Chapter 6 of 8 · 3986 words · ~20 min read

Part 6

EVANS. Pij ja en neen, ik cheloof, die frouw is intertaat een heks; ik houd niet fan frouwen met een chrooten paard; ik heb onder haar kintoek een chrooten paard chesien.

FORD. Wilt gij meegaan, heeren? Ik bid u, gaat mede en ziet de uitkomst van mijn jaloerschheid. Als ik nu op een valsch spoor geblaft heb, geloof mij dan nooit meer, als ik aansla.

PAGE. Laten wij zijn gril nog eens gehoor geven. Komt, heeren!

(Ford, Page, Zielig, Cajus en Evans af.)

JUFFROUW PAGE. Op mijn woord, hij heeft hem allererbarmelijkst geslagen.

JUFFROUW FORD. Neen, bij Gods bloed, dat heeft hij niet; hij deed het zonder het minste erbarmen, dacht mij.

JUFFROUW PAGE. Die knuppel moet gewijd en bij het altaar opgehangen worden, want hij heeft een echt godzalig werk gedaan.

JUFFROUW FORD. Wat dunkt u? kunnen wij, onder borgtocht van vrouwelijke eerbaarheid en met de getuigenis van een goed geweten, hem nog verder met onze wraak vervolgen?

JUFFROUW PAGE. De geest van dartelheid is denkelijk wel bij hem uitgebannen; als de duivel hem niet, met rouw- en afkoop en al, in vollen eigendom heeft, zal hij wel nimmermeer, denk ik, ons trachten te verleiden.

JUFFROUW FORD. Zullen wij aan onze mannen vertellen, hoe wij hem bediend hebben?

JUFFROUW PAGE. Ja, dat in allen gevalle; al was het maar om uw man zijn grillen uit het hoofd te bannen. Als zij het over hun hart kunnen krijgen, den armen liederlijken, dikken ridder nog eens onder handen te nemen, dan willen wij tweeën weer de werktuigen zijn.

JUFFROUW FORD. Ik sta er voor in, zij zullen hem in het openbaar te schande willen maken; en mij dunkt ook, dat de grap niet volkomen is, als hij niet openlijk beschaamd is geworden.

JUFFROUW PAGE. Kom, dan naar de smidse, en aan ’t smeden; ik wil het ijzer niet koud laten worden.

(Beiden af.)

DERDE TOONEEL.

Een kamer in de herberg de Kouseband.

De Waard en Bardolf komen op.

BARDOLF. Heer, de Duitschers verlangen drie van uwe paarden te hebben; de hertog zelf komt morgen aan het hof, en zij willen hem te gemoet rijden.

WAARD. Wat kan dat voor een hertog zijn, die zoo met stille trom komt? Ik heb niets gehoord van zijn komst bij het hof. Laat mij eens met de heeren spreken. Zij spreken Engelsch?

BARDOLF. Ja, heer, ik zal hen bij u roepen.

WAARD. Mijn paarden kunnen zij krijgen, maar ik zal hen laten betalen; zij zullen er voor bloeden; zij hebben mijn huis een week lang in beslag genomen; ik heb mijn andere gasten moeten afwijzen; daarvoor moeten ze afschuiven; zij zullen er voor bloeden. Kom!

(Beiden af.)

VIERDE TOONEEL.

Een kamer in het huis van Ford.

Ford, Page, Juffrouw Ford, Juffrouw Page en Sir Hugo Evans komen op.

EVANS. Het is een fan te teuchtelijkste frouwenpersonen, die ik ooit chesien heb.

PAGE. En zond hij aan u beiden die brieven tegelijkertijd?

JUFFROUW PAGE. Binnen een en hetzelfde kwartier.

FORD. Vergeef mij, vrouw. Doe voortaan wat gij wilt.

’k Verwijt voortaan eer koelheid aan de zon Dan wulpschen lust aan u. Nu staat uw eer Voor mij, die pas een ketter was, zoo vast, Als ooit geloof kan doen.

PAGE. Goed, goed, niet meer Want de onderwerping zij niet overdreven, Gelijk voorheen de krenking. Maar onze aanslag Zij doorgezet; door onze vrouwen worde Den ouden dikken schelm een samenkomst, Nog eens, voor ons vermaak, verleend, waarbij Wij hem betrappen en te schande maken.

FORD. Geen beter middel, dan wat zij daar noemden.

PAGE. Wat! een afspraak om hem te middernacht in het park te ontmoeten? Onzin! hij komt niet.

EVANS. Chij segt, dat hij in te rifier cheworpen, en ferschrikkelijk cheslagen is als een oude frouw; mij dunkt, hij ferschrokken sal sijn en niet komen sal; mij dunkt, sijn fleesch chetuchtigd is en hij niet pecheerlijkheid sal sijn.

PAGE. Dit denk ik ook.

JUFFROUW FORD. Uw zorg zij, wàt gij, als hij komt, hem aandoet; Laat ons de zorg maar over, dàt hij komt.

JUFFROUW PAGE. Er loopt een sprookje van den jager Hoorne, Die eens in Windsors park boschwachter was; Die moet, den ganschen winter door, in ’t holst Der nacht, steeds waren om een grooten eik, Als hert, met groot en spitsgetakt gewei; ’t Geboomte doet hij dorren, ’t vee wordt krank; De melkkoe geeft door hem geen melk, maar bloed; Hij ratelt huiv’ringwekkend met een ketting; Gij hebt wel van dat spook gehoord en weet, Hoe onze suffe bijgeloovige oudjes Dit sprookje van den jager Hoorne als waar Tot onzen tijd in omloop deden blijven.

PAGE. Zoo is ’t; nog zijn er velen, die bij nacht Zich bij dien eik van Hoorn’ niet zullen wagen; Doch waartoe dit? 41

JUFFROUW FORD. Nu, zie, dit is ons plan, Dat Falstaff bij dien eik ons zal ontmoeten Als Hoorn’, met groote horens op den kop.

PAGE. Nu, nemen wij dan aan, dat Falstaff komt, En zoo vermomd; maar brengt gij hem hiertoe, Wat doet gij dan met hem? wat hebt gij voor?

JUFFROUW PAGE. Ook dit is reeds bedacht, en wel als volgt: Mijn dochter Anna en mijn kleinen zoon, Met drie, vier and’ren van dat slag, vermommen Wij tot kabouters, elfen, groen en wit, Met held’re waslichtkroontjes op het hoofd En ratels in de hand. Zoodra wij beiden Tot Falstaff zijn genaderd, stormen zij Woest, plotsling, uit een zaagkuil op ons af Met een verward gezang; op dit gezicht Ontvlieden wij verschrikt, in grooten angst; Doch zij omringen fluks den wulpschen ridder En knijpen hem op elfenwijs, en vragen, Hoe hij op ’t uur van de’ elfendans het waagt, Hij, ongewijde, in zulk een spookgestalte Hun heil’ge plek te naad’ren.

JUFFROUW FORD. En totdat hij Heeft opgebiecht, wat hij daar doen kwam, gaan De schijnbare elfen voort met hem te knijpen, En branden hem met hunne lichten.

JUFFROUW PAGE. Heeft Hij zoo bekend, dan snellen we allen toe, Onthoornen ’t spook en brengen hem met hoon Naar Windsor weer.

FORD. De kind’ren moeten goed Geoefend zijn, of doen het niet naar eisch.

EVANS. Ik wil tie kinderen hunne chetragingen leeren, en ik wil self een Hans Aap sijn en ten ridder pranten met mijn licht.

FORD. Voortreff’lijk; ik zal hun de maskers koopen.

JUFFROUW PAGE. Mijn Anna zal dan Elfenkoningin, En fraai gekleed zijn in een wit gewaad.

PAGE. Daarvoor koop ik de zijde;—(Ter zijde.) en onderwijl Moet master Slapperman mijn Anna schaken En haar in Eton trouwen.—Zend terstond Op Falstaff iemand af.

FORD. O, ik ga als heer Beek hem weer bezoeken, En dan vertelt hij wis mij, wat hij doet; Hij komt wel zeker.

JUFFROUW PAGE. Twijfel daar niet aan; Zorg maar voor maskers en de verd’re dingen, Die voor het elfenspel benoodigd zijn.

EVANS. Aan ’t werk! Tit sijn ferwonderlijke chenoechens, en recht teuchtsame schelmerijen.

(Page, Ford en Evans af.)

JUFFROUW PAGE. Ga, juffrouw Ford, zend op Sir John vrouw Haastig Fluks af, opdat wij weten, of hij komt.

(Juffrouw Ford af.)

En ik ga naar den dokter, die mijn woord heeft, Dat hij, geen ander, trouwt met Anna Page. Die Slapperman heeft land, maar is een ezel; En toch, mijn man trekt hem aan allen voor; De dokter heeft goed geld en groote vrienden Ten hove; hij, geen ander, moge slagen, Schoon twintigduizend beet’ren om haar vragen.

(Juffrouw Page af.)

VIJFDE TOONEEL.

Een kamer in de herberg de Kouseband.

De Waard en Simpel komen op.

WAARD. Waar naar toe, boer? wat wilt gij, dikhuid? Spreek, geef geluid, deel mee, kort, bondig, vlug, snel!

SIMPEL. Wel, heer, ik kom van den heer Slapperman, en moet Sir John Falstaff spreken.

WAARD. Daar, boven, is zijn vertrek, zijn huizing, zijn kasteel, zijn staatsiebed en zijn veldbed. ’t Is rondom beschilderd met de geschiedenis van den Verloren Zoon, versch en nagelnieuw. Ga, klop aan en treed binnen; hij zal met u spreken als een anthropophagianer; klop aan, zeg ik.

SIMPEL. Daar even is een oude vrouw, een dikke vrouw, op zijn kamer gegaan. Ik zal zoo vrij zijn, heer, van te wachten, tot zij beneden komt, want ik heb eigenlijk met die vrouw te spreken.

WAARD. Wat, een dikke vrouw? de ridder kon wel eens bestolen worden. Ik wil hem roepen.—IJzerridder! Sir IJzer-John! ontlaad uw martiale longen! zijt gij daar? het is uw waard, uw Ephesiër, die u roept.

FALSTAFF (van boven). Wat is er, mijn waard?

WAARD. Hier is een Boheemsche Tartaar, die er op wacht, dat uw dikke vrouw beneden komt. Laat haar beneden komen, mijn ijzerman; laat haar beneden komen; mijn kamers zijn fatsoenlijke kamers; foei, heimelijkheden, foei!

(Falstaff komt op.)

FALSTAFF. Ja, goede waard, er was daar even een oude dikke vrouw bij mij, maar zij is al weer weg.

SIMPEL. Ik bid u, Sir, was het niet de waarzegster uit Brentford?

FALSTAFF. Ja zeker, gapermossel. Wat wilt gij van haar?

SIMPEL. Mijn meester, Sir, mijnheer Slapperman, zag haar over de straat gaan en heeft mij naar haar toe gestuurd, om te hooren, Sir, of een zekere Nym, Sir, die hem een ketting heeft afgezet, den ketting heeft of niet.

FALSTAFF. Ik heb met de oude vrouw daarover gesproken.

SIMPEL. En wat zegt zij, Sir, als ik vragen mag?

FALSTAFF. Wel, zij zegt, dat die eigen man, die den heer Slapperman zijn ketting heeft afgezet, hem die ontfutseld heeft. 39

SIMPEL. Ik wenschte, dat ik met de vrouw zelve eens had kunnen spreken, ik had over nog iets anders met haar te spreken, ook van zijnentwege.

FALSTAFF. En wat dan? laat hooren.

WAARD. Ja, kom, vlug!

SIMPEL. Ik mag het niet verzwijgen, Sir.

FALSTAFF. Verzwijg het, en gij zijt des doods.

SIMPEL. Nu, Sir, het is verder niets dan van juffer Anna Page, om te weten, of het een geluk is voor mijn meester, als hij haar krijgt of niet.

FALSTAFF. ’t Is zoo, ’t is een geluk voor hem.

SIMPEL. Wat, Sir?

FALSTAFF. Als hij haar krijgt of niet. Ga en zeg maar, dat de vrouw mij dat gezegd heeft.

SIMPEL. Mag ik zoo vrij zijn, dat te zeggen, Sir?

FALSTAFF. Ja, knaap, zoo vrij als gij maar wilt.

SIMPEL. Ik dank uw edelheid. Ik zal mijn meester blij maken met deze tijding.

(Simpel af.)

WAARD. Gij zijt een geleerde, gij zijt een geleerde, Sir John. Was er daar een wijze vrouw bij u?

FALSTAFF. Ja zeker was er, mijn goede waard, een die mij meer wijsheid geleerd heeft, dan ik ooit te voren in mijn leven leerde; en bovendien had ik geen leergeld te betalen, maar kreeg zelf mijn leergeld in klinkende munt uitbetaald.

(Bardolf komt op.)

BARDOLF. Ach God, heer, afzetterij! zuivere afzetterij!

WAARD. Waar zijn mijn paarden? geef er mij goede tijding van, kerlino!

BARDOLF. Op den loop met de spitsboeven, want nauwelijks hadden wij Eton achter den rug, of zij wierpen mij, die achter een van hen zat, in een modderpoel, en gaven den paarden de sporen, en gingen er van door als drie Duitsche duivels, drie doctor Faustussen.

WAARD. Zij zijn doorgegaan, hun hertog te gemoet, schurk. Zeg niet, dat zij aan den haal zijn; Duitschers zijn eerlijke lui.

(Sir Hugo Evans komt op.)

EVANS. Waar is onze waard?

WAARD. Wat is er, Sir?

EVANS. Cheef acht op uw opnemingen. Er is een friend van mij chekomen in de stad, en die segt mij van drie Duitsche spitsboeven, die al te waarten van Readings, fan Maidenhead, fan Coleprook heeft afcheset, fan paarden en cheld. Ik seg u uit een choed hart, kijk toe; chij sijt een verstandig man en fol chrappen en spotpetoelingen, en het past niet foor u, dat chij petrogen wordt. Faar chij wel.

(Evans af.)

(Dokter Cajus komt op.)

CAJUS. Waar is mijn waard de la Jartière?

WAARD. Hier, heer dokter, in perplexiteit en een twijfelachtig dilemma. 86

CAJUS. Ik niet kan sek wat het is, maar ’et is mij kewees kezek, dat gij maak groote préparation voor een duc d’ Allemagne; op mijn eer, daar is geen duc, dat de ’of weet te koom. Ik u dat zeg van goed ’art. Adieu.

(Dokter Cajus af.)

WAARD. Houd den dief! schreeuw, schurk, loop!—Help mij, ridder, ik ben verloren!—Vlieg, loop, houd den dief! schreeuw, schurk! Ik ben verloren!

(De Waard met Bardolf af.)

FALSTAFF. Ik wenschte, dat de geheele wereld bedrogen was, want ik ben bedrogen, en op stokslagen onthaald er bij. Als het ter oore kwam van het hof, hoe ik getransformeerd ben geweest en hoe mijn transformatie gewasschen en geknuppeld is geworden, dan zouden zij al mijn vet uit mij uitsmelten, drup voor drup, en visscherslaarzen met mij insmeren; ik wed, dat zij mij met hun kwinkslagen zouden geeselen, tot ik ingeschrompeld was als een gedroogde peer. Ik heb geen geluk ter wereld meer gehad, sinds ik dien valschen eed deed bij het primero-spelen. Waarachtig, als ik niet te kortademig was om gebeden op te zeggen, zou ik boete gaan doen.

(Vrouw Haastig komt op.)

Nu, wie stuurt u weer hier?

VROUW HAASTIG. Wel, om de waarheid te zeggen, alle twee de partijen.

FALSTAFF. De duivel haal’ de eene partij, en zijn moer de andere! dan zijn zij alle twee verzorgd.—Ik heb om harentwille meer uitgestaan, dan de booze onbestendigheid van ’s menschen natuur vermag te dragen.

VROUW HAASTIG. En hebben zij dan niets uitgestaan? Ja, wel, dat verzeker ik u, en spacieel een van de twee; juffrouw Ford, de goede ziel, is zoo bont en blauw geslagen, dat er geen blank plekje meer aan haar te bekennen is.

FALSTAFF. Wat praat gij van bont en blauw? Ik ben geslagen tot alle kleuren van den regenboog; en ik ben op het punt geweest van opgepakt te worden als de heks van Brentford; want zonder mijn bewonderenswaardige tegenwoordigheid van geest en mijn slag om de bewegingen van een oude vrouw na te bootsen, zou een schoft van een gerechtsdienaar mij in het krot, in het gemeene krot, als een heks, geplakt hebben.

VROUW HAASTIG. Sir, laat mij eens op uw kamer met u praten; dan zult gij hooren, hoe de zaak loopt, en, ik verzeker u, gij zult op uw dreef zijn. Hier is een brief, die u iets vertellen zal. Goede zielen, wat is dat een gedoe, u bij elkander te brengen! Dit is zeker, een van u leidt geen godzalig leven, dat de hemel u zoo dwarsboomt.

FALSTAFF. Kom mede op mijn kamer.

(Beiden af).

ZESDE TOONEEL.

Een ander vertrek in de herberg de Kouseband.

Fenton en de Waard komen op.

WAARD. Master Fenton, spreek mij van niets; ik ben door en door neerslachtig; ik wil nergens meer van weten.

FENTON. Neen, hoor mij aan en help mij bij mijn plan; Ik geef in goud, ja, op mijn aad’lijk woord, Een honderd pond u meer, dan gij verloort.

WAARD. Nu dan, ik wil luisteren, master Fenton; en ik wil ten minste uw geheim bewaren.

FENTON. ’k Heb u van tijd tot tijd ontdekt, wat liefde Ik koester voor de schoone juffer Page, Die ook naar wensch mijn teederheid beantwoordt, Zoo ver zij voor zichzelve kiezen kan. En nu heb ik een brief van haar ontvangen, Welks inhoud u gewis verbazen zal; Zij spreekt daar van een grap, die met mijn zaak Zoo innig samenhangt, dat geen van beiden Alleen te ontvouwen is, maar slechts als de and’re Ook wordt gemeld. De dikke Falstaff speelt Een groote rol er in. Het plan der grap Wil ik u thans geheel ontvouwen. Luister, Mijn goede waard: van nacht, bij de’ eik van Hoorne, Speelt tusschen twaalf en een mijn dierbare Anna Voor Elfenkoningin; ’t waarom staat hier. In die vermomming,—terwijl and’re grappen In vollen gang en allerdolst zijn,—moet— Zoo wil ’t haar vader,—zij door Slapperman Zich laten schaken en terstond in Eton Met hem gaan trouwen; zij heeft toegestemd. Maar, vriend, Haar moeder, tegen dezen echt gekant, En zeer voor dokter Cajus, heeft beslist, Dat die, als and’re grappen allen boeien Haar eveneens zal schaken en terstond In de kapel, waar dan een priester wacht, Haar huwen; hierop nu heeft zij, haar moeder In schijn gehoorzaam, aan den dokter ook Haar woord gegeven.—Hoor nu verder nog: Haar vader meent, dat zij in ’t wit zal zijn, En in die dracht met Slapperman,—als die Den tijd gekomen ziet en bij de hand Haar vat en haar verzoekt hem te verzellen,— Zal medegaan;—haar moeder echter wil, Opdat de dokter beter haar herkenne,— Want alles moet vermomd zijn en gemaskerd,— Dat zij in groen en los gewaad verschijnt Met lange linten, wapp’rend om haar hoofd; En ziet de dokter dan zijn kansen schoon, Dan knijpt hij haar de hand, en op dit teeken Beloofde ’t meisje met hem mee te gaan.

WAARD. En fopt zij dan haar vader of haar moeder?

FENTON. Die beiden, beste waard; zij gaat met mij. Nu is mijn wensch, dat gij den priester zoekt, Die tusschen twaalf en eenen in de kerk Gereed sta, om door ’t plechtig echtverbond ’t Verbond van onze harten te bezeeg’len.

WAARD. Sla gij uw slag, den geest’lijke bestel ik; Breng gij de bruid, de priester zal er zijn.

FENTON. Nu dan, voorwaar, blijf ik u immer dankbaar, En loon u bovendien terstond den dienst.

(Beiden af.)

VIJFDE BEDRIJF.

EERSTE TOONEEL.

Een vertrek in de herberg de Kouseband.

Falstaff en vrouw Haastig komen op.

FALSTAFF. Kom, kom, geen praatjes meer; ga maar; ik houd woord. Dit is de derde keer; ik hoop, dat oneven getallen geluk brengen. Ga nu, ga! Het zeggen is, dat een oneven getal een heilig getal is, voor de geboorte, voor de wisselvalligheden van ’t leven, en voor den dood.—Ga nu heen.

VROUW HAASTIG. Een ketting zal ik u bezorgen en ik zal mijn uiterste best doen om u een paar horens te verschaffen.

FALSTAFF. Ga heen, zeg ik; de tijd vervliegt; kin op en dribbel weg.

(Vrouw Haastig af.)

(Ford komt op.)

Gij daar, heer Beek? Mijnheer Beek, de zaak komt nu van nacht, of nimmer in orde. Kom tegen middernacht in het park, bij den eik van Hoorne, en gij zult wonderen zien. 13

FORD. Zijt gij dan gisteren niet bij haar geweest, Sir, zooals gij mij gezegd hebt, dat de afspraak was?

FALSTAFF. Ik ben naar haar toe gegaan, heer Beek, zooals gij mij hier ziet, als een arm oud man, maar van haar teruggekomen, heer Beek, als een arme oude vrouw. Diezelfde schurk van een Ford, haar man, heeft den sluwsten jaloerschen duivel in zijn lijf, heer Beek, die ooit een dolkop regeerde. Ik wil het u vertellen: ik heb erbarmelijk slaag van hem gekregen, in de gedaante van een vrouw; want in mansgedaante, heer Beek, vrees ik zelfs Goliath niet met zijn weversboom, omdat ik ook weet, dat het leven een weversspoel is. Ik heb haast, ga een eind weg met mij mee; ik wil u alles vertellen, mijnheer Beek. Sinds ik aan ganzen de veeren uittrok, spijbelde en drijftollen ranselde, wist ik niet meer wat slaag krijgen is, dan nu pas. Ga mede; ik zal u vreemde dingen vertellen van dien schurk van een Ford, op wien ik mij van nacht wil wreken, en ik zal zijn vrouw in uw handen leveren.—Ga mede; ongehoorde dingen zijn er op handen, mijnheer Beek; ga mede.

(Beiden af.)

TWEEDE TOONEEL.

Het park van Windsor.

Page, Zielig en Slapperman komen op.

PAGE. Komt, komt, wij willen ons in de slotgracht verbergen, tot wij de lichten van onze elfen zien. Denk nu maar, zoon Slapperman, aan mijn dochter.

SLAPPERMAN. Ja zeker, wij hebben samen gesproken, en wij hebben een wachtwoord om elkander te herkennen. Ik kom tot haar, die in het wit is, en roep: „Pst!” en dan roept zij „Sst!” en daaraan kennen wij elkander.

ZIELIG. Ook goed; maar wat behoeft uw „Pst!” of haar „Sst!”? Het witte kleed zal haar duidelijk genoeg kenbaar maken.—Het is tien geslagen.

PAGE. De nacht is donker, als gemaakt voor lichten en spoken. De hemel begunstige onze grap! Niemand heeft kwaad in den zin dan de duivel, en dien zullen wij kennen aan zijn horens. Laat ons gaan; volgt mij!

(Alle drie af.)

DERDE TOONEEL.

Een straat in Windsor.

Juffrouw Page, juffrouw Ford en dokter Cajus komen op.

JUFFROUW PAGE. Heer dokter, mijn dochter is in het groen; als gij uw tijd gunstig ziet, neem haar dan bij de hand, voort met haar naar de kapel, en terstond de zaak beklonken! Ga maar vooruit, het park in. Wij tweeën moeten er samen naar toe gaan.

CAJUS. Ik weet, wat ik ’eb te doen. Adieu.

JUFFROUW PAGE. Het ga u wel, heer. (Cajus af.)—Mijn man zal zich niet half zoo verheugen in de tuchtiging van Falstaff, als hij zal razen over het huwelijk van den dokter met mijn dochter. Maar dat doet er niet toe; beter een weinig gekijf dan een groot harteleed.

JUFFROUW FORD. Waar is Anna nu, met haar elfenschaar en den Walliser duivel Hugo?

JUFFROUW PAGE. Zij zitten allen in een kuil vlak bij den eik van Hoorne, met gedekte lichten, die zij op het oogenblik van onze samenkomst met Falstaff allen op eens door de nacht zullen laten stralen.

JUFFROUW FORD. Dit kan niet anders dan hem schrik aanjagen.

JUFFROUW PAGE. En als hij ook al niet schrikt, dan wordt hij toch er door bespot; en jaagt het hem schrik aan, dan wordt hij op alle manieren bespottelijk.

JUFFROUW FORD. Zoo wordt hij wel terdeeg door ons geplaagd!

JUFFROUW PAGE. Op zulk een klant, die vrouwen zoo belaagt, Zij iedere aanslag, elk bedrog gewaagd!

JUFFROUW FORD. Het uur nadert; naar den eik! naar den eik!

(Beiden af.)

VIERDE TOONEEL.

Het park van Windsor.

Sir Hugo Evans komt op met de Elfen.

EVANS. Trip, trap, elfen! komt, en onthoudt uw rollen goed. Stoutmoedig, pit ik u; folg mij in ten kuil; en als ik de wachtwoorden cheef, doet zooals ik u pefeel. Komt, Komt! trippe trap!

(Allen af.)

VIJFDE TOONEEL.

Een ander gedeelte van het park.

Falstaff komt op, vermomd, met een hertsgewei op het hoofd.

FALSTAFF. De klok van Windsor heeft twaalf geslagen; het oogenblik nadert. Nu, gij goden met verhit bloed, staat mij allen bij!—Herinner u, Jupiter, gij werdt voor uw Europa een stier; de liefde zette u uw horens op.—O machtige liefde! die in sommige opzichten van een dier een mensch maakt, in sommige andere een mensch tot beest!—Zoo werdt gij ook een zwaan, o Jupiter, uit liefde tot Leda;—o, almachtige liefde, wat kwam een god daar een gans in gedaante nabij! Eerst een misstap, begaan in de gedaante van een viervoetig beest; o Jupiter, een beestachtige misstap! En dan een tweede misstap in de gelijkenis van een vogel; o denk eens, Jupiter, welk een lichtvaardige misstap!—Als goden het warm onder hun baadje hebben, wat moet dan de arme menschheid doen? Wat mij betreft, ik ben hier nu een Windsorhert, en het zwaarste, denk ik, in het gansche bosch. Zend mij een koelen bronsttijd, Jupiter, of wie kan het mij euvel duiden, als ik mijn vet verwater?—Wie komt daar? mijn hinde?

(Juffrouw Ford en juffrouw Page komen op.)

JUFFROUW FORD. Sir John zijt gij daar, mijn diertje, mijn hertebok?

FALSTAFF. Mijn hinde met de zwarte pluim?—Laat nu de hemel pataten regenen, laat het donderen op de zangwijze van „Juffer Groenmouw”, laat het nu geurige suikertjes hagelen en eryngiën sneeuwen; laat er een storm van liefdeprikkels losbreken, hier heb ik mijn toevluchtsoord.

(Hij omhelst haar.)

JUFFROUW FORD. Mistress Page is met mij medegekomen, mijn hartedief!

FALSTAFF. Deelt mij als een gestroopt hert, elk een ham; mijn lenden wil ik voor mijzelf houden, de schouders aan den jachtopziener geven; en mijn horens vermaak ik aan uw mannen. Ben ik niet een echte Nimrod? spreek ik niet als Hoorne de jager?—Ha, nu is eindelijk Cupido een kind met een geweten; hij verleent schadeloosstelling! Zoo waar ik een eerlijk spook ben, weest welkom! 33

(Gedruisch achter het tooneel.)

JUFFROUW PAGE. O God, welk een gedruisch!

JUFFROUW FORD. De hemel vergeve onze zonden!

JUFFROUW PAGE. Wat zou dat wezen?

JUFFROUW FORD EN JUFFROUW PAGE. Weg! weg!

(Zij loopen weg.)