Chapter 3 of 8 · 3959 words · ~20 min read

Part 3

VROUW HAASTIG. Nu, het korte en het lange van de geschiedenis is: gij hebt haar zoo van haar tarmentane gebracht, dat het verwonderlijk is. De beste van alle hovelingen, toen het hof nog in Windsor was, had haar nooit zoo uit haar tarmentane kunnen brengen; en toch zijn er wel geweest, ridders en lords en edellieden, met hun koetsen; ik verzeker u, koets op koets, brief op brief, geschenk op geschenk; en zoo lekker van reuk, pure muskus, en zoo ritselend, ik verzeker het u, in zijde en goud; en in zulke alligante uitdrukkingen; zulke wijn en suiker, van het fijnste en beste, wat een vrouwehart maar verlokken kon; en ik verzeker u, zij konden geen van allen zelfs geen knipoogje van haar krijgen.—Ikzelf had nog van morgen twintig engelen kunnen krijgen; maar ik wil niets van engelen weten—van dat slag dan, om zoo te zeggen,—dan in alle eere;—en, ik verzeker u, ze konden nooit zooveel van haar gedaan krijgen, dat zij met de grootste van hen aan zijn beker den mond zette; en toch waren er graven bij, ja wat meer is, heeren van de lijfwacht; maar ik verzeker u, dat is haar alles een en hetzelfde. 80

FALSTAFF. Maar wat zegt zij tot mij? wees wat kort, mijn beste wijfjes-Mercurius!

VROUW HAASTIG. Wel, zij heeft uw brief gekregen, en zij laat er u duizendmaal voor bedanken; en zij laat u zooveel zeggen, dat haar man van huis zal wezen tusschen tienen en elven.

FALSTAFF. Tusschen tienen en elven?

VROUW HAASTIG. Ja zeker, en dan kunt gij komen en de schilderij zien, zegt ze, waar gij van weet; mijnheer Ford, haar man, is dan van huis. Ach God! de lieve vrouw heeft een kwaad leven met hem, hij is zoo jaloersch als iets; zij heeft een recht sikkeneurig leven bij hem, de goede ziel.

FALSTAFF. Tusschen tienen en elven. Nu, vrouwtje, doe haar mijn groeten; ik zal er wezen.

VROUW HAASTIG. Wel, dat is goed. Maar ik heb nog een andere boodschap aan uw edele. Ook juffrouw Page laat u hartelijk groeten;—en hoor eens, een woordje in ’t oor, zij is zulk een fatsoendelijke, eerzame en zedige vrouw, en een vrouw, die,—verzeker ik u,—haar morgen- en haar avondgebed niet verzuimt,—als er maar een is in Windsor, de anderen niet te na gesproken; en zij verzocht mij uw edele te vertellen, dat haar man zelden van huis is, maar zij hoopt toch, dat er wel eens een tijd komt. Ik heb van mijn leven geen vrouw zoo dol op een man gezien; op mijn woord, gij moet tooverkunsten hebben, ja; ja zeker.

FALSTAFF. Ik, neen, dat verzeker ik je; behalve de aantrekkelijkheid van mijn persoon en mijn eigenschappen, heb ik geen andere toovermiddelen.

VROUW HAASTIG. Daarvoor zegene u de hemel!

FALSTAFF. Maar zeg mij nog, bid ik u,—hebben de vrouw van Ford en van Page elkaâr meegedeeld, dat zij op mij verliefd zijn?

VROUW HAASTIG. Nu, dat zou wat moois wezen, waarachtig!—neen, zoo dwaas heeft onze lieve Heer ze niet gemaakt, hoop ik,—dat zou een gekke streek wezen, waarachtig! Neen, maar juffrouw Page laat u bij al wat lief is bidden, dat gij haar toch uw kleinen page stuurt; haar man heeft een verwonderlijke infectie voor dien kleinen page, en mijnheer Page is een beste man, waarachtig. Geen vrouw in heel Windsor heeft een beter leventje dan zij: zij doet wat zij wil, zegt wat zij wil, koopt alles, betaalt alles, gaat naar bed als zij lust heeft, staat op als zij lust heeft, en alles gaat zooals zij wil; en waarachtig, zij verdient het, want als er één lieve vrouw is in Windsor, dan is zij het. Gij moet haar uw page zenden, daar helpt niets aan.

FALSTAFF. Goed, het zal gebeuren. 128

VROUW HAASTIG. Neen, maar doe het zeker; en zie, dan kan hij tusschen u beiden heen en weer gaan; en in allen gevalle moet gij een afgesproken woord hebben, waardoor gij elkander begrijpt, zonder dat de jongen er nooit niets van kan maken; want het is niet goed, dat kinderen iets van slechtigheden te weten komen; oudere menschen, weet ge, zijn verstandig, om zoo te zeggen, en weten, wat er in de wereld te koop is.

FALSTAFF. Nu, goeden dag, groet beiden van mij. Daar is mijn beurs; en ik blijf nog bij u in de schuld.—Jongen, ga met die vrouw mede. (Vrouw Haastig af, met Robert.) Dit nieuws doet mij versteld staan.

PISTOOL. Die pink is postboot van Cupido! Meer zeilen bij; haar na, het schanskleed op! Vuur! mij die prijs, of de oceaan slokke alles!

(Pistool af.)

FALSTAFF. Nu, oude Hans, wat zegt gij? ga uw gang; ik zal nu meer van uw oud karkas maken, dan ik nog ooit gedaan heb. Kijkt men nog naar u om? Komt gij, na zooveel geld gekost te hebben, nu aan het winnen? Mijn goed karkas, ik dank u; laat men zeggen, dat het een sterk stuk is; als het maar een fraai stuk is, wat doet het er toe?

(Bardolf komt op.)

BARDOLF. Sir John, daar is een zekere heer Beek beneden, die u gaarne zou willen spreken en met u kennis maken; en hij zendt daartoe uw edele een morgendronk sek ter begroeting.

FALSTAFF. Hij heet Beek?

BARDOLF. Ja, Sir.

FALSTAFF. Breng hem binnen. (Bardolf af.) Dat zijn mij welkome Beken, die zulk een vocht doen stroomen. Aha! Juffrouw Ford en juffrouw Page, heb ik u omsingeld? Vooruit! via!

(Bardolf komt terug, met Ford die vermomd is.)

FORD. God zegen’ u, Sir.

FALSTAFF. U desgelijks, Sir. Gij wenscht mij te spreken?

FORD. Ik neem de vrijheid van u zoo met weinig plichtplegingen aan boord te komen.

FALSTAFF. Gij zijt welkom. Wat is uw verlangen?—Laat ons alleen, tapper.

(Bardolf af.)

FORD. Sir, ik ben een gentleman, die al heel wat verteerd heb. Mijn naam is Beek.

FALSTAFF. Beste heer Beek, ik hoop nader met u bekend te worden.

FORD. Beste Sir John, ik wensch dit als gunst van u; niet om u lastig te vallen, want ik moet u doen opmerken, dat ik mijzelven beter in staat acht om geld uit te leenen dan gij het zijt; en dit heeft mij ook eenigszins moed gegeven tot dit ontijdig binnendringen, want waar geld vooruitgaat, zegt men, staan alle wegen open.

FALSTAFF. Geld is een goed soldaat, heer, en dringt door. 176

FORD. Zoo is het; en ik heb hier een buidel met geld, die mij bezwaart; als gij mij dien wilt helpen dragen, Sir John, zoo neem hem, heel of half, om mij den last te verlichten.

FALSTAFF. Ik weet niet, heer, waarmee ik verdiend heb, uw lastdrager te zijn.

FORD. Ik wil het u zeggen, Sir, als gij mijn gehoor wilt schenken.

FALSTAFF. Spreek, waarde heer Beek; het zal mij een genoegen wezen, u van dienst te zijn.

FORD. Sir, ik hoor, dat gij een geleerde zijt,—ik wil kort zijn,—en gij zijt reeds lang bij mij bekend, hoewel de gelegenheid nooit met mijn verlangen, om met u kennis te maken, gelijken tred hield. Ik heb u een zaak mede te deelen, waarin ik maar al te zeer mijn eigen zwakte u moet blootleggen; maar, goede Sir John, terwijl gij het eene oog op mijne dwaasheden richt, die ik u ontvouwen zal, moet gij het andere slaan in het register van uw eigene, opdat ik te gemakkelijker vrij kom met een berisping, daar gijzelf weet, hoe licht men in zulk een zonde vervalt.

FALSTAFF. Zeer goed, heer; ga voort.

FORD. Er is hier in de stad een vrouw, haar man heet Ford.

FALSTAFF. Jawel, heer.

FORD. Ik heb haar reeds lang bemind en, dit kan ik u verzekeren, veel aan haar te koste gelegd, haar met smachtende hulde vervolgd, iedere gelegenheid aangegrepen om haar te ontmoeten, ook het minste toeval in pacht genomen, dat mij maar den vluchtigsten blik op haar kon doen werpen, niet alleen vele geschenken voor haar gekocht, maar ook rijkelijke fooien aan menigeen gegeven, om te weten te komen, welke geschenken haar welgevallig zouden zijn. Kortom, ik heb haar vervolgd, zooals de liefde mij vervolgde, namelijk met de wieken van iedere gelegenheid. Maar wat ik ook voor mijn standvastigheid of voor mijn opoffering moge verdiend hebben, loon, dit is zeker, is mij niet geworden, tenzij ondervinding een kleinood te rekenen zij, want die heb ik voor een ongehoorden prijs gekocht, en zij heeft mij geleerd te zeggen:

Gelijk een schim vliedt liefde, als rijkdom haar vervolgt, Vervolgt wat haar ontvliedt, ontvliedt wat haar vervolgt.

FALSTAFF. Hebt gij geen belofte van verhooring van haar ontvangen?

FORD. Nooit.

FALSTAFF. Hebt gij daarop bij haar aangedrongen?

FORD. Nooit.

FALSTAFF. Van welk een aard was dan uw liefde?

FORD. Zij geleek een schoon huis, op eens andermans grond gebouwd; zoodat ik mijn gebouw verspeelde, door een verkeerd erf te kiezen om het te stichten.

FALSTAFF. Met welk deel hebt gij mij dit meegedeeld? 228

FORD. Als ik u dit gezegd heb, weet gij alles. Er zijn er, die zeggen, dat, al doet zij zich aan mij ook nog zoo eerbaar voor, zij elders wel eens zoo aan haar dartelheid den teugel viert, dat zij er erg van in opspraak komt. En nu, Sir John, kom ik tot de kern van mijn plan: gij zijt een gentleman van fijne beschaving, bewonderenswaardig talent van praten, in de hoogste kringen gezien, invloedrijk door rang en persoon, algemeen geschat wegens uwe hoedanigheid als soldaat, als hoveling en als geleerde,—

FALSTAFF. O, Sir!

FORD. Geloof dit, want gij weet het zelf.—Hier is geld; verbruik het, verbruik het; verbruik meer; verbruik al wat ik heb; alleen geef er mij in ruil zooveel van uw tijd voor, voor een verliefden aanslag tegen de deugd van Fords vrouw noodig is. Stel uw verleidingskunsten in het werk: win haar, dat zij u haar gunsten schenkt; als iemand dit vermag, dan kunt gij het zoo goed als iemand.

FALSTAFF. Zou het met de heftigheid van uw hartstocht strooken, als ik won, wat gij wenscht te erlangen? Mij dunkt, gij schrijft uzelven zeer verkeerde middelen voor.

FORD. O, begrijp mijn bedoeling. Zij woont zoo ongenaakbaar in de uitnemendheid harer deugd, dat de dwaasheid mijner ziel zich niet durft vertoonen; zij is te schitterend om tot haar op te blikken. Maar zie, als ik eens met een ontdekking in de hand voor haar kon treden, dan hadden mijn wenschen steun en grond om zich te doen gelden; dan kon ik haar drijven uit het bolwerk van haar kuischheid, haar goeden naam, haar huwelijksgelofte en die duizend verdedigingswerken meer, die nu veel te sterk tegen mij bevestigd zijn. Wat zegt gij hierop, Sir John?

FALSTAFF. Mijnheer Beek, vooreerst ben ik zoo vrij uw geld te aanvaarden; ten tweede, geef mij de hand; en ten laatste, zoowaar ik een edelman ben, gij zult, als dit uw wil is, de vrouw van Ford de uwe noemen.

FORD. O beste Sir!

FALSTAFF. Ik zeg, gij zult.

FORD. Geen zorg om geld, Sir John, daaraan zal het u niet mangelen.

FALSTAFF. Geen zorg om juffrouw Ford, mijnheer Beek, het zal u aan juffrouw Ford niet mangelen. Ik ga zoo dadelijk naar haar toe, en wel,—u kan ik dit wel zeggen,—heeft zijzelf mij besteld; juist toen gij bij mij binnenkwaamt, ging haar helpster of tusschenpersoon van mij heen. Zooals ik zeg, zal ik tusschen tienen en elven bij haar zijn, want op dien tijd zal die jaloersche ellendige kerel, haar man, uit zijn. Kom van avond maar bij mij aan, dan zult gij hooren, hoe ik slaag. 278

FORD. Het is een waar geluk voor mij, dat ik met u heb kennis gemaakt? Kent gij Ford, Sir?

FALSTAFF. Naar den duivel met dien armen sukkel van een hoorndrager; ik ken hem niet.—Maar ik doe hem daar te kort door hem arm te noemen, want de jaloersche kroondragende schelm heeft, zeggen ze, een massa geld, en dat is het juist, wat zijn vrouw voor mij zoo bekoorlijk maakt. Ik wil haar gebruiken als sleutel voor de geldkist van dien gehorenden schavuit en in zijn huis mijn oogstfeest vieren.

FORD. Ik wenschte wel, dat gij Ford kendet, Sir, opdat gij hem uit den weg kondt loopen, als gij hem ziet.

FALSTAFF. Naar den duivel met dien kleinburgerlijken zouteboterslokker! Ik wil hem aanstaren, dat hij er gek van wordt; ik wil hem in ontzag houden met mijn knuppel, die als een meteoor over de horens van den sukkel zal zweven. Vriend Beek, gij zult zien, hoe ik den kinkel de baas word en gij zult bij zijn vrouw slapen.—Kom van avond maar vroeg bij mij.—Ford is een sukkel en ik wil zijn titel nog verfraaien; gij, vriend Beek, zult hem als een hoorndragenden sukkel leeren kennen. Kom van avond maar vroeg bij mij.

(Falstaff af.)

FORD. Wat is dat voor een vervloekte Epicurische schurk!—Mijn hart is op het punt van nijdigheid te barsten!—Wie kan nu nog zeggen, dat het blinde jaloezie is? Mijn vrouw heeft hem een boodschap gestuurd, het uur is bepaald, de koop is gesloten. Zou eenig mensch dit gedacht hebben?—O welk een hel, een ontrouw wijf te hebben! Mijn bed moet onteerd, mijn geldkist geplunderd, mijn goede naam vertreden worden; en ik moet niet alleen dezen gruwelijken smaad verdragen, maar mij ook de afschuwelijkste bijnamen laten welgevallen, en dat wel van hem, die mij dezen smaad aandoet! En welke titels, welke namen!—Amaimon klinkt goed, Lucifer goed, Barbason goed; en toch dat zijn duivelentitels, namen van booze geesten; maar hoorndrager! horenbeest! de duivel zelf heeft zulk een naam niet!—Page is een ezel, een onnoozele ezel; hij wil zijn vrouw vertrouwen! hij wil niet jaloersch wezen! Ik wil eer een Vlaming bij mijn boter, den eerwaarden Walliser Hugo bij mijn kaas, een Ier bij mijn brandewijnflesch of een dief voor het afrijden van mijn vosruin, dan mijn vrouw aan haarzelf vertrouwen; want dan wordt er dadelijk beraamd en overlegd en uitgevonden; en wat zij in haar hart hebben voorgenomen, dat moet uitgevoerd worden, al zou haar hart er van bersten!—Den hemel zij dank voor mijn ijverzucht!—Elf uur is de tijd; ik zal dit voorkomen, mijn vrouw ontmaskeren, mij op Falstaff wreken, en Page uitlachen. Dadelijk er op af! beter drie uren te vroeg dan één minuut te laat!—Foei, foei, foei! Horen-, horen-, hoorndrager!

(Ford af.)

DERDE TOONEEL.

In het park van Windsor.

Cajus en Rugby komen op.

CAJUS. ’Ans Rugby!

RUGBY. Heer dokter!

CAJUS. Wat is de uur, ’Ans?

RUGBY. ’t Is over ’t uur, heer, dat Sir Hugo beloofd had hier te zijn.

CAJUS. Bij Kot, ’ij heeft kered zijn ziel, dat ’ij niet is koom; ’ij ’eeft zijn bijbel wel kebid, dat ’ij niet is koom. Bij Kot; ’Ans Rugby, ’ij is al dood, als ’ij is koom.

RUGBY. Hij is verstandig, heer; hij wist, dat uwe edele hem dooden zou, als hij kwam.

CAJUS. Bij Kot, de ’arink is niet zoo dood, als ik hem wil dood maak. Neem uw rapier, ’Ans, ik u wil demonstreer, ’oe ik ’em wil dood maak.

RUGBY. Ach, heer, ik kan niet schermen.

CAJUS. Skurkerij, neem uw rapier.

RUGBY. Stil, daar komen menschen.

(De waard, Zielig, Slapperman en Page komen op.)

WAARD. God zegen’ u, ijzerdokter!

ZIELIG. Gegroet, heer dokter Cajus!

PAGE. Zoo, beste heer dokter!

SLAPPERMAN. Goeden morgen, heer!

CAJUS. Waar zijt gij saam, één, twee, drie, vier, voor koom?

WAARD. Om u te zien vechten, te zien uitvallen, te zien traverseeren, u hier te zien en daar te zien, uw punto’s, uw stoccado’s, uw reserven en uw distanties, uw montanten te zien. Is hij al dood, mijn Ethiopiër? is hij dood, mijn Francisco? ha, ijzervreter! Wat zegt mijn Esculaap? mijn Galeen? mijn vlierboom-hart? Ha, is hij dood, mijn waterkijk-ijzervreter, is hij dood?

CAJUS. Bij Kod, ’ij is de meest lafaard priest van de wereld, ’ij zijn facie niet vertoon.

WAARD. Gij zijt een Kastiljaan, een koning Urinaal; een Hector van Griekenland zijt gij, mijn jongen!

CAJUS. Ik u bid, getuig, dat ik ’eb gewakt zes of zeven, twee, drie uur op ’em, en ’ij niet is koom.

ZIELIG. Hij is er wijzer om, heer dokter; hij is een geneesmeester van de ziel en gij een geneesmeester van het lichaam; als gij vecht, gaat dat tegen het haar in van uw beroepen. Is het zoo niet, heer Page?

PAGE. Gij zijt zelf, heer Zielig, een groot vechter geweest, al zijt gij nu een man van den vrede. 45

ZIELIG. Sacrament, heer Page, al ben ik nu oud en van den vrede, als ik een zwaard getrokken zie, dan jeuken mij de vingers om eens te trekken. Al zijn wij vrederechters en dokters en mannen van de kerk, heer Page, wij hebben toch nog iets van het zout onzer jeugd in ons; wij zijn allen van vrouwen geboren, heer Page.

PAGE. Het is waar, heer Zielig.

ZIELIG. Het zal zoo bevonden worden, heer Page. Heer dokter Cajus, ik ben gekomen om u naar huis te brengen. Ik ben voor den vrede beëedigd; gij hebt u een wijs geneesheer betoond en Sir Hugo heeft zich een wijs en verdraagzaam geestelijke betoond. Gij moet met mij gaan, heer dokter.

WAARD. Met uw verlof, gast-vrederechter;—een woord, Monsieur Zwetswater!

CAJUS. Zwetsewater? wat is dat?

WAARD. Zwetswater is in het Engelsch zooveel als dapperheid, ijzervreter.

CAJUS. Bij Kod, dan ik ’eb evenveel zwetsewater als de Engelschman.—Die schurftige ’Ans ’ond van een geestelijk! Bij Kod, ik wil ’em afsnijd zijn oor.

WAARD. Hij zal u terdeeg toetakelen, ijzervreter!

CAJUS. Toetertakel? wat is dat?

WAARD. Dat is, hij zal u satisfactie geven.

CAJUS. Bij Kod, ik wil zork, dat ’ij mij zal toetertakel; want, bij Kod, ik dat wil ’eb.

WAARD. En ik wil hem daartoe aanporren of hij mag opdrossen.

CAJUS. Ik u dank voor dat.

WAARD. En behalve dat, ijzervreter,—(Ter zijde tot de Anderen.) maar eerst, gas-ijzervreter, en heer Page, en gij ook Cavaliero Slapperman, gaat allen door de stad naar Frogmore.

PAGE (ter zijde tot den Waard). Daar is Sir Hugo, niet waar?

WAARD. Daar is hij; ziet eens, hoe hij gestemd is; ik zal intusschen den dokter over ’t veld er heen brengen. Is het zoo goed?

ZIELIG. Goed, dat zullen wij doen.

PAGE, ZIELIG EN SLAPPERMAN. Goeden dag, beste heer dokter!

(Alle drie af.)

CAJUS. Bij Kod, ik die geestelijk wil slaan dood, want hij spreekt voor een ’Ans aap bij Anna Page.

WAARD. Hij moet sterven. Maar steek nu uw boosheid in de schede; werp koud water op uw gal, en ga met mij over ’t veld naar Frogmore. Ik wil u brengen waar Anna Page is, op een pachthoeve, bij een feest, en daar kunt gij haar het hof maken. Heb ik raak geschoten? Heb ik goed gezegd?

CAJUS. Bij Kod, ik u dank voor dat; bij Kod, ik u lief ’eb, en ik zal u bezorg veel koed kast, de graven en de ridders, de lords en de gentilhommes, mijn patiënten.

WAARD. En daarvoor wil ik uw weerpartij zijn bij Anna Page; kan ik meer zeggen?

CAJUS. Bij Kod, ’t is koed, koed gezeg.

WAARD. Laat ons dan opdrossen.

CAJUS. Treed op mijn ’ielen, ’Ans Rugby.

(Alle drie af.)

DERDE BEDRIJF.

EERSTE TOONEEL.

Een open veld nabij het koninklijk landhuis .

Sir Hugo Evans en Simpel komen op.

EVANS. Ik pit u nu, chij heer Slapperman’s choete petiente en friend Simpel met name, welken weg hebt chij uitgesien naar Sinjeur Cajus, die sich een Tokter noemt van de medicijnen?

SIMPEL. Wel, Sir, naar het kleine park toe, naar het groote park toe, overal naar toe, den weg af naar oud-Windsor toe, en overal naar toe, behalve den weg naar de stad.

EVANS. Tan fraag ik u recht tringend, siet ook taar na toe.

SIMPEL. Goed, Sir. (Hij verwijdert zich.)

EVANS. Chot pehoete mij! wat pen ik fol chalsucht en hartkloppingen!—Ik sal plij sijn, als hij mij betroochen heeft!—Wat pen ik melancholie!—Ik wil den schurk sijne urinechlasen op sijn pol stuk slaan, als ik er maar een choete gelegenheid toe find;—Chot sta mij pij!

(Hij zingt).

„Aan helt’re peekjes, bij wier fal „De fogel singt zijn matrichal, „Taar sprei’ mijn rosenpet sijn cheuren, „En prijk’ en glans’ in tuisend kleuren. „Aan helt’re—”

Chot sij mij chenatig, ik heb chroote lusten tot weenen.

„De fogel singt sijn matrichal,— „Aan Papels waat’ren saten wij,— „En prijk’ en glans’ in tuisend kleuren. „Aan helt’re—”

SIMPEL (terugkeerend). Daar komt hij, Sir Hugo, ginds, van dien kant.

EVANS. Hij is welkom.—

„Aan helt’re peekjes, bij wier fal—”

De hemel sij met het recht? Wat is hij foor wapens?

SIMPEL. Geen wapens, Sir. Het is mijn meester en de heer Zielig en nog een heer; zij komen van Frogmore, daar over den dijk, van dezen kant.

EVANS. Wees zoo choed, en cheef mij mijn opperkleed, of neen, houd het op uw armen.

(Hij haalt een boek te voorschijn.)

(Page, Zielig en Slapperman komen op.)

ZIELIG. Ah, ziedaar onze eerwaarde! Goeden morgen, beste Sir Hugo. Ja, ja, houd eens een speler van zijn dobbelsteenen of een geleerde van zijn boek af, dat zou een wonder wezen.

SLAPPERMAN (ter zijde). O lieflijke Anna Page!

PAGE. God zegen’ u, beste Sir Hugo. 41

EVANS. Hij segen’ u uit sijn parmhartigheid, u allen!

ZIELIG. Wat! het zwaard en het boek? doet gij aan die beide, eerwaarde heer?

PAGE. En altijd zoo jeugdig, zonder overkleed, op dezen ruwen, rheumatieken dag!

EVANS. Tat heeft sijn chronden en sijn oorzaken.

PAGE. Wij komen u een goeden dienst doen, eerwaarde heer.

EVANS. Seer choed, wat is het?

PAGE. Daar ginds is een zeer waardig gentleman, die naar het schijnt van iemand beleedigd is en daardoor het zoo te kwaad heeft met zijn eigen waardigheid en bedaardheid, als iemand maar ooit gezien heeft.

ZIELIG. Ik heb menig dozijntje jaren achter den rug, maar dit is mij nog nooit voorgekomen, dat een man van zijn stand, zijn waardigheid en geleerdheid zichzelven zoo schrikkelijk vergeet.

EVANS. Wie is het?

PAGE. Ik geloof, dat gij hem kent; het is de heer dokter Cajus, de beroemde Fransche geneesheer.

EVANS. Chods marteling en sijn heilige wil sij met mij! Ik hoorde u al soo lief fan een schotel soep met mij spreken!

PAGE. Waarom?

EVANS. Hij heeft niet zóóveel kennis van Hippocrates en Galenus, en hij is een schelm povendien; een laffe schelm, zooals gij er maar een verlangen kunt te sien.

PAGE. Ik sta er u voor in, dit is de man, die met hem moest vechten.

SLAPPERMAN (ter zijde). O lieflijke Anna Page!

ZIELIG. Het lijkt wel zoo, om die wapens.—Houdt hen van elkaar;—daar komt dokter Cajus.

(De Waard, Cajus en Rugby komen op.)

PAGE. Neen, neen, beste eerwaarde heer, houd uw degen in de scheede.

ZIELIG. En gij ook, beste heer dokter.

WAARD. Ontwapen hen en laat hen samen redetwisten. Laat hen hunne armen en beenen heel houden en ons arm Engelsch verminken!

CAJUS. Ik u bid, laat mij spreek een woord voor uwe oor; waarom wilt gij niet komen om mij te ontmoet?

EVANS (zacht tot Cajus). Ik pit u, plijf petaard; alles op sijn tijd!

CAJUS. Bij Kod, gij zijt de lafaard, de ’aas, de ’ond.

EVANS (zacht tot Cajus). Ik pit u, laat ons niet tot lacherij worden voor andere menschen haar spot; ik raad het u in friendschap en ik sal u foldoening cheven op die eene of antere manier.—(Luid.) Ik wil uw urineglazen om uw schelmschen narrepol slaan, om uw versuimen van uw afspraken en pestellingen. 92

CAJUS. Diable!—’Ans Rugby,—mijn waard de la Jartière, ’eb ik niet kewach op hem om hem dood te slaan? ’eb ik niet? op de plaats, die ik ’ebbe besteld?

EVANS. Zoo waar ik een christenziel ben, nu, siet chij, dit is de pestelte plaats. Ik toe peroep op mijn waard van de Kouseband.

WAARD. Stilte, zeg ik, Gallia en Gaelia, Franschman en Wallisman, zieledokter en lijfdokter!

CAJUS. Ja, dat is zeer koed; excellent!