Part 8
„Dat komt goed uit,” hoonde Ellen, „want...”
De rest hoorde Puck niet, want ze rende weg, nadat ze haar gewezen vriendin eerst nog een flinken stomp had toebedeeld.
Ziezoo, met de Grace- en Ellen-vriendschap was ’t dus voorgoed uit. Ze lieten Puck loopen, toen ze een voornamere vriendin konden krijgen, net precies als Frits voorspeld had.
Maar juist daarom vertelde Puck er thuis aan niemand van, behalve aan Lientien, die toch al zoo iets gemerkt had. Lientien had haar beloofd te zwijgen, en op Lientien kon je aan.
Puck sloot nu nog inniger vriendschap met haar kostelijke boeken. Dat waren ten minste vrienden, die je nooit in den steek lieten.
’t Was de laatste weken aldoor prachtig herfstweer, eigenlijk veel te warm voor den tijd van ’t jaar. De juffrouw zag ’t een beetje door de vingers, als er eens minder goed werd opgelet, en ook ’t werk beter had kunnen zijn. Zij had ’t de meisjes gaarne gegund nu buiten te wezen in plaats van in de warme school.
Maar toch moest ze wel eens knorren, en ook Puck kreeg nog al eens te hooren: „Meisje, waar zijn je gedachten? Let toch wat beter op.”
Puck verlangde al maar dat de school uit was, en ze ’t boeiend verhaal zou kunnen vervolgen, waarbij aldoor haar gedachten waren in plaats van bij haar sommen, of de aardrijkskundige les.
Lientien moest met zwaar gevatte kou thuis blijven.
Niemand begreep, hoe ’t mogelijk was, met ’t warme weer, maar arme Lienepien had ’t dan toch zoo verbazend te pakken, dat mampie haar in bed stopte. Lientiens neusje zag rood van ’t snuiten, en ze bleef maar hoesten, in weerwil van al de ulevellen en boterbrokken, die haar van alle kanten werden toegestopt.
„Je moet Lientien nu liever niet zoenen, Puck,” waarschuwde tante, „anders krijg je ’t ook beet, en zou je de school moeten verzuimen, net als Lientien.”
Deze argeloos gesproken woorden brachten ondeugende Puck op een onzalig denkbeeld.
„Waarom zou zij ook niet ziek kunnen worden, net als Lientien, en een dag of wat heerlijk vacantie nemen om.... volop te lezen?”
Diep in de Boschjes waren zulke stille plekjes tusschen ’t groen, waar nooit iemand kwam, of je stoorde...
Dien middag op school gaf Puck al een begin van uitvoering aan haar plan. Telkens moest ze verdacht hoesten en haar zakdoek gebruiken. Toen de juffrouw vroeg, wat of ze toch had, jokte Puck, dat ze zich niets prettig voelde; zoo zwaar in ’t hoofd en zoo suf, net of ze zwaar verkouden zou worden. En dat zou geen wonder zijn, omdat Lientien al een paar dagen te bed lag, ziek van verkoudheid.
Toen de school uit was, ging Puck naar de juffrouw toe. „Juffrouw, als ik er morgen niet ben, dan weet u wel waarom; ik voel mij niks goed.” En Puck huiverde, verbazend natuurlijk.
„Best kind. Beterschap hoor!” zei de juffrouw, wie ’t geen oogenblik in ’t hoofd opkwam, dat Puckie comedie speelde.
XII PUCK SPIJBELT.
Den volgenden morgen stapte Puck op den gewonen tijd naar school. Doch, in haar tasch, verstopt tusschen boeken en schriften, had zij „De Witte Bison” meegenomen.
Zij ging de school voorbij (door een evenwijdig loopende straat), de Laan van Meerdervoort door, den Scheveningschen weg op, en zoo de „Boschjes” in. Haar hart klopte als een hamer.
„Schaam je wat, schaam je wat,” verweet „Meester”. „Je bent een slecht, bedriegelijk kind.” Maar Puck wilde niet luisteren; ze stapte steeds vlugger door, vond ’t verrukkelijk plekje, dat zij zocht, en vergat ’t tikkertje van binnen al heel spoedig, terwijl ze ’t verboden genot met volle teugen smaakte.
Den volgenden dag wilde ze in ’t geheel niet meer naar „Meester” luisteren, en toen ze thuis kwam, hoorde ze bepaald met spijt, dat Lientien Donderdag weer naar school mocht. Dan durfde ze ook niet langer. Dat was veel te gevaarlijk voor ’t uitkomen.
Doch, terwijl Puck hier pas over dacht, als iets, dat onmogelijk gebeuren kon, was dit al geschied.
Op school heerschte n.l. ’t gebruik, dat aan de meisjes, die niet op school kwamen, het huiswerk thuis werd gezonden.
Een meisje, dat in de buurt woonde, nam het gewoonlijk mee. Puck had hieraan wel gedacht, maar, nu voor Lientien ’t werk gebracht werd, bestond er geen gevaar voor haar, meende ze, want wie zou op ’t idee komen, dat dit voor twee in plaats van voor een was.
Geertje was al eens verbaasd geweest, dat de boodschap bij ’t afgeven van ’t schoolwerk de laatste twee dagen luidde: „Voor de zieke jongejuffrouwen, en hoe ’t er mee was?”
„Jongejuffrouwen,” herhaalde Geertje, „’t is er toch maar één? Lientien bedoel U immers?”
’t Meisje, dat de schriften bracht, begreep Geertje niet te best. Ze had haast, knikte maar, en liep vlug weg.
Doch Geertje vond de zaak niet pluis. Je kon die Puck heelemaal niet vertrouwen, ze ging vast niet naar school, en was aan ’t spijbelen.
Bet leek ’t geval ook erg verdacht, terwijl Geertje ’t haar op haar zwaarwichtige manier vertelde.
Ze wachtte Puck op, toen ze aanschelde, en vroeg haar op den man af: „Zeg Puck, ga jij soms niet naar school? Wat voer je uit?”
„Natuurlijk ga ik naar school, wat hoef je me dat te vragen? Gaat ’t jou soms wat an?” onderzocht Puck, heel driftig.
„Maar nou ga je mee naar binnen,” zei Bet, pakte Puck beet, en sleepte ’t onwillig tegenstribbelende juffertje naar de huiskamer. Daar waren Mevrouw Canneheuvel en Jan, aan wie Bet ’t geval kort en bondig meedeelde.
Mama begreep er niets van, doch Jan deed dit des te beter, want als kleine jongen had hij dien stouten streek ook wel eens uitgehaald.
„Puckie, Muckie,” dreigde hij met den vinger, „je hebt gespijbeld, beken ’t maar eerlijk. Jongens doen dat wel meer, maar van kleine meisjes heb ik ’t nog nooit gehoord.”
„Nee, ik ook niet,” sprak mevrouw Canneheuvel, „en ik kan ’t haast niet gelooven. Kijk mij eens aan, Puck.”
Doch Puck hield ’t hoofd gebogen en versmolt in tranen. Eindelijk durfde ze opkijken, en daar ze wel begreep, dat alles nu toch uit moest komen, vertelde ze onder horten en stooten de volle waarheid.
Mevrouw Canneheuvel keek heel ernstig, en schudde moedeloos het hoofd.
„Puckie, ik begin er heusch aan te wanhopen, of jij ooit een oprecht, goed kind worden zult, en we doen toch zóó ons best je in ’t goede vóór te gaan....
„De juffrouw en ons zóó te bedriegen! Hoe durfde je ’t te doen? En heel alleen eenzame plekjes in de boschjes op te zoeken... Daar had je van allerlei kunnen overkomen, Puck. Je weet niet, hoe gevaarlijk ’t is als kind alleen rond te dwalen. Of liever, je weet ’t wèl.
„Verbeeld je eens, dat we aldoor op je zaten te wachten.. te wachten.... en je maar niet kwam, tot we eindelijk hoorden, dat je een of ander vreeselijk ongeluk overkomen was.... O Puck, dan zou ik geen gelukkig uur meer in mijn leven hebben gehad, want ik zou me zelf altijd verweten hebben, dat ik beter op je had moeten passen.”
Als Mevrouw Canneheuvel haar pleegdochtertje hard had aangepakt, en heftige verwijten gedaan, had ze ’t kind niet dieper kunnen treffen dan door de laatste woorden.
Wanhopig snikkend wierp Puck zich in tante’s armen en smeekte: „O tante, tante, zeg dat toch niet. O! ik heb zoo’n spijt, dat ik zoo slecht ben geweest. Vergeef u mij toch, en kijk u toch niet zoo bedroefd; ik zal ’t nooit, nooit weer doen.”
„Hoe dikwijls heb je me dat al beloofd, Puck!” zuchtte Mevrouw Canneheuvel treurig.
Doch ze stootte het bevende, heftig schreiende meisje toch niet terug.
Intusschen liep Jan de kamer op en neer.
„’t Is eigenlijk ook wel een beetje mijn schuld, Mader,” sprak hij, zijn best doend, Puckie te verontschuldigen. „Ik had ’t kind met al die boeken niet in verzoeking moeten brengen.”
Maar Puckie snikte, tusschen zijn woorden.
„Neen Jan, ’t komt alles alleen door mijn slechtheid...”
„Luister eens Puck,” zei Tante eindelijk, „met dat lezen moet ’t natuurlijk vooreerst uit zijn, en, daar je straf verdiend hebt, moet ik je die ook opleggen. Morgenochtend ga je dadelijk naar de juffrouw toe, en overhandigt haar ’t briefje, dat ik voor de juffrouw mee zal geven... En als de juffrouw oordeelt, dat je van haar ook straf verdient, dan is daar niets aan te doen.
„Je moet mij dus al je boeken brengen, en je moogt vier weken lang in ’t geheel niet voor je plezier lezen. Er is natuurlijk ook geen sprake van, dat je naar ’t partijtje bij mevrouw Reesers gaan mag. Ik zal mevrouw een briefje schrijven om voor je te bedanken.”
„Moet Mevrouw ook weten waarom?” vroeg Puck, met een hoogroode kleur, en tante smeekend aanziende.
„Neen kind,... laat dat maar aan tante over. En ga nu je gezicht wasschen, en denk er eens ernstig over na, hoe heel verkeerd je gehandeld hebt....”
„Wil U mij dan vergeven, lieve tante?”
„Eerst eens zien, hoe je je houdt. Je weet niet, Puck, hoe vreeselijk veel verdriet je mij hebt gedaan, en hoe bitter je me teleurgesteld hebt....”
Met sleepende voeten ging Puck naar boven, wierp zich op haar bed, en vertrouwde haar hoofdkussen al haar groot leed toe.
Zóó vond Lientien haar. Ze wist ’t al van Puck, en ze begreep niet, hoe ze ’t had durven doen. Maar Lientien kon niemand, die ze lief had, zien huilen. En zoo legde ze haar hoofdje naast Puck’s krullebol op ’t kussen, sloeg den arm om haar hals, en streelde Puck’s natbeschreide wangen.
„Huil maar zoo niet, Puck,” troostte ze. „Mampie zal je wel vergeven. Maar hoe heb je ’t toch verzonnen! Was je niet bang, dat ’t uit zou komen?”....
„Niet zoo erg Lientien.... Jij had ’t nooit kunnen doen hé?”
„O nee hoor!” gaf Lientien gul toe. „Zoo heel alleen rond te dwalen.... hoe griezelig! Maar ik zou ’t toch ook niet hebben willen doen om mampie,” voegde ze er eenvoudig aan toe.
„Jij hebt goed praten, jij hebt een eigen vader en moeder.... Had ik die ook maar,” zuchtte Puck zielsbedroefd.
„Maar je moet ook bedenken, dat ik lang zooveel niet van lezen houd als jij,” kwam Lientien weer. „Dat akelige gelees ook! ’k Heb je wel gezegd: pas er mee op.”
„’k Mag een maand lang niet voor mijn pleizer lezen, zegt je ma, en ik mag ook niet naar de kinderpartij van Mevrouw Reesers.... En dat verdien ik ook,” klaagde Puck berouwvol, „want ik ben een slecht, bedriegelijk kind.”
Daar klonk de heldere klank van de „gong” om de familie aan tafel te roepen. Puck durfde niet naar beneden gaan; ze had ook in ’t geheel geen trek. Naderhand bracht Lientien haar een bordje boven met een portie griesmeelpudding met frambozenvla. Op Jan’s voorspraak had Nel dit voor stoute Puck op zij gezet.
Puck’s euveldaad raakte al gauw op den achtergrond, omdat ’t uur van Jans vertrek nu met reuzenschreden naderde.
Nog één week, nog drie dagen.... nog één dag, en ’t oogenblik van afscheidnemen was dáár.
Vader zou zijn jongen aan boord brengen, de overige familieleden zeiden Jan thuis „goedendag”.
Al viel er menig traantje, Jan wist er toch de opgewektheid in te houden. Zijn laatste omhelzing en zoen waren voor mevrouw Canneheuvel, terwijl hij haar toefluisterde: „Houd je goed, lieve Mader; Jan moet nu op zijn eigen beenen leeren wandelen, en als dat hem lukt, heeft hij ’t aan u te danken. ’k Zal er mijn best voor doen, dat U met Jantje niet minder eer zult inleggen dan met Dolf.”
XIII HET FEEST.
Op school heerschte, nu al weken lang, groote opgewondenheid. Want uit alle klassen bijna waren de kinderen genoodigd voor ’t bal, dat de familie Clifford in het „Hotel des Indes” wilde geven, ter eere van het vijf en dertig-jarig huwelijksfeest van mijnheer en mevrouw. Jonge en kleine Cliffordjes bij elkaar waren er wel dertig kinderen en kleinkinderen, en allen mochten, voor deze gelegenheid, hun vrienden en vriendinnen inviteeren. Dat zou me pas een partij worden! De Heer Hendriks, van de dansles, zou het bal leiden, en dat was maar goed, want ook in de balzaal moet er orde zijn, anders loopt de boel eerst recht in het honderd. Vooral daar er zoo verbazend veel kinderen zouden komen. „Nog meer misschien dan op de openbare dansles,” zei Puck.
Dat juffertje had weer allemanspraats, want, na haar straf geduldig te hebben gedragen, voelde zij zich geheel opgelucht. Mevrouw Canneheuvel kwam nu, evenmin als vroeger, met achterna-verwijten aan, zooals Frits dat in der tijd noemde. En, als ze ’t gestrafte kind eenmaal vergeven had, zinspeelde ze nooit meer op de aanleiding tot de straf.
Pucks boeken bleven onder tantes berusting, en van „verslinden” kwam niets meer in.
’s Zondags en in haar vrijen tijd mocht Jootje een paar uur lezen, en daarmee uit.
’t Was vreeselijk hard, maar ’t moest gedragen worden, zuchtte Puck.
Toen de gedrukte kaart van de familie Clifford kwam, was ze toch evenwel erg bang geweest.
Zou ze mogen? Zou tante...?
Tot deze vroeg: „Hebben jullie er zin in, kinderen? Zal ik voor jullie dus ook maar aannemen?”
Toen had zulk een dankbaar gevoel Puck’s hartje doorstroomd, dat ze nauwelijks woorden kon vinden om haar blijdschap uit te drukken. Lientien juichte: „hoe zalig, dat we gevraagd zijn,” maar Puck vloog tante om den hals, en riep maar al: „O tante, tante! hoe lief en goed is dat van u, mag ik heusch? Lientien, hoor je? Ik mag van tante.”
’t Deed Lientien ook oprecht plezier, want op de kinderpartij had ze Puck aldoor gemist. De twee meisjes waren meer dan ooit samen, nu Puck ’t met Ellen en Grace had „afgemaakt”.
Nel en Frits waren ook gevraagd, want Nel was bevriend met de jongste dochter Pauline, en Willem Clifford was bij Frits in de muziekclub. De grooteren zouden naderhand nadansen. Tusschen ’t dansen door zouden er tableaux-vivants zijn, en op ’t tooneel mooie dansen worden uitgevoerd door de beste leerlingen van den heer Hendriks. Stel je eens voor, wat Lientien en Puck wel voelden, toen Lientien werd uitgenoodigd als „Lentefee” in een der tableaux op te treden, en Puck om den solodans uit te voeren in „Het feest der Elfen”.
Papa vond ’t eigenlijk niet in den haak, dat feestvieren zoo midden in den schooltijd. Maar Lientien kuste papoes’ bezwaren weg.
’t Was nu maar voor dit enkel keertje, zoo’n partij kwam vast in geen jaren terug, en naderhand zouden ze op school dubbel haar best doen. Al de vriendinnetjes gingen ook, dus...
’t Was te begrijpen, dat het onderwerp: „’t Bal bij Clifford”, steeds op het tapijt was.
Dagen van te voren werden er al dansen besproken. Het: „Wat doe jij aan? Krijg jij ook een splinternieuwe jurk, net als ik? In welk tableau doe jij mee? Heb je al veel dansen besproken?” waren aan de orde van den dag.
Lientien en Puck zweefden op witte balschoentjes de trap af. Ze leken precies twee groote bloemen: Lientien in haar rose, Puck in haar zee-groen tarlatannen japonnetje, Lientien’s jurk was met witte margarietjes, die van Puck met rose roosjes versierd, die hier en daar en overal tusschen toefjes lint smaakvol waren aangebracht: in de ceintuurs, op den éénen schouder, als kleine bouquetjes uitkijkend tusschen de satijnen lussen van de lang afhangende witte en lichtgroene linten. Je moest aldoor van Puck naar Lientien en van Lientien naar Puck kijken, en wist niet, wie van beiden er het snoezigst uitzag.
Puck wist ’t wèl. Ze had wel een kwartier voor tante’s grooten staanden spiegel heen en weer gedraaid, en zich zelf bewonderd.
Vooral ’t gouden medaillonnetje aan ’t fijne kettinkje vond ze prachtig. Lientien had er geen; Nels bloedkoralen pasten niet bij haar rose jurk, en mampies sieraden nog minder. Gelukkig had tante Sjarlotje een kettinkje gevonden van witte cornalijnen met een echt gouden slotje. ’t Sloot precies om Lientiens mollig halsje.
Maar zoo mooi als haar gouden medaillon stond ’t toch lang niet, vond Puck.
Nel droeg een wit zijden japonnetje en Frits had heel deftig voor ’t eerst een „smoking” aan.
Vader en mamp waren heel trotsch op hun troepje; ze konden er mee voor den dag komen.
Ofschoon ze een paar keer gerepeteerd had voor de „Lentefee”, was Lientien er toch niet gerust op, of zij haar rol wel goed zou vervullen. Zouden haar handen niet trillen, haar voeten onbewegelijk blijven in de voorgeschreven houding?
Doch Puck was heel niet bang. Ze kreeg op de dansles steeds prijsjes, werd den anderen kinderen ten voorbeeld gesteld, en moest dan voordansen. De moeilijkste passen leerde zij in een ommezien. De heer Hendriks zei dikwijls:
„Als Jootje van Vorden zoo vlug is met leeren als met dansen, wordt ze nog eens professor.” De kleine meisjes hadden al verscheidene dansen besproken. Lientien meest met vriendinnetjes, want met jongens dansen vond ze maar zóó, zóó. Jongens hielden hun dame onverschillig vast en, in plaats van leuk te babbelen, keken ze een anderen kant uit, of vroegen onnoozele dingen.
Lientien was, net als mamp, een echt gezellige babbelaarster, en nooit om stof voor een gesprek verlegen met de schoolvriendinnen. Maar met zoo’n halfvreemden jongen raakte je nooit op dreef.
De heer Hendriks zag de kinderen liever bij „paartjes” dansen, maar, daar er meer meisjes dan jongens waren, kon dit toch niet.
Puck danste natuurlijk liever met jongens, dat deed je op een groote-menschenbal ook, en zoo hoorde het. Als haar cavaliers uit de maat waren of slecht dansten, moesten ze er ongenadig veel over hooren. Ofschoon ze haar erg bijdehand vonden, wilden de goede dansers Puck toch graag als dame, want ze danste als een elfje in den maneschijn, en, als ze wou, kon ze verbazend leuk en aardig uit den hoek komen.
Lientien was erg in haar schik, dat ze de polonaise met Jan Vrede had. Dat was een gezellige, kalme jongen, en hij had altijd wat van zijn dieren te vertellen.
Bij de familie Vrede hadden ze een grooten tuin, en de kinderen hielden er een heele menagerie op na, zooals de Canneheuveltjes indertijd op ’t groote erf te Soerabaia.
Puck had de polonaise besproken met den grootsten jongen van de dansles, een leuke bruinoog, die altijd uit de maat was, maar er uit zag als een echt chic salonjonkertje.
Met de polonaise hinderde ’t niet of je mooi of leelijk danste, redeneerde Puck, en ze zou maar wàt een keurig figuur maken aan den arm van Guus Hooft van Elden. Hij stak wel een hoofd boven de andere kinderen uit, dus zou wel in ’t oog vallen en... zij er bij. Ellen zou maar leelijk op haar neus kijken, als Puck met Guus liep, want zij had op Guus gevlast, omdat zij beiden even groot waren.
In ’t rijtuig stonden Pucks en Lientiens babbelmondjes geen oogenblik stil. Ze hadden samen ook één dans. Daarin had Puck genadig toegestemd.
Wat een lange file van wagens stond er al voor het Hotel des Indes! Het rijtuig van de Canneheuveltjes was nog lang niet het laatste; een lange rij had zich al weer achter hun vigilante aangesloten, toen zij aan de beurt kwamen om uit te stappen.
Verscheidene keurig gekleede, vriendelijke dienstmeisjes stonden gereed om de genoodigden, in de tot garderobe ingerichte kamer, te helpen met ’t afdoen van sjaaltjes, doeken, jassen enz. en een allerlaatste hand te leggen aan de toiletjes en kapsels.
Al de kinderen Clifford waren present, om hun of haar specialen vriend of vriendin naar het bruidspaar te brengen, dat in een aangrenzende zaal zat, en jong en klein hartelijk verwelkomde en aanraadde maar net zooveel pret te maken, als zij konden. Van daar ging het in troepjes naar de groote balzaal. Wat een massa bruintjes, blondjes en zwartjes waren daar al! Dat sprong en huppelde, drong en golfde door elkaar, dat ’t zoo’n aard had, en allen lachte de voorpret de oogen uit.
Nel en Frits zochten een plaatsje, waar de stoelen stonden gerijd. Ze moesten vooreerst nog voor balvader en balmoeder spelen, en waren al gauw in een gezellig clubje, terwijl Puck en Lientien, omringd door een troep vriendinnetjes en vrindjes, in hun buurt bleven. Want dat hadden ze afgesproken met hun dansers, daar ze elkander anders vast niet konden vinden in de menigte.
’t Bruidspaar was nu ook binnen gekomen en naar de voor hen bestemde plaatsen geleid. Daar klom de heer Hendriks op een kleine verhevenheid en kondigde aan met heldere stem: „Aantreden voor de polonaise.”
Jan Vrede kwam Lientien halen, die innig vergenoegd aan zijn arm wegdrentelde, en dadelijk naar Jan’s nieuwe volière vroeg. Dat was een echt vogelpaleis, zoo hoog en ruim, dat er wel drie boompjes in stonden behalve verscheidene struiken, die volop licht en lucht kregen door de wanden van kippengaas.
Toen Jan, na heel lang ziek te zijn geweest, een mooi cadeau mocht kiezen, omdat hij pijn en ongemak zoo flink gedragen had, vroeg hij een „volière”.
„Goed,” stemden zijn ouders toe, „maar geen gevangenis. Je moogt er boschvogels in wennen, en een poosje binnen houden. Willen ze niet langer blijven in je goeien stal, dan moet je ze hun vrijheid hergeven.”
En nu vertelde Jan aan Lientien, dat, al was ’t in het begin recht treurig geweest, zoodat hij met al zijn zorg, toewijding en „lekkere tafel” de boschvogels niet had kunnen houden, dit nu steeds beter werd. Zoo langzaam aan kwamen er hoe langer hoe meer terug van hun plezierreisjes. De groenlingen vooraan, die werden zoo tam als kanaries. Hij hoefde maar een vinger uit te steken, flop! zat er ook een op, en bedelde om een wurmpje of een zaadje. ’t Was verbazend leuk. Wel een geduld werkje natuurlijk, eer je ze zoover had; de altijd aangerichte lekkere tafel trok zeker ’t meest. Een nachtegalenpaar had een nestje gemaakt in een van de boompjes, dit voorjaar; van broeden was nog niets gekomen, doch Jan was al erg in zijn schik, dat ze ’t zoover hadden gebracht. De nieuwelingen bleven lang schuw, dat sprak van zelf, en er waren ook wel vogels, die, als je dacht, dat ze gewend waren, wegvlogen, en nooit terug kwamen. Maar dat moesten die ondankbare, domme rakkers dan ook maar zelf weten.
„Hoe eenig toch,” vond Lientien, en vroeg of ze eens met Frits mee mocht komen, om Jan’s vogeldressuur van nabij te zien, wat Jan natuurlijk uitstekend vond.
Intusschen stond Puck nog steeds op haar „cavalier” te wachten. Ze had Lientien nageoogd, en keek nu zenuwachtig rond. Waar bleef Guus dan toch? Zou hij niet gekomen zijn? Misschien ziek geworden?.... Puck begreep er niets van. ’t Roode kleurtje op haar wangen werd steeds donkerder, terwijl haar hartje al onrustiger begon te kloppen. Nel zag Puck het halsje rekken, las ’t brandend ongeduld in haar vonkelende zwarte oogen. Bedarend legde ze haar hand op Jootjes schouder. „Waar of die teutebol van een Guus nou toch blijft, hè Puck?” sprak ze. „Wind je niet zoo op kind, kijk maar, er loopen nog heel wat kinderen alleen rond.”
„Mag ik Guus gaan zoeken?” vroeg Puck, popelend van ongeduld.
„Wacht nog maar even,” raadde Nel. „’k Geloof, dat ik hem zie aankomen.”
En dat deed Gustaaf Hooft van Elden ook, maar niet alleen.
Aan zijn arm liep triomfantelijk een lang, blond meisje: Ellen van Bergen. Ze droeg een beeldig, wel wat al te mooi japonnetje voor haar leeftijd, van licht blauwe zijde. Terwijl ze Nel, Frits en Puck voorbijliepen, keek Ellen een beetje spottend, maar Guus staarde verlegen den anderen kant op.
Wat er op dit oogenblik in Pucks hart omging? Woede en afgunst spiegelden om beurten in haar blik. Ze wilde weg, het paartje na, doch Nel hield haar terug, bang, dat er een vechtpartijtje van zou komen.
„O hoe valsch! hoe vreeselijk valsch,” kreunde Puck. „En nou heb ik niemand, en ik heb dat jongetje van Est bedankt en Truus van Druten ook, en die loopen al samen. En o! wat moet ik doen? Wat moet ik doen?”