Chapter 5 of 11 · 3992 words · ~20 min read

Part 5

„Wat zou ik voor mijn Lienepoes niet graag geven?” vroeg tante teeder. „Maar bovendien heeft tante Sjarlotje al sinds lange jaren niets meer aan kleurige linten en strikken, dat is goed voor de jeugd. Dit lint is al erg oud, ’t was vroeger bepaald hard rose, maar ieder jaar verbleekte ’t een beetje meer, en is eigenlijk nu pas mooi van tint.”

„Zit er een geschiedenis aan vast, tantetje?” vroeg Lientien, die dol was op verhalen uit de jeugd van groote menschen.

„Niet veel bizonders, kind. Toen tante een jong meisje was, had zij een vriendin, die ook Charlotte heette, en zoo waren wij de twee „Lotjes”. Wij hielden veel van elkaar, maar waren wel wat overdreven in onze vriendschap, zooals jonge meisjes dat wel meer zijn. Natuurlijk gaven we elkaar presentjes bij voorkomende gelegenheden, en zoo kreeg ik dit rose lint van haar voor mijn haar.

„Daar vond ik ’t veel te mooi voor, en bewaarde het, tusschen vloei, jaar in jaar uit. Dikwijls bekeek ik het, en dacht dan aan dien ouden tijd, toen Lotje en ik elkaar eeuwige vriendschap beloofden en.... elkander toch zoo spoedig vergaten.”

„Hoe kwam dat dan, Lottepotje?”

„Wel, Lotje ging naar Canada, en ik hoorde nooit meer iets van haar. Toen stierf mijn vriendschap ook, maar van ’t rose lint kon ik toch niet scheiden. ’t Was haar laatste presentje.”

„Ik denk, dat Annie en Wimpie wel altijd vriendinnen van mij zullen blijven,” zei Lientien hoopvol. „We schrijven elkaar trouw, en mamp heeft beloofd, dat ze in de vacantie mogen komen logeeren. Hè, zalig!.... Tante, zal ik u eens wat vertellen? ’k Heb tegenwoordig toch zoo dikwijls ruzie met Puck. Ze is niks lief tegen mij, en ik ook niet tegen haar.”

„Maar Lientien....”

„Echt tante, nou praat ze ook weer niet tegen me, al twee dagen lang. Enkel „ja” en „nee”.”

„Hoe komt dat dan, snoezepoes?”

„We hebben elkaar uitgescholden omdat.... maar dat kan ik niet allemaal vertellen, want ik wil haar niet verklikken.”

„’k Zou ’t maar weer bijleggen,” suste tante. „’t Is vast niks erg.”

„Dat zit nog,” beweerde Lientien, die alle uitdrukkingen van Frits trouw overnam, als zij ze leuk vond. „Puck houdt ook niks van poppen,” ratelde Lientien door, „en ze vindt ’t vreeselijk gek, dat ik er zoo graag voor naai. Nou, Annie en Wimpie brengen vier kinderen mee, en ik wil natuurlijk, dat mijn zes er netjes uitzien tegen dat ze komen, wat zegt u? Voor Suus en Francine ben ik klaar, maar Dora moet nog een jurk en kleine Koo een paar sokjes....”

„Jammer, dat ik je niet meer kan helpen, snoes,” zei tante treurig.

„Niks erg hoor Sjarlottepotje,” riep Lientien, verteederd. „U helpt me al genoeg met goeien raad. En kijk eens wat een prachthoed die Suus nou voor best heeft? Als ze maar niet zoo’n ijdeltuit wordt als haar tante Puck!”....

Wanneer Lientien op dit oogenblik Puck had kunnen zien, zou ze haar nog voor wat heel anders hebben uitgemaakt dan voor een ijdeltuit. Want dit slechte meisje vergreep zich juist aan Lientiens lievelingen. Behalve Suus zaten al Lientiens kinderen op hun kleine stoeltjes rond ’t tafeltje in een hoekje van de groote slaapkamer van Puck en Lientien. Ze zeiden niets, ze keken maar, toen ze die woeste tante zagen binnenkomen, en hun poppeharten beefden. Want tante Puck had meestal niet veel goeds in den zin, en moeder was er niet om hen te beschermen. En ja wel, daar had je ’t al! Eén voor één werden ze beet gepakt: mooie Francine bij haar blonde haar, doch die was te groot, en werd weer op haar plaatsje neergesmakt. Maar Dora, die kon nog net, Sjarlotje en Nellie ook, kleine Koo, ruw aangepakt bij zijn verbonden been, was juist geschikt, en zoo werd ’t viertal, hutje mutje, over elkaar, in tantes schortje gestopt.

Behoedzaam, naar alle kanten uitkijkend, sloop Puck met haar buit naar den salon, kreeg met moeite ’t blad van den vleugel open, en legde Lientiens lieverdjes zoo maar op de harde snaren. Kleine Koo zakte tusschen een openingetje zelfs heelemaal weg.

„Ziezoo,” knikte Puck onbarmhartig, terwijl ze ’t blad weer liet vallen, „daar liggen jullie goed, en je moeder kan lang zoeken eer zij je vindt. Hoe of je dat bevallen zal, Caroline Canneheuvel?”

Lientien miste haar kinderen pas ’s avonds laat, toen ze Suus naar bed bracht. (Die had tante Sjarlotje den heelen dag gezelschap mogen houden.) Ze was meer verbaasd dan verschrikt, verdacht Puck geen oogenblik, en vroeg Francine, of die er soms van àf wist. Doch Francine deed niet anders dan staren. Ze zou dol graag alles verteld hebben, maar ’t was al mooi, dat ze „papa” en „mama” kon piepen. Verder had ’t wurm ’t nog niet gebracht. Moeder Lientien had te veel slaap, om nu nog te gaan zoeken, doch den volgenden dag liep ze ’t heele huis door. Geen plekje, waar ze niet keek, en iedereen hielp ’t arme, beroofde moedertje: Nel, Frits, Kee, Socrates en Waldi, allen deden trouw hun best. (Naderhand herinnerde Lientien zich, dat Waldi onder den vleugel juist verschrikkelijk geblaft had.) En zij verdacht Waldi nog al van de misdaad, omdat hij wel eens meer een kind had meegesleurd en deerlijk gehavend. Maar nu, alle vier.... Puck deed quasi met zoeken mee, doch dat slechte kind lachte in haar vuistje. „Wacht maar tot van avond,” dacht ze bij zich zelf. „Puck mag niet aan de mooie piano komen, hé? Maar nou liggen er lekker vier poppen in!” Frits had haar al een paar keer verdacht aangekeken. Hij vertrouwde haar eigenlijk in ’t geheel niet, en vroeg op eens: „Zeg Juffertje, weet je daar heusch niet meer van?” waarop Puck ’t puntje van haar tong tegen hem uitstak.

Lientien had een echt verdrietigen Zondag, en Puck voelde zich eigenlijk ook in ’t geheel niet voldaan. Maar ze wilde niet naar de stem van „Meester” luisteren. De „zwarte Zigeuner” zat haar nog veel te dwars.

Zondagavond kwam met de muziekjongens, zooals Puck ze noemde. Er was een nieuw stuk ingestudeerd, dus verzocht Frans: „Als je blieft langzaam spelen, hé?” Papa zat voor de piano, en keek al verbaasd, toen hij de eerste noten aansloeg. „Wat drommel scheelt die piano vandaag?” vroeg hij, „er is geen klank in; ’t lijkt wel, of er fluweel om de toetsen heen zit. Frans, probeer jij eens kerel, er moet wat aan de toetsen haperen. De stemmer is er pas geweest, ontstemd kan hij niet zijn.”

Frans sloeg een paar accoorden aan, en keek al even verwonderd als de heer Canneheuvel.

„’k Geloof, dat er wat op de snaren drukt,” zei hij toen. „Misschien is er een muis in den vleugel....”

„Lieve Hemel!” riep vader ontsteld, en sloeg haastig ’t bovenblad open, keek naar binnen....

„Wat is dat?.... Lientiens poppen!!” En papa vischte vlug Dora op. Sjarlotje en Nellie volgden. „Sla nu eens aan, Frans?.... Ja, ik geloof, dat ’t nu in orde is. Maar wie heeft, in lieve vredes naam, Lientiens poppen in den vleugel gestopt?”

’t Was Puck toch te benauwd geworden. Toen haar ondeugendheid op ’t punt stond aan ’t licht te komen, was ze vlug de kamer uitgeslipt, en zat nu in de keuken met een angstig hart bij Bet, die haar al twee keer minzaam had voorgesteld liever heen te gaan.

Natuurlijk was er heel wat gelach en gepraat over de vondst van den heer Canneheuvel onder de jongens. Lientien, heel blij, dat ze haar verloren schapen terug had, liep er dadelijk mee naar boven. De stakkerds hadden al lang in bed moeten liggen. „Natuurlijk een streek van Puck,” dacht Lientien verontwaardigd, „ik hoop, dat ze er een flink standje voor zal krijgen. Hoe durft dat brutale kind toch!”

Intusschen werd er beneden doorgespeeld. Frans beweerde, dat ’t nog niet heelemaal in orde was met ’t geluid, doch de anderen konden dit niet zoo hooren, tot Lientien weer binnen kwam, en fluisterend aan mama vertelde, dat ze „kleine Koo” nog miste.

„’k Geloof, man, dat „kleine Koo” nog in den vleugel zit,” zei mama hierop.

En ja wel! Na veel kijken en zoeken, ontdekte Frans een klein gevalletje in een rose hemdje, heel in de diepte vergleden. Met behulp van Mama’s lange schaar werd „kleine Koo” uit de diepste duisternis aan het heldere licht gebracht.

„Mis je nu heusch geen enkel kind meer, Lientien?” vroeg vader een beetje ongeduldig. „Voortaan gaat de vleugel stijf op slot, en bewaar ik zelf den sleutel.”

„Er is gelukkig geen kwaad van gekomen,” leidde Frans vaders ontstemdheid af. „’t Is nu weer geheel in orde.” Frits wilde Puck gaan halen om eens navraag te doen wat zij over ’t geval te vertellen had. Doch mama stelde voor liever geen tijd meer verloren te laten gaan. Papa ging weer zitten, en zoo werd er dus in ernst begonnen.

Puck bleef weg, en mama liet haar maar niet roepen, zoolang de jongelui er nog waren.

Daar vond Puck iets angstigs in, en zonder goeden nacht zeggen, sloop ze naar bed.

Lientien was zoo blij, dat de poppekinderen weer in hun bedjes lagen (die ze alle drie bij haar eigen ledikant had gezet), dat ze Puck geen kwaad hart meer toedroeg. Maar een lesje moest die ondeugende meid toch hebben.

Dus liet ze Francine vragen, waar de anderen toch al dien tijd gebleven waren, waarop Nellie antwoordde: „Dat moet je aan die akelige tante Puck vragen. Neen maar, die is er me eentje! Ik ben heelemaal geradbraakt, en Dora heeft een hoofdpijn, dat ze uit haar oogen niet zien kan!”

„En ik dan,” riep kleine Koo. „Grootvader heeft mij als een gek laten dansen. Ik werd als een bal op en neer gegooid en kon niet op adem komen. En dan nog al met mijn zieke been!”

Puck proestte ’t uit. Ze zag in haar gedachten ’t rose poppetje met de aangeslagen noten op en neer walsen.

Ze deed met haar vingers op tafel na, hoe kleine Koo aan ’t hotsen en springen was geweest.

Nu schoot Lientien ook in den lach, en allebei gierden ’t uit. Toen was de vrede gesloten, en beloofden ze elkaar nooit meer voor „zuigelingkind” en „zwart Zigeunerkind” uit te maken.—

Puck trof het, dat oom den volgenden dag naar Amsterdam moest en ’t knorren dus aan tante had overgelaten. „Puckie, Puckie,” berispte Mevrouw Canneheuvel, toen ’t kleine meisje haar goeden morgen had gezegd, „hoe verzin je toch zulke ondeugende dingen? Dat jullie elkaar eens fopt en voor den mal houdt, is zoo erg niet, maar als ’t bepaald plagen wordt, om den ander verdriet te doen, dan is ’t heel leelijk. En dat wil ik ook volstrekt niet hebben.”

„Ik zal nooit meer aan den vleugel komen,” beloofde Puck benepen, „en Lientien en ik hebben ’t al lang afgezoend. Van al haar kinderen is alleen kleine Koo nog maar een beetje geradbraakt, maar die heeft dan ook veel langer op en neer gedanst dan de anderen.”

Tante had moeite niet te lachen, en dus bleef de rest van ’t standje achterwege.

En zóó kwam dat ondeugende nest er wéér veel te gemakkelijk af, zei Frits naderhand tegen Nel.

VIII NEL ALS HUISMOEDER.

Niemand was bang geweest, dat Frits niet naar de 5de klasse zou overgaan met zijn mooie rapporten. En hij kwam er dan ook met glans, en kreeg van vader en Mamp een nieuwe prachtfiets, want de oude stond al lang op stal. Die was alleen nog maar wat waard voor den lorrenkoopman.

Puck en Lientien vonden haar overgaan naar de 6de en 5de klasse minstens even belangrijk als Frits’ slagen voor de 5de H. B. S.

Mevrouw Canneheuvel had de kleine meisjes ieder een gulden beloofd, als zij verhoogd werden. Heel trotsch kwamen Puck en Lientien met ’t bericht thuis, dat ze ’t best hadden gemaakt, en dus, na de groote vacantie, een klasse hooger kwamen. Puck had verwacht, dat tante minstens met den gulden klaar zou staan, maar dit leek er niet naar. Wel werden ze hartelijk gefeliciteerd en gekust, doch toen gauw weg gestuurd. Want mama had ’t veel te druk met Nel, zij waren bezig voor de koffers te zorgen. Nel pakte, en mama wees aan, wat er al zoo mee moest.

„’k Wou, dat ik mijn „pop” al had,” zei Puck tegen Lientien; „tante heeft hem toch eerlijk beloofd.” (Frits zei altijd „pop” in plaats van gulden; ’t klonk veel leuker, dus praatten de meisjes hem na).

„Wacht je beurt toch af,” moederde Lientien, „natuurlijk krijgen wij hem.” Doch ’t werd bedtijd, de kinderen zeiden goeden nacht, en van den gulden werd niet meer gerept.

’t Lag Puck wel op de tong, om er tante aan te herinneren, maar dat durfde ze toch niet best. Tante scheen haar belofte glad vergeten door al ’t bedenken en met Nel overleggen, dien middag, voor de vacantiedagen.

Op haar kamer hadden Puck en Lientien nog heel wat te beredderen. Puck zanikte altijd maar door over haar gulden, en dit begon Lientien zóó te vervelen, dat ze haar door de poppen de les liet lezen.

„Hoor die tante Puck toch eens, Francine,” zei kleine Koo. „Heb je ooit zoo’n zeurkous meer bijgewoond.”

„Och,” antwoordde Francine, „dat mensch is altijd zoo ongeduldig en oproerderig. Als wij poppen ’t nou nog eens druk hadden over die ééne „pop”... Maar hou nou je mond, ik ga slapen, en ik mag bij moeder in bed, want ’t is mijn beurt.”

„Nou, dan kan je nog lekker een poosje wachten, ondeugend, brutaal wicht,” riep tante Puck, zeer verontwaardigd. „Je moeder en ik gaan nog eerst onze kas opmaken.”

„Hé ja,” stemde Lientien in, „natuurlijk! Alles moet in orde zijn vóór Annie en Wimpie komen. Hè, dat vind ik nou toch zoo echt heerlijk!”

Puck trok haar neus op. Ze hield net even weinig van Lientiens vriendinnen als Lientien van de hare. Maar ze had toch ook in ’t geheel geen lust gehad de uitnoodiging van tante Johanna aan te nemen, en gesmeekt, om als je belieft niet naar Voorburg te hoeven in de vacantie. Want ze kon niet zoo lang buiten „thuis”, dat wist ze zeker, en dan bij die saaie tante, ajakkes!

Tante Johanna van Vorden die, na den dood van haar zenuwzieke zuster Cato, alleen was gebleven in haar villa’tje te Voorburg, ontmoette de familie Canneheuvel, nu deze in Den Haag woonde, zoo af en toe. Zij vond ’t haar plicht, zich, nu de omstandigheden dit toelieten, wat meer gelegen te laten liggen aan het dochtertje van haar eenigen broer, en had Puck dus te logeeren gevraagd. In haar hart was ze misschien wel blij, dat ’t kind voor de eer en ’t genoegen bedankte. Want tante Johanna hield niet van kinderen, en kon dus ook niet veel van hen verdragen. Maar Johanna had dan ook haar leven lang niet anders gedaan dan zieke familieleden verpleegd, en steeds in verdriet en zorg gezeten. Geen wonder dus, dat zij met de jaren steeds stiller en droefgeestiger was geworden. Puck wist vooruit, dat ze zich bij tante gruwelijk zou vervelen; dan veel liever wat gekibbel met Annie en Wimpie.

Een poosje later zaten Puck en Lientien in haar nachtponnen aan de tafel, aan ’t rekenen van belang. Ze hadden al lang in bed moeten liggen, doch ’t kas opmaken kon niet worden uitgesteld.

Puck was er ’t eerst mee klaar. „’k Kom vijf centen te kort,” zei ze, „maar met tantes „pop” houd ik nog een massa over.” Lientien had ’t te druk, om te antwoorden. Zij telde op haar vingers, en zag niet, dat Puck de kamer uitging.

Vader stond op ’t punt de lamp uit te doen, toen daar op eens een wit nachtjaponnetje binnenkwam.

„Maar Puckie, wat kom je doen?” vroeg mama verbaasd.

„Tante, wil u zoo lief zijn, en ons dien gulden geven?” verzocht Puck. „Want we zijn bezig onze kas op te maken, ziet u, en die gulden moet er nou nog bij, anders klopt ’t niet.”

Mevrouw Canneheuvel schoot in den lach, en zei er maar niets van, dat er een groote inktmop op Puck’s nachtpon zat.

Met twee blinkende guldens in haar hand geklemd, stapte Puck even later vergenoegd naar boven. Als ze nu niet dadelijk naar bed gingen, mochten ze ’t geld niet houden, had oom haar nog nageroepen. Verbeeld je zoo iets!

In een oogenblik lagen de peuzels er in met den nieuwen gulden onder ’t hoofdkussen, om die ’s morgens dadelijk weer te kunnen bekijken; zulk een reuzensom had geen van beiden nog ooit bij elkaar gehad. Maar elk centje zou hun te pas komen, dacht Lientien, want als je logée’s krijgt, moet je wel eens trakteeren. Wimpie was dol op apennootjes en Annie op zuurtjes. Ze wilde Nel vragen van haar geld ook wat snoepcentjes te mogen afnemen. Eigenlijk moest er nu al een beetje aan ’t sparen worden begonnen van „Meester”, voor de Sinterklaaspresentjes. Zoo heerlijk, die gulden van Mamp.... Of ze er niet wat van in ’t busje zou doen voor de familie Bom? „Puck,” riep Lientien uit haar bed naar den overkant, „willen we van onzen gulden ieder tien cent in ’t busje doen?”

„’k Denk er niet aan,” riep Puck terug, „enkel van ons weekgeld, dat is afgesproken.”

(Puckie kwam altijd geld te kort, en zat meestal in de schuld bovendien.)

Lientien dacht aan Puck’s twee centen iedere week, en drong niet verder aan. Ze zou er met Nel over praten. Zij en Puck moesten Nel in de vacantie als mama beschouwen, had zij Mamp beloofd, en lief en gehoorzaam zijn. Die belofte had Lientien graag gegeven, zij was zelden lastig en ongezeggelijk. Maar Puck had een „oproerderigen” aard, en dus veel strijd en moeite, als zij haar wil wou doordrijven, en dit niet mocht. Erg naar en lastig voor Puck, peinsde Lientien.

De heer en mevrouw Canneheuvel zouden eerst naar Hamburg gaan om Jan te bezoeken, en met hem een reisje door Holstein te maken. Daarna wilde Grootma in Haarlem haar zoon en schoondochter een poosje bij zich hebben.

Nel had net zoo lang gepraat en overreed, tot Mamp er in had toegestemd de geheele vacantie uit te blijven, en Nel niet alleen het bestier over het huishouden, maar ook alle drukten en zorgen over te laten, welke deze vacantie ruimschoots beloofde.

„Juist daarom,” zei Nel. Want, nu de kinderen den heelen dag thuis zouden zijn, en er bovendien twee drukke logéetjes kwamen, moest Mamp daar nu eens in ’t geheel geen last van hebben.

„Maar kind! wat heb jij dan?” vroeg mama. „Je weet wel, dat ik ’t niet prettig vind...”

„Maar domme Mamp, ik heb nu immers altijd vacantie? Als tante Greet (dat was moeders beste vriendin) in September komt logeeren, zou ik immers twee weken naar Haarlem gaan?”

Daar papa het geheel met Nel eens was en haar woorden de noodige klem bijzette, gaf mama zich gewonnen.

Vader en Nel waren in geheim complot, steeds bezorgd, dat mama zich ook maar met ’t geringste zou inspannen. In ’t begin had mevrouw Canneheuvel zich nog wel eens zwak verzet, en viel ’t haar moeilijk ook die bezigheden niet meer te verrichten, die ze eigenlijk nog wel doen mocht. Maar haar man kon dan zoo angstig zeggen: „Lieve Suus, waar is de grens? Op een goeien dag ga je daar over heen, zonder dat je er aan denkt.”

Dus leerde mama zich onderwerpen aan het strenge toezicht van haar man en dochter. Ze wist wel, dat alles uit overgroote bezorgdheid, tot haar bestwil, was bedoeld. Maar mevrouw Canneheuvel wist ’t toch wel zóó in te richten, dat Nel geen saaie huismusch hoefde te wezen. Altijd was er iemand, die haar kon vervangen, wanneer Nel werd uitgenoodigd voor een of anderen uitgang, waar zij bizonder veel lust in had. Ze bleef tennissen en fietstochtjes mee maken, behoefde van haar jongemeisjespleziertjes niet meer op te offeren dan zij zelf wilde.

Nel voelde zich wel gewichtig als Mamps huishoudster. Zij stelde er een eer in in alle opzichten moeders plaatsvervangster te zijn, haar eigen „ikje” niet te tellen. Ze had tijd genoeg gehad dit van Mamp te leeren. Als mama zoo innig kon zeggen: „Wat zou ik toch beginnen, als ik jou niet had, kind,” voelde Nel zich overbeloond.

Nu hadden moeder en dochter natuurlijk allerlei plannetjes te bespreken, om de kinderen een prettige vacantie te geven, en overigens liet mama, met een gerust hart, alles aan Nel over.

„Pas maar op,” waarschuwde Frits, „dat je de bengels de baas blijft, want die Annie en Wimpie kunnen meedoen, en gooi Puck, als je belieft, ook niet weg.”

Frits zou er met Frans van Delden op uitgaan naar een boerderij onder Alkmaar. Deze behoorde aan Frans’ vader, en elke vacantie ging Frans er heen, en hielp, als een echte boer, met alles mee. ’t Was een uitstekende kuur voor tengeren, een beetje uit zijn kracht gegroeiden Frans, zei de dokter, veel beter dan de duurste badplaats. Frits vond het echt leuk, ’t boerenleven ook eens mee te maken voor een week of wat, en had Nel graag meegenomen. Doch, behalve dat Nel maar matig werd aangetrokken tot dit soort landelijke genoegens, was er nu in geen geval sprake van, dat zij had kunnen gaan.

Den dag, na het vertrek van vader, moeder en Frits, kwamen Annie en Wimpie. Ze waren niet veel gegroeid, en nog even druk, lacherig en stoeierig als vroeger. Wimpie had, als ’t kon, nog meer bereddering dan Annie, volgens Puck, en alle twee maakten bespottelijk veel drukte over hun malle poppen. Ze hadden er liefst zes meegebracht, waarvoor ze gelukkig in den trein niet hoefden te betalen, want dat zou anders niet zuinig zijn opgeloopen. De Juffrouw, die de meisjes gebracht had, werd door Nel gastvrij uitgenoodigd dien dag te blijven. Met veel vermaningen, luide en zachte wenken, aan ’t adres van Annie en Wimpie, nam ze den volgenden morgen afscheid, en.... „nou kan de pret beginnen,” zei Wimpie, want met Juf was dat altijd maar half. Die verbood en vitte van den ochtend tot den avond.

’t Viel Nel toch niet mee nu voor alles alleen te staan. Ze overdreef natuurlijk een beetje als nieuwbakken huismoeder. Haar woelige kuikens gunde ze graag elk pleziertje, waar ze om vroegen, maar vond noodig, als waakzame moeder, hen steeds op de hielen te blijven, geen oogenblik uit het oog te verliezen.

Met drie ongezeggelijke bengels (Lientien telde niet mee) den geheelen dag de duinen in, was voor Nel zelf alles behalve een pretje. Ze kwam dan doodmoe thuis van ’t woeste spelletjes meedoen, ’t duinen op en neer sjouwen, en het haar kiekens achterna vliegen.

Maar de bengels hadden dolle pret gehad, en moeder Nel was dankbaar, dat ze haar troepje, zonder ongelukken, veilig thuis had gebracht.

Zoo’n enkelen regendag er tusschen, als er kamerspelletjes werden gedaan, en de poppen ’t grootste woord hadden, vond Nel bizonder genoegelijk. Er werd dan nog wel al eens gekibbeld, want Puck kon niet veel van de logéetjes verdragen, en dezen lieten niets op zich zitten, maar Lientien hielp Nel vrede stichten en dezen zoo lang mogelijk bewaren.

Goedig stond Nel ’s morgens in de keuken de lievelingskostjes klaar te maken, en wist Bet over te halen de kinderen mee te laten helpen. Bet schudde haar hoofd over dat gemors in haar keuken. Alles zag er heerlijk! uit, als de bende weg was. De vloer en de aanrecht, tot de bordendoeken toe, alles vuil en vet. Doch tegen Nel zei Bet nooit „neen”. Ze moest dus maar een oogje toedoen, als de kinderen aan ’t knoeien waren.

Ze hadden verbazend veel plezier in de kokerij, en de ochtend was altijd veel te gauw om naar hun zin.

Met platen kijken, maar vooral met vertellen, kon Nel de meisjes uren bezig houden, en altijd vertelde ze vóór ’t naar bed gaan een half uurtje, of langer, als belooning voor de belofte van het viertal, om dan ook dadelijk te gaan slapen, niet meer te babbelen en rumoerig te wezen.