Part 7
Nel vond ’t best, doch ’t speet haar, dat Lientien dit pleziertje niet kon hebben. Maar Lientien was er ook nog.
Na ’t eten, toen Nel op de bank zoo’n beetje zat te schemeren, kroop Lientien, als een klein kindje, tegen haar aan.
„Nel, ik heb een plannetje bedacht en ik zou ’t zoo heerlijk vinden, als ’t mocht.”
„Zie je, zóó. Omdat Puck nou toch uitgaat den heelen dag, wou ik zoo graag naar Haarlem, om grootma zelf mijn verjaarpresentje te brengen, en als jij dan meeging....”
„Dat kan in geen geval, lieverd.”
„Neen hè?” zuchtte Lientien.
„Maar we konden Frits vragen, of hij....”
„Dat ik daar niet aan gedacht heb!” en weg vloog Lientien, om Frits te halen.
Hand aan hand kwam ze met hem terug; haar heele gezichtje straalde.
Nel begreep dus dadelijk, dat de zaak in orde was.
„Wil je wel, Frits?” vroeg ze.
„Met alle plezier van de wereld, maar nou heeft die gekke prul van een Lientien verzonnen, om Waldi ook mee te nemen, en dat lijkt me nog al bedenkelijk. Waldi alleen in een hondenhok zonder een van ons er bij, die gilt en jankt de halve wereld bij elkaar.”
„Nou heb ik weer wat bedacht,” vertelde Lientien, Frits en Nel om beurten met haar heldere „vergeet-mij-nieten” aankijkend.
„Bet zegt, dat je in de derde klasse een hond mee mag nemen. Haar moeder wil ’t ook doen, heel uit Franeker...
„Nou dacht ik: als Frits en ik en Waldi derde klasse reizen, kunnen we met ons drietjes in dezelfde coupé, en ’t is nog veel goedkooper ook. Grootma schreef laatst, dat ze Waldi toch zoo dolgraag eens zien zou, en daarom, zie je....”
„Ajo,” gaf Frits toe, „dat moet dan maar. Puck rijdt in de auto naar Haarlem, en wij gaan per trein, derde klasse, hè prul?”
’t Stond nog te bezien, dacht Nel, of Grootma nou zoo bizonder op een bezoek van stouten Waldi gesteld was. Doch ’t scheen nog al mee te vallen, want ’s avonds kwam er bericht uit Haarlem, dat Lientien, Frits en Waldi drie dagen mochten blijven, als moeder Nel ’t goed vond.
Dit gebeurde dan ook, en ’t is moeilijk te zeggen, wie zich ’t best amuseerde op ’t onverwacht opgekomen uitstapje.
Grootma was verbazend blij met Lientiens mooi handwerk (een courantenhanger voor in de zitkamer) en nog blijer met de verrassing, die de onverwachte komst van de kleinkinderen haar bereidde. Of Lientien haar plannetje dus ook maar goed bedacht had! Waldi gedroeg zich voor zijn doen heel netjes, met bedaarde wafjes en zonder uitbundige luidruchtigheid.
In den trein had hij aldoor liggen uitkijken, en droge kaakjes opgesmikkeld. De medepassagiers hadden hem zeer bewonderd en aangehaald.
’s Nachts bij grootma sliep Waldi op ’t voetenkleedje voor Frits’ bed, en hield zich den heelen nacht muisstil.
Bij ’t afscheidnemen verklaarde grootma dan ook, dat Waldi een bizonder lieve, welopgevoede hond was, dat zij in ’t geheel geen last van hem had gehad, en blij was, dat zij hem kende. Ze zou nu nog met grooter plezier lezen, wat Lientien in haar brieven van ’t taksje vertelde.—
Puck had zich op ’t autotochtje toch niet zoo vermaakt, als zij verwachtte.
Mevrouw was, als altijd, heel aardig geweest, maar Puck vond Grace en Ellen bepaald onuitstaanbaar. Ze hadden aldoor zitten zeuren over een meisje, met wie ze kennis hadden gemaakt, en dat, na de vacantie, bij hen op school zou komen. „Een erg voornaam kind, haar vader is baron,” had Grace verteld, terwijl Ellen er bij voegde: „En ze wordt natuurlijk een vriendin van ons, dat hebben we afgesproken; ze is ook al dertien jaar!” Terwijl Ellen dit zei, had ze Puck heel koeltjes aangekeken, net of ze wilde zeggen: „Als we Leonore tot vriendin hebben, kan jij ophoepelen.”
Puck hield zich wel, of ze dit niet begreep, maar ’t deed haar toch zéér.
’t Rijden zelf in de zacht veerende auto was wel heerlijk en ze had ook volop genoten van al ’t moois, dat onderweg te bewonderen viel. Overal, waar Mevrouw de auto voor restauratie of hotel liet stilhouden, had Puck zich erg voornaam gevoeld, als ze uit- en instapte, terwijl de buigende knecht ’t portier voor de dames opende, of dit weer achter haar dichtklepte. Maar toch....
Lientien had Puck zoo’n beetje aangeduid, waar grootma van de Capelle woonde, en toen ze in Haarlem waren, had Puck den chauffeur verzocht haar te waarschuwen, als ze langs „den Hout” reden.
Dit deed de chauffeur dan ook, en Puck verbeeldde zich, dat ze uit Lientien’s beschrijving het groote statige huis herkende.
Toen kreeg ze op eens ’t gevoel, dat ze daar bij Lientien en Frits hoorde, veel meer dan in de auto naast haar nuffige, onaardige vriendinnetjes. Ze was dol graag uitgestapt en op ’t huis toegeloopen, maar ze waren al lang voorbij, terwijl ze dit bedacht.
Wat moest ’t heerlijk zijn om een grootma te hebben en eigen ouders, en eigen broers en zusjes. Zij had eigenlijk niks dan een oom en tante heel in Zwolle, die nooit naar haar omkeken, en dus net zoo goed vreemden konden zijn, en dan die suffe tante Johanna in Voorburg....
O! als tante Canneheuvel eens haar eigen moeder was, wat zalig zou dat zijn....
Puck schrikte op. Ze reden zoo waar al weer door ’t Haagsche Bosch, en zouden al heel gauw thuis zijn....
„Dank u duizendmaal voor den heerlijken dag, lieve mevrouw,” zei Puck bij ’t afscheid nemen, terwijl ze bedacht, dat ze toch eigenlijk niet zoo heel veel plezier gehad had. Doch, toen mevrouw vroeg: „Ga je Zondag weer mee? We moeten nu maar van het mooie weer profiteeren,” nam ze gretig aan: „Dolgraag, mevrouw.”
Nog net zag ze, dat Ellen haar moeder een duw gaf en nijdig keek.
„Zoo’n spook!” dacht Puck, „ze vindt ’t zeker niet goed, dat haar ma mij meevraagt.”
’t Viel Puck erg tegen, dat Lientien in Haarlem was gebleven, en pas na drie dagen thuis zou komen.
Maar Nel was dubbel lief en gezellig die dagen. Ze wandelde met Puck en nam haar mee naar de bioscoop.
’s Avonds mocht Puck een uur langer opblijven en Tante Sjarlotje en Nel voorlezen.
En Puck las zoo prettig voor, zei tante, dat ze er niet bij in slaap kon vallen. (Maar misschien kwam dat ook wel, omdat tante pas een stevig dutje beet had.)
Woensdag kwamen Frits, Lientien en Waldi thuis; en ’t was weer druk en gezellig.
Puck had nooit gedacht, dat ze die drie zoo verschrikkelijk zou gemist hebben, vooral Lientien.
„Hoor eens, Lienepien,” zei Bet een paar dagen later, „mijn moeder is nou netjes op orde, en, als je wil, mag je Zondagmiddag met me mee haar opzoeken.”
Bet had moeder zoo veel verteld van Lientien, dat deze er naar verlangde, dat lieve schatteboutje te zien.
„Erg graag Bet; mag Puck ook?”
„Wel nee,” sprak Bet kortaf. „Puck is niet gevraagd, en die gaat er bovendien weer met de „voornamigheid” op uit in de auto.”
Ja, dat was wààr. Lientien had ’t schoon vergeten.
’s Zondagsmiddags was ze om half drie klaar, volgens afspraak, en stapte vergenoegd met Bet naar de Obrechtstraat, waar moeder op een étage woonde.
Wat een aardige, oude vrouw was die moeder van Bet! Zij droeg de Friesche kap met een blinkend gouden oorijzer; dat was nog wat anders dan Geertjes hoofdversiersel. ’t Zag er maar wàt keurig uit bij moeder. Lientien moest overal rondkijken. In ’t aardige slaapkabinetje vóór aan straat, in ’t kraakzindelijk keukentje, waar alles wat er hing en stond je tegenblonk, zoodat je er voor je plezier naar keek. Daar tegenover was de zitkamer, waar ’t mooie ouderwetsche kabinet stond, dat als een spiegel glom. Ja, Bet had haar netheid en zindelijkheid van niemand vreemd. In de keuken lag Bobbie, een groote lobbes van een hond, (die veel op een setter leek, maar ook wel wat van een buldog had), in een reuzenmand, die maar net onder de keukentafel kon staan.
Moeder vertelde allerlei aardige dingen van hem. Je moest hem alleen niet willen voeren. Want hij dacht altijd, als iemand de hand bij zijn bek hield, dat hem een kluifje of een andere lekkernij werd gepresenteerd, en hapte dan onbesuisd toe. Bobbie was een goede waakhond, doch had nooit aan een ketting gelegen. Dat was een naar leven voor zoo’n arm beest, vond moeder.
„Is Bobbie op reis zoet geweest?” informeerde Lientien.
„Als een lam,” prees moeder, „en gehoorzaam is hij ook. Bob mag niet in de mooie kamer, hé Bob, en blijft dus zoet hier in zijn mand.”—Bobbie kwispelde met zijn stompstaartje, en volgde ’t vrouwtje alleen met zijn oogen. Ja, hij was een hond met goede manieren.
De zitkamer vond Lientien dan al bizonder gezellig met ’t vuurrood kleedje op de tafel, waartegen ’t nikkelen theeservies zoo mooi uitkwam, terwijl ’t theelichtje, onder den theepot, ’t geheel nog knusser maakte. Moeder haalde een trommeltje met koekjes uit de kast, en zette dat met een schotel Friesche drabbelkoek op tafel. De jongejuffrouw moest maar flink toetasten.
„Zeg U toch Lientien,” verzocht de „jongejuffrouw”, „net als Bet, en dan zeg ik tegen U.... Betjesmoe.”
Schatteboutje stal moeders hart voor de zooveelste maal.
Bet zat maar goedmoedig te luisteren naar ’t druk gebabbel van Lientien en moeder, die ’t samen wat best konden vinden; maar dat had ze dan ook wel gedacht. Moeder hield dol van kinderen, en Lientien was nog zoo echt en heelemaal een kind, in ’t geheel niet pedant of aanstellerig, zooals Puck b.v. Die had zich heel deftig „jongejuffrouw” laten noemen, reken maar.
Doch zelfs Bet zou nu wel een beetje meelij met Puck hebben gevoeld, als ze had kunnen zien, hoe zielig dat juffertje haar ongeduld zat te verbijten. Want ’t werd drie uur, half vier, en wat er verscheen: geen auto.
Er was wel geen nader bericht van mevrouw van Bergen gekomen, maar mevrouw had haar toch zelf gevraagd, en bij ’t afscheidnemen nog gezegd: „Nou, tot Zondag dan.” Zouden ze haar vergeten hebben, of....?
Puck zag weer den waarschuwenden por van Ellen aan haar moeder.—Om vier uur gaf Puck de hoop op. Nou goed, dan moesten die spoken van een Ellen en Grace maar weg blijven! Ze wachtte niet langer. Als ze nog kwamen moest Kee zeggen, dat de jongejuffrouw al lang was uit gegaan.
Puck vroeg aan Nel, of ze Lientien mocht gaan halen. De Obrechtstraat was zoo vlak bij; zij zou heusch niet verdwalen. Nel vond ’t dadelijk goed. „Ja, ga maar Puck.” Nel had er mee te doen, dat ’t kind aldoor voor niets had zitten wachten.
Lientien zat met een kleurtje van opwinding allerlei verhalen te doen over school en Waldi en haar poppen, toen er hard gescheld werd.
„O,” zei moeder, „dat is Juffrouw Maas zeker, ik zal wel opentrekken, Bet....”
„Dag juffrouw. Juffrouw, is Lientien hier?” klonk een stem naar boven.
(„O Bet, daar is Puck,” riep Lientien blij, „hoe leuk, dat ze komt”.)
„Jawel jongejuffrouw, komt u boven,” noodde Bets moeder vriendelijk.
Puck rende de trap op, en werd door moeder de kamer binnengeleid. Lientien was wel wat verrast, toen Puck op haar toevloog en haar omhelsde met een zoen.
Maar Lientien keek haar dan ook zoo vroolijk en vriendelijk aan, alsof ze blij was, dat ze haar zag, dacht Puck, die dit dubbel goed deed, nadat Ellen en Grace haar zoo teleurgesteld en leelijk behandeld hadden. Daarom moest ze Lientien even pakken.
Toen vroeg ze een beetje benepen aan Bet: „Mag ik wel even blijven, Bet?”
„Dat spreekt toch van zelf, Puck,” zei Bet, „ga maar zitten, er bennen nog koekjes genoeg.... Maar we dachten, dat je er met de auto op uit zou gaan....”
Puck beet zich op de lippen. „Ze zijn me niet komen halen, misschien wat tusschenbeide gekomen,” mompelde zij, en begon toen vlug over wat anders.
„Wat is ’t hier leuk en gezellig.... Juffrouw, u woont hier echt, hoor!”
Als ze wou, kon die Puck ook wel haar beste beentje voorzetten, en dit deed ze nu. ’t Meisje was op haar liefst, en pakte „moeder” heelemaal in. Ze toonde voor en in alles minstens even groote belangstelling als Lientien, en haar babbelmondje stond ook geen oogenblik stil.
De oude vrouw moest van alles laten kijken en voor den dag halen, terwijl de kleine meisjes om ’t zeerst bewonderden, en overal de geschiedenis van wilden weten.
Toen moeder met ’t portret van haar lievelingszoon aankwam, die korporaal was in Indië, vleide Puck: „Hij lijkt precies op u; met uw kap op zou hij sprekend zijn moeder zijn.” Wat moest „Betjesmoe” daar om lachen, en Bet niet minder. Want de korporaal had een fameuze snor en zeer ruige wenkbrauwen. Verbeeld je die eens onder een Friesche kap uit! ’t Gaf een pret van belang! Toen liet moeder al ’t moois zien, dat haar zoon haar in den loop der jaren uit Indië had toegezonden: sierdingetjes in rood koraal, om hier of daar neer te zetten, een mandje, van kruidnagelen gemaakt, een Indisch bedehuisje, fijnbesneden, en allerlei grappige poppetjes van speksteen en andere steen.
Lientien herinnerde zich niet veel meer van Indië dan tante Letje en Tidjem, maar Puck wist nog heel wat van haar geboorteland te vertellen, en Bets moeder zat met ’t grootste genoegen naar die verhalen te luisteren. Lientien dacht af en toe een beetje weifelend: „Of Puck nou niet wat overdrijft? Zou dat wel allemaal wáár wezen....?”
Eindelijk zei Bet, dat ’t nu heusch tijd werd om naar huis te gaan en, terwijl Lientien hartelijk bedankte voor den prettigen middag, deed Puck dit niet minder beleefd en aardig; ze had echt plezier gehad, veel meer dan op ’t autotochtje van laatst. En dit maakte zij zich niet maar zoo wijs, want, al wilde Puck graag de hoogte in, al had ze een te grooten dunk van alles wat rijk en voornaam is, in haar hart voerde die neiging steeds strijd met haar beter ik. Ze maakte niet voor niets, nu sinds jaren al, deel uit van een gezin, waar natuurlijkheid en eenvoud den grondtoon vormden, en de lessen, in woord en voorbeeld, van de familie Canneheuvel, waren ook aan Puckie niet geheel voorbij gegaan.
Op ’t portaal liep moeder nog even weer naar binnen, om wat te halen, en stopte de meisjes ieder een aardig Chineesch afgodsbeeldje in de hand (een grappig steenen poppetje in zittende houding, met een lange zwarte vlecht, en verbazend veel denkrimpeltjes op zijn verstard gezicht.)
Betjesmoe kreeg er een zoen voor, ook van Puck. Dit laatste zag Bet met de allergrootste verbazing.
Maar moeder fluisterde Bet toe, terwijl de meisjes de trap afliepen: „Je hebt gezegd, dat Lientien een schatteboutje was en de andere heelemaal niet?.... ik vind ze allebei schatteboutjes hoor! Als ze willen, breng ze dan maar gerust weer eens mee....”
Bet zei niet veel, doch dacht des te meer, en bleef Puck een bijdehand nest vinden. Geen vergelijk met Lienepien, die dot!
Een poos later, toen Bet weer eens op Puck bromde, durfde dat brutaaltje zoowaar zeggen: „Je lijkt zeker op je vader, Bet, want je moeder is een engel.”
„Wil je er een om je ooren?” presenteerde Bet, met opgeheven hand.
Maar naderhand zei ze tegen Lientien:
„Ja, mijn vader was een „kortaffe”, net als ik, maar mijn moeder, die hield den vrede.”
XI JAN WEER THUIS.
Vader en moeder waren nu ook weer thuis gekomen, en hadden Jan meegebracht.
Dat was me een baas geworden, die Jan! Zoo groot en breed, met zoo’n heldere, vroolijke stem en drukke bewegelijkheid, dat hij ’t heele huis vulde. Voor iedereen had hij wat meegebracht, en zelfs Geertje niet vergeten. „Wat allemachies aardig is van dien jongen mijnheer met zijn lange beenen,” zei Geertje, „want kennen doet hij mij geen eens.” Ze was dan ook verbazend in haar schik met haar cadeau: een hertje van gepolijst metaal, dat er „echt” uitzag met zijn zware horens en mooie dunne pootjes. Het pronkte midden op haar tafeltje, en ’t hertebeest kreeg ’s Zaterdags ook een beurt van wat blief je! ’t Werd gepoetst en opgewreven tot ’t blonk als zilver.
Jan zou nu over acht weken naar Indië vertrekken om te Soerabaia op vaders kantoor werkzaam te zijn. In die twee maanden moesten Mamp en Nel voor zijn uitzet zorgen, terwijl hij zelf ook nog heel wat te koopen en te beredderen had. Telkens bracht Jan wat mee uit de stad, bloemen voor Mamp, een lekker sigaartje voor vader, fijne odeur voor Nel, snoepgoed voor de meisjes, en voor tante Sjarlotje patiencekaartjes. Jan had er voor tante ook een boekje bij gekocht, daar stonden wel honderd verschillende patiencespelletjes in.
Tante Sjarlotje raakte al gauw verzot op patiencespelen en.... Lientien ook. Die was er bizonder vlug en wijs mee. Als tante een nieuw spel wilde leeren en uit de verklaring niet wijs kon worden, begreep Lientien deze in een oogenblik en leerde haar tante Sjarlotje, die ze, op deze manier, vlug begreep. Wat hadden tante en Lienepien een pret over de namen van de patiencespelletjes.
De moeilijke „Pad”, de „Zevenslapers” en de „Tweelingen” wilden van de tien keer negen maal niet uitkomen, maar de „Beeldengalerij” en de „schuchtere Louise” waren flauw gemakkelijk. Elken avond, vóór ’t naar bed gaan, speelde tante een uurtje, en daar sliep ze dubbel lekker op.
’t Werd een gezellige tijd met Jan thuis. Zelden of nooit ging hij alleen uit. „Ik zal mijn heerlijk thuisje nu al gauw jaren lang moeten missen,” zei Jan, „en wil er dus nog zooveel mogelijk van profiteeren.” De jongen was bijna altijd naast Mamp te vinden, die hij „Mader” noemde. Dit was zijn lievelingsnaam voor zijn tweede moeder, die hij even liefhad, alsof zij zijn eigen was geweest.
Als hij op de bank naast haar zat, stak hij vertrouwelijk zijn arm door den haren.
„Nou niet naaien, Mader, maar gezellig babbelen.”
„Domme jongen, hoe komen je zakdoeken dan klaar?”
„Die wil Puckie wel voor mij naaien,” plaagde Jan, met een knipoogje naar deze jongejuffrouw. Hij wist wel, dat ze een broertje dood had aan naaien.
„’k Ben zoo graag voor je bezig, Jan,” zei mama, „als je je goed gebruikt daarginds, denk je nog eens extra aan me.”
„Of ik dat niet altijd zal doen, goeie, trouwe Mader mijn,” sprak Jan zacht. „Ik zal u wel erg missen en vader en Nel en lieve Lienepoes.... Maar als ’t te erg dreigt te worden, zeg ik, net als vroeger: „den kop er tegen in, Jaromir.”
„Juist Jan, en we hebben toch onze brieven over en weer, en ik heb nu zooveel tijd om aan jullie te schrijven. Van Dolf en Lous krijg ik voortdurend prijsjes.”
„En u schrijft zulke heerlijke, en heerlijk lange brieven,” betuigde Jan dankbaar. „Zorg dus Mader, dat ik u ook prijsjes geven kan.... Ons eigenlijk huis blijft toch altijd hier,” vervolgde Jan na eenige oogenblikken, „de duiventil, waar de kinderen steeds in en uit blijven vliegen, of liever ’t nestje, dat u pas zacht en warm voor ons gemaakt heeft. Ik kom vast om de drie of vier jaar weer eens kijken; ’t is zoo goed als zeker, dat Lous en Dolf over een jaar of wat over komen wippen. U zal zien: tot in uw en vaders stokouderdom zal u van de kinderen Canneheuvel om u heen hebben.”
„Vader en ik hopen en wenschen niets liever, m’n jongen,” zei mama bewogen.—
Puck, die altijd met Frits kibbelde, zag tegen Jan op. Ze vond hem een echte „mijnheer”, en durfde geen bijdehante antwoorden geven, als hij haar plaagde.
Puckie voelde niets voor ’t patiencespelen van tante Sjarlotje en Lientien, maar ze werd steeds „doller” op lezen. Lientien geloofde, dat ze van de heele school boeken leende, want altijd had ze weer nieuwe.
„Tante Puck heeft de leeskoorts,” klaagde Lientien tegen haar eenig zoontje. „Ze is niks gezellig; wil nooit meer babbelen, maar zit eeuwig met haar neus in de boeken.”
„Trek je er niks van an, moeder,” troostte kleine Koo, „dat luwt wel, want lezen is vreeselijk vervelend op den duur.”
„Wat een ezel is die kleine Koo toch!” merkte tante Puck op, „zijn verstand is even klein als hij zelf is.” Daar kleine Koo, sinds zijn geboorte, nog geen sikkepitje gegroeid was, moest ’t arme wicht zijn mond wel houden.
Mevrouw Canneheuvel zei er maar niet veel van, dat Puck voortdurend las, zoolang haar schoolwerk er niet onder leed. Ze vermeed alles, wat den vrede zou kunnen verstoren, den laatsten tijd, dat Jan nog thuis was.
Maar Jan had in zijn goedhartigheid bedacht Puckie eens aardig te verrassen. Hij nam haar mee naar zolder, en gaf haar een kist vol boeken cadeau, die hij van kleinen jongen af aan bewaard had. De meeste bevatten avontuurlijke verhalen, zooals jongens die gaarne lezen. Doch er waren ook mooie boeken bij over dieren en zoo, die Dolf indertijd aan Jan vereerd had.
Puck stond sprakeloos van vreugde over zulk een schat, en wist niet, hoe ze Jan zou bedanken. Overblij met dit prachtige cadeau, hief zij zich op haar teenen en gaf Jan een flinken klapzoen op zijn bruine wang. „Ze is toch wel een hartelijk kind,” dacht Jan.
Goeiige Lientien hielp Puck den boekenschat naar beneden dragen, en nu voelde Puck zich net zoo rijk als een veldmuis of een hamster, die voor den heelen winter voorraad in zijn hol heeft gesleept.
Jammer, dat oom voortdurend een oogje hield op ’t huiswerk, moeilijke lessen overhoorde en de sommen nakeek.
Puck moest er haar dierbaar lezen dus dikwijls aan geven, want, was ’t werk niet in orde, dan moest ’t overgeleerd en overgemaakt worden, daar hielp geen lieve moederen aan.
’t Beviel Puck dit keer heelemaal niet op school. Grace en Ellen gingen heelemaal op in de barones en lieten Puck links liggen.
Het baronesje was een stil, zacht meisje met groote oogen, die altijd staarden. (Lientien vond, dat ze sprekend leek op haar oudste kind Francine, de oogen ten minste.) Men kon haar alles behalve vlug noemen, want ze kende nooit haar lessen, en gaf dikwijls zulke domme antwoorden, dat de andere kinderen er om lachten.
Maar dan werd de juffrouw boos, en knorde. Al gauw begrepen de meisjes, dat ze meelij moesten hebben met Leonore, in plaats van haar uit te lachen. Ze was zwaar ziek geweest, en kon nu niet zoo goed meer leeren als andere meisjes van haar leeftijd. Mettertijd zou ’t wel terecht komen, had de dokter gezegd, en ’t was ’t beste, als zij klasse-onderwijs kreeg, en veel met meisjes van haar jaren in gezelschap was.
Nu werd Leonore niet meer uitgelachen, doch, de goedhartige meisjes niet te na gesproken, die zich uit meelij met haar bemoeiden, lieten de klasgenootjes haar vrijwel links liggen. Behalve Ellen en Grace, die zich bepaald aan Leonore opdrongen.
’t Stak Puck, dat zij dat deden, en ze begreep ook niet best, hoe ze haar bij dit meisje achterstelden. Want Puck gooide zich zelf alles behalve weg, en wat had je nou in vredesnaam aan dat suffe wurm, al kon ze ’t niet helpen, dat ze ’t was.
Op een keer zei Puck ’t ronduit heel boos en driftig tegen Ellen. „Dat jullie niet meer vriendin met me wilt zijn, kan me geen zier schelen, maar dat je dat onnoozele schaap van een Leonore nou zoo achterna loopt, dat vind ik bespottelijk.”
„Zoo!... vind je dat? smaalde Ellen. „Ze is in elk geval veel meer dan jij, want ze is een barones.”
„Zeg, ben je van Lotje getikt?” onderzocht Puck. „Die Leonore is geen steek meer dan jij of ik, omdat haar vader bij toeval baron is....”
„Kind, hoe verzin je ’t? We moeten meelij met haar hebben, zegt de juffrouw, en dat is waar, maar jij lijkt wel mal....”
„Je hoeft niet te denken, dat je ooit meer in onze auto mee mag,” schreeuwde Ellen.
„’k Zou niet eens willen,” gilde Puck weerom. „Jij en Grace stikken van verwaandheid. Hoepel op met je beiden, ik wil niet eens meer vriendin zijn met zulke bespottelijke mallooten.”