Part 10
Mevrouw Canneheuvel vouwde haar handen om die van Puck. „Lientien slaapt zeker al, ik zal hier met je bidden,” zei ze zacht. En aan haar oor sprak tante nu berouwvolle, vergeving vragende woorden en beloften van beterschap, die Puck haar nafluisterde.
Toen mocht ze tante omhelzen, terwijl ze nog eens om vergeving smeekte, en deze in tante’s hartelijken nachtzoen voelde.
Nog wel bedroefd, maar onuitsprekelijk verlicht en verruimd van hart ging Puck naar bed, en viel spoedig gerust in slaap.
XV BIJ TANTE JOHANNA.
Tante Johanna had gevraagd, of Puck met de Kerstvacantie nu eindelijk eens bij haar kwam logeeren. Ze kende ’t kind van haar eenigen broer zoo goed als niet, en vroeg in haar brief, of Mevrouw Canneheuvel ’t niet natuurlijk vond, dat ze verlangde haar eigen nichtje een poosje bij zich te hebben.
Ja, dat kon Mevrouw Canneheuvel best begrijpen, en ze gunde ’t tante Johanna ook graag, al wist ze vooruit, dat ’t van weerskanten teleurstelling zou geven. Want tante Johanna was een stijf dametje met ouderwetsche begrippen, in ’t geheel niet gewend met kinderen om te gaan. Puck zou haar veel te druk en te vrij zijn; zij paste volstrekt niet in tante’s omgeving. ’t Was echter ook om een andere reden (dan tante’s verlangen naar nichtje) wenschelijk, dat Puck een poosje van huis zou wezen.
Al trachtte iedereen (op mama’s vriendelijk verzoek) gewoon te zijn tegen het meisje, haar niet te laten merken, dat men van haar schuldbekentenis afwist, Puck zelf meende telkens stil verwijt te lezen in de oogen, die haar aankeken. Toen ze op een keer erg veel haast had, en Geertje op zij duwde, die haar in den weg stond, liet deze zich ontvallen: „Als ik uwes was, Puck, zou ik zoo’n drukte niet maken.”
Geertje zei dit zonder erg, maar de woorden klonken Puck schimpend in de ooren. Geertje had ze nooit durven zeggen, als ze niet op haar neerkeek vanwege de „Bommenbusjes-zonde”.
Mevrouw Canneheuvel, die juist de kamer uitkwam, zag hoe Puck verbleekte, en zich op de lippen beet, om niet heftig te antwoorden. ’t Verheugde mama, dat ’t kind zich wist te beheerschen.
Ze wenkte haar binnen en sprak: „Ik zocht je juist, Puck, om je te vertellen, dat tante Johanna je te logeeren heeft gevraagd voor de aanstaande vacantie. Ze wil je graag eens bij zich hebben, en dat is heel natuurlijk, want je bent haar eenige nichtje. Nu hoop ik maar, dat je ons geen schande zal aandoen, kind, en je lief en behoorlijk zal gedragen. Bedenk, dat tante niet jong meer is, nooit kinderen om zich heen heeft gehad, en wees dus niet te luidruchtig en te vrij.”
„Maar ik vind ’t niks prettig, om te gaan,” klaagde Puck, „tante lijkt me niks aardig; zoo stijf en stug!”
„Dat zal je heusch wel meevallen. Tante Johanna is een brave ziel, die zich haar leven lang voor anderen heeft opgeofferd.”
„Als ’t moet, als u denkt, dat ik ’t niet verdien om een prettige vacantie te hebben,” zuchtte Puck gedwee, „dan...”
„’t Is volstrekt niet als straf bedoeld,” viel mevrouw Canneheuvel in. „Tante Johanna moest je hooren!.... Je straf heb je al gehad in de weken eer je bij mij kwam, niet Puck?.... Kom, zet nu je beste beentje eens vóór in Voorburg. Wees een lief, gezellig, opgewekt kind, zooals je hier bent, dan gaat tante stellig veel van je houden.”
„En dan vraagt ze me nog maar met elke vacantie,” dacht Puck bij zich zelf. „Wat een heerlijk vooruitzicht!”
Maar ze durfde niets meer zeggen, en een paar dagen later bracht oom haar naar Voorburg. Op ’t reisje er heen praatte Puck toch zoo heerlijk met oom, precies als ze met haar paatje had kunnen doen. Uit zich zelf was ze begonnen over haar laatste verkeerde daad, en oom zeide, dat hij zich best kon begrijpen, hoe moeilijk ’t Puck was gevallen voor de waarheid uit te komen, en dat hij, even als tante, geloofde, dat ze haar daad goed had willen maken, en ’t haar ernst was met haar voornemen een beter kind te worden. Hij hoopte van harte, dat Puck haar goede voornemen getrouw zou blijven, en tante beloonen voor al haar liefderijk geduld en trouwe moederzorg.
Onder ’t praten was ’t reisje kort gevallen, en stonden ze voor tantes villa’tje, eer Puck er op verdacht was.
Oom bleef nog eventjes praten; toen had hij van tante Johanna afscheid genomen, en Puck zoo hartelijk vaarwel gekust, alsof ze zijn eigen Lientien was.
Puck liet oom uit, en stond hem zoo lang mogelijk na te wuiven, terwijl ze intusschen bedacht, hoe lief en goed oom toch ook altijd voor haar was. Tusschen haar en Lientien maakte hij nooit ’t minste onderscheid. Stopte vader Lientien een extraatje toe, oom deed ’t Puck tegelijkertijd....
„Komt u der nou eindelijk in, jongejuffrouw?” vroeg Saartje, tantes dienstbode, „we waaien temet nog weg, met die open deur. En veeg uwes voeten nog even af, ze zitten vol modder.”
„’k Zie der niks an,” beweerde Puck.
„Nou, ikke dan wel, en mijn gang is pas geschrobd.”
Puck haalde haar schouders op, en mompelde: „Loop rond, ouwe zanik,” maar ze veegde haar voeten toch nog maar eens op de mat, waar het kortaffe: „Voeten vegen,” den bezoeker nu niet bepaald beleefd hiertoe uitnoodigde.
„Wat een nauw gangetje en wat een kleine kamers,” dacht Puck, „’t lijkt wel een poppenvilla, net geschikt voor kleine Koo. Wat zal Lientien lachen, als ik ’t haar vertel.”
Maar dat kon vooreerst niet.... Puck onderdrukte een zucht, en ging de voorkamer binnen, waar tante in het serretje zat.
„Kom eens hier, meisje,” verzocht tante Johanna. „Wel, wel, ’t leek wel, of je oom naar een Noordpoolreis uitgeleide deed, zoolang bleef je nog praten en afscheid nemen. Maar een volgenden keer laat je me de voordeur niet zoolang open. ’k Voel de kou nog aan mijn beenen.—Je haar is heelemaal verwaaid, net een ragebol. Ga met Saartje mee, die zal je de logeerkamer wijzen, dan kan je je daar wat opknappen.... heila kind, neem meteen je hoed en mantel mee, en berg ze netjes in de kast boven....”
Vóór ze nog de trap op was, had Puck al bij zich zelf uitgemaakt, dat tante een zeur en Saartje een spook was. Lieve Hemel! wat zou ze zich hier vervelen!
Die eerste middag sleepte voorbij. ’t Begon dadelijk nà de koffie te regenen, dus van uitgaan was geen sprake.
Tante haalde haar breiwerk te voorschijn en, terwijl de naalden langzaam door haar vingers gleden, begon ze Puck een en ander te vertellen uit de kinderjaren van haar vader.
Maar dat dikke, stoute jongetje, dat appels van de boomen schudde, en zijn schoolwerk niet wou maken, en dan honderd maal moest schrijven: „Ik moet beter mijn plichten betrachten,” kon Puck onmogelijk vereenzelvigen met haar vadertje, en ze luisterde zonder de minste belangstelling toe.
’t Kon ook wel aan tantes manier van vertellen liggen, want die leek op niks. Tante hield er een suffe, preekerige manier van praten op na, ze haalde elk woord uit of ’t van elastiek was.—Toen tante zweeg, kon Puck niets bedenken, om over te babbelen; ze had er ook niets geen zin in. ’t Etensuurtje bracht een prettige afwisseling, want ’t „spook” kookte lekker, en er kwamen veel meer gerechten op tafel dan thuis. Toch smaakte ’t Puck lang zoo niet als anders.
Zoo ongezellig ook, met je tweeën aan tafel. Tom, tantes ouwe hond, zat mee aan, wat Puck erg onsmakelijk vond, want „lieve Tom” slobberde en smakte en morste als een kind zonder manieren.
Na ’t eten ging tante een beetje stilzitten, en gaf Puck een boek.
„Dat zou haar wel bevallen,” verzekerde tante met een knipoogje.
„De ondeugende kinderen van J. Gouverneur,” las Puck op ’t titelblad.
„’t Is vol aardige, gekleurde platen,” zei tante, „die moet je maar eens goed bekijken. Je papa had, als kind, ook altijd erg veel schik in dit boek. Hij kende vele versjes er uit van buiten.”
Maar eigenwijze Puck dacht, dat haar vader toen zeker nog een verbazend klein jongetje moet geweest zijn, want zij vond de versjes en plaatjes dan al verbazend kinderachtig. Al gauw had ze haar bekomst van „De ondeugende kinderen”, en na de thee vroeg ze, of ze naar bed mocht. Ze had zoo’n slaap.
„Ga je thuis ook zoo vroeg naar bed?” vroeg tante verbaasd.
„Thuis! O nee, maar ’t is hier ook mijn thuis niet....” ’t Woordje „gelukkig” slikte ze nog bijtijds in.
’t Kind voelde niet, dat ze haar gastvrouw pijn deed, en ’t kwam deze niet in de gedachte, Puck met een hartelijk woord of grapje te doen inzien, dat ze zich een beetje schamen moest over haar onbeleefd antwoord. Tante werd boos.
„Je hebt slechte manieren, Johanna,” verweet ze ’t meisje kortaf. „Ga dan maar gauw, als je je zoo bij me verveelt.”
„Gunst tante, waarom zegt u toch „Johanna” tegen mij?” onderzocht Puck verwonderd. „Zoo noemt niemand mij ooit.”
„Waarom heb je zoo’n mallen bijnaam?” vroeg tante op haar beurt. „Je heet naar mijn lieve moeder, dus naar je grootmoeder, net als ik, Johanna, Magdalena. En Johanna is wat een mooie naam!”
„Ja maar, ik ben nou eenmaal aan „Puck” gewend. Paatje noemde mij nooit anders, en Johanna klinkt mij zoo vreemd en stijf, dat ik niks graag zoo genoemd word.”
„Zoo? Nou weet ik ’t wel,” zei tante strak. Ze stak Puck haar wang toe, en na een vluchtigen kus ging Puck met een: „nacht tante, slaap wel” naar boven.
In bed begon Puck te schreien. Ze wist niet, wat haar scheelde, maar nu brak ’t los, wat haar den heelen dag gekweld had: zoo’n heftig verlangen naar huis, dat ze ’t wel had kunnen uit gillen. ’t Leek haar, of ze al weken weg was in plaats van één dag.
Op eens moest ze denken aan een vreeselijk verhaal, dat Frits Lientien en haar, lang geleden, had voorgelezen. ’t Was de geschiedenis van een matroos, die oproer had willen maken aan boord van zijn schip. Zijn straf daarvoor was even wreed als verschrikkelijk. Men liet hem achter op een onbewoond eiland met niets dan een vaatje water en wat brood....
O! zij wist nu, hoe ’t dien rampzaligen zeeman te moede moest zijn geweest, toen hij de sloep zag wegvaren, die de laatste schakel vormde tusschen hem en de bewoonde wereld.
Zij voelde zich ook als een verlaten, ongelukkige schipbreukeling! Hoe zou ze ’t hier uithouden!
En Puck wond zich hoe langer hoe meer op, terwijl de tranen haar langs de wangen stroomden, tot ze, moe gehuild, eindelijk insliep.
’t Was tante Johanna niet ingevallen, nog eens naar haar nichtje te gaan zien, of haar een goedennachtkus te brengen.
Tante had in ’t geheel geen aardigen indruk van Puck gekregen. Ze leek haar een onhartelijk, bijdehand, verwend kind.
Den volgenden morgen kuste een helder zonnetje Puck wakker. De heele omgeving zag er nu op eens veel vroolijker en aantrekkelijker uit.
Puck voelde zich minder neerslachtig, toen ze beneden kwam.
Na ’t ontbijt stelde tante Puck voor een eindje te gaan wandelen. ’t Was nu mooi weer, en straks kon ’t wel weer regenen.
Noemde tante dit nu heusch „wandelen?” dacht Puck wanhopig. Slechts stapje voor stapje, voetje voor voetje ging ’t vooruit, want tante Johanna had last van asthma, en Tom kon ook niet zoo goed meer mee. Hij was oud en aamborstig, maar daarom waren tante, en vooral Saartje, niet minder dol op hem.
Tante had Puck’s arm genomen, en ’t kind deed heusch haar best, om opgewekt te praten, zooals ze tante Canneheuvel beloofd had. Maar al gauw gaf ze ’t op. ’t Drukkend gevoel van gisteren kwam met kracht terug, en steeds erger werd ’t verlangen naar huis.
Tante kocht wat lekkers voor aan de koffie, straks, maar ’t kon Puck niet schelen. Ze kon niet gezellig en vroolijk wezen, en had wel willen huilen; de last op haar borst woog ál zwaarder.
’s Middags was tante Johanna gewend een paar uur te gaan rusten. Ze had dit den eersten dag van Puck’s bezoek niet gedaan, doch nu ging ze naar boven, na eerst, op Puck’s verzoek, een ander boek voor haar nichtje uit de boekenkast te hebben gezocht.
Tante Johanna had alleen verbazend ouderwetsche boeken, de meeste nog uit haar jeugd. Ze meende Puck een recht aardig verhaal in handen te hebben gegeven, „Roza van Tannenburg” getiteld. Puck begon er over te geeuwen, en vond het een „drakige” geschiedenis met al die zedelessen.
In ’t geheel niet benieuwd naar Roza’s verdere avonturen, sloot ze ’t boek, en wilde met Tom gaan spelen.
Doch deze ouwe heer waarschuwde haar met dreigend gebrom, dat ze liever niet te dicht bij zijn mand moest komen.
Dadelijk kwam Saartje uit de keuken aanzetten, om te kijken waarom lieve Tom bromde. Ze vroeg Puck, of die hem soms aan ’t plagen was, want anders ging de lieverd nooit te keer.
„Och, loop rond,” verzocht Puck niet erg vriendelijk, „ik heb dat leelijke, vette beest met geen vinger aangeraakt.”
Saartje zette haar handen in haar zij. „Welzeker! Ik zou dat onschuldige dier maar uitschelden; als ik uwe was. ’t Staat je aardig, dat moet ik zeggen. Ik zeg dan maar, dat Tommie een heel wat liever en vrindelijker beest is dan sommige, die ik niet noemen zal.”
„Bedoel je mij soms?” vroeg Puck. „Ik ben anders een mensch en geen beest.”
„Een mensch van amper drie turven hoog,” hoonde Saartje, „laat naar je kijken, madam.”
Ze nam Tommie, die nu eerst verwoed gromde, onder den arm, en trok af naar de keuken.
„Bij die Saar vergeleken, is Bet heusch een engel,” overdacht Puck.
Ze ging in ’t serretje zitten, maar al gauw zag ze zelfs de enkele voorbijgangers niet meer, door de tranen heen die haar weer langs de wangen liepen. In de verte speelde een draaiorgel het melankolieke wijsje „Verdreven van huis.”
Puck huilde nog harder. Ach, ze was immers ook verdreven van huis! Wat zou Lientien nu doen? Zouden ze haar in ’t geheel niet missen? Zou ze met oudejaarsavond ook hier moeten blijven?... Maar dat hield ze niet uit!...
Tante was wel goeiïg, maar hoe verschrikkelijk vervelend was ’t hier met die twee ouwe menschen en dat ouwe beest! En toen voelde Puck, dat ’t dàt niet alleen was. Al was ’t huis vol vroolijke kinderen geweest, ze had ’t hier toch akelig gevonden, omdat ze naar haar eigen thuis verlangde, en verging van heimwee.
Ze snakte naar tante’s lief gezicht, naar ooms vriendelijke stem, naar Lientiens aanhaligheid en Nels hartelijke zorg, zelfs naar ’t kibbelen met Frits. Kon ze maar even om ’t hoekje kijken bij tante Sjarlotje....
Bet was aardig en goeiïg naast „spokige” Saar. Hoe dolgraag had ze Geertje met haar dikke rokken door de gang zien schommelen.
De derde dag ging voorbij als de eerste, met het ongelukkige wandelingetje, ’t wanhopig pogen van Puck om tegen haar heimwee te strijden, en tante’s stille ergernis over ’t vervelende, saaie nichtje. Tante Johanna deed haar best, maar ze kon Puck niet opwekken. Bij ’t spelletje dammen, na ’t eten, speelde ’t meisje zoo lusteloos en onverschillig, dat tante Johanna verdrietig voorstelde er maar liever mee uit te scheiden....
Puck viel haar dan al verbazend tegen. Was dat nu het vroolijke, leuke kind, van wie mevrouw Canneheuvel zoo hoog had opgegeven?
’t Kwam tante Johanna geen oogenblik in de gedachten, dat haar logéetje aan heimwee leed.
Toen Puck dien avond in bed lag, kwam ze, na veel getob en gehuil, tot het besluit, dat ze hier niet langer bleef, en naar huis terug ging. Of tante haar dit nu kwalijk nam of niet, dat kon haar niet schelen.
Ze kon ’t niet langer uithouden.
XVI NAAR HUIS TERUG.
’t Was nog maar nauwelijks licht, toen Puck, na een bijna slapeloozen nacht, uit haar bed gleed. Doodstil en voorzichtig kleedde zij zich aan, haalde haar bed af, en ruimde de kamer netjes op. Tante Johanna hoefde naderhand niet te zeggen, dat ze een slordigen boel had achtergelaten. Toen schreef Puck, bij ’t licht van haar kaarsje, ’t volgend briefje.
„Lieve tante Johanna,
’k Dank U wel voor al ’t plezier, maar ik kan niet langer blijven. Ik heb zoo’n verlangen naar huis, dat ik aldoor huilen moet, en ik heb zoo’n prop in mijn keel en net een ijsklomp op mijn borst.
Dank U nog eens wel, en wees U als ’t u belieft niet boos op uw liefhebbend nichtje Puck.”
Dit briefje legde het meisje in ’t midden op tafel, zoodat het goed in ’t oog viel. Puckie was slim genoeg, als het er op aankwam, en, terwijl ze toch niet slapen kon van verdriet en zenuwachtigheid had ze alles goed overlegd.
Toen Saartje tante Johanna om half acht een kopje thee op de kamer bracht, sloop Puck naar beneden en stil de deur uit. Ze paste er op, dat de klink van het tuinhekje heel zacht toeviel, en snelde daarop voort, of de vijand haar op de hielen zat.
Geld had Puck niet, want van de bespaarde veertig cents zou en wou ze niets afnemen, zelfs niet in den grootsten nood. Ze had ’t tante op haar eerewoord beloofd! Het juffertje moest ’t dus met den wagen van „Voeteling” doen. ’t Was wel een vreeselijk eind naar de Groot-Hertoginnelaan, maar ’t kon nu eenmaal niet anders. Den weg wist ze wel drie kwart, en ze had ook gelukkig een mond om te vragen.
Eerst liep ze verbazend vlug het dorp uit, den Voorburgschen weg af, naar Rijswijk. Maar al gauw moest ze haar tred matigen. Ze kreeg pijn in haar borst bij ’t haastig adem halen (hoe kwam ze daar nu aan?), voelde zich flauw en moe door gebrek aan slaap en voedsel. Want ze had de laatste dagen bijna niet kunnen eten, en was nu ook nuchter ’t huis uitgegaan. Trek had ze overigens in ’t geheel niet; ’t lekkerste hapje had ze nu niet door de keel kunnen krijgen.
Haar roode wangetjes leken smal en bleek, en haar groote oogen nog grooter en donkerder door de kringen er om heen van al ’t huilen en niet slapen.
Toen ze een half uur had geloopen, voelde Puck zich dood op. Ze was nu op den Rijswijkschen weg waar, over de open velden aan weerszijden de koude wind meedogenloos op haar aanviel.
’t Kind zwoegde er tegenop, belemmerd in het voortgaan door haar kleeren, die de storm stijf tegen haar lichaam aandrukte. De zwarte krullen dansten om Puck’s hoofd, het elastiek van haar hoed sprong kapot, tegelijkertijd vloog deze over de sloot, en huppelde het weiland op.
’t Kon Puck niet schelen, ze bond haar zakdoek om haar krullen, en verder ging ’t weer. Maar ’t gaan viel haar hoe langer hoe zwaarder.... Als ze die stekende pijn in haar borst maar niet had gehad! Dat was nog ’t ergste....
De afstand tusschen de twee bruggetjes leek haar eindeloos. Nu begon ’t wat minder fel te waaien, doch daar ging het regenen, eerst niet erg, maar al gauw bij stralen. Gelukkig had Puck een dikken, warmen mantel aan; met te meer plezier viel de booze regen op haar onbeschermd hoofd neer. Ze had haar krullen wel kunnen uitwringen; als een wit vodje flapperde de zakdoek in haar nek.
Wind en regen deden met haar arm hoofd wat zij wilden. Haar natte rokken zweepten tegen haar beenen, zoodat kousen en laarsjes ook al gauw drijfnat werden.
Wanneer de gedachte aan thuis Puck niet telkens nieuwen moed had gegeven, was ze zeker aan den berm van den weg neergevallen, geheel onverschillig voor wat er nu verder met haar zou gebeuren. Telkens had ’t kind gedacht: „Komt er nu nooit eens een wagen langs dezen weg, die mij misschien wel een eindje mee zal willen nemen?”
De Rijswijksche weg was echter in dien tijd nog bijna niet bebouwd, en behalve de tram naar Delft, had Puck tot dusver geen enkel vervoermiddel gezien.
Eindelijk hoorde ze toch het „klik, klak” van paardenhoeven en ’t gerommel van een vrachtwagen achter zich. Ze keerde zich om, en zag een wagen van Van Gend en Loos, die haar achterop reed.
Toen de koetsier dat kleine, verwaaide, ongelukkige hoopje mensch op den eenzamen weg zag staan en wenken, hield hij dadelijk zijn paard in. En, eer Puck haar verzoek om mee te mogen rijden had kunnen doen, was ze door den goedhartigen man al opgenomen, en werd haar tusschen de manden een plaatsje ingeruimd door den maat van den voerman.
„Maar jongejuffrouw,” vroeg deze, „hoe komt uwe nou toch met zulk weer alleen op weg? Menscheziele, wat ben je koud en nat!”
„Wacht, ik zal de paardendeken om haar heenslaan,” sprak de koetsier, de daad bij het woord voegend. „Zie zoo, juffertje, nou brengen we je thuis als een pakkie met Van Gend en Loos,” schertste hij. Puck begon te lachen, maar daarop onbedaarlijk te schreien.
„Bedaar maar, juffie, je komt nou makkelijk thuis,” troostte de koetsier. „Waar moet uwes wezen?”
„Groot Hertoginnelaan, twee en veertig,” hakkelde Puck. Haar tanden klapperden tegen elkaar.
„Dat is nou juist niet naast de deur, maar uwe treft ’t, dat ik in die buurt moet wezen, al heb ik er een eindje voor om te rijden. Vooruit Bles.” Hij zwaaide zijn zweep over Bles zijn rug, die er dadelijk een vluggen stap in zette.
Puck bleef huiveren en klappertanden in haar natte kleeren. Na een poosje hield dit op, en begon ze te gloeien onder de deken. De pijn in haar borst hield echter aan. Ze hoorde maar half, wat de mannen haar vroegen, die wilden weten, waar ze vandaan kwam, en hoe ze in dit hondenweer op dien eenzamen weg verdwaald raakte.... Daarop was ze zeker aan ’t suffen en soezen gegaan, want ze kwam pas tot besef van den toestand, toen de wagen stilstond. Met een „we bennen er” van den koetsier voelde zij zich opgebeurd, en nu stond ze in de gang: thuis. ’t Kostte Puck moeite haar loodzware oogleden op te slaan. Als in een waas zag ze lieve, vertrouwde gezichten om zich heen, die erg verschrikt keken. Achter uit de lange gang, kwam een gestalte toeloopen: „Tante”.
Met een schreeuw wilde Puck op haar toevliegen, maar zij kon niet, en zakte ineen. Toen hoorde ze vragen: „Frits?”.... voelde zich opgenomen en naar boven gedragen. Iemand kleedde haar uit, kuste haar koude wangen, wreef haar ijskoude handen. Nu lag ze in haar eigen bed, dat verwarmd aanvoelde en wist niets meer.
Dien nacht kreeg Puck hard de koorts, en was twee weken lang zoo zwaar ziek, dat de dokter zich ernstig ongerust maakte. ’t Bleek al spoedig, dat ’t kind longontsteking had, terwijl haar zenuwgestel bovendien geheel van streek was. Puck genoot de meest denkbare, zorgvolle, liefderijke oppassing. Mevrouw Canneheuvel met Nel en de pleegzuster, waren voortdurend om haar heen, en dokters voorschriften werden zoo nauwkeurig opgevolgd, als deze maar verlangen kon. Eindelijk kwam de crisis, die ’t zieke kind gelukkig doorstond, en daarop, heel, heel langzaam, de beterschap. Ruim twee maanden ná haar vlucht uit Voorburg, lag een bleeke, stille Puck in de kussens, die zich o zoo wonderlijk, zwak en moede voelde.
Ze kon nu echter weer geregeld denken, en zich alles herinneren van vóór haar ziek worden. Die tijd zelf was als een verwarde droom, waaruit zij zich slechts enkele bizonderheden herinnerde: tantes hand op haar voorhoofd, oom naast haar bed, die haar langs de wangen streek, zooals paatje vroeger deed, wanneer ze ziek was. Ze kon in ’t geheel niet praten, en als ze ’t wilde probeeren, boog iemand zich over haar heen, en fluisterde: „Niet doen, kindje, later.” Dikwijls had ze angstige droomen gehad, maar dan was er altijd iemand geweest, die haar kalmeerend toesprak, en zacht neervlijde in de kussens.