat grooten aftrek vond en verscheidene malen herdrukt werd. Met het liedekens- en klinkdichtenboek kunnen de liederen en sonnetten van den graaf van Surrey bedoeld zijn, die zeer in aanzien waren en in het jaar 1557, waarin zij het licht zagen, driemaal gedrukt werden, verder in 1559, 1565, 1567, 1574, 1585 en 1587.
I. 1. 211. Met de laatste Allerheiligen, veertien dagen voor Sinte Michiel. Evenals zijn meester een eigen rekenmanier, houdt Simpel er zijn eigen kalender op na, want Allerheiligen valt ruim vier weken na Michaëlis.
I. 1. 282. Bedien mijn neef Zielig. Ook als men te gast was, liet men zich toen door zijn eigen knecht bedienen.
I. 1. 307. Sackerson. Honden met beren te laten vechten was toen een zeer geliefd volksvermaak. Sackerson was een sterke beer in Parisgarden, Southwark, Londen.
I. 2. 13. Pippelingen en kaas. Als echt Walliser hield Evans bijzonder veel van kaas.
I. 3. 15. Schuimen en kalken. Men schaafde, volgens Steevens, zeep op den bodem van een bierkan, om het bier te laten schuimen; met sek werd kalk gemengd, om die te klaren; vergelijk 1 K. Hendrik IV, II. 4. 136.
I. 3. 23. O snood Gongarisch wicht. De regel ziet er uit als een gewijzigde versregel uit een oud drama; Gongarian staat voor Hungarian; door deze Hongaren zijn de Zigeuners of Heidens te verstaan, evenals men bij den Boheemschen Tartaar van den Waard (IV. 5. 21) aan dezen te denken heeft. Bisschop Hall zegt in zijn „Satires”:
„So sharp and meagre that who should them see Would swear they lately came from Hungary.”
En zoo kan Hongaar ook de bijbeteekenis hebben van „hongerlijder”.—In het volgend zeggen van Nym staan de laatste woorden van Nym: „Zijn aard is” enz. niet in de folio-, maar zijn aan de quarto-uitgave ontleend.
I. 3. 30. Een figo. Een teeken van verachting; zie 2 K. Hendrik IV, V. 3. 124 (Deel I, blz. 632).
I. 3. 36. Gaan stroopen. Er staat eigenlijk „konijnen vangen”.
I. 3. 49. Zij lacht toe. In ’t Engelsch staat letterlijk: she carves. To carve is eigenlijk „voorsnijden”, „trancheeren”, een kunst, die een welopgevoed mensch, man en vrouw, moest verstaan. Als een vrouw aan een man voorsneed, hem bediende, kon dit een teeken van welwillendheid of gunst gerekend worden, en dat Falstaff, die van zijn buik een afgod maakte, het zoo opvatte, kan niet verwonderen. Men kan hier het woord dus opvatten in letterlijken zin, maar ook eenvoudig als voorkomend zijn; evenzoo is het in „Veel gemin, geen gewin”, V. 2. 323.—Een andere verklaring geeft Grant White; hij zegt, dat het is, „bij het drinken met den vinger een geheim teeken van verstandhouding geven” en haalt daarvoor uit Sir Thomas Overbury’s A very woman het zeggen aan: her lightness gets her to swim at top of the table, where her wry little finger bewrays carving.—In het volgend zeggen van Pistool heeft de folio-uitgave, min verkieslijk, tweemaal will; ’t eerste moet well zijn.
I. 3. 59. Hij heeft een legioen engelen. Gouden munten van 10 shilling.
I. 3. 83. Sir Pandarus van Troje. De oude koppelaar; zie Sh’s Troilus en Cressida.
I. 3. 95. Valsche steenen. In ’t Engelsch worden soorten van valsche dobbelsteenen opgenoemd: gourd, fullam, high en low; misschien waren de eerste met een holte, de tweede met lood vervalscht, en gaven de twee andere altijd hooge of altijd lage oogen.
I. 4. 28. Met een konijnenmelker. In ’t Engelsch warrener, eigenlijk niet een konijnfokker, maar een opzichter in een konijnenperk, die wel niet hooger begaafd behoeft te zijn dan een ganzenhoeder. Moed is zeker niet het eerste vereischte voor deze betrekking.
I. 4. 79. Phlegmatiek. Zij wil natuurlijk choleriek zeggen, maar is met die vreemde woorden telkens in de war.
II. 1. 5. Schoon de Liefde het Verstand wel als haar verkenner gebruike, laat zij het toch niet als haar raadsman toe. Arts zou de vertaling zijn van physician, zooals door de meeste uitgevers, Dyce, Staunton, Clark en Wright, Delius hier gelezen wordt. Maar de arts is in de eerste plaats een raadgever, en de redeneering sluit dus niet. Dit physician is Johnson’s gissing voor precisian, dat in de folio-uitgave gelezen wordt. Het komt mij voor, dat precisian behouden moet blijven en een goeden zin geeft. Een precisian moet beteekenen: iemand, die heel precies is, een nauwlettend mensch, die alles goed opneemt, het voor en tegen overweegt, een berekenaar, een opmerker, een pluizer, een overweger is. Zoo wordt in het vervolg van den brief nageplozen en overwogen, dat er sympathie tusschen Falstaff en zijn aangebedene bestaat: in leeftijd, in vroolijkheid, in smaak voor sek; maar dit alles is niet de reden van zijn liefde, deze vloeit niet voort uit den aard van zijn rede. Hij bemint, omdat hij het moet, door den drang des harten; de reden is niet op te geven, maar hij bemint, hij bemint smachtend, vurig, trouw, en vraagt wederliefde [2].
II. 1. 23. Die Vlaamsche dikzak van een dronkaard. In ’t Engelsch alleen: this Flemish drunkard, maar de Engelschman dacht bij den Duitschen dronk vanzelf aan een grooten lichaamsomvang; vergelijk „Othello”, II. 3. 80.
II. 1. 52. Die ridders willen er op inhakken. Engelsch: These knights will hack. De juiste beteekenis is nog raadselachtig; hack beteekent „hakken”, „houwen”.
II. 1. 64. Het lied van „Juffrouw Groenmouw”. Een lichtzinnig liedje uit dien tijd; het is verloren gegaan, maar de melodie is bewaard gebleven. Wereldsche wijsjes, die opgang maakten, werden toen niet zelden voor geestelijke liederen gebruikt.
II. 2. 19. Pickt-hatch. Een beruchte buurt in Londen.
II. 2. 28. Bierhuis-uitdrukkingen. Engelsch: redlattice phrases. De venstertralies van kroegen en publieke huizen waren roodgeverfd.
II. 2. 157. Welkome Beken. De aangenomen naam van Ford is in de folio Broom, in de quarto-uitgave Brook; het laatste is, blijkens deze woordspeling, juist. De eerste naam, Brook, is waarschijnlijk, om de eene of andere reden, in Broom veranderd, zonder dat men op deze plaats acht sloeg.—Dat iemand ter kennismaking aan een gast in een herberg een kan wijn zond, was in Sh.’s tijd niet vreemd en bleef nog lang daarna in zwang.—De uitroep via! is Italiaansch en beteekent: voort! vooruit! zij was in Engeland zeer gebruikelijk.
II. 2. 311. Amaimon enz. De duivelnamen heeft Sh. ontleend aan het boek van Reginald Scot: Inventarie of the Names, Shapes, Powers, Government and Effects of Devils and Sprites etc. 1584.
III. 1. 17. Aan helt’re peekjes enz. In zijn angst mengt Evans in het lied van Marlowe: The Passionate Shepherd to his Love, dat ook in „De Verliefde Pelgrim” (aan het einde van het derde deel te vinden) is opgenomen een vers uit den 137sten Psalm: „Aan Babels waat’ren zaten wij”. Het oorspronkelijke luidt: By shallow rivers, by whose falls Melodious birds sing madrigals. There will I make thee a bed of roses, With a thousand fragant posies.
III. 3. 15. Datchetwei. Een als bleek gebruikte weide tusschen het noorderterras van het kasteel te Windsor en de Theems, met een sloot, die in de rivier uitloopt.
III. 3. 44. Van kraaien. From jays. Jay is de Vlaamsche gaai of meerkol, Corvus glandarius; het woord wordt ook tot aanwijzing van lichte vrouwen gebezigd, zie „Cymbeline” III. 4. 51.
III. 3. 45. „Is nu mijn hemelsch kleinood mijn?” Have I caught thee, my heavenly jewel? Zoo begint het tweede lied uit Sidney’s Astrophel and Stella. Alleen is in de folio-uitgave het woord thee ingevoegd.
III. 3. 79. De apothekersstraat in den kruidentijd. In ’t Engelsch wordt de straat, waarin vele apotheken waren, door den naam, Bucklersbury, aangewezen; de „kruidentijd” is natuurlijk de tijd, waarin de meeste kruiden, simples, verzameld en gedroogd werden.
III. 3. 96. Verschuilen achter het wandtapijt. Zie 1 K. Hendrik IV, II. 4. 549 en „Hamlet”, II. 2. 163 en III. 4. 7.
III. 4. 47. Wat er ook gebeure. Er staat eigenlijk „kome kort- en langstaart”; hij voegt er bij, dat hij zich niet zoo hoog als een landjonker, squire, wil verheffen, misschien uit respect voor Zielig, die een „squire” is.
IV. 1. 4. Echt separaat dol. In ’t Engelsch zegt vrouw Haastig very courageous mad, „courageous” voor outrageous; in ’t Nederlandsch staat natuurlijk separaat dol voor „desperaat dol”.
IV. 1. 41. De artikels worden ontleend van het pronomen. In het Latijn zijn, zooals bekend is, geen lidwoorden. Maar ook de ouden, zelfs Varro reeds, die ten tijde van Caesar leefde, bezigden de aanwijzende voornaamwoorden, om de geslachten der naamwoorden te onderscheiden; zoo zegt Varro („De lingua latina”, X. 2. 161): „In virili genre est lepus, ex neutro nemus; dicitur enim hic lepus et hoc nemus”. Zoo heeft langzamerhand de Grammatica der middeleeuwen van het demonstrativum als het ware een artikel gemaakt, en in de Latijnsch-Engelsche woordenlijsten der 15de eeuw, die nog lang in gebruik bleven, vindt men voor ieder substantivum, naar gelang van zijn geslacht, een hic, een hec of een hoc, of ook verkort i, e, o.
IV. 2. 77. Het dikke wijf van Brentford. Gillian (Juliana) of Jyl was een om haar grappige invallen zeer bekende waardin uit Brentford,—een stadje, ongeveer zeven mijlen westelijk van Londen, naar Windsor toe, gelegen,—en ging bij velen voor een heks door.—Er werden toen doeken gedragen, mufflers, om de kin en den mond te omhullen.
IV. 2. 110. Neem eer voor stille waat’ren u in acht. In het Engelsch staat hier het spreekwoord: „Stille varkens eten alle draf.” Ons spreekwoord is: „Stille waters hebben diepe gronden”.
IV. 3. 1. De Duitschers verlangen. In de folio-uitgave staat hier het enkelvoud, en dit wisselt later af met het meervoud, als om aan te duiden, dat een van de drie hoofdpersoon is.—Hoogstwaarschijnlijk was de in dit stuk optredende waard een aan de toeschouwers bekende persoonlijkheid en is hij werkelijk door Duitsche groote heeren bedrogen, aan wie hij paarden had geleverd zonder er betaling voor te kunnen krijgen. Dit nader aan te toonen, waarvoor bronnen genoeg voorhanden zijn, zou hier te veel ruimte vorderen en de zaak is er niet belangrijk genoeg voor.
IV. 4. 28. Er loopt een sprookje van den jager Hoorne. Halliwell zegt aan het slot zijner inleiding bij een herdruk der oude quarto-uitgave: „In a manuscript of the time of Henri VIII, in the British Museum, I find: „Rycharde Horne, yeoman”, among „the names of the hunters which be examyned and have confessed for hunting in his majesty’s forest”.” Volgens de oude overlevering zou Horne, die opzichter was van het koninklijk park, uit angst voor zijn ontslag, zich opgehangen hebben aan den naar hem genoemden eik. Men heeft zich veel moeite gegeven, om de plaats, die de dichter zich voor dit tooneel voorstelt, aan te wijzen, maar het mag overbodig heeten daarover uit te wijden, en na te gaan, welke der eiken, dien men als „eik van Horne” heeft aangewezen, door Sh. bedoeld zou zijn. Slechts dit: de plaats lag zeker vrij dicht bij het kasteel, want daar vond men vroeger eiken, zaagkuil (een timmerplaats) en een droge gracht, die bij de slotgracht behoorde, bij elkander.—In de oude quarto-uitgave is de naam des jagers, evenals in bovenstaand document, Horne, en niet Herne, zooals in de folio-uitgaaf. De eerste naam zal wel de juiste zijn en is in dit stuk eigenaardiger; zie ook V. 5. 115.
IV. 5. 7. Veldbed. Trucklebed, een laag bed, op rollen, dat onder het groote bed, dat op pooten stond, kon geborgen worden en meest voor een bediende bestemd was.
IV. 5. 19. Ephesiër. Een vroolijke, levenslustige klant, ook wel Corinthiër geheeten, zie 2 K. Hendrik IV, II. 2. 164 en 1 K. Hendrik IV, II. 4. 13.—Over Boheemsche Tartaar, zie boven, blz. 328, bij I. 3. 23.
IV. 5. 66. Kerlino. Evenzoo maakt in ’t oorspronkelijke de waard van het Engelsche varlet, „knecht”, „kerel”, het Italiaansch klinkend varletto.
IV. 5. 104. Primero. Een kaartspel, thans onbekend, ook in K. Hendrik VIII, V. 1. 7. vermeld.
V. 1. 1. Kom kom, enz. Dit eerste tooneel zou eigenlijk beter bij het vorige bedrijf gevoegd zijn.
V. 5. 21. Pataten regenen, eryngiën, sneeuwen. De pas bekend geworden aardappels en de kruisdistels werden geacht een tot mingenot opwekkende kracht te bezitten.
V. 5. 43. Aardsche wichten, volgens ’t lot geroofd. You orphan heirs of fixed destiny. Waarschijnlijk: kinderen van aardsche ouders, die volgens eeuwig besluit van het noodlot door de elfen geroofd en door deze als kinderen aangenomen waren.—Met oyez, hoort (in het Engelsch oyes, rijmend op toys), begon een heraut steeds tot stilte te vermanen.—Voor deze woorden der Elfenkoningin staat in de folio-uitgaaf Qui., d.i. Quickly (de naam van vrouw Haastig), voor de volgende van Hobgoblin, de naam Pistool, wat niet anders aanduidt,—daar het voor den druk gebezigde handschrift blijkbaar bij de vertooning van het stuk gebezigd was,—dan dat dezelfde spelers, die vrouw Haastig en Pistool hadden voorgesteld, nu als Feeënkoningin en Hobgoblin optraden.—Mogelijk ondertusschen is Qui. een drukfout voor Qu., d.i. Queen, koningin, Elfenkoningin.
V. 5. 53. Tauwtrupje. In ’t Engelsch staat Bede, d.i. Bead, in de quarto-uitgave, om Evans’ Walliser uitspraak, Pead. Bead is een knopje, bolletje b.v. van een rozenkrans, kraal, ook droppel, of wel alles wat zeer klein is.
V. 5. 60. Windsors slot. Malone heeft vermoed, dat de regels, die op de orde van den Kouseband doelen en in de quarto-uitgave van 1602 ontbreken, later bijgevoegd zijn en op het door koning Jacobus I in 1603 te Windsor gehouden feest der orde betrekking hebben. Dit vermoeden is zeer waarschijnlijk juist. In reg. 67 wordt gesproken van installatie van nieuwe ridders,—each fair instalment,—en in de laatste jaren van Elizabeths regeering was er van installatie van nieuwe ridders zoo geen sprake; daarentegen was in 1603 Sh.’s begunstiger en vriend, graaf Southampton, onder hen, wien deze eer ten deel viel. Kort te voren was hij nog een gevangene wegens hoogverraad en had bijna het lot van zijn vriend Essex gedeeld; na Elizabeths dood werd hij weder in zijn rang en zijn waardigheden hersteld en mocht naar het gebruik der orde zijn insignia: schild, helm en banier, met zijn voor rein verklaard wapen, boven zijn zetel in de kapel der orde ophangen. De toevoeging with loyal blazon, reg. 68, kan zeer wel hierop doelen.
V. 5. 107. Neen, loop niet weg. De speelaanwijzing, die aan deze woorden van Page voorafgaat, ontbreekt in de folio-uitgaaf geheel, en is reeds door een der oudste uitgevers, Theobald, aan de eerste quarto-uitgave met eenige wijzigingen ontleend. Dat de inhoud moet zijn als hier gegeven is, valt niet te betwijfelen.
AANTEEKENINGEN
[1] Een eeuw later is er een overlevering geboekt, dat koningin Elizabeth zelf gewenscht zou hebben, Falstaff nog eens, en wel verliefd, te zien optreden.
[2] Het woord verkennen beveelt zich aan, omdat het een krijgsman is, die schrijft; voor „verstand” zou men „rede” willen kiezen, om de gelijkheid in klank met reden, maar ’t woord is vrouwelijk.—Op godsdienstig gebied zou a precisian een streng puritein kunnen zijn, maar van de Rede hier een „verdammender Inquisitor”, een „Prediger”, een „Proselytenmacher” of een „Sittenlehrer” te maken, zooals Duitsche vertalers gedaan hebben, gaat, dunkt mij, in het geheel niet aan.