Part 2
VROUW HAASTIG. O nu krijgen wij er allen van langs. Vlug, daar binnen, jong mensch; ga hier in dat bergkamertje. (Zij schuift Simpel er in.) Hij zal niet lang blijven.—Hé, John Rugby! John! hé! John, zeg ik!—Ga eens kijken waar onze meester blijft; ik vrees, dat hij niet wel is, omdat hij niet thuis komt. (Zij zingt.) „En naar onder, naar onder, naar ondere!”
(Dokter Cajus komt op.)
CAJUS. Wat ben jij daar aan het zing? Ik die gekheid niet mak. Ik u bid, ga en haal mij uit de kleine kamer un boitier vert, een doos een groene doos; versta je, wat ik zek? een groene doos.
VROUW HAASTIG. Ja, ja zeker, ik zal ze halen (Ter zijde.) Ik ben blij, dat hij niet zelf gaat; als hij dat jonge mensch gevonden had, dan was hij stierlijk dol geworden.
CAJUS. Oef, oef, oef, oef! ma foi, il fait fort chaud. Je m’en vais à la cour,—la grande affaire.
VROUW HAASTIG. Is het deze, heer?
CAJUS. Oui, mettez le au mon tasch, dépêchez, vluk.—Waar is dat skelm Rugby?
VROUW HAASTIG. Hé, John Rugby! John!
RUGBY. Hier,—meester.
CAJUS. Gij zijt Jack Rugby en gij zijt Slak Rugby, kom, neem gij uw rapier, en volk mij op mijn hiel naar de ’of.
RUGBY. Ik heb het bij de hand, heer, hier in het voorhuis.
CAJUS. Op mijne woord, ik ’oud mij te lang op.—Sapristi, qu’ ai je oublié? ik ’eb in mijn kamer eenige kruid, die ik niet wil verketen, voor ’eel de wereld niet. (Hij gaat in de bergkamer.)
VROUW HAASTIG. Ach God, nu vindt hij den jongen mensch daar, en wordt dol! 69
CAJUS. O diable, diable! wat is in mijn kamer? Spitseboef, larron! (Hij komt terug met Simpel, dien hij bij den kraag houdt.) Rugby! mijn rapier!
VROUW HAASTIG. Beste heer, blijf bedaard.
CAJUS. Waarom zal ik bedaard blijf?
VROUW HAASTIG. De jonge man is een eerlijke jongen.
CAJUS. Wat doen eerlijke jong in mijn kamer? Dat is niet eerlijk jong, die in mijn kamer kom.
VROUW HAASTIG. Ik bid en smeek u, wees niet zoo phlegmatiek! Hoor toch het ware van de zaak; hij kwam mij een boodschap doen van den eerwaarden heer Hugo.
CAJUS. Goed.
SIMPEL. Ja zeker, ik moest haar vragen—
VROUW HAASTIG. Stil toch!
CAJUS. Stil toch uw eigen tong!—Spreek gij, wat gij te spreken heb.
SIMPEL. Ik moest deze eerbare juffer, uw huisjuffrouw, vragen, een goed woord te doen bij juffer Anna Page, voor mijn meester, van wege een huwelijk.
VROUW HAASTIG. Dat is alles, inderdaad, ja; maar ik zal er geen vinger voor in de asch steken, zooveel niet.
CAJUS. Sir Hugo heeft u hier gestuur?—Rugby, baillez-moi een papier; wakt gij een klein oogenblik!
(Hij zet zich neder en schrijft.)
VROUW HAASTIG (ter zijde tot Simpel). Ik ben blij, dat hij zoo kalm is. Als hij eens recht giftig geworden was, dan hadt gij eens gehoord, hoe schreeuwerig hij wezen kan, en hoe mankeliek.—Maar dat doet er niet toe, man; ik wil voor uw meester doen, wat ik kan. En het ware van de zaak is, dat de Fransche dokter, mijn meester,—ja, ik mag hem wel mijn meester noemen, ziet gij, want ik bezorg zijn huishouden, en ik wasch, plak, strijk, bak, kook en brouw voor hem, en maak zijn bed op, en doe alles zelf,—
SIMPEL (ter zijde tot vrouw Haastig). ’t Is een groote post, als men zoo geheel voor iemand leven moet.
VROUW HAASTIG (ter zijde tot Simpel). Hebt gij daar ook ondervinding van? Gij zult het een grooten post vinden; en dan altijd vroeg op en laat naar bed;—maar het doet er niet toe,—kom hier, in ’t oor,—ik wil er geen praatjes van hebben,—mijn meester is zelf verliefd op juffer Anna Page; maar het doet er niet toe, ik ken haar door en door, er komt niets van, zus noch zoo. 112
CAJUS. Gij, ’Ans aap, geef Sir ’Ugo deez’ brief; op mijn ziel, het is een uitdaging; ik wil hem de keel afsnijd in de park, en ik wil een luizigen aap van een priest leer zik te meng of te bemoei. Jij kunt gaan; het deug niet, dat jij hier talm:—bij God, ik wil hem wegsnijd al zijn twee steen; bij God, hij zal niet behoud een steen om te smijt naar zen ’ond.
(Simpel af.)
VROUW HAASTIG. Ach God, hij doet alleen een goed woord voor een vriend.
CAJUS. Dat mij niet kan skeel:—’eb ik jou niet segd, dat ik wil ’eb Anna Page voor mijself?—Bij God; ik sla die ’Ans priest dood; en ik heb uitgekoos mijn waard de la Jartière te meet ons wapen.—Bij God, ik wil ’eb zelf Anna Page.
VROUW HAASTIG. Het meisje, heer, mag u wel lijden en alles komt terecht. Wij moeten de menschen laten praten, wat drommel!
CAJUS. Rugby, kom naar de ’of met mij.—Bij God, als ik niet krijg Anna Page, ik u bij den kop smijt uit mijn huis.—Volk mijn hiel, Rugby.
(Cajus en Rugby af.)
VROUW HAASTIG. Gij Anna? een’ ezelskop krijgt gij voor uzelf. Neen, ik ken Anna in dit opzicht door en door, geen vrouw in heel Windsor kent Anna zoo door en door als ik; en niemand kan meer van haar gedaan krijgen dan ik, den hemel zij dank.
FENTON (van buiten). Wie is er thuis, hé!
VROUW HAASTIG. Wie is daar, waarachtig? Kom nader bij, bid ik u.
(Fenton komt op.)
FENTON. Wel, goede vrouw, hoe gaat het?
VROUW HAASTIG. Zoo goed als het kan, nu uw edele daarnaar gelieft te vragen.
FENTON. Wat is er voor nieuws? hoe maakt het de lieve juffer Anna?
VROUW HAASTIG. Waarachtig, heer, lief, dat is zij, en zedig en aardig; en zij mag u wel lijden, dit wil ik u tusschen haakjes wel zeggen, den hemel zij dank!
FENTON. Denkt gij, dat het zal lukken? zou mijn aanzoek niet worden afgewezen? 153
VROUW HAASTIG. Nu, heer, alles staat in Gods hand; maar toch, jonge heer Fenton, zou ik op den bijbel willen zweren, dat zij u bemint.—Heeft uw edele niet een wrat boven uw oog?
FENTON. Ja wel, dat heb ik; maar wat zou dat?
VROUW HAASTIG. Wel, daar is een heel verhaal aan vast.—Goede hemel, dat is me een Anneken! maar, dat verzweer ik, een meisje zoo zedig, als er ooit een brood gesneden heeft;—wij hebben wel een uur lang over die wrat gepraat. Ik zal nooit lachen als bij dat meisje; maar, wezenlijk, zij geeft zich te veel aan allikolie en aan gepeins over. Maar wat u betreft, ga maar door.
FENTON. Nu, ik hoop haar vandaag nog te zien. Wacht daar hebt gij geld; wees mijn voorspraak bij haar; en als gij haar eer ziet dan ik, wil haar dan van mij groeten.
VROUW HAASTIG. Of ik wil? ja waarlijk, dat willen wij; en ik zal uw edele meer van de wrat vertellen, als wij weer eens vertrouwelijk bij elkaâr zijn, en ook van andere minnaars.
FENTON. Goed, vaarwel; ik heb nu groote haast.
(Fenton af.)
VROUW HAASTIG. Vaarwel, uw edelheid.—Waarachtig, een goed heer; maar Anna bemint hem niet; want ik ken Anna door en door, zoo goed als iemand.—Wat weêrgâ, wat heb ik daar vergeten!
(Vrouw Haastig af.)
TWEEDE BEDRIJF.
EERSTE TOONEEL.
Voor Page’s huis.
Juffrouw Page komt op, met een brief.
JUFFROUW PAGE. Wat! Ben ik in den feesttijd van mijn schoonheid minnebrieven ontgaan, en moet ik er nu aan blootgesteld zijn? Laat zien. (Zij leest).
„Vraag mij niet naar de reden, waarom ik u bemin; want schoon de Liefde het Verstand als haar verkenner gebruike, laat zij het toch niet als haar raadsman toe. Gij zijt niet jong meer, ik ben het ook niet; welnu dan hier is sympathie;—gij zijt vroolijk, dat ben ik ook; aha dus, nog meer sympathie;—gij houdt van sek, dat doe ik ook; kunt gij beter sympathie verlangen? Laat het u dan voldoende zijn, mistress Page,—ten minste, als eens soldaats liefde voldoende kan zijn,—dat ik u bemin. Ik wil niet zeggen: heb medelijden met mij, want dit is geen krijgsmanstaal, maar ik zeg: bemin mij. Geschreven door mij, uw getrouwen ridder,
Die naar u smacht, En meen’ge nacht Aan u slechts dacht, Wiens geest met macht, Wiens arm met kracht, Uw heil betracht:
John Falstaff.”
Welk een Herodes van Judea is dit!—O booze, booze wereld! een kerel, die van ouderdom bijna tot flarden is versleten, en die den jeugdigen galant wil spelen! Wat in ’s duivels naam heeft die Vlaamsche dikzak van een dronkaard in mijn gedrag voor onvoorzichtigs opgespoord, dat hij het wagen durft mij zoo aan boord te komen? Hij is geen driemaal met mij in gezelschap geweest.—Wat kan ik dan toch tegen hem gezegd hebben?—Ik was dan toch telkens,—God vergeev’ mij!—gematigd in mijn vroolijkheid.—Nu, ik wil een wet in het parlement brengen om de mannen af te danken. Hoe kan ik mij op hem wreken? want wreken wil ik mij, zoo waar als zijn ingewanden uit louter poddingen bestaan. 32
(Juffrouw Ford komt op.)
JUFFROUW FORD. Zie daar, juffrouw Page! ik wilde zoo waar juist naar uw huis gaan.
JUFFROUW PAGE. En ik kwam zoo waar juist naar u toe. Maar wat ziet gij er slecht uit!
JUFFROUW FORD. Neen, dat geloof ik nooit; ik kan u het tegendeel bewijzen.
JUFFROUW PAGE. Neen maar het is toch zoo, naar ik vind.
JUFFROUW FORD. Nu, het zij zoo, maar zooals ik zeg, ik heb het bewijs van het tegendeel in handen. O, juffrouw Page, geef mij raad.
JUFFROUW PAGE. Wat is er dan, melieve?
JUFFROUW FORD. O lieve, als er niet een klein ietsje tegen was, kon ik tot hooge eer stijgen!
JUFFROUW PAGE. Nu, geef dat ietsje den bons en neem de eer. Wat is het?—zet ietsjes op zij;—wat is het?
JUFFROUW FORD. Als ik maar voor een oogenblikje eeuwigheid of zoo in de hel wilde komen, kon ik geridderd worden.
JUFFROUW PAGE. Wat?—daar jokt gij mij voor;—Sir Alice Ford!—die ridders willen er op inhakken; en daarom moet gij van uw stand niets willen opgeven.
JUFFROUW FORD. Wij branden licht bij dag;—lees hier, lees;—zie eens, hoe ik geridderd kan worden.—Ik zal in het vervolg het ergste van dikzakken denken, zoolang ik oogen heb om den eenen man van den anderen te onderscheiden. En toch pleegde hij niet te vloeken; hij was vol lof voor de zedigheid der vrouwen, en sprak met zooveel behoorlijke en betamelijke afkeuring van alles wat onwelvoeglijk was, dat ik had willen zweren op de overeenstemming van zijn bedoelingen met zijn woorden. Maar zij hangen niet meer samen en komen niet beter overeen dan de wijs van den honderdsten psalm met die van het lied van „Juffrouw Groenmouw.” Welke stormwind, vraag ik, wierp dien walvisch, met zooveel tonnen traan in zijn buik, te Windsor op het strand? Hoe kan ik mij op hem wreken? Ik denk, dat het best is, hem met hoop aan het lijntje te houden, tot het booze vuur van den lust hem in zijn eigen vet gesmolten heeft.—Hebt gij ooit zoo iets gehoord?
JUFFROUW PAGE. Woord voor Woord, alleen de namen van Page en Ford verschillend!—Tot uw grooten troost bij dezen geheimzinnigen kwaden naam,—zie hier den tweelingbroer van uw brief; maar laat den uwen eerst erven, want ik zweer, de mijne zal het nimmer. Ik sta er voor in, hij heeft een duizendtal van deze brieven, met open ruimte voor verschillende namen, ja nog wel meer, en deze zijn van de tweede uitgaaf. Hij zal ze laten drukken, buiten twijfel; want hij geeft er niet om, wat hij onder de pers brengt, daar hij er ons alle twee onder zou willen brengen. Ik zou nog liever een reuzin zijn en onder den berg Pelion liggen. Waarlijk, ik wil u eer twintig ontuchtige tortelduiven opzoeken, dan één kuischen man.
JUFFROUW FORD. Waarachtig, geheel hetzelfde, dezelfde hand, dezelfde woorden. Wat denkt hij van ons?
JUFFROUW PAGE. Ja, dit weet ik niet; maar het brengt er mij bijna toe mijn eigen eerbaarheid te bekijven. Ik wil met mijzelve omgaan als met iemand, die ik nog niet ken; want zeker, als hij niet een zwak in mij gevonden heeft, dat ikzelf nog niet ken, zou hij mij nooit met zulk een woede aan boord geklampt hebben.
JUFFROUW FORD. Aanklampen noemt gij het? Nu, ik ben er gerust op, dat ik hem wel bovendeks zal houden.
JUFFROUW PAGE. En ik ook; als hij mij ooit onder de luiken komt, dan wil ik nooit meer in zee steken. Laten wij wraak op hem nemen; laten wij hem een onderhoud toestaan, hem een schijn van verhooring van zijn wenschen voorhouden, en hem met het fijne lokaas van uitstel bij den neus leiden, tot hij zelfs zijn paarden aan den waard van den Kouseband verpand heeft.
JUFFROUW FORD. Goed, ik doe mee, om hem iederen schelmschen trek te spelen, die geen vlek kan werpen op de zuiverheid van onzen goeden naam. O, als mijn man dezen brief eens te zien kreeg! dat zou een eindeloos voedsel geven aan zijn jaloerschheid.
JUFFROUW PAGE. Kijk, daar komt hij juist, en mijn goede man ook. Die is zoo ver van jaloerschheid, als ik er van af ben, hem er reden toe te geven, en dit is, zoo ik hoop, een onmetelijke afstand.
JUFFROUW FORD. Des te gelukkiger voor u.
JUFFROUW PAGE. Laat ons samen te rade gaan tegen dien smeerbuik van een ridder; kom mede.
(Beiden af, in huis.)
(Ford en Pistool, Page en Nym komen op.)
FORD. Nu, ik hoop, het is zoo niet.
PISTOOL. De hoop is vaak een kortstaart, die als jachthond Is afgekeurd. Sir John begeert uw vrouw.
FORD. Kom, man, mijn vrouw is de eerste jeugd voorbij.
PISTOOL. O hoog en laag, en rijk en arm begeert hij, En jong en oud, het eene en ’t andre, Ford. Hij houdt van mengelmoesjes; Ford, bedenk dit.
FORD. Hij mijne vrouw beminnen?
PISTOOL. Met gloeiend heete lever. Stuit, o stuit hem, Of loop voortaan, met Phyllax op de hakken, Als Sir Actæon rond.—O haat’lijk woord!
FORD. Welk woord, heer?
PISTOOL. De horen, ja. Vaarwel, wees op uw hoede; ’s Nachts sluipen dieven rond, heb de oogen open; Geef acht, eer ’t zomert en de koekoek roept!— Kom mede, korporaal! vriend Nym, ga meê! Geloof hem, Page, het is verstand, zijn spreken.
(Pistool af.)
FORD. Ik wil kalm zijn; ik wil de zaak doorgronden. 131
NYM (tot Page). En dit is waar; den humor van de leugen mag ik niet. Hij heeft mij in enkele humors beleedigd. Ik had haar den humorbrief moeten brengen; maar ik draag een zwaard, en dit zal bijten, als ik het noodig heb. Hij bemint uw vrouw, dat is het lange en het korte van de zaak. Mijn naam is korporaal Nym; ik spreek, en ik betuig, dat het waar is;—mijn naam is Nym, en Falstaff bemint uw vrouw.—Vaarwel; ik mag den kaas- en broodhumor niet; en dat is de humor er van. Vaarwel.
(Nym af.)
PAGE (ter zijde). „De humor er van,” zegt hij; dat is een knaap om den humor uitzinnig te maken.
FORD (ter zijde). Ik wil Falstaff opzoeken.
PAGE (ter zijde). Ik heb nog nooit zulk een langdradigen, kwasterigen vlegel gehoord.
FORD (ter zijde). Als ik de zaak zoo vind, nu, dan—
PAGE (ter zijde). Ik wil zulk een Chinees niet gelooven, al gaf ook de stadsgeestelijke hem een getuigenis van waarachtigheid.
FORD (ter zijde). Het was een recht verstandige kerel;—nu,—
(De twee Vrouwen komen weer uit het huis.)
PAGE. Kijk eens, Kaatje!
JUFFROUW PAGE. Waar gaat gij heen, George?—Luister eens.
JUFFROUW FORD. Wat is er, beste Frank? waarom zoo bedrukt?
FORD. Ik bedrukt? ik ben niet bedrukt.—Ga naar huis, ga!
JUFFROUW FORD. Nu, op mijn woord, gij hebt eenige grillen in het hoofd.—Gaat gij mede, juffrouw Page?
JUFFROUW PAGE. Tot uw dienst.—Gij komt toch eten, George? (Ter zijde tot juffrouw Ford.) Kijk eens, wie daar aankomt. Die moet onze bode zijn bij dien schavuit van een ridder.
JUFFROUW FORD. Nu, waarlijk, ik heb al aan haar gedacht; zij is er de rechte voor.
(Vrouw Haastig komt op.)
JUFFROUW PAGE. Gij komt mijn dochter Anna eens opzoeken?
VROUW HAASTIG. Ja juist; en hoe maakt het de lieve juffer Anna, als ik vragen mag?
JUFFROUW PAGE. Kom mee naar binnen en zie het zelf. Wij hebben een uurtje met u te praten.
(Juffrouw Page, juffrouw Ford en vrouw Haastig af.)
PAGE. Hoe is het, heer Ford?
FORD. Gij hebt gehoord, wat die kerel mij verteld heeft, niet waar?
PAGE. Ja, en gij ook, wat die ander mij vertelde? 176
FORD. Gelooft gij, dat er iets aan is van wat zij zeggen?
PAGE. Aan de galg met die schoften! Ik kan niet gelooven, dat de ridder zoo iets zou beginnen. Die knapen, die hem van zulk een aanslag op onze vrouwen beschuldigen, zijn een paar afgedankte bedienden van hem, echte landloopers, nu zij buiten dienst zijn.
FORD. Hebben zij bij hem gediend?
PAGE. Zeker, dat hebben zij.
FORD. De zaak bevalt mij daarom nog niet beter.—Woont hij niet in de Kouseband?
PAGE. Ja, daar woont hij. Als hij werkelijk van plan is zoo op mijn vrouw aan te stevenen, laat ik haar vrij met hem begaan; en wat hij er meer mee wint dan eenige vinnige verwijten, dat kome op mijn hoofd neer.
FORD. Ik wantrouw mijn vrouw volstrekt niet, maar ik zou er toch voor bedanken hen samen te laten. Een man kan ook al te goed van vertrouwen wezen, en ik wil niets op mijn hoofd hebben; ik ben zoo gemakkelijk niet gerustgesteld.
PAGE. Zie, daar komt onze zwetsende waard van de Kouseband aan. Die heeft òf wijn in den bol òf geld in den buidel, als hij er zoo vroolijk uitziet.—Wel, wat is er, heer waard?
(De Waard komt op, gevolgd door Zielig.)
WAARD. Wel zoo, ijzervreter! gij zijt een man van de wereld.—Cavaliero vrederechter, zeg ik.
ZIELIG. Ik kom al, beste waard, ik kom al.—Goeden avond, duizendmaal goeden avond, beste heer Page. Heer Page, wilt gij met ons medegaan? Wij hebben een grap voor.
WAARD. Vertel het hem, cavaliero vrederechter; vertel het hem, ijzervreter!
ZIELIG. Nu, heer, er is een tweegevecht op til tusschen Sir Hugo, den geestelijke uit Wales, en Cajus, den Franschen dokter.
FORD. Mijn goede waard van de Kouseband, een woordje met u.
WAARD. Wat hebt gij mij te zeggen, mijn ijzervreter? (Hij gaat met Ford ter zijde.)
ZIELIG (tot Page). Wilt gij met ons meegaan om het te zien? Onze vroolijke waard heeft op zich genomen hunne wapens te meten, en heeft hen, geloof ik, op verschillende plaatsen besteld, want wees verzekerd, de geestelijke hoor ik verstaat geen scherts. Luister ik zal u zeggen, wat de grap zal wezen.
(Zij spreken samen.)
WAARD. Gij hebt toch geen klacht tegen mijn ridder; mijn gast cavaliero?
FORD. Neen, dit betuig ik; maar ik zal u een kan gebrande sek geven, om mij met hem in kennis te brengen; en gij moet hem zeggen, dat ik Beek heet, enkel voor een grap.
WAARD. Mijn hand er op, ijzerkerel; gij zult egress en regress hebben,—is dit goed gezegd?—en uw naam zal Beek wezen. Het is een lustig ridder. Wilt gij gaan, ihr Herrn?
ZIELIG. Tot uw dienst, mijn waard. 229
PAGE. Ik heb gehoord, dat de Franschman nog al sterk is op zijn stootrapier.
ZIELIG. O heer, dan kan ik u een ander liedje zingen. Tegenwoordig staat men op een afstand, en doet zijn uitvallen, passado’s en ik weet al niet wat. Maar het hart doet het hem, vriend Page; hier zit het, hier zit het. Ik heb den tijd gekend, dat ik met mijn lang slagzwaard u vier stoere kerels kon laten huppelen als ratten.
WAARD. Komt, jongens, komt, komt! zullen wij uitsnijden?
PAGE. Tot uw dienst.—Maar ik hoorde hen liever kijven, dan dat ik hen zie vechten.
(De Waard, Zielig en Page af.)
FORD. Laat Page een zorgelooze gek zijn en ook nog zoo vast op zijn vrouws zwakte bouwen,—ik zet mijn vermoedens niet zoo gemakkelijk van mij af. Zij was met hem in gezelschap in Page’s huis, en wat zij daar deden, dat weet God. Neen, ik moet er meer van weten en ik kies een vermomming, om Falstaff te peilen. Als ik haar onschuldig vind, dan is mijn moeite niet verloren; en is het anders, dan is de moeite welbesteed.
(Ford af.)
TWEEDE TOONEEL.
Een kamer in de herberg de Kouseband.
Falstaff en Pistool komen op.
FALSTAFF. Ik leen je zelfs geen penning.
PISTOOL. Welnu, de wereld zij mijn oester dan, die ik wil oop’nen met mijn zwaard.
FALSTAFF. Neen, geen penning. Ik heb het mij laten welgevallen, dat gij mijn invloed in pand hebt gegeven; ik heb driemaal aan mijne goede vrienden voor u en uw medeboef Nym een uitstel ontwrongen, of anders hadt gij beiden als tweelingapen door de tralies kunnen kijken. Ik ben ter helle verdoemd, omdat ik bij edele heeren, mijne vrienden, gezworen heb, dat gij dappere soldaten en brave kerels waart; en toen juffrouw Brigitta het handvat van haar waaier verloor, gaf ik mijn eerewoord, dat gij het niet hadt.
PISTOOL. Kreegt gij uw deel niet? was ’t niet vijftien stuivers?
FALSTAFF. En met recht, schurk, met recht! Denkt gij, dat ik mijne ziel gratis op het spel zou zetten? In één woord, hang mij niet meer aan ’t lijf, ik ben geen galg voor u;—ga, een zakmes en een volksgedrang, dat is uw leven; ga, naar uw ridderzetel Pickt-hatch; ga!—Gij wilt geen brief voor mij bestellen, gij schurk! gij beroept u op uw eer!—Wat, gij bodemlooze laagheid, ikzelf heb genoeg te doen met mijn eigen eer behoorlijk op te houden. Ik, ik, ikzelf moet somtijds de vreeze Gods links laten liggen en mijne eer in den mantel van mijn nooddruft hullen en moet kruipen en sluipen en loeren; en gij, schurk, wilt uwe lompen, uw boschkatblikken, uw bierhuisuitdrukkingen en uw ijzervretersvloeken achter het afdak van uw eer verschansen! gij durft weigeren, gij!
PISTOOL. ’k Geef toe; wat kunt gij van een mensch nog meer verlangen? 32
(Robert komt op.)
ROBERT. Hier is een vrouw, Sir, die u wenscht te spreken.
FALSTAFF. Zij kome hier.
(Vrouw Haastig komt op.)
VROUW HAASTIG. Ik wensch uw edele goeden morgen.
FALSTAFF. Goeden morgen, goede vrouw.
VROUW HAASTIG. Dat niet, met verlof van uw edele.
FALSTAFF. Dan goeden morgen, meisje.
VROUW HAASTIG. Daar wil ik op zweren; zoo zeker als mijn moeder, het uur, dat ik geboren werd.
FALSTAFF. Wie zweert, dien geloof ik. Wat wilt gij van mij?
VROUW HAASTIG. Mag ik uw edele een woord of twee vergunnen?
FALSTAFF. Tweeduizend, schoone vrouw, en ik zal u het luisteren vergunnen.
VROUW HAASTIG. Daar is een zekere juffrouw Ford, Sir; ik bid u, kom iets dichter bij, hierheen.—Ikzelf woon bij den heer dokter Cajus.
FALSTAFF. Goed, verder; juffrouw Ford, zegt gij.—
VROUW HAASTIG. Juist, uwe edele heeft gelijk;—ik bid u, kom nog iets dichter bij.
FALSTAFF. Ik verzeker u, niemand hoort ons—mijn eigen volk, mijn eigen volk.
VROUW HAASTIG. Zijn zij dat? nu, God zegen’ hen en make hen tot zijn dienaars!
FALSTAFF. Nu goed; juffrouw Ford—; wat verder van haar?
VROUW HAASTIG. Ach, Sir, zij is een allerliefst schepsel. God, God, uw edele is een ondeugd; ja, ja, de hemel vergeve u en ons allen; amen!
FALSTAFF. Maar juffrouw Ford,—ga voort, juffrouw Ford,—