Chapter 4 of 11 · 3984 words · ~20 min read

Part 4

Groente, daar gaf ze niet veel om, en ’t tapiocaschoteltje toe, was een kossie, dat ze niet kende, en waaraan zij zich dien eersten keer maar niet zou wagen. „Nou,” vond Bet, „wonderen doet ’t me niet, ’t kind had zich te..... (en hier gebruikte Bet geen net woord) gegeten aan vleesch met aardappels en vette jus. Haar bord leek wel een kerktoren, zoo hoog als ik ’t had opgestapeld.”

Aan dikke boterhammen met vleesch of koek, liet Geertje zich ook niet onbetuigd. „’t Was te merken,” zei Bet, „dat er eentje bij was in de kost.” Doch mevrouw Canneheuvel gunde ’t Geertje graag, dat ze nu eens volop kreeg, te meer daar ze wel haar best deed, en flink aanpakte.

Bet en Kee sprak Geertje heel beleefd, met „U” aan, en deed steeds alles wat beiden haar opdroegen, zonder ooit tegen te stribbelen. (Moeder had immers gezegd: „houd de groote meiden te vrind, dan heb je ’t goed.”) Heel gedienstig nam het Scheveningstertje Bet dikwijls wat werk uit de hand, wanneer die ’t wat drukker had dan anders met haar „pot”, en bleef dan wat later als er dan veel vaten waren te wasschen. De slimmerd wist wel, dat ze voor haar gedienstigheid den volgenden dag een belooning kreeg in den vorm van een kopje extra zoete, heete koffie. Volgens Geertje was dit de heerlijkste drank der wereld. Met haar voeten op de stoelsport, en de roode handjes om de kom gevlijd, en de oogen half dichtgeknepen van zoet genot, slurpte ze met kleine teugjes haar kommetje leeg. Ze had dat van huis meegebracht, en er ging veel meer in dan in een kopje. Maar, was dit leeg, dan sprong ze ook vlug op, en ging met zulk een ijver aan ’t messen slijpen, dat de vonken er afsprongen, terwijl ze haar voorhoofd vol rimpels trok van de inspanning. Of ze gaf ’t tegelplaatsje bij den tuin een extra beurt, want daar mocht ze naar hartelust met water kletsen. In de keuken moest Bet daar niets van hebben.

Lientien had Geertje graag als een soort kameraadje behandeld, maar dat viel tegen. Want Geertje maakte ’t zich veel te druk met werken om voor iets anders tijd te hebben, en bovendien voelde ze niets voor Lientiens spelletjes; daarvoor was ze veel te oud-vrouwtjesachtig.

Tot Lientiens groote verontwaardiging had Geertje ook niets op met Socrates. ’t Was bepaald vijandschap tusschen die twee. Geertje joeg poes weg van haar pas geschrobd plaatsje met een: „Vort kat,” waarover deftige Socrates zich, met recht, zeer gekrenkt voelde. Aan zulk ruw toespreken was hij volstrekt niet gewend. Waldi nam ’t misschien wel op voor Socrates, want hij blafte Geertje in ’t begin altijd aan, als ze in zijn buurt kwam. Langzamerhand leerde hij haar bijzijn verdragen, doch toonde zich nooit aanhalig tegen ’t meisje. Geertje droeg deze ramp zeer wijsgeerig. „’t Komt zeker van mijn mussie, daar kan ’t stomme beest niet aan wennen,” meende zij.

Puck en Geertje kibbelden heel wat af. Dat kind had absoluut geen manieren, volgens Puck, en wat was ze mal aangekleed! „Waarom draag je geen katoenen jurk in plaats van die hoop rokken en dat leelijke jak?” informeerde ze smadelijk. Waarop Geertje haar afbonjourde met de verzekering, dat die hoop rokken haar „drach” was, en die liet ze niet.

Wanneer Puck Geertje verweet, dat ze haar expres lang voor de deur liet staan en twee maal schellen, onderzocht Geertje, of Puck altijd zoo heet gebakerd was, of ze zei kortaf: „loop heen.” Geertje verkoos ook geen jongejuffrouw meer te zeggen tegen de kleine meisjes, zooals ze de paar eerste dagen gedaan had. Ze mompelde zoowat van: „ja hum,” „nee hum,” wat alles behalve beleefd kon worden genoemd.

Nel verbood Puck mama lastig te vallen met haar klachten. Ze moest zich maar niet met Geertje bemoeien en bedenken, dat Geertjes moeder geen tijd zou hebben gehad om haar dochtertje goede manieren te leeren.—Puck en Lientien maakten onder elkaar uit, dat het nieuwe meisje zoo’n raar kind was, omdat ze tusschen bokking en scharretjes was opgegroeid. (Haar vader dreef, voornamelijk in deze vischsoorten, een handeltje.) Eens, toen Puck weer kwaad op haar was, wilde ze Geertje ergeren met te zeggen: „’t Komt zeker van de bokking bij jullie, dat je weer zoo bokkig bent.” Waarop Geertje gevat antwoordde: „Dat ben jij dan zonder bokking.” Puck bleef sprakeloos van woede, maar ze hield der complimenten voortaan vóór zich, vertelde Geertje in de keuken.—

Puck had echter, niet minder dan de andere kinderen, toch wel erg met Geertje te doen, toen zij (op een morgen thuis geroepen, omdat moeder zoo náár lag) ’s avonds kwam vertellen, dat deze gestorven was.

’t Arme kind huilde erbarmelijk. Hoe moest dat nu met die zes kleintjes thuis? Moeder was toch zoo goed geweest; ze sloeg nooit hard, en was altijd voor hen bezig. Vader wist niet wat hij moest beginnen!....

In overleg met vader Bom, werd er nu bepaald, dat Geertje voor een week of langer naar huis zou gaan om voor ’t huishouden te zorgen. Vader wilde zijn oude moeder uit Zeeland laten overkomen om hem te helpen, want Geertjes verdiensten konden niet lang gemist worden, en zoo’n puiken dienst als bij „Mevrouw” vond ze ook zoo gauw niet weerom.

Nel liep met Puck en Lientien in den tuin ’t geval te bepraten. Ze hadden allen toch zoo’n meelij met de familie Bom.

„En moet Geertje nou alleen voor al die wormen bij haar thuis zorgen en eten koken, en de boel aan kant houden?” vroeg Puck. „Maar Nel, dat kan ze immers niet?”

„’t Zal maar moeten gaan, zooals ’t gaat,” zei Nel.

„Je begrijpt: mamp zal Geertje niet in den steek laten. ’t Is net iets voor mamp, om die stumperds in den nood bij te staan, en Geertje mag al vast hier elken avond komen halen, wat er aan brood en middageten over is. Ik heb met Bet moeten afspreken, dat ze wat meer overhoudt dan anders. Koken hoeft Geertje dan alvast niet.”

„En ze kunnen dan tenminste met hun buikje vol naar bed gaan,” merkte Lientien tevreden op. Ze zweeg een poosje, en vervolgde toen: „Wat hebben die kinderen een heel ander leven dan wij, hé Nel? Geertje is toch eigenlijk ook nog maar een kind, en nou moet ze al zoo tobben en zorgen in plaats van te spelen en pret te maken. Toch wel zielig, dat er zoo’n verschil moet zijn in de wereld, en je kan er zoo niks aan doen.”

„Neen, lieve schat, dat kunnen we nou eenmaal niet, maar weet je, wat mamp van morgen zei? We kunnen wel ons best doen, naar ons vermogen menschen, die ’t noodig hebben, bij te staan en te steunen. Niet alleen met ons meelij aankomen, maar echt helpen.”

Lientien dacht een poosje nà, en stelde toen voor: „We moesten van onze centjes sparen om hun met St. Nicolaas wat te geven, zullen we, Puck? Als we elke week vijf centen op zij leggen houden we nog twintig over; dat kan best. ’t Is nou pas Juni, dus wat een weken hebben we nog!! Misschien doe jij ook wel mee, Nel?”

„Met liefde hoor, en ik geef een dubbeltje, omdat ik zooveel meer zakgeld heb!”

„Zou Frits ook willen?” onderzocht Lientien, die vond, dat de zaak flink moest worden aangepakt.

„Secuur,” besliste Nel.

„Nou maar ik vind vijf cent veel te veel,” zei Puck. „Ik heb nog schuld ook; ’t geef er maar twee.”

„Ieder centje is welkom,” meende Lientien vriendelijk.

Na drie weken kwam Geertje terug. In plaats van grootmoeder, was tante Heintje gekomen om te helpen. Tante Heintje was weduwvrouw, en had zelf geen kinderen. Geertje vond tante een goeie, ouwe zeur, die den jongens stellig geen baas zou blijven.

Aan Geertje kon je niet merken, dat ze zich moeders dood erg aantrok. Ze was niet stiller dan anders, en schreien deed ze evenmin. Onder haar werk neuriede ze, als vroeger, dezelfde eentonige liedjes.

„Hoe kan Geertje toch weer zoo gewoon zijn; haar moeder is nog geen maand dood,” zeiden de kleintjes.

Doch mama wees hen terecht; de kinderen moesten niet zoo naar ’t uiterlijke oordeelen. In haar hart was Geertje zeker nog wel bedroefd, al toonde zij dit niet naar buiten.

„’t Komt zeker van die weeë vischlucht,” zei Puck tegen Lientien. „’t Is me ook wat lekkers om te moeten slapen in gezelschap van gerookte visch. Geertje zegt, dat ze er nooit wat van ruikt; natuurlijk is haar reuk afgestompt en de rest zal wel „navenant” wezen.” Puck wist dit alles zoo precies van Frits. Die had een poosje geleden een pakje aangereikt, namens Mevrouw Canneheuvel, bij de familie Bom, en was toen even in de huis- tevens slaapkamer geweest. Er waren wel drie bedsteden tegen de wanden. De kamer zag er zindelijk uit, maar ’t riekte er alles behalve aangenaam, van wege de bokkings en scharretjes, die in rissen tegen de zoldering hingen.

„We hebben nog wel een plekkie op zolder,” had vrouw Bom gezegd, „maar daar vreten de muizen er aan; dus moeten we de visch wel hier bergen. Och, Jongeheer, wij menschen moeten maar niet kieskeurig zijn, en ons weten te behelpen. Als de kinderen maar gezond bennen, en elken dag ’t hunne krijgen, ben ’k al meer dan tevrêe.”—

Arme ziel! nou hoefde zij zich niet meer te behelpen. Ze was heengegaan, en had de zorg voor haar kleine stumperds aan anderen moeten overgeven.

Op den duur vond mevrouw Canneheuvel ’t toch wel wat te ver voor Geertje om twee keer per dag dat lange eind tusschen Scheveningen en de Groot Hertoginnelaan af te leggen. Er was op zolder een klein kamertje met plaats voor een bed, waschtafeltje, stoel en tafel. Dit vertrekje werd nu voor Geertje ingericht. Door een flink raam had je „’t mooiste uitzicht van heel ’t huis,” zei Frits, want je zag de duinen in de verte en, als je goed keek, zelf den vuurtoren.

De kinderen hadden er schik in Geertjes kamertje aardig aan te kleeden. Lientien spelde haar mooiste prentbriefkaarten met punaises tegen de beschadigde plekjes van ’t behang. Nel hing er een groote plaat op (welke lange jaren de kinderkamer had versierd), een muizenfamilie voorstellend, die een bal geeft, en haar gasten heerlijk onthaalt op spek, stukjes kaars, en andere lekkernijen.

Puck versierde de waschtafel met twee bloemenvaasjes, één was nogal kapot, maar stond met ’t stuk er uit tegen de plank, dus dat hinderde niets. Frits wou ook wat doen, en had twee vuurroode papieren rozen tegen de gordijntjes bevestigd. Deze versiering kleedde, volgens hem, niet alleen ’t raam, doch ’t heele kamertje aan.

Frits wou echter voor Geertje niet weten, dat hij haar met deze schatten had begiftigd, want hij vond zich zelf te oud en te groot voor zoo iets. ’t Was omdat hij die rozen nou had, zie je, en Geertje ze zoo prachtig vond, toen zij ze eens bij toeval had gezien.—

Toen mama Geertje vroeg, of ze niet liever bij hen wilde blijven slapen, had ’t meisje onbeholpen van „ja” geknikt. Nu ze echter haar vriendelijk, keurig kamertje zag, was ze echt blij, en huppelde tusschen het ledikantje en de andere meubeltjes rond of ze vijf inplaats van veertien was. Alles vond ze prachtig tot de beddesprei, die Bet nog gevonden en over haar bed had gelegd, en den nachtzak van Kee toe, waarop met rood verschoten letters: „Wel te rusten” was geborduurd. „En, dat dat nou mijn kamertje is, van mijn eigens,” zuchtte Geertje innig voldaan. „’t Is niet te gelooven.”

Geertje was heel netjes op haar slaapsalet. Haar grootste plezier bestond er in ’s Zaterdags ’t zeil met zeepsop op te nemen, en de „heele kamer” een goede beurt te geven. Ze had dan een bereddering voor tien, droeg alle meubeltjes op den zolder, en boende, poetste en wreef alles wat hiervoor maar eenigszins in aanmerking kwam, tot haar ijzeren bedje toe.

En Bet liet ’t schaap goedig begaan, want het gebeurde maar eens in de week, en maakte Geertjes grootste plezier uit.... op één na. Dàt was ’t poetsen van haar hoofdijzer, waaraan ze menig kwartiertje besteedde, maar dat blonk dan ook altijd als de zon. „Een zilveren zon, waarin je je spiegelen kon,” zei Lientien.

VII VAN MUZIEK EN LIENTIENS POPPEN.

De vriendschap tusschen Frits en Japie was niet lang bestand geweest tegen hun scheiding. Eerst hadden ze elkaar nog af en toe geschreven, maar Frits vond Japies brieven „niets aan”. De zijne leken hem nog al moppig, maar Japie beantwoordde ze met geen syllabe. Hij vertelde flauwe grappen van school, en toonde in ’t geheel geen belangstelling voor Frits’ leven in den Haag, en de nieuwe kennissen, die hij er gemaakt had. Dus was de correspondentie al minder en minder geworden, en nu zoo wat op sterven na dood. En met de vriendschap was ’t al niet veel beter.

Zijn nieuwen vrind had Frits in de muziekclub gevonden. Hij heette Frans van Delden, en was een lange, tengere jongen van zestien jaar, met heldere blauwe oogen, en een fijn besneden gezicht. Mevrouw Canneheuvel voelde zich erg aangetrokken tot stillen, bleeken Frans, ook omdat zijn oogen haar aan die van Careltje (haar jonggestorven jongetje) deden denken. Frans kon ook zoo ernstig en stil voor zich uitstaren, alsof hij dingen zag, die voor anderen verborgen bleven.

Frans was niet sterk en werd, als eenige zoon, thuis door zijn ouders dubbel ontzien.

Puck, die altijd wat op iemands uiterlijk had aan te merken, vond, dat de armen van Frans precies leken op die van een slingeraap, haast nog meer dan die van Frits. Maar als Frans aan ’t spelen was, hield Puck haar brutalen mond. Zij was dol op muziek en zag hoog tegen Frans op, want zooals die viool speelde deed niemand van de club ’t hem nà, en daarbuiten zeker niet velen van zijn leeftijd. Sinds Frans van Delden in het muziekclubje was, werd er op de muziekavonden veel beter en mooier gespeeld dan vroeger. Ook bij de familie Canneheuvel. Mamp en Nel durfden geen mond open doen; van mopjes of gewone dansjes kwam niets in, en haar oordeel over andere muziek hielden moeder en dochter wijselijk vóór zich. Slechts verheven muziek werd gespeeld van de allereerste meesters als: Beethoven, Mozart, Bach en dergelijken, veel te hoog en onbegrijpelijk voor mama en Nel, doch waarvan vader en Frits genoten.

Papa vond ’t van zelf sprekend, dat Frans de muziekavonden leidde, en niemand nam ’t hem kwalijk, als hij op zijn kalme, bescheiden manier op gemaakte fouten wees.

Want Frans was nu eenmaal een muzikaal genie, en zou nog eens als een ster van den eersten rang aan den kunstenaarshemel schitteren. Daarover waren al zijn vrienden ’t eens, en Frits had zich al vast bij Frans op vrijkaartjes geabonneerd voor de concerten, waar deze als solist zou optreden. Want die zouden natuurlijk zoo druk bezocht worden, dat de menschen slechts met moeite een plaatsje zouden kunnen bemachtigen.

Als Frits zoo aan ’t opsnijden was, verzocht Frans hem kalmpjes niet zoo door te slaan als een blinde vink. Hij wist volstrekt nog niet, of hij zich aan de muziek zou wijden. Zijn ouders zagen hem veel liever ingenieur of dokter worden. Want de kunstenaarsloopbaan toch, is vol stekels en doornen, en éér je nog zoover bent.... Al had Frans aanleg als violist, ’t was nog hard de vraag, of hij doorzettingskracht genoeg zou hebben voor die moeilijke studie. Hij stond nog pas aan ’t begin. Al ’t reusachtig zware, de ontzettende rijstebrij-berg, waar je door heen moet, om wat te kunnen „worden”, daaraan was hij nog niet eens toe.

Zoo sprak bescheiden Frans, doch zijn clubkameraden hielden vol, dat ’t allemaal valsche bescheidenheid was van Frans.

„Is muziek dan zoo vreeselijk moeielijk, mampie?” vroeg Lientien, die niet begreep, hoe iemand op noten kon zingen. Met haar lief, fijn stemmetje zong zij ouderwetsche liedjes naar ’t gehoor, die ze vroeger van tante Sjarlotje leerde.

„Veel te moeilijk voor ons, lieverdje,” antwoordde mama. „Ik vrees, kind, dat je mijn muzikalen aanleg geërfd hebt, en wijs zult doen je tijd niet met pianospelen of zangstudies te verknoeien.”

Dit was Lientien roerend met moeder eens, al zong ze wel graag voor haar poppen, als Puck er niet bij was, die dat met poppen spelen van Lientien niet uit kon staan. Daar was je als kind van tien jaar toch al veel te groot voor!

Puck had bepaald aanleg voor muziek. Als ze er kans toe zag, zat ze voor de piano, en tokkelde er op los, speelde allerlei wijsjes uit haar hoofd na. ’t Werd tijd, dat ze les kreeg, doch oom wilde niet, dat Puck op zijn mooien vleugel zou studeeren, en dus moest er voor Puck een tweede-handsch piano worden aangeschaft, waarop ze naar hartelust zou mogen oefenen en broddelen.

„Ajakkes,” riep Jongejuffrouw Puck verdrietig, „waarom mag ik niet op den vleugel? Je moet juist op een goeie piano studeeren, zegt iedereen.”

„Tante zal wel zorgen, dat de piano, die je voor je studeeren krijgt, goed genoeg is,” zei oom. „Maar van mijn vleugel blijf je voortaan af, begrepen juffertje? Je gebruikt ’t pedaal of ’t noodig is of niet, en bonkt er me veel te hard op.”

Tegen oom durfde Puck natuurlijk niet opspelen, maar bij zich zelf dacht ze: „’t Zal wat moois zijn, die piano van tante! Tante zegt zelf, dat ze in ’t geheel geen verstand heeft van piano’s.”

Nu, dit was ook zoo, en daarom nam tante Frans in den arm, om haar bij dit zaakje behulpzaam te zijn. En Frans deed zijn uiterste best, want wie zou zich niet graag voor Mevrouw Canneheuvel uitgesloofd hebben.

Toen ’t nieuwe instrument dan ook kwam, en in een kamertje werd geplaatst, zoo ver mogelijk van den vleugel àf (anders kwam er vast herrie tusschen die twee), was Puck dan ook nog al ingenomen met haar piano. Frits’ muziekonderwijzer zou ook Puck les geven, en de goeie man had al gauw reden om hoogst tevreden, of ernstig misnoegd te zijn over zijn nieuwe leerling. Want Puck studeerde goed of niet, en dan gaf dat op de les prijsjes, doch veel meer aanmerkingen en verwijten. De heer Stang, door Puck de mopperbaas genoemd, had al gauw verzocht, of een van de huisgenooten Pucks les wilde bijwonen. Want eigenlijk voelde hij zich geen baas over bijdehante Puck, die altijd wat had tegen te pruttelen en haar onderwijzer, als hij haar echt een standje maakte, kon aankijken met haar zwarte flonkeroogen, alsof ze hem wou opeten.

Als vader of mamp tijd noch gelegenheid hadden de les bij te wonen, kwam Nel eens kijken, en vond dan dikwijls tante Sjarlotje, die aan Kee’s arm over ’t portaal was komen aanschuifelen, en onder ’t gamma’s spelen van Pucks vlugge vingers een zalig dutje deed.

„Hoe is ’t mogelijk,” dacht Nel, „dat tante door dat lawaai heen slapen kan.”

Maar tante beweerde, dat ze juist nooit lekkerder hazenslaapjes deed dan onder ’t luisteren naar eentonige geluiden, die al zachter en zwakker werden, tot ze er heerlijk bij indutte.

Al was de tweede-handsch piano heel goed, ’t ergerde Puck, met haar hoogmoedig hartje, niet weinig, dat ze niet op den vleugel mocht spelen. Frits, die Jongejuffrouw Puck niet te best vertrouwde, had den sleutel verstopt, doch slimme Puck had het schuilplaatsje, in een van de Japansche vazen, al gauw ontdekt, en op een keer, toen de „grooten” allen uit waren (behalve tante Sjarlotje, die de trap niet meer afkwam), haalde de bengel den sleutel uit de vaas, en ging, juist omdat ’t haar verboden was, op den vleugel spelen.

Al gauw stak Lientien haar hoofd om de deur.

„Maar Puck, je mag niet op pa’s vleugel,” riep ze verontwaardigd.

„Gaat je niks an, bemoeial,” antwoordde Puck tusschen twee grepen van een marsch in.

„’t Zou maar gauw uitscheiden, ondeugend kind,” waarschuwde Lientien, „je moest je schamen iets te doen wat papoes niet hebben wil.”

„Iedereen is niet zoo’n flauw zuigelingenkind als jij,” hoonde Puck.

Lientien werd echt driftig. „Nare treiter,” viel ze uit, „als je me weer „zuigelingkind” noemt, zeg ik tegen jou: „zwarte Zigeuner”, want iedereen zegt, dat je daarop lijkt en....”

Puck plaagde wel graag, doch zelf kon ze volstrekt niet tegen plagen. „Dat zal je berouwen, Caroline Canneheuvel,” riep ze, en keek Lientien zoo koud en dreigend aan, terwijl haar stem akelig plechtig klonk, dat kleine, domme Lientien er geweldig van ontroerde. Met een harden slag vloog de vleugel dicht, en Puck rende naar boven, terwijl Lientien, heelemaal ontdaan over de sombere, geheimzinnige bedreiging, achterbleef.

Den daarop volgenden Zaterdag was ’t zulk slecht weer, dat er den heelen middag geen sprake was van uitgaan, of in den tuin spelen. Puck stond maar voor ’t raam te mopperen en te brommen, zoodat tante eindelijk knorde: „Houd nu eens eindelijk op, Puck, met dat gepruttel. Waarom ga je niet lezen of pianospelen, of Lientien helpen naaien? Ze heeft een heelen hoop mooie fluweelen en zijden lapjes van tante Sjarlotje gekregen, en gaat de zomerkleeren van al haar poppen opknappen.”

„Jakkes, voor die malle, dooie poppen naaien! Hoe heeft Lientien er lust in?” smaalde Puck.

„’k Ben heel blij, dat Lientien nog niet zoo groote-menschachtig is als jij, Puck,” zei tante kalm. „Daardoor heeft ze menig pleziertje, dat jij moet missen. In elk geval wil ik je nu niet langer zoo ontevreden en mopperig om me heen hebben draaien. Ga een of ander uitvoeren, dat je prettig vindt, anders geef ik je een taak op. Je breikous...”

Doch Puck was al weg. Aan breien had ze een broertje dood. De kous, die ze onderhanden had, zag zoo zwart als roet, en als tante die zag, zat er vast een standje voor haar op.

Eerst ging Puck Socrates een beetje vervelen, want die wou slapen, en was niets gesteld op Pucks hardhandige liefkoozingen. Maar Waldi wilde wel spelen en al gauw maakten Puck en hij zulk een verschrikkelijk lawaai met z’n beiden, dat oom heel boos uit zijn kamer kwam vragen, of dat geweld haast gedaan was.

„We maggen ook niks, hè Waldi?” riep Puck verontwaardigd. Ze bracht den hond, die door ’t dolle heen was, tot bedaren, en slenterde naar boven, op ander kattekwaad bedacht.

Ze moest Lientien haar vreeselijke beleediging van „zwarte Zigeuner” nog betaald zetten, en op eens viel haar in, welke poets ze Lientien bakken zou. Die zat intusschen innig vergenoegd bij tante Sjarlotje. Tantes vroeger zoo vlugge vingers konden nu niet meer voor Lientiens poppengarderobe zorgen. Ze stonden krom en stijf van de rheumatiek. Maar Lientien had heel wat van tante afgekeken, en van tantes goeden raad kon ze nog steeds profiteeren. Haar babbelmondje stond geen oogenblik stil, terwijl ze bezig was een hoedje op te maken voor haar oudste dochter Suze. „Wat dunkt u, tante, zou ik op dit blauwe hoedje wel een vuurroode roos zetten?.... ’t Lijkt me erg opzichtig.”

„’t Wordt toch wel gedragen,” meende tante, die ’t opmaken van Suze’s hoed niet minder gewichtig vond dan Lientien. Moeder Lientien legde de roos weg, en hield een takje blauwe vergeet-mij-niet tegen de hemelsblauwe zijde. „O Hemel! nee, leelijk hè?”

„O Hemel nee,” kwam de echo van tante. „Wat denk je van een wit zijden strik, Lienepien?”

„Ook te schel... vindt u niet?”

„Daar bedenk ’k mij, dat ’k nog zacht rose lint heb liggen, net appelbloesemtint,” legde Sjarlotje uit, „dat zal er beeldig bij staan.”

„Dat lijkt mij ook,” riep Lientien verheugd, en zij liep vlug naar de commode, om in de derde lade, ’t hoekje links, volgens tantes aanwijzing, de lintendoos te zoeken.

„Voor „daags” heeft Suze een matelo’tje (van Nel gekregen), daar doe ik een zwart lint om, en klaar is Kees,” vertelde Lientien, terwijl haar mollige handjes ’t hoedje garneerden met kleine dofjes van het appelbloesemlint. Al de slijtgaatjes konden mooi tusschen de plooitjes weggestopt. „’t Wordt beeldig,” verklaarde ze opgewonden, „maar kan tante ’t eigenlijk wel missen?”