Part 11
Nu genoot ze van een droomloozen slaap, uren en uren achtereen, doch ze bleef maar moe, en moest nog bij alles geholpen worden. De pleegzuster was weer vertrokken en, als oom het niet deed, kwam Bet boven, om bij het verbedden te helpen.
Puck kon niet weten, dat Bet hier uit zich zelf om gevraagd had.
Eerst wist de zieke niet, dat ’t Bet was, die haar zoo zacht en voorzichtig opnam en droeg. Op een keer herkende ze haar, doch sloot onmiddellijk de moede oogen weer, om haar tranen binnen te houden. Want Bet knikte haar toch zoo hartelijk en vol meelij toe, dat Puck moeite had niet te gaan schreien.
Niet alleen Bet, ook Kee en Geertje hadden verbazend met Puck te doen. Alle ergernis over ondeugende, brutale Puck had plaats gemaakt voor innig meelij met ’t doodzieke kind, en bange zorg om haar leven, dat dagen achtereen aan een zijden draad hing. In de keuken dacht men niet anders, of Puck zou er niet meer van boven op komen. „Betjesmoe”, die telkens kwam hooren, meende dit ook, al wou ze niet gelooven, dat ze ’t „schatteboutje” nooit terug zou zien. Maar die ijlende koortsen en dan longontsteking er bij....
Geertje was verbaasd, dat je van heimwee zóó ziek kon worden.
Doch Betjesmoe zei: „daar kan een mensch wel aan sterven.”
En Bet voegde er bij: „’t Schaap was nog bovendien drijfnat, en ze had fel de koorts, zei Juffrouw Nel, toen ze naar der bed werd gebracht. Geen wonder, dat ze doodziek is geworden. Hoe dat nog af moet loopen!”.... en Bet schudde meewarig het hoofd.
’t Had een verbazende consternatie gegeven, toen Puck als een pakje natte ellende, uit den wagen van Van Gend en Loos werd binnen gebracht. Den eersten tijd, terwijl dokter steeds ernstiger keek, en geen enkel geruststellend woord durfde spreken, dan dat Puck’s jeugd en gezond gestel ’t hem doen moesten, werd alles vergeten en op zijde gezet door de familie Canneheuvel, wat met Puck’s wegloopen samenhing, in de angstige zorg om het meisje te behouden.
Tante Johanna kwam over. De arme ziel was eerst heel boos geweest na ’t lezen van Pucks briefje, doch daarop ernstig ongerust geworden. Een pak viel haar van ’t hart bij de ontvangst van het telegram uit Den Haag, dat haar Pucks behouden thuiskomst meldde.
Zoo gauw ze dacht, dat ze Puck zou mogen zien, was ze naar Den Haag gespoord en hartelijk door mevrouw Canneheuvel ontvangen, die dadelijk beneden kwam, om tante Johanna te woord te staan. Tot haar spijt kon ze deze echter nog niet bij de zieke brengen; dokter had alle bezoek streng verboden.
„’t Was mijn schuld toch niet, dat Johanna ’t niet bij mij kon schikken,” klaagde Juffrouw Van Vorden. „’k Heb er u al uitvoerig over geschreven, maar wil nu nog eens zeggen, ik heb gedaan, wat ik kon om het kind te plezieren. Het lekkerste eten bedacht, met haar uitgegaan, spelletjes gespeeld en....”
„U moet zich de zaak heusch niet aantrekken, Juffrouw Van Vorden,” troostte Mevrouw Canneheuvel. „’t Is niemands schuld. Puck verging van heimwee, en wist eigenlijk niet goed, wat ze deed, toen ze weg vluchtte; ’t kind was ontoerekenbaar, en is van àf ’t oogenblik, dat ze bij u was, niet recht in orde geweest. Ik ben overtuigd, dat het een volgenden keer veel beter zal gaan tusschen u en haar.... Waren wij maar zoo ver,.... daarnaar ziet ’t helaas nog in ’t geheel niet uit.”
Mevrouw Canneheuvel vertelde maar niet aan tante Johanna, dat Puck ’t in haar koortsdroomen steeds had gehad over een verlaten eiland, waar tante Johanna haar had heengebracht en achtergelaten, en dat ze ’t vaatje water niet had kunnen open krijgen, terwijl ze versmachtte van dorst.
Tante Johanna had zich op haar manier wel moeite gegeven om Puck’s dorst te lesschen, doch haar manier was de ware niet, en dat kon de oude dame ook al weer niet helpen.
„Zoo gauw Puck weer uit mag, kom ik dadelijk met haar bij u,” beloofde Mevrouw Canneheuvel tante Johanna bij ’t afscheidnemen, „en we zullen u intusschen goed op de hoogte houden van haar toestand. Er is nu, God zij dank, geen kwestie meer van gevaar.”
Tante Johanna ging heusch erg opgelucht naar Voorburg terug, en vertelde haar wedervaren aan Saartje en Tom.
Tommie gromde maar zoowat, en Saartje zei: „daar het ’t stomme beest gelijk in, want wij beiden motten niks van die Puck hebben, hè lieverd?”
XVII „JOHANNA CANNEHEUVEL VAN VORDEN”.
Voor ’t eerst mocht Puck opzitten. Ze was bij ’t opstaan erg duizelig geweest, en zou zeker gevallen zijn, als Nel haar niet zoo stevig gesteund had. Nu zat ze in ooms makkelijken stoel, heerlijk en kalm, met het gevoel, dat ze zoo goed als beter was. Daar kwam Lientien binnen, vloog Puck om den hals en legde een bos chrysanten op haar schoot. Toen verdween ze, even vlug als ze was binnengekomen, want dat had ze mampie beloofd.
Puck was zoo blij met Lientiens omhelzing en mooie bloemen, dat ze weer eventjes moest huilen, maar dit kwam, omdat ze nog zoo slap was.
Dit werd echter met elken dag beter. Al gauw kon het patiëntje zonder hulp van haar bed naar den stoel scharrelen. ’t Eten begon haar niet alleen te smaken, ze verlangde er naar, dat haar welgevuld bordje boven werd gebracht.
Iedereen mocht haar nu bezoeken, en een poosje blijven praten. Frits stak zijn hoofd om de deur, en knikte Puck vroolijk toe.
„Kom maar weer gauw beneden, kleine rakker; we missen je erg, hoor!”
„Heusch, Frits? Ben je er blij om, dat ik beter ben geworden?”
„Natuurlijk, schapekoppie! Wacht maar, naderhand mag je ook weer eens met mij uit.”
’s Middags kwam tante Sjarlotje, voetje voor voetje, aan Kee’s arm naar boven, want ze verlangde toch zoo om Puckie te zien, dat ze niet wilde wachten tot Puck bij haar kon komen. En tante vertelde, dat ze als jong meisje ook eens heel erg heimwee had gehad, en dus kon begrijpen, hoe ’t Puck te moede moest zijn geweest.
Waldi en Socrates mochten ook hun opwachting komen maken. Waldi moest gauw weer weg, die was te lawaaierig en te opdringerig met zijn liefkoozingen.
Maar kalme Socrates had, na ’t kleine vrouwtje een paar „kopjes” te hebben gegeven, terwijl hij haar vriendelijk toemiauwde, een plaatsje naast haar gezocht in de vensterbank, waar hij behaaglijk in ’t lekkere zonnetje ging liggen. Puck streek zijn satijnzacht vachtje glad, en Socrates spon, dat ’t een aard had.
Morgen zou Puck beneden mogen komen, had dokter bij ’t heengaan dien ochtend beloofd. Nel had het ontbijtservies weggehaald en vroolijk gezegd: „Dat is voor ’t laatst Puckie, morgen zit je weer op je oude plaatsje. Heerlijk hè?”
Puck stak de armen naar Nel uit, en gaf haar een dankbaren zoen. „Dankje duizend maal, Nel, dat je me zoo lang hebt opgepast, en zoo alles voor me gedaan hebt. Iedereen is toch zoo vreeselijk lief voor me geweest.... ’t Is toch nergens zoo goed als bij je eigen thuis.”
„We zijn allemaal blij, dat we je weer hebben opgeknapt, kleine Puck,” lachte Nel. „Als je nou maar nooit meer zoo dom bent om in noodweer uit wandelen te gaan!”
„O, nee, nooit weer,” zuchtte ’t kind.
Daar kwam mevrouw Canneheuvel binnen. Nel verdween, en tante ging naast Puck zitten, en nam haar handje tusschen haar eigen zachte moederhanden. „Zullen we nu eens praten, kindje? Ik weet, dat je daar erg naar verlangt.”
Puck boog zich naar voren en nestelde haar hoofd tegen tante’s borst, terwijl zij haar lippen op tante’s wang drukte.
„Zie je Puck,” vervolgde mevrouw Canneheuvel, „als oom en ik niet zeker wisten, dat je bepaald ziek waart, en niet goed wist wat je deed, toen je zoo op eens bij tante Johanna wegvluchtte, dan hadden we alle reden, om boos op je te zijn. Maar nu zullen we het verleden laten rusten; tante Johanna heeft ’t je ook vergeven....
„Je weet niet, hoeveel angst we om je hebben uitgestaan, en hoe innig blij iedereen in huis is, dat we onze Puckie mochten behouden.”
„O, tante, dat weet ik wèl, want iedereen is zoo goed en lief voor me.... tante ik heb zoo veel bedacht, terwijl ik ziek lag. Mag ik alles aan u vertellen?”
„Natuurlijk, kindje.”
„Ach, was ik uw kindje maar,” barstte Puck uit, en er sprak zulk een smachtend verlangen uit haar stem, dat mama er van ontroerde, en ’t meisje bedarend over het voorhoofd streek.
„U kan niet begrijpen,” sprak Puck, na eenige oogenblikken, „hoe radeloos ongelukkig ik bij tante Johanna was, omdat ik zoo vreeselijk naar u en al de anderen verlangde. ’k Kòn ’t niet meer uithouden van heimwee. Ik hoorde toch hier, en nou was ik bij een vreemde tante, en den heelen dag moest ik huilen en naar huis verlangen. Op een keer zei tante, dat u en oom en uw kinderen niets van mij waren, dat ze mij in ’t geheel niet bestonden. Dat deed me toen zoo’n pijn, alsof ik met een mes gestoken werd...
„Ach, waarom mag ik toch geen kind van u zijn? Als ik net was als Nel en Frits, als u mijn moeder was, dan zou ik toch zoo vreeselijk mijn best doen. Ik zou net zoo goed willen zijn als Lientien, en ik zou altijd bedenken: je moogt je ouders geen verdriet doen.”
„Maar Puckielief, we houden toch zoo veel van je,” suste tante. „Denk je, dat ik er zoo veel verdriet van zou hebben, als je verkeerd doet, en mij zooveel moeite zou geven, om je ’t goede te leeren, als je mij niet na aan ’t hart lag?”
„Maar ’t is toch zoo anders,” zuchtte Puck.....
Ze sloeg haar arm om tantes hals, en drukte zich nog vaster tegen haar aan. Zóó zacht sprekend, dat Mevrouw Canneheuvel zich naar haar lippen toe moest buigen, om te verstaan, wat zij zeide, hervatte Puck: „Als ik nou een heel lief, gehoorzaam kind word, mag ik dan ook uw kind zijn, tante? Ik houd zoo verschrikkelijk veel van u; van mijn eigen maatje zou ik niks meer kunnen houden.... ik zou zoo dolgraag, net als Nel en Frits, „Moeder” of „Mampie” tegen u zeggen in plaats van dat kouwe „tante,” en dan „Vader” tegen oom?”
Puck’s oogen stonden vol tranen, maar ze glimlachte Mevrouw Canneheuvel toet en kuste de hand, die ze tusschen de hare hield.
Mama’s oogen schoten ook vol, terwijl ze dacht: „Wat een kleine, dwaze Puckie is ze toch, met haar naar liefde dorstend hartje!”
„Op school is een meisje,” vervolgde Puck ijverig, „en die heet Rutgers van Effen.
„’k Hoorde eens, dat ze een tweeden vader had, en toen vroeg ik haar, hoe ze Rutgers kon heeten, want dit was de „van” van haar tweeden pa. Weet U, wat ze zei? „Ik vond ’t zoo naar, om een anderen „van” te hebben als maatje, en ik houd ook erg veel van mijn vroolijken tweeden papa. Toen is ’t in orde gebracht, dat ik ook Rutgers mag heeten, en Van Effen er bij natuurlijk, want zoo heette mijn eigen vader.”
„Daar heb ik nou den laatsten tijd aldoor over moeten denken, en hoe zalig ’t zou wezen, als ik echt kind in huis was bij u, net als Nel en Frits en bijna als Lientien, en dan ook een Canneheuveltje mocht wezen.
„O tante! lieve tante, laat mij heelemaal uw Puck mogen zijn, en dan: Jootje Canneheuvel van Vorden heeten...”
„’t Is een groot ding, wat je daar vraagt, Puck,” sprak mevrouw Canneheuvel ernstig, „en je begrijpt, dat ik er eerst met oom over spreken moet. ’k Geloof wel, dat dit op ’t oogenblik je grootste, innigste wensch is, maar...”
„Och tante, was dat nare „maar” toch nooit uitgevonden! Zeg u toch niet neen,” smeekte Puckie. „’k Weet stellig, dat het mij helpen zal, dat ik er zoo’n steun aan zal hebben, om mijn best te doen, en vol te houden, ook als ’t vreeselijk moeilijk is.... Als ’t niet mag, was ik even lief dood gegaan....”
„Foei Puckie, mag je zoo spreken?” berispte tante.
„Nee, nee, zóó meen ik het ook niet. Ik bedoel.... tante, luister eens. Wanneer ik heel alleen met u ben, en als u erg tevree over mij is, mag ik dan „Mampie” tegen u zeggen? Zoo heel stilletjes, als niemand het hoort?”
En mevrouw Canneheuvel fluisterde terug: „Dat mag dan hoor!.... We zullen dus nog maar eens van voren af aan met je beginnen, oom en ik, maar dan niet alsof je een nichtje, maar alsof je ons dochtertje waart.”
„O Mampie!” Puck snikte ’t uit van vreugde, „nou ben ik ’t gelukkigste kind uit het heele land.”
Dien avond kwam Lientien weer bij Puck op de kamer slapen; gedurende Pucks ziekte had ze bij Nel gelogeerd. Ter eere van de feestelijke gelegenheid mochten Francine en kleine Koo ook van de partij zijn: Francine bij tante Puck in bed en kleine Koo bij moeder.
„Hoe gezellig, dat we weer samen zijn, hè Puckie,” zei Lientien hartelijk.
„Ja heerlijk! Kom je even bij mij in bed, Lienepien? Ik moet je wat zeggen, maar je mag ’t niemand oververtellen.”
„Duw Francine dan maar naar ’t voeteneinde, anders heb ik geen plaats,” beweerde Lientien. Toen ze naast Puck lag, moesten ze elkaar eerst even pakken, en daarop vertelde Puck, wat ze met tante had afgesproken, en wat tante haar beloofd had. Lientien luisterde met groote belangstelling, en toen Puck besloot met de woorden: „Hoe zal je ’t vinden, Lientien, als ik ook een zuster van je word?” zei Lientien niets dan „zalig!” en ze meende ’t met heel haar hart.
Den Maandag daarop ging Puck weer voor ’t eerst naar school, en al gauw, in de daarop volgende dagen, dacht de juffrouw: „Wat is die Jootje van Vorden veel kalmer en gehoorzamer geworden! Zou ze door haar ziekte zoo veranderd zijn? Dat zou dan met recht een geluk bij een ongeluk wezen.”
Doch de juffrouw kon niet weten, welken talisman Puck in haar lessenaar had, en hoe gelukkig zij zich voelde, als ze daaraan dacht. Op de binnenzijde van haar boekenkaften had zij met groote letters geschreven: „Dit boek behoort aan Johanna Canneheuvel van Vorden.”
’t Was nu nog een geheim, dat zij dien naam zich zelf had gegeven. Maar ze hoopte en vertrouwde, dat ze hem eens voor alle menschen dragen zou.
Want oom en tante hadden haar beloofd, dat zij een „Canneheuveltje” mocht zijn, als zij zich een jaar lang goed gedragen had.
En Puck wilde den prijs winnen, dat had zij zich voorgenomen met hart en ziel.
INHOUD.
Hoofdst. Bladz.
I. EEN SLECHT BEGREPEN KIND 5 II. POFFERTJES 12 III. 1 APRIL 24 IV. „MAMA!” 35 V. HOE VOORBARIG PUCK, EN HOE BEDROEFD LIENTIEN WAS 47 VI. „GEERTJE” 53 VII. VAN MUZIEK EN LIENTIENS POPPEN 63 VIII. NEL ALS HUISMOEDER 81 IX. OVER BOONTJES-AFHALEN EN FRITS’ „BOSCHJESVRIENDEN” 95 X. „SCHATTEBOUTJES” 106 XI. JAN WEER THUIS 119 XII. PUCK SPIJBELT 128 XIII. HET FEEST 134 XIV. „DE SCHOENTJES” 147 XV. BIJ TANTE JOHANNA 161 XVI. NAAR HUIS TERUG 173 XVII. „JOHANNA CANNEHEUVEL VAN VORDEN” 183