Chapter 7 of 8 · 3930 words · ~20 min read

Part 7

FALSTAFF. Ik geloof, dat de duivel mij niet verdoemd wil zien en bang is, dat mijn vet de hel in brand zou steken; anders zou hij mij nooit zoo dwarsboomen.

(Sir Hugo Evans komt op, als Satyr vermomd, Vrouw Haastig, als Elfenkoningin, Anna Page en anderen, als Elfen uitgedost met waskaarsen op het hoofd, daarbij een heraut, Hobgoblin.)

ELFENKONINGIN. Gij, Elfen, zwart, groen, grauw of wit getooid, Nachtschimmen, die bij ’t maanlicht rinkelrooit, En aardsche wichten, volgens ’t lot geroofd, Volbrengt uw elfenplichten, hoofd voor hoofd!— Heraut Hobgoblin, roep uw „Oyez” uit!

HOBGOBLIN. Stil, Elfen, zwijgt! luchtgeesten, geen geluid! Gij, Krekel, hup naar Windsors haarden ras; Is ’t vuur verzuimd, de haardplaat vol van asch, Zoo knijp de meid er bont en blauw, en dien Zoo uw vorstin, die niets onreins wil zien.

FALSTAFF. ’t Zijn elfen; niemand mag hun doen bespiên; ’k Val neêr, sluit de oogen, om den dood te ontvliên.

(Hij werpt zich neder, met het gelaat op den grond.)

SATYR. Tauwtrupje, cha, en treft ge een meisje aan, Tat triemaal knielt en pidt voor ’t slapen chaan, Bedwing haar phantasie, die onrust mint, Haar slaap zij soet, als van een sorgloos kind; Maar wie sich sondig neerlegt en niet pidt, Knijp die in arm, peen, porst, in ieder lid!

ELFENKONINGIN. Op, elfen, op! van hier! Dat thans uw schare Windsors slot doorzwier’! Strooit goed geluk in elke heil’ge zaal, Dat die tot de’ oordeelsdag in luister praal’; ’t Slot zij door duur en koningspracht vermaard, Het huis den heer, de heer de huizing waard! Schuurt de ordezetels glad, verhoogt hun pracht Door balsemsap en fijner bloemen kracht; Elk nieuwe ridderstoel, blazoen, helmet, Blijve eeuwig door uw zegen vrij van smet! Sluit, weidenelfen, nacht op nacht uw kring; Vormt, evenals de kouseband, een ring; Die blijve op ’t gras steeds welig, jeugdig, frisch, Meer dan in ’t gansche veld het groen ooit is; Dat „Honi soit qui mal y pense” er prijk’ Met bloemen, purper, wit en blauw, gelijk Saffier en parels fonk’len aan den band, Die rijk des eed’len ridders knie omspant; Want schrift met bloemen is der elfen trant. Van hier! doch tot één uur na middernacht Zij onze dans om Hoorne’s eik volbracht; Dat nooit die oude dans vergeten zij! 80

SATYR. Juist! hand in hand, flug! schikt u tot een rij! Chlimwormen, twintig, spreiten bij ten tans, Pefeel ik, als lantarens sachten chlans! Maar stil, maar stil, ik ruik een aarteling!

FALSTAFF. De hemel beware mij voor dien Walliser elf, dat hij mij niet in een stukje kaas verander’!

HOBGOBLIN. Gij worm, bij uw geboort’ reeds aterling!

ELFENKONINGIN. De vuurproef op zijn vingertoppen, vlug! Want is hij rein, dan wijkt de vlam terug, En schroomt hem leed te doen; doch toont hij smart, Dan tuigt zijn vleesch van een verdorven hart.

HOBGOBLIN. De vuurproef, kom!

SATYR. Siet, of tit plok wil pranten!

(De Elfen branden Falstaff met de lichten.)

FALSTAFF. O! O! O!

ELFENKONINGIN. Verdorven, boos, in merg en ingewanden! Komt, elfen, met een spotlied om hem heen, En knijpt hem op de dansmaat een voor een.

ALLEN (zingend en dansend).

Weg met snoode fantasie! Dat aan wellust recht geschiê! Wellust is een vuur in ’t bloed, Eerst ontglimd in ’t wulpsch gemoed, Dan in ’t harte staâg gevoed; Hoog en hooger stijgt de gloed, Door gedachten aangeblazen, Tot de vlammen loeien, razen. Knijpt hem, elfen, naar de rij, Knijpt hem voor zijn schelmerij; Knijpt hem en brandt hem en wentelt hem om. Tot kaarsen- en sterren- en maanlicht verglom.

(Gedurende dit lied knijpen de Elfen Falstaff. Dokter Cajus, Slapperman en Fenton komen aansluiten van verschillende kanten; de eerste schaakt een groene, de tweede een witte Elf, en Fenton Anna Page.—Jachtgedruisch achter het tooneel; al de Elfen loopen weg. Falstaff werpt zijn hertsgewei van zich en rijst op. Page, Ford, juffrouw Page en juffrouw Ford komen op; Sir Hugo Evans voegt zich bij hen. Zij houden Falstaff vast.)

PAGE. Neen, loop niet weg; wij hebben u betrapt; Was nu de jager Hoorne uw laatste troost?

JUFFROUW PAGE. Ik bid u, zet de grap niet verder voort.— Sir John, wat zegt ge wel van Windsors vrouwtjes?— Man, zie eens, staat dit fraaie hoofdsieraad Niet beter in het woud dan in de stad?

FORD. Wel, Sir, wie is nu de hoorndrager?—Mijnheer Beek, Falstaff is een schelm, een hoorndragende schelm; daar zijn zijn horens, mijnheer Beek; en mijnheer Beek, hij heeft niets van Ford genoten dan zijn waschmand, zijn knuppel en twintig pond in goud, die aan den heer Beek moeten terugbetaald worden; zijn paarden zijn er voor in beslag genomen, mijnheer Beek. 119

JUFFROUW FORD. Sir John, wij hebben het recht ongelukkig getroffen; wij konden maar geen samenkomst hebben. Ik zal u nooit meer tot hartelief nemen; maar mijn hert, dat blijft gij altijd.

FALSTAFF. Ik begin te gelooven, dat men een ezel van mij gemaakt heeft.

FORD. Ja, en een os ook; van beide zijn de bewijzen voorhanden.

FALSTAFF. En waren dat geen elfen? Het is mij drie- of viermaal in de gedachte gekomen, dat het geen elfen waren; maar het bewustzijn van schuld, de plotselinge overrompeling van mijn geestvermogens deden mij, spijt en trots alle redelijk menschenverstand, de grofheid van deze fopperij voor vollen ernst opnemen, zoodat ik geloofde, dat het elfen waren. Nu blijkt het, hoe het verstand tot een vastenavondzot kan worden, als het op booze wegen wandelt.

EVANS. Sir John Falstaff, tien Chot, en laat af van uw pecheertens, en de elfen sullen u niet nijpen.

FORD. Goed gezegd, elf Hugo.

EVANS. En sie gij af van uw jaloerschheden, pit ik u.

FORD. Ik zal nooit mijn vrouw meer wantrouwen, totdat gij in staat zijt, haar in goed Engelsch het hof te maken.

FALSTAFF. Heb ik dan mijn hersenen in de zon gelegd en gedroogd, dat zij te kort schieten om zulk een grove beetnemerij te voorkomen? En mag nu ook nog een Walliser geit naar willekeur met mij omspringen? Moet ik een zotskap dragen van Walliser baai? ’t Wordt tijd, dat ik stik aan een stuk geroosterde kaas.

EVANS. Kaas is niet cheschikt om poter te cheven; uw pens is een en al poter.

FALSTAFF. Kaas en poter! moet ik het beleven, het mikpunt te zijn van iemand, die Engelsch tot piesjes hakt? Dit is genoeg om alle wulpschheid en nachtlooperij in het geheele koninkrijk in verval te brengen.

JUFFROUW PAGE. Wel, Sir John, meent gij waarlijk, dat, al hadden wij ook alle deugd met het hoofd vooruit uit ons hart geworpen, en gewetenloos onze zielen gansch en al aan de hel verkocht, de duivel ooit u tot den wellust onzer oogen gemaakt zou hebben?

FORD. Wat, zulk een brijpodding! zulk een wolbaal!

JUFFROUW PAGE. Zulk een opgezwollen schepsel!

PAGE. Oud, koud, verwelkt en met een ontzettenden buik!

FORD. En zoo godslasterlijk als Satan!

PAGE. En zoo arm als Job!

FORD. En zoo boos als Jobs vrouw! 165

EVANS. En ferslaafd aan ontuchten en aan herberchen, en de sek en den wijn en de mede, en aan drinken en aan floeken, en chluren en kakelen en krakeelen!

FALSTAFF. Ga voort, ik ben uw zondenbok, gij hebt het mij afgewonnen. Ik ben diep verslagen; ik ben niet in staat aan het Walliser flanel een antwoord te geven. De domheid zelve ziet een kabellengte diep op mij neer. Doet met mij wat ge wilt.

FORD. Ja, ja, Sir, wij zullen u naar Windsor brengen, bij zekeren heer Beek, wien gij geld afgetroggeld hebt, wien gij beloofd hadt voor koppelaar te zullen spelen. Bij alles wat gij geleden hebt, zal het u, denk ik, bovendien een bitter verdriet zijn, dat geld te moeten terugbetalen.

PAGE. Blijf toch welgemoed, ridder; gij zult van avond een goede biersoep bij mij eten, en daar zal ik u vragen mijn vrouw uit te lachen, die nu om u lacht. Vertel haar eens, dat de heer Slapperman haar dochter getrouwd heeft.

JUFFROUW PAGE (ter zijde). De geleerden betwijfelen dit. Als Anna Page mijn dochter is, dan is zij op dit oogenblik de vrouw van dokter Cajus.

(Slapperman komt op.)

SLAPPERMAN. Hé, holá, ho! vader Page.

PAGE. Zoon, wat is er? wat is er, zoon? is alles in orde?

SLAPPERMAN. In orde?—De eerste lui in Glostershire zullen het weten, ja, of ik laat mij hangen, ziedaar!

PAGE. Wat dan, zoon?

SLAPPERMAN. Ik kom daar naar Eton om met Anna Page te trouwen, en zie, daar is zij een groote lobbes van een jongen. Als het niet in de kerk geweest was, dan had ik hem door elkander geschud, ja, of hij mij. Als ik niet dacht, dat het Anna Page was, mag ik nooit een lid meer verroeren;—en het is een postmeestersjongen.

PAGE. Bij mijn ziel, dan hebt gij de verkeerde genomen.

SLAPPERMAN. Wat behoeft gij mij dat te zeggen? Dat dunkt mij ook, daar ik een jongen voor een meisje nam. Als ik met hem getrouwd was geworden, had ik met al zijn vrouweplunje, hem toch niet willen hebben.

PAGE. Wel, dit is niets dan uw eigen domheid. Heb ik u niet gezegd, hoe gij mijn dochter aan haar kleeding zoudt herkennen?

SLAPPERMAN. Ik ging tot die in het wit en zeide „Pst!” en zij zeide „Sst!” zooals Anna en ik hadden afgesproken; en toch was het Anna niet, maar een postmeestersjongen.

JUFFROUW PAGE. Beste George, wees niet boos; ik wist van uw plan en kleedde mijn dochter in het groen; en, om de waarheid te zeggen, zij is nu met den dokter in de kapel, en getrouwd ook.

(Dokter Cajus komt op.)

CAJUS. Waar is juffrouw Page? Pardieu, ik zij bedroog; ik ’eb ketrouwd un garçon, een jong; un paysan, pardieu, een jong; het is niet Anna Page; pardieu, ik zij bedroog. 220

JUFFROUW PAGE. Wat! gij naamt toch die in ’t groen?

CAJUS. Ja, bij Kod, en die is een gnaap; bij Kod, ik zal in opstand breng heel Windsor.

(Cajus af.)

FORD. Dat is vreemd. Wie heeft de echte Anna gekregen?

PAGE. Ik word ongerust; daar komt master Fenton.

(Fenton en Anna Page komen op.)

Wat, master Fenton!

ANNA. Vergeving, lieve vader! beste moeder!

PAGE. Ei, ei, juffertje, waarom zijt gij niet met master Slapperman meegegaan?

JUFFROUW PAGE. Waarom gingt gij niet met den dokter mede, meisje?

FENTON. Gij brengt haar van haar stuk; verneemt nu alles. Gij wildet haar een smaad’lijke’ echt doen sluiten, Waar liefde nimmer wederliefde vond. Nu staat het zoo: wij beiden, lang verbonden, Zijn ’t nu zoo hecht, dat niets ons scheiden kan. ’t Vergrijp, dat zij gepleegd heeft, is geheiligd, En haar misleiding heete geen bedrog, Geen ongehoorzaamheid of plichtverzaking, Want hierdoor meed, ontging ze een duizendtal Godslasterlijk verwenschte heillooze uren, Die een gedwongen echt haar brengen zou.

FORD. Staat niet onthutst; hier valt niets aan te doen. De hemel zelf regeert bij liefde en trouw; Koop’ geld u land, het lot verkoopt een vrouw.

FALSTAFF. Ik ben blij, dat, terwijl gij op mij gemikt hebt, uw pijl toch nog is afgeweken.

PAGE. Wat nu?—’t Zij.—Fenton, zegene u de hemel! Wat niet te ontgaan is, nu, dat moet men dragen.

FALSTAFF. Hij schiet allicht een bok, die ’s nachts gaat jagen.

JUFFROUW PAGE. Nu, ’k wil niet langer pruilen. Master Fenton, De hemel schenke u veel, veel blijde dagen.— Kom, beste man, nu allen saam naar huis; En lachen wij bij ’t haardvuur om de grappen, Sir John en allen.

FORD. Goed; wij gaan.—Sir John, Toch houdt gij nog aan master Beek uw woord, Want die, ja, slaapt van nacht bij juffrouw Ford.

(Allen af.)

AANTEEKENINGEN.

Van dit blijspel verscheen in 1602 een uitgave in quarto, welker titel er blijkbaar op berekend was om tot koopen uit te lokken: A Most pleasaunt and excellent conceited Comedie, of Syr John Falstaffe, and the merrie Wives of Windsor. Entermixed with sundrie variable and pleasing humors, of Syr Hugh the Welch Knight, Justice Shallow, and his wise Cousin M. Slender. With the swaggering vaine of Auncient Pistoll and Corporall Nym. By William Shakespeare. As it hath bene diuers times Acted by the right Honorable my Lord Chamberlaines seruants. Both before her Maiestie, and elsewhere. London Printed by T. C. for Arthur Johnson, and are to be sold at his shop in Powles Church-yard, at the signe of the Flower de Leuse and the Crowne. 1602. Deze T. C. is Thomas Creede, die verscheidene der quarto-uitgaven van Shakespeare drukte.—Op deze eerste uitgave volgde in 1619 een tweede, geheel naar deze eerste gedrukt. In 1623 bracht de folio-uitgave een anderen en veel uitgebreider tekst, die in 1630 in een derde quarto-uitgave woordelijk werd afgedrukt.

De groote onvolkomenheid der eerste quarto-uitgaven valt bij het onderzoek terstond in het oog. Wel is de volgorde der tooneelen, op een enkele uitzondering na, dezelfde als in de folio-uitgave maar alles is in de laatste veel fijner en beter uitgewerkt; en het aantal regels van het geheel is er ongeveer dubbel zoo groot. De onvolkomenheid der eerste quarto-uitgave is zoo, dat zij geenszins het eerste, niet behoorlijk afgewerkt, later verbeterd onderwerp van Shakespeare kan zijn; dit is onmogelijk, zelfs als wij onderstellen, dat zijn stukken eerst na herhaalde verbetering tot stand kwamen! Zij is geheel en al een onrechtmatige uitgave, waarvoor het onvolledig en gebrekkig materiaal, op slinksche wijze verkregen, zoo goed en zoo kwaad het ging, aaneengelapt werd; op welk een schaamtelooze wijze de ondernemers daarbij vaak te werk gingen, is reeds vroeger, in dit deel, blz. 98, vermeld.

Het stuk moet geschreven zijn na de voltooiing van K. Hendrik V, dus na 1599. Het heeft ongetwijfeld zijn ontstaan te danken aan het verlangen, misschien door de toeschouwers kennelijk gemaakt, om de personen, die aan het publiek in de groote Koningsstukken zooveel genoegen verschaft hadden, nog eens, in een voor hen geschikte omgeving, in een blijspel of veeleer klucht te zien optreden; een verlangen, waaraan Sh. dan gehoor gaf [1]. Daartoe werd Falstaff, in K. Hendrik V reeds gestorven, weder opgewekt, werden Bardolf en Nym, welke laatste vroeger niet met Falstaff in aanraking was gekomen, en die beiden in datzelfde stuk reeds opgehangen waren, weder levend gemaakt en, zooals ook Pistool en de Page (uit het tweede deel van K. Hendrik IV), met Falstaff samengebracht, en wel te Windsor, omdat de dichter het stuk daar verkiest te laten spelen. Daarheen werd nu ook vrouw Haastig verplaatst, wel nog de oude koppelaarster, maar een vreemde voor Falstaff; zij hebben elkander niet gekend. Evenzoo is de betrekking tusschen Zielig en Falstaff een geheel andere dan vroeger. Men ziet, al treden er vele personen in op, die uit de Koningsstukken bekend zijn, het stuk hangt verder niet in het minst met de overige samen; Falstaff zelf is een geheel ander persoon dan vroeger, en laat zich op de onzinnigste wijze door de twee vroolijke burgervrouwtjes en door den verkleeden Ford beetnemen; ja, hij herkent zelfs den Walliser Elf aan zijn spraak niet. Wij zijn hier op het gebied der klucht, die ook het onwaarschijnlijkste mogelijk maakt en geschieden laat; en hiermede is volkomen in overeenstemming, dat Falstaff ten slotte door de overwinnende partij vriendelijk aan tafel genoodigd wordt. Het stuk wil vroolijk en blij-eindend zijn; strenge eischen heeft de critiek hier niet te stellen.

Enkele bijzonderheden moge de schrijver aan de eene of andere novelle ontleend hebben,—zooals dit trouwens bij onderzoek gebleken is,—wat hij ontleend heeft is zoo luttel, dat het onnoodig mag gerekend worden, hierbij stil te staan.

I. 1. 1. Sir Hugo. In het latere gedeelte der middeleeuwen en ook nog ten tijde van Shakespeare werden geestelijken, ook die van lageren rang, met den titel Sir aangesproken, een vertaling van den Latijnschen titel Dominus, in Nederland welbekend.

I. 1. 2. Een Sterrekamerzaak. De Sterrekamer, camera stellata,—zoo genoemd omdat de zoldering der zittingszaal in Westminster met sterren was versierd,—was het hooge gerechtshof, dat over oproer, hoogverraad en dergelijke vergrijpen had te oordeelen. De wijze van procedure was de volgende: de delinquenten werden voor den Geheimen Raad, the council, gedaagd en ontvingen daar het bevel, zich dagelijks bij dezen raad aan te melden en zich niet zonder verlof te verwijderen; na eenigen tijd werden zij op onderdanige bede van deze verplichting wel ontslagen, maar moesten bij de volgende zitting der Sterrekamer zich op een bepaalden dag bij dit hooge gerechtshof vervoegen. De Geheime Raad was het voorbereidend, de Sterrekamer het rechtsprekend lichaam. Daarom spreekt Zielig, I. 1. 35, ook van den Geheimen Raad. Er was een nauw verband tusschen dezen en de Sterrekamer, want verscheidene leden van den eersten waren leden van de tweede. De Sterrekamer, door Hendrik VII ingesteld, was meermalen een werktuig om vorstenwillekeur over het gewone recht te doen zegevieren en werd daarom in 1641 opgeheven.—Blijkbaar wordt hier de ijdelheid en opgeblazenheid van Zielig bespot, daar hij een jachtvergrijp voor het hoogste gerechtshof brengen wil. Misschien kreeg ook de Sterrekamer zelf een veeg uit de pan, want volgens Collier—in zijn History of English Dramatic poetry, III, 295,—werden er twee edellieden voor haar gedaagd, die in een park van Sir John Stanhope, vice-kamerheer der koningin, gejaagd, d.i. gestroopt, hadden, zoodat het rechtshof zich ter wille van een groot heer met zulk een gering vergrijp had ingelaten. Er is geen reden, om hier de juistheid van Collier’s mededeelingen te betwijfelen.

I. 1. 6. Coram, custalorum, ratolorum, armigero. Zielig (Shallow) heeft zich even te voren reeds esquire genoemd, wat hier met „zijn edelgeboren” vertaald is;—de rang van esquire is één graad lager dan die van ridder,—en nu wedijvert hij met zijn neef om zijn titels voluit op te geven.—Als vrederechter onderteekende Zielig de getuigenverhooren met de woorden: Jurat coram me, Roberto Shallow armigero; „hij zweert in tegenwoordigheid van (coram) mij, Robert Shallow, esquire.” Zielig blijkt ook custos rotulorum, bewaarder der archieven van het graafschap, geweest te zijn; alsdan kon de formule worden: jurat coram me, custode rotulorum, R. S., armigero. Als verkorting kon wel geschreven worden cust-ulorum, wat door Zielig voor één woord wordt gehouden en eenigszins verkeerd uitgesproken. Zijn neef vat coram als een titel op, daarom brengt Zielig zijn waardigheid van „custalorum” in herinnering, en Slapperman meent dien te moeten aanvullen met ratolorum, waarvan hij toch ook wel eens gehoord heeft.—Met zeer weinige trekken zijn aldus Zielig en zijn neef Slapperman (Slender) geteekend.

I. 1. 16. Hun dozijn zilveren pietermannen. The dozen white luces. De luce is de snoek, the pike, in het Latijn Esox lucius. Allerduidelijkst wordt hier gezinspeeld op het wapenschild der familie Lucy, die drie zilveren opgerichte snoeken op een veld van keel voerde. In Ferne’s „Blazon of Gentry”, 1586, staat te lezen: „Signs of the coat should something agree with the name. It is the coat of Geffray Lord Lucy. He did bear gules, three lucies hariant (hauriant) argent.” („Hauriant” is in de wapenkunde de uitdrukking voor het opgericht zijn van visschen, alsof zij uit het water willen springen, wat bij leeuwen enz. saltant of saliant heet.) De familie der Lucy’s bewoonde den riddermatigen zetel Charlecote, aan den Avon, nabij Stratford, de stad, waar Shakespeare geboren werd en ten minste tot zijn twintigste jaar bleef. Hij kende natuurlijk het wapen der Lucy’s, zooals ieder kind destijds de wapens der in zijn buurt wonende edellieden kende. Het dozijn snoeken is geen overdrijving, want het schild werd ook wel in vieren gedeeld en ieder kwartier vertoonde het drietal; zoo heeft ook Dugdale, die de oudheden van Warwickshire beschreef, het in de kerk van Stratford gezien.—Een oogenblik later is Zielig er over ontevreden, dat zijn wapen versche, niet zoute visschen voert; een oud geslacht moest gezouten visschen in zijn wapen hebben. Men gaat hieruit al licht denken, dat er aan de oudheid of den adel van het geslacht Lucy wat haperde. En ziet: in Dugdale’s Antiquities of Warwickshire wordt vermeld, dat de stamboom der Lucy’s tot den tijd van Richard I reikt, maar dat zij den naam eerst onder Hendrik III hebben aangenomen: van Hendrik III tot Elizabeth zijn de driehonderd jaar verloopen, waarvan Zielig spreekt; in Camden’s Britannia,—Camden was een tijdgenoot van Sh., goed bekend met de voornaamste geslachten,—staat in de beschrijving van Warwickshire: „Plenior hinc Avona defertur per Charlecott, nobilis et equestris familiæ Luciorum habitationem, quæ a Charlecottis jam olim ad illos hæreditario quasi transmigravit.” Charlecott en Charlecottis zijn bij Camden door den druk onderscheiden, en in zijn lijst der „Barones et illustriores familiæ” ontbreekt het huis Lucy. Dus een edel en riddermatig huis, doch slechts quasi-erfgenaam der Charlecotes, misschien door huwelijk of vorstengunst in het bezit van hun zetel gekomen. Met het oog hierop, kan men in Sh.’s woorden een bitteren hoon ontdekken: „Zij hebben de luces in hun coat (riddermantel) en beweren, dat het een oude coat is; doch zij hebben zich in Charlecote genesteld als louses in an old coat; hun visschen hebben zij tot een dozijn vermeerderd om vertooning te maken, maar het zijn en blijven versche visschen,—hun adel is nieuwbakken,—zij voeren niet the old coat, niet het echte, oude wapen van Charlecotte.”

Nicholas Rowe, de eerste, die na de vier folio-uitgaven van 1623, 1632, 1664 en 1685, een critische uitgave van Sh.’s dramatische werken in 1709 ondernam, voegde bij deze eenige aanteekeningen omtrent Sh.’s leven. Hij was ze grootendeels verschuldigd aan den tooneelspeler Betterton (geboren in 1635), die in Warwickshire berichten omtrent Sh. ingewonnen had. Hij vermeldt, dat Sh. zich aan stroopen in de bosschen van Sir Thomas Lucy had schuldig gemaakt, daarvoor door dezen streng bestraft werd, zich wreekte door een scherp hekeldicht op dien edelman en eindelijk, om vervolgingen te ontgaan, uit Stratford week en in Londen zijn fortuin ging zoeken.—Richard Davies, Rector te Sapperton in Glocestershire, gestorven 1708, spreekt ook van Sh.’s wilddieverij, waarvoor hij door Lucy streng gestraft werd, zoodat hij zijn vaderstad ontweek en, hoewel hier fortuin door makend, zeer verbitterd bleef op genoemden edelman, dien hij tot zijn vrederechter Clotpole (Dwaashoofd) maakte, en wien hij, met zinspeling op zijn naam, drie luizen tot wapen gaf.

Men ziet, dat door deze mededeelingen, hoe weinig gewicht men er ook aan hechte en hoe laat deze berichten ook verzameld mogen zijn, de boven gegeven verklaring, die op de onderzoekingen van Herman Kurz steunt, niet weinig bevestigd wordt. Men heeft inderdaad alle recht om te vermoeden, dat de eerste letter van Shallow’s (Zieligs) naam is: Sir Thomas Lucy.—Ook in 1. K. Hendrik VI, IV. 7, 61 laat Sh. een Lucy geweldig met titels schermen.

I. 1. 19. Die dozijn silveren pieten. The dozen white louses. Hugo Evans is een Walliser; het Engelsch is hem een vreemde taal, die hij verbazend radbraakt, zoowel door wonderlijken zinsbouw als door taalfouten en harde uitspraak. Zoo zegt hij hier, in plaats van lice, louses. Toch spreekt hij het Engelsch met het grootste zelfvertrouwen, evenals zijn landgenoot Fluellen, over wien men dit deel blz. 52 nazie.

I. 1. 59. Heeft haar grootvader enz. De folio-uitgave kent deze woorden aan Slapperman toe; de gissing van Capell, dat Zielig ze spreken moet, is echter zeer waarschijnlijk; tot dezen, als Slapperman’s voogd, zal zich Evans met zijn mededeeling gewend hebben.

I. 1. 92. Bij Cotswold. Cotswold, in den volksmond Cotsall, is een heuvelachtige grasrijke streek in Glostershire, waar vaak volksvermakelijkheden plaats vonden.

I. 1. 116. De dochter van uw wachter niet gekust. Ongetwijfeld een aanhaling uit een thans onbekend volksliedje of een toespeling er op.

I. 1. 130. Gij Banbury-kaas. Banbury, een stadje in Oxfordshire, was, behalve om zijn puriteinschgezindheid, bekend om zijn bijzonder dunne kaas. In Jack Drum’s Entertainment (1601) vindt men evenzoo: „You are like a Banburycheese,—nothing but paring”; niets dan korst. Wordt hiermede Slapperman’s magerheid aangewezen, evenals door het flentertje of dun schijfje van Nym. Pistool’s Mephostophilus doelt op zijn afschuwelijke leelijkheid, zooals het voorkomen was van den boozen geest in Marlowe’s Faust.