Part 4
WAARD. Stilte, zeg ik; hoor den waard van de Kouseband. Ben ik politiek? ben ik slim? ben ik een Macchiavelli? Zou ik mijn dokter kwijtraken? Neen; hij geeft mij de drankjes en de sprankjes. Zou ik mijn eerwaarde, mijn priester, mijn Sir Hugo kwijtraken? Neen, hij geeft mij de spreekwoorden en de nietwoorden.—Geef mij de hand, aardeman, zoo!—Geef mij de hand, hemelman; zoo!—Kinderen der wijsheid, ik heb u beiden bedrogen; ik heb u op verkeerde plaatsen besteld; en daar staat gij nu met heldenharten en heelhuids; en laat nu gebrande sek het einde zijn.—(Tot Zielig.) Kom, neem hun zwaarden in beslag.—Volgt mij, vredeskerels, volgt mij, volgt mij.
ZIELIG. Op mijn eer, een dolle waard!—Volgt hem, gentlemen, volgt hem.
SLAPPERMAN (ter zijde). O lieflijke Anna Page!
(Zielig, Slapperman, Page en de Waard af.)
CAJUS. Ah, ’eb ik verstaan? ’ebt gij met ons de sot gespeeld? ha! ha!
EVANS. Dat is fraai; hij heeft ons sijn spotternij chemaakt.—Ik wensch met u friend te sijn, en laat ons onse reins samenstooten om wraak te hebben op dezen schurftigen, schoftigen, petriechelijken knaap, tien waard van de Kousepand.
CAJUS. Bij Kod, met al mijn ’art. Hij mij beloofd te breng waar is Anna Page; bij Kod, hij mij ook ’eef bedroog.
EVANS. Nu choet, ik wil hem sijn hersenpan inslaan.—Ik pit u, kom mee.
(Allen af.)
TWEEDE TOONEEL.
Een straat in Windsor.
Juffrouw Page en Robert komen op.
JUFFROUW PAGE. Neen, ga maar vooruit, kleine jonker; gij waart gewoon achterna te loopen, maar nu zijt gij een voorlooper. Wat bevalt u beter, mijn oogen te geleiden of uw oog te hebben op uws meesters hielen?
ROBERT. Nu waarlijk, ik ga liever voor u uit als een man, dan dat ik hem volg als een dwerg.
JUFFROUW PAGE. O gij zijt een kleine vleier; ik zie het al, gij wordt nog eens een hoveling.
(Ford komt op.)
FORD. Verheugd u te zien, juffrouw Page. Waar gaat gij naar toe?
JUFFROUW PAGE. Wel, om de waarheid te zeggen, heer, naar uw vrouw. Is zij thuis?
FORD. Ja en zoo lui als zij groot is; zij verveelt zich uit gemis aan gezelschap. Ik geloof, dat, als uw mannen dood waren, gij samen zoudt trouwen.
JUFFROUW PAGE. Wees daar verzekerd van,—met twee andere mannen.
FORD. Waar hebt gij dien aardigen weerhaan vandaan? 18
JUFFROUW PAGE. Ik kan voor den drommel niet zeggen, hoe de heer heet, waar mijn man hem van gekregen heeft.—Hoe heet uw ridder ook al weer, kereltje?
ROBERT. Sir John Falstaff.
FORD. Sir John Falstaff!
JUFFROUW PAGE. Ja juist, ik kan nooit op zijn naam komen. Hij en mijn man zijn dikke vrienden!—Uw vrouw is dus wezenlijk thuis?
FORD. Ja zeker, dat is zij.
JUFFROUW PAGE. Met uw welnemen, heer; ik ben ziek van verlangen om haar te zien.
(Juffrouw Page met Robert af.)
FORD. Heeft Page zijn hersens nog? heeft hij oogen? heeft hij gedachten? Voorwaar, zij zijn alle ingeslapen; hij heeft er geen gebruik van. Wel, die knaap draagt een briefje twintig mijlen ver, even gemakkelijk als een kanon op twintig dozijn passen het wit raakt. Hij werkt de verliefdheid van zijn vrouw nog in de hand; hij geeft aan haar dwaasheid vrijen loop en gelegenheid. En nu is zij op weg naar mijn vrouw, met Falstaff’s jongen bij haar! Een man kan deze hagelbui reeds in den wind hooren rommelen. En Falstaff’s jongen bij haar! Een fraai complot! en in vollen gang; en onze afvallige vrouwen deelen de verdoemenis samen. Nu, ik wil hem betrappen, en dan mijn vrouw martelen, aan die schijnheilige juffrouw Page dien geborgden sluier van zedigheid afrukken, en Page kenbaar maken als een zorgeloozen Actæon, die zijn lot zelf gewild heeft; en bij deze heftige maatregelen zullen al mijn buren uitroepen: „getroffen!” (De klok slaat.) De klok geeft mij daar mijn wachtwoord aan, en mijn overtuiging gebiedt mij te gaan zoeken; daar moet ik Falstaff vinden.—Ik zal hier eer om geroemd dan uitgelachen worden, want even zeker als de aarde vast en hecht is, is Falstaff daar; ik ga.
(Page, Zielig, Slapperman, de Waard, Sir Hugo Evans, Cajus en Rugby komen op.)
PAGE, ZIELIG EN DE OVERIGEN. Gegroet, heer Ford.
FORD. Op mijn eer, een schoon gezelschap. Ik heb juist iets fijns thuis en ik noodig u allen uit met mij mede te gaan.
ZIELIG. Ik moet mij verontschuldigen, waarde heer Ford. 54
SLAPPERMAN. En ik ook, heer. Wij hebben afgesproken, bij juffer Anna te komen eten; ik zou haar mijn woord niet willen breken, zelfs voor meer geld niet dan ik noemen kan.
ZIELIG. Wij zijn al een poos doende geweest met een huwelijk tusschen Anna Page en mijn neef Slapperman, en vandaag zullen wij het antwoord krijgen.
SLAPPERMAN. Ik hoop, dat ik u voor mij heb, vader Page.
PAGE. Dat hebt gij, vriend Slapperman, ik ben geheel voor u;—maar mijn vrouw, heer dokter, staat geheel en al aan uw kant.
CAJUS. Ja, bij Kod, en het meisje mij bemin; mijn minnevrouw ’Astick mij dat ’eef vertel.
WAARD. Wat zegt gij dan van den jongenheer Fenton? hij zingt en springt en danst; de jeugd ziet hem uit de oogen; hij maakt verzen; hij spreekt zondagsche taal; hij geurt naar April en Mei; hij wint het, hij wint het, hij draagt het geluk in zijn zak; hij wint het.
PAGE. Met mijn goedvinden niet, dat beloof ik u. Dat jonge mensch is onbemiddeld; hij heeft verkeerd met den wilden prins en met Poins; hij is mij te hooggeboren en weet te veel. Neen, hij zal met den vinger van mijn vermogen geen knoop leggen op zijn geluk; wil hij haar hebben, dan moet hij haar nemen zonder bruidschat; mijn have en goed luistert naar mijn toestemming en mijn toestemming gaat dien kant niet uit.
FORD. Ik bid u dringend, komt bij mij aan tafel, ten minste een paar van u. Gij krijgt, behalve het onthaal, nog een vermakelijkheid: ik zal u een wonderdier laten zien.—Heer dokter, gij moet meê,—en gij ook, heer Page,—en gij ook, Sir Hugo.
ZIELIG. Nu, gaat dan, en vaart wel.—(Tot Slapperman.) Dan hebben wij in Page’s huis des te meer vrijheid om het hof te maken.
(Zielig en Slapperman af.)
CAJUS. Ga naar ’uis, John Rugby; ik kom zoo dadelijk.
(Rugby af.)
WAARD. Vaartwel, mijn harten! Ik ga naar mijn braven ridder Falstaff, om met hem een flesch sek den hals te breken.
(De Waard af.)
FORD (ter zijde). En ik hoop hem eerst nog wat versch van ’t vat te laten proeven; en hij zal dansen, om zijn eigen hals te bergen.—Gaat gij mede, heeren?
ALLEN. Komaan dan, wij willen uw wonderdier gaan zien.
(Allen af.)
DERDE TOONEEL.
Een vertrek in het huis van Ford.
Juffrouw Ford en juffrouw Page komen op.
JUFFROUW FORD. Hé, John! hé, Peter!
JUFFROUW PAGE. Vlug, vlug! Is de waschmand—
JUFFROUW FORD. Ja zeker, zeker!—Hé, Robert, kom toch!
(Twee Bedienden komen op, met een waschmand.)
JUFFROUW PAGE. Komt, komt, komt!
JUFFROUW FORD. Hier, zet hier neer!
JUFFROUW PAGE. Zeg aan hen, wat ze te doen hebben; wij moeten voortmaken.
JUFFROUW FORD. Nu, John en Peter, zooals ik al gezegd heb, staat hier vlak naast in de brouwerij klaar; en zoodra ik u roep, schiet gij toe en neemt zonder vertoef of aarzelen deze waschmand op de schouders, en draagt die zoo vlug ge kunt naar de bleek op de Datchetwei, en schudt ze leeg in de modderige sloot daar bij de Theems. 16
JUFFROUW PAGE. Gij zult het juist zoo doen?
JUFFROUW FORD. Ik heb het hun meer dan eens gezegd; zij weten wat zij te doen hebben.—Gaat nu, en komt, zoodra gij geroepen wordt.
(De Bedienden af.)
JUFFROUW PAGE. Daar komt de kleine Robert.
(Robert komt op.)
JUFFROUW FORD. Nu, hoe is het, mijn nest-sperwertje, wat brengt gij voor nieuws?
ROBERT. Mijn meester, Sir John, is de achterdeur binnengekomen, juffrouw Ford, en wenscht u te spreken.
JUFFROUW PAGE. Gij klein vastelavondpopje, heb je eerlijk gezwegen?
ROBERT. Ja, daar wil ik op zweren; mijn meester weet volstrekt niet, dat gij hier zijt. Hij heeft mij met eeuwigdurende vrijheid gedreigd, als ik er u iets van verklap; want hij zwoer, dat hij mij dan zou wegjagen.
JUFFROUW PAGE. Gij zijt een flinke jongen; dit stilzwijgen van u zal u een snijder zijn en u een nieuw pak maken.—Ik ga mij verschuilen.
JUFFROUW FORD. Doe dat.—Ga, zeg aan uw meester, dat ik alleen ben. (Robert af.)—Juffrouw Page, vergeet uw wachtwoord niet.
JUFFROUW PAGE. Neen, daar sta ik u voor in; als ik dat mis, moogt gij mij uitfluiten.
(Juffrouw Page af.)
JUFFROUW FORD. Nu aan ’t werk, wij willen die verdorven vochtigheid, dien dikken waterpompoen eens duchtig onder handen nemen;—wij willen hem leeren, tortelduiven van kraaien te onderscheiden.
(Falstaff komt op.)
FALSTAFF. Is nu mijn hemelsch kleinood mijn? O, nu moge ik sterven, want ik heb lang genoeg geleefd; nu ben ik aan den eindpaal van mijn eerzucht! O welk een zalig uur!
JUFFROUW FORD. O waarde Sir John!
FALSTAFF. Juffrouw Ford, mooipraten kan ik niet; ik kan niet babbelen, juffrouw Ford. God vergeev’ mij de zonde, die ik in mijn wenschen bega, ik wilde, dat uw man gestorven was; tegenover den fiersten lord zou ik verklaren, dat ik u tot mijn lady zou maken.
JUFFROUW FORD. Ik uw lady, Sir John! ach, ik zou een treurige lady zijn. 57
FALSTAFF. Laat het Fransche hof mij een tweede zoo wijzen. Ik zie, hoe uw oog met den diamant zou wedijveren; gij bezit die echt schoon gebogen wenkbrauw, die bij iedere haardracht goed staat, bij het scheepssnebbekapsel, bij het amazonenkapsel, bij elk kapsel naar den Venetiaanschen smaak.
JUFFROUW FORD. Een eenvoudige hoofddoek, Sir John, dat is het eenige, wat mij goed staat, en ook dat niet bijzonder.
FALSTAFF. Bij den Heer des Hemels, het is zelfverraad van u, zoo te spreken; gij zoudt een volmaakte hofdame zijn, en de vaste tred van uw voet zou, in een half-kringronden hoepelrok, aan uw gang een prachtigen zwier geven. Ik zie, wat gij zijn zoudt, zoo niet Fortuin uw vijandin was, gij, die Natuur tot vriendin hebt! neen, gij kunt het niet verbergen.
JUFFROUW FORD. Geloof mij, er is van dat alles in mij niets.
FALSTAFF. Wat heeft dan gemaakt, dat ik u bemin? Laat dit u overtuigen, dat er iets buitengewoons in u is. Zie, ik kan niet mooipraten, niet zeggen, dat gij dit zijt en dat zijt, gelijk zoovelen van die lispelende hagedoornbloesems, die daar loopen als vrouwen in manskleêren en een geur verspreiden als de apothekersstraat in den kruidentijd;—dit kan ik niet; maar ik bemin u, niemand dan u, en gij verdient het.
JUFFROUW FORD. Leid mij niet om den tuin, Sir; ik vrees, gij bemint juffrouw Page.
FALSTAFF. Gij zoudt even goed kunnen zeggen, dat ik gesteld ben op een wandeling door de gijzelingspoort, die mij even gehaat is als de rook van een kalkoven.
JUFFROUW FORD. Nu dan, de Hemel weet, hoe ik u bemin, en dit zult gij, hoop ik, binnenkort ondervinden.
FALSTAFF. Blijf bij die gezindheid; ik zal mij die waardig toonen.
JUFFROUW FORD. O, ik moet u zeggen, dit doet gij reeds, want anders kon ik niet zoo jegens u gezind zijn.
ROBERT (achter het tooneel). Juffrouw Ford! juffrouw Ford! daar staat juffrouw Page voor de deur, geheel in het zweet en buiten adem en doodelijk verschrikt, en zij moet volstrekt u oogenblikkelijk spreken.
FALSTAFF. Zij moet mij niet zien; ik wil mij verschuilen achter het wandtapijt.
JUFFROUW FORD. Ik bid u, doe dat, want zij is een erg praatzieke vrouw.
(Falstaff verbergt zich.)
(Juffrouw Page en Robert komen weder op.)
Wel, wel, wat is er?
JUFFROUW PAGE. O juffrouw Ford, wat hebt gij gedaan? Gij zijt geschandvlekt, gij zijt verloren, gij zijt voor eeuwig te gronde gericht.
JUFFROUW FORD. Wat is er, lieve juffrouw Page?
JUFFROUW PAGE. Ach lieve tijd, juffrouw Ford! een zoo braven man te hebben en hem zulk een grond tot argwaan te geven! 108
JUFFROUW FORD. Wat voor een grond tot argwaan?
JUFFROUW PAGE. Wat voor een grond tot argwaan?—O foei gij! wat heb ik mij in u vergist!
JUFFROUW FORD. Om ’s hemels wil, waarom? wat is er toch?
JUFFROUW PAGE. Uw man is op weg hier naar toe, ongelukkige, met de gansche overheid van Windsor bij hem, om naar een gentleman te zoeken, dien hij zegt, dat op dit oogenblik hier in huis is, met uw goedvinden, om van zijn afwezigheid boos misbruik te maken. Gij zijt verloren.
JUFFROUW FORD. Ik wil het niet hopen.
JUFFROUW PAGE. De Hemel geve, dat het niet waar is, dat gij zulk een man hier hebt; maar zooveel is zeker, uw man komt daar aan, met half Windsor achter zich, om naar zoo iemand te zoeken. Ik ben vooruitgeloopen om het u te vertellen. Als gij u onschuldig weet, nu, dan ben ik er blij om; maar hebt gij een vriend bij u, maak dan, dat hij weg komt. Sta niet onthutst; houd alle vijf bij elkaar; red uw goeden naam, of zeg uw goede dagen voor altijd vaarwel.
JUFFROUW FORD. Wat moet ik beginnen?—Er is een gentleman hier, een dierbare vriend van mij, en ik ducht mijn eigen schande niet zooveel als het gevaar, dat hij loopt; ik gaf wel duizend pond, dat hij het huis uit was.
JUFFROUW PAGE. O foei, schaam u! Maar loop met uw: „ik gaf,” en „ik gaf!” Uw man is voor de deur, bedenk een middel om dien anderen weg te krijgen; in huis kunt gij hem niet verbergen.—O, wat hebt gij mij bedrogen!—Kijk, daar is een mand, als hij maar eenigszins redelijk is van gedaante, zou hij daar in kunnen kruipen; en werp dan wat vuil goed op hem, alsof het naar de bleek moest,—of, ja het is juist de dag van de wasch, laat hem door uw twee knechts naar de Datchetweide brengen.
JUFFROUW FORD. Hij is te dik om er in te kunnen. Wat zal ik beginnen?
(Falstaff komt voor den dag.)
FALSTAFF. Laat mij zien, laat mij zien, laat mij toch eens zien! Ik wil er in; ik wil er in.—Volg den raad van uw vriendin.—Ik wil er in gaan.
JUFFROUW PAGE. Wat! Sir John Falstaff? Is dàt uw brief, ridder?
FALSTAFF. Ik bemin u; help mij van hier; laat mij hierin kruipen; ik zal nimmer—
(Hij kruipt in de mand; zij bedekken hem met vuil goed.)
JUFFROUW PAGE. Help uw meester bedekken, jongen. Roep uw knechts, juffrouw Ford.—Gij huichelaar van een ridder!
JUFFROUW FORD. Hé, John, Peter, John!
(Robert af.)
(De Bedienden komen weder op.)
Gaat, brengt die wasch weg, vlug! Waar is de draagstok? Kijk nu toch, welk een getreuzel! Brengt het naar de waschvrouw op de Datchetweide. Vlug! voort!
(Ford, Page, Cajus en Sir Hugo Evans komen op.)
FORD. Ik bid u, komt binnen; als ik geen reden heb voor mijn argwaan, lach mij dan uit, en steek dan vrij met mij den gek; want ik verdien het.—Hé daar, waar brengt gij dat naar toe?
BEDIENDEN. Wel, naar de waschvrouw, heer.
JUFFROUW FORD. Wel, wat gaat het u aan, waar zij dit naar toe dragen? Een mooi ding, als gij u met de vuile wasch gaat bemoeien!
FORD. De vuile wasch? Nu, ik wenschte, dat ik mij over geen gewas ter wereld te bekommeren had! Maar ik verzeker u, het wast, het bot uit, en het zal zoo dadelijk niet meer te verbergen zijn. (De Bedienden met de waschmand af.) Heeren, ik heb van nacht gedroomd; ik wil u mijn droom vertellen. Hier, hier, zijn mijn sleutels; gaat op mijn kamers, zoekt, speurt, betrapt; ik sta er voor in, wij drijven den vos uit zijn hol. Wacht, laat ik hem eerst den weg hier versperren. (Hij sluit de deur.) Zoo, drijft hem nu op.
PAGE. Beste heer Ford, wees kalm; gij doet uzelf te veel kwaad.
FORD. ’t Is waar, heer Page.—Naar boven, heeren; gij zult een grap beleven; volgt mij, heeren.
(Ford af.)
EVANS. Tat sijn seer phantastieke chrillen en ijversuchten.
CAJUS. Bij Kot, dat is niet de façon de France; het is niet jaloersch in Frankrijk.
PAGE. Komt, volgt hem, heeren; laat ons zien, wat zijn huiszoeking oplevert.
(Page, Cajus en Evans af.)
JUFFROUW PAGE. Nu, is dit niet een dubbel prachtige grap?
JUFFROUW FORD. Ik weet niet, wat mij meer verlustigt, dat mijn man, of dat Sir John zoo gefopt is.
JUFFROUW PAGE. Wat zal hij er in gezeten hebben, toen uw man vroeg, wat er in de mand was!
JUFFROUW FORD. Ik vrees half en half, dat hij wel een wassching zal noodig hebben; zoodat het werpen in het water hem een ware weldaad zal wezen.
JUFFROUW PAGE. Aan de galg met dien schelmschen losbol! ik wenschte wel dat het allen van zijn slag even slecht verging!
JUFFROUW FORD. Het komt mij voor, dat mijn man een bepaald vermoeden heeft, dat Falstaff hier is; ik heb hem nog nooit zoo grof jaloersch gezien als nu.
JUFFROUW PAGE. Ik zal de eene of andere list verzinnen om daarachter te komen. En wij moeten Falstaff nog meer zulke poetsen spelen; zijn liederlijke ziekte wijkt toch zeker niet voor dit eene drankje. 204
JUFFROUW FORD. Willen wij dit dwaze schepsel, die Vrouw Haastig, naar hem toesturen om dat smijten in het water te verontschuldigen, en hem op nieuw hoop geven om hem nog eens voor een tuchtiging tot ons te lokken?
JUFFROUW PAGE. Dat willen wij; zij moet hem tegen morgen te acht uren hier bestellen om schadeloos te worden gesteld.
(Ford, Page, Cajus en Sir Hugo Evans komen weder op.)
FORD. Ik kan hem niet vinden. Het is toch mogelijk, dat de schurk pochte op dingen, die hem onbereikbaar waren.
JUFFROUW PAGE (zacht tot juffrouw Ford). Hoort gij dat?
JUFFROUW FORD. Ja, ja, stil!—Gij behandelt mij mooi, Ford, erken het zelf.
FORD. Ja ja, dat doe ik.
JUFFROUW FORD. De Hemel make u beter dan uw gedachten zijn.
FORD. Amen.
JUFFROUW PAGE. Gij doet uzelven veel kwaad, heer Ford.
FORD. Ja ja, dit moet ik dragen.
EVANS. Als hier een menschensiel is in het huis en in de kamers en in de kisten en in de kasten, dan vercheve de Hemel mij mijn sonden in het jongste chericht!
CAJUS. Bij Kot, ik ook niet. Daar is geen menschen.
PAGE. Foei, foei, heer Ford, schaamt gij u niet? Welk een geest, welk een duivel blies u die inbeeldingen in? Ik zou zulke booze grillen als de uwe voor al de schatten van het kasteel van Windsor niet willen hebben.
FORD. Het is nu eenmaal een gebrek van mij, heer Page; en ik moet er voor boeten.
EVANS. Ghij poet voor een poos cheweten. Uw frouw is sulk een prafe frouw, als ik wil verlangen onder fijftuisend en fijfhonderd er pij.
CAJUS. Bij Kot, ik zie, zij is een eerlijke vrouw.
FORD. Nu, ik heb u een onthaal beloofd.—Komt, komt, laten wij in het park gaan; ik bid u, vergeeft mij; ik zal u later wel zeggen, waarom ik zoo gehandeld heb. Kom, vrouw; kom juffrouw Page; ik bid u, vergeeft mij; ik bid u van harte, vergeeft mij.
PAGE. Laten wij gaan, heeren; maar, op mijn woord, wij zullen hem plagen.—Ik noodig u morgenochtend bij mij op het ontbijt; daarna gaan wij samen eens op de vogeljacht; ik heb een voortreffelijken valk er voor. Is dit afgesproken?
FORD. Goed; zeker!
EVANS. Als taar een is, wil ik twee sijn van geselschap.
CAJUS. Als daar zijn een of twee, ik wil zijn de derde.
FORD. Ik bid u, ga voor, heer Page.
(Ford en Page af.)
EVANS. Ik pit u nu, petenkt morgen dien luisigen schoft, mijn waard van de Kousepand.
CAJUS. Dat is koed, bij Kot, van al mijn ’art.
EVANS. Een luisige schoft, met sijn chrappen en pespottingen!
(Zij volgen de overigen.)
VIERDE TOONEEL.
Een kamer in het huis van Page.
Fenton en Anna Page komen op.
FENTON. Ik zie, uws vaders gunst kan ik niet winnen; Verwijs mij, Anna-lief, niet meer naar hem.
ANNA. Helaas! wat dan?
FENTON. Beslis gij voor uzelf. Hij maakt bezwaar: te hoog ben ik van afkomst, En dat ik, door verkwisting veel verarmd, Met zijn goed geld hiervoor herstelling zoek. Nog and’re hinderpalen werpt hij op,—Mijn vroeg’re losheid en mijn wilden omgang, En zegt mij, dat hij ’t voor onmoog’lijk houdt, Dat ik u anders liefheb dan om ’t geld.
ANNA. En als hij nu eens waarheid sprak?
FENTON. Neen, neen, zoo waarlijk God hierna mij helpe! Wel, dit erken ik, was uws vaders rijkdom Mij de eerste grond om naar uw hand te staan; Maar dra vond ik uw waarde oneindig hooger Dan gouden baren en verzegeld geld, En ’t is alleen de schat van u, uzelf, Dien ’k nu beoog.
ANNA. Mijn waarde master Fenton, Streef naar mijns vaders gunst, ja, doe dit, heer; En zoo de tijd, noch diep eerbiedig smeeken Ons verder brengt, ja, dan,—kom hier en luister.
(Zij treden ter zijde en fluisteren.)
(Zielig, Slapperman en vrouw Haastig komen op.)
ZIELIG. Stoor hun gesprek, vrouw Haastig; mijn neef moet voor zichzelf spreken.
SLAPPERMAN. Ik zal afschieten, raak of mis; voor den drommel, ’t is maar een waag.
ZIELIG. Wees niet bedremmeld.
SLAPPERMAN. Neen, zij zal mij niet bedremmelen; daar ben ik niet bang voor,—ik ben alleen wat angstig.
VROUW HAASTIG. Hoor eens, master Slapperman zou graag even met u spreken.
ANNA. Nu goed, ik kom.—(Ter zijde.) Dit is mijns vaders keus. Ach, welk een wereld leelijke gebreken Wordt mooi door een driehonderd pond in ’t jaar!
VROUW HAASTIG. En hoe vaart de edele heer Fenton? Ik bid u, een woord met u.
ZIELIG. Daar komt zij; op haar af, neef. O knaap, gij hadt me een vader!
SLAPPERMAN. Ik had een vader, juffer Anna; mijn oom kan u aardige grappen van hem vertellen.—Ik bid u, oom, vertel aan juffer Anna eens die grap, hoe mijn vader twee ganzen uit een hok wist te stelen, beste oom. 41
ZIELIG. Juffer Anna, mijn neef bemint u.
SLAPPERMAN. Ja, dat doe ik, zooveel als ik eenige vrouw in Glostershire bemin.
ZIELIG. Hij zal u een leventje bezorgen als een edelvrouw.
SLAPPERMAN. Ja, dat wil ik, wat er ook gebeure, beneden den rang van een landjonker.
ZIELIG. Hij zal u honderd en vijftig pond als weduwgeld vaststellen.
ANNA. Goede heer Zielig, laat hem toch voor zichzelven het hof maken.
ZIELIG. Nu waarachtig, ik dank u hiervoor; ik dank u voor die bemoediging.—Zij roept u op, neef; ik ga terug.
ANNA. Nu, heer Slapperman?
SLAPPERMAN. Nu, lieve juffer Anna?
ANNA. Ten uiterste verplicht.—Wat is uw wil?
SLAPPERMAN. Mijn wil? Wel verduiveld, dat is een aardige grap. Ik heb mijn uitersten wil nog niet gemaakt, den hemel zij dank; ik ben geen zoo ziekelijk schepsel, en ik zegen er den hemel voor.
ANNA. Ik meen, heer Slapperman, wat gij van mij wilt?
SLAPPERMAN. O zoo; ja, ik voor mijn deel wilde weinig of niets van u. Uw vader en mijn oom zijn de zaak begonnen. Gaat het goed voor mij, nu goed; zoo niet, nu, wie het geluk heeft, brengt de bruid naar huis. Zij kunnen u zeggen, hoe de zaken staan, beter dan ik; gij kunt het uw vader vragen; daar komt hij.
(Page en juffrouw Page komen op.)
PAGE. Zoo, Slapperman!—Bemin hem, dochter Anna.— Wat zie ik? wat doet meester Fenton hier? Het past niet, heer, zoo in mijn huis te dringen; Ik zeide u, heer, mijn dochter is verzegd.
FENTON. Neen, word niet boos, heer Page.
JUFFROUW PAGE. En ik zeg ook, vriend Fenton, kom mijn dochter Niet meer bezoeken.
PAGE. Juist, ze is niet voor u.
FENTON. Heer, hoor mij aan.
PAGE. Neen, goede master Fenton.— Vriend Zielig, kom; zoon Slapperman, kom binnen.— Gij kent mijn wil; gij krenkt mij, master Fenton.
(Page, Zielig en Slapperman af.)
VROUW HAASTIG. Spreek eens met mistress Page.
FENTON. Daar ik uw dochter, lieve mistress Page. Voorwaar, oprecht en innig liefheb, moet ik, Trots weerstand en verwijt, ja onbeleefd, Steeds voorwaarts met den standaard mijner liefde, En nooit terug. O gun mij uwen bijstand!
ANNA. Ach, moeder, geef mij aan dien dwaashoofd niet.