Chapter 9 of 11 · 3966 words · ~20 min read

Part 9

„Stil toch Puckie, ga in vredesnaam niet huilen,” verzocht Nel fluisterend. „De menschen kijken al naar ons, en denken stellig, dat er wat gebeurd is, toe dan Puck....”

Daar stond die lange slungel van een Frits op eens overeind, stapte plechtstatig op Puck toe, en, terwijl hij haar den arm bood, verzocht hij: „Mag ik de eer hebben, Mejuffrouw van Vorden, de polonaise met u te doen?”

Weg met tranen en verdriet. Onuitsprekelijk verlicht, even gelukkig als ze straks rampzalig was geweest, legde Puck haar hand op Frits’ arm. Haar hartje zwol van trotsche vreugde, terwijl zij in de lange keten meeliepen. ’t Leek wel een bloemenketen, wat de meisjes betrof.

„’k Vind ’t vreeselijk lief van je, Frits,” fluisterde Puck, terwijl ze hem overdankbaar aankeek.

„’k Zal Guus straks toch eens vragen, hoe dat zaakje in elkaar zit,” sprak Frits met gefronste wenkbrauwen. Hij zou ’t ook voor Lientien hebben opgenomen, dus was dit eveneens zijn plicht tegenover Puckie.

„Dat weet ik wel,” wist Puck vlug. „Ellen heeft hem aan mij afgetroggeld... En die flauwerd heeft ’t gedaan, omdat ze zoo’n prachtige jurk aan heeft, en praten kan voor tien. Daar kan zoo’n jongen niet tegen op.”

„Zie je nou wel, dat die Ellen geen echte vriendin van je is,” „vaderde” Frits. „Je zult nog wel meer verdriet beleven door je omgang met die malle nuf.”

Puck knikte maar. Frits hoefde niet te weten, dat ’t al lang uit was met de vriendschap tusschen haar en de meisjes Van Bergen.

Haar woede op Ellen was al voor drie kwart bekoeld. Met Frits loopen was nog veel deftiger dan met Guus. Frits was de grootste en de „heerigste” van alle jongens in de zaal.

Daar stond de lange keten stil. De heer Hendriks trad vooruit, en plaatste ’t kleinste paartje aan ’t hoofd der polonaise, die hij, achteruit gaande, leidde. ’t Paartje, dat de polonaise dus opende, waren de jongste kleinkinderen in de familie Clifford: Goosje, die drie, en Paultje, die vier jaar telde. Goosje, in ’t lichtblauw, had een bloemenkransje op de blonde krulletjes en een bouquetje in de hand, dat zij grootmama straks moest aanbieden. Ze was een heel klein beetje verlegen onder den indruk van de plechtigheid. Maar Paultje, met zijn groote oogen, net zwarte kersen, liep dapper naast haar voort. Vóór ’t feestpaar gekomen, stond de heer Hendriks stil, en schoof Goosje voor Grootma, die ’t kleine ding bemoedigend toeknikte.

Maar wat deed die dwaze Goosje nu?.... Ze gooide ’t bouquetje in grootma’s schoot, en terwijl de heer Hendriks fluisterde: „Nou de buiging, kleintje,” wilde ze het eens bijzonder mooi maken, en boog zóó diep, dat ze op eens op den grond zat naast Paultje, die ze had meegetrokken.

De dikkerdjes schaterden ’t allebei uit, en iedereen met hen mee. Paultje scharrelde als een kikkertje overeind, terwijl de dansmeester Goosje op haar voetjes zette; Grootma moest ze even mokkelen vóór ze verder mochten. Nu volgden de andere paartjes. ’t Was een allerliefste aanblik, al die kleurige, fleurige kinderen, vroolijk te zien voortschrijden op de opgewekte tonen der muziek. Voor den heer en mevrouw Clifford gekomen, stond ieder paartje weer even stil, en maakte een bevallige of minder bevallige buiging, al naar dit zoo uitviel.

Lientien bracht ’t er goed af, maar Puck nog bevalliger.

Ze liet den arm van Frits los, nam met beide handjes haar japonnetje even op, trad achteruit, en neeg zoo diep en sierlijk, dat niemand het haar verbeteren kon. ’t Had niet mooier gekund, wanneer zij een buiging voor de koningin had ingestudeerd.

De heer Clifford klapte in de handen, en mevrouw lachte Puckie bewonderend toe. Om haar heen hoorde Puck fluisteren: „Wie is dat? Hoe beeldig! Hoe snoezig!” Of dat ook een voldoening was voor juffertje ijdeltuit!

Lientien had gelijk gehad. Zulk een feest als dat van heden kwam in geen jaren en jaren weerom. Natuurlijk was er meer dan goed gezorgd voor tal van lekkernijen, die op groote bladen den heelen avond door gepresenteerd werden. Er diende heusch wel een oogje te worden gehouden op de gulzige kinderen.

En dan viel er zooveel prachtigs te zien, tableaux, levende beelden, voorstellingen uit ’t leven van het feestpaar, telkens opgevoerd tusschen de dansen door.

Lientien werd toegejuicht als: „Lentefee”, en Puck niet minder in haar Elfendans. Bij de „cotillon” kwamen er zulke mooie verrassingen voor den dag, dat de kinderen stil waren van opgetogenheid. Ja, ’t was een partij, die klonk als een klok!

Puck had haar ergernis over Guus al drie kwart vergeten, toen hij er haar zelf aan kwam herinneren. Terwijl zij, na haar „Elfendans”, een beetje zat uit te rusten en zich waaierde, kwam Guus wel wat bedremmeld op haar toedrentelen, en vroeg, of ze nog een dans voor hem had.

„Ben je mal, jongen!” zei Puck. „’k Heb al mijn dansen al lang. En met jou dans ik nooit meer, mijn heele leven niet. Wat denk je wel?”

En ze liet Guus staan als „Jan Ongeluk”.

Ja, zoo vergaat ’t jongens, die tegenover meisjes hun woord niet houden. Lientien zou misschien gezegd hebben: „Neen, dank je, Guus, want je bent erg onaardig en onbeleefd tegen me geweest.” Lientien had ook haar gevoel van eigenwaarde.

Maar met Puck was ’t met recht kwaad kersen eten, als men haar verongelijkt had.

Op ’t eind van den avond dansten de grooten ook nog even met de kinderen, eer dezen plaats voor hen maakten. En zoo zweefde Lientien met Frits rond, en deed Puck een extra toertje met Nel. Toen was het kinderfeest afgeloopen. Maar de familie Clifford kon tevreden zijn met de uitbundige dankbetuigingen voor de „dolle pret”, die al de schitteroogen met roode wangen haar uit den grond van ’t hart kwamen brengen, bij het afscheidnemen.

XIV „DE SCHOENTJES”.

Puck was dan danig uit haar humeur. Op de mooie balschoentjes, die ze voor ’t bal nieuw had gehad, en nu verder mocht dragen op de dansles, waren twee groote zwarte vlekken. Hoe ze er op waren gekomen, mocht de drommel weten; ’t leek wel teer of wagensmeer. „Bedenk liever, hoe je ze er weer af zal krijgen,” had Lientien geraden. De meisjes waren toen aan ’t knoeien gegaan met eau de cologne, zeep, poeder, doch dit alles had de zaak nog erger gemaakt. Puck durfde geen nieuwe schoentjes vragen; in ’t begin van den winter had ze al een paar verloren. Die waren haar „ontstolen”, verzekerde Puck.

Tante had dit maar half geloofd, en geknord over Puck’s slordigheid.

Voor ’t feest bij de familie Clifford had ze een paar nieuwe gekregen, en tante had er bij gezegd, dat ze daar nu eens extra netjes op moest wezen. Nieuwe kreeg ze vooreerst niet, daar hoefde ze niet mee aan te komen. En nu deze ramp!

Puck deed op de eerst volgende dansles haar onooglijke schoentjes aan, in de hoop, dat niemand er iets van zou zeggen. Doch in plaats daarvan keek iedereen naar haar voeten. Puck meende de kinderen spottend te hooren fluisteren.

„Trek er je toch niets van aan,” zei Lientien. „Wil je de mijne?”

Die waren Puck te groot. „En dan zou ik toch niet willen, dat je mijn vuile schoenen droeg,” zei Puck.

De heer Hendriks had ook al naar haar voeten gekeken, verbeeldde zij zich. Nee, ze kon die schoenen niet meer dragen.

Kort daarop zag ze in de Prinsestraat een winkel, waar „Uitverkoop” was. In de étalage stonden alle laarzen en schoenen, groot en klein, zeer laag geprijsd, en daaronder, bepaald spotgoedkoop, een paar snoezige dansschoentjes à twee gulden en vijftig cents.

Puck ging eens informeeren.

„Ja,” zei de bediende, „die schoentjes zijn een extra kleine maat; ze passen bijna niemand, en daarom staan ze zoo goedkoop geprijsd.”

„Mag ik ze eens passen?” vroeg Puck.

„Zeker, ga uw gang, jongejuffrouw.”

De schoentjes zaten als geschilderd om Puck’s voetjes.

„Neemt U ze?” vroeg de bediende.

„Eerst thuis vragen,” antwoordde het meisje, terwijl ze den winkel uitging.

Aldoor dansten de schoentjes Puck voor oogen. Als ze die aanhad, zouden ze pas echt naar haar voeten kijken, maar dan stellig uit jaloerschheid. Kon ze ze maar koopen!

’t Was toch ook vreeselijk nooit geld te hebben. Haar heele bezit was vijftig cent, en dat geld had ze hard noodig voor Sinterklaascadeautjes. Tante Sjarlotje zou haar vast een gulden willen leenen, al stond ze nog bij tante in de schuld.

Aan Nel durfde ze best vijftig cent vragen, en goeie Nel gaf die ook wel, als ze ze kon missen.

Nou kwam ze nog één gulden te kort. Haar weekgeld kon ze niet gebruiken, met ’t oog op de St. Nicolaas, en daar moesten bovendien nog altijd twee centen af voor de „Bommen”.

Dáár kreeg Puck op eens een idee. Als ze dien éénen gulden eens uit het busje leende?

Ze zou ’t geld zeker en vast terug geven naderhand. Er waren toch ook heel wat centjes van haar zelf bij.

Niemand zou ’t merken, want Lientien kreeg dikwijls een extra’tje voor ’t „Bommenbusje”. Naderhand, als ze ’t geleende geld bij elkaar had, zou ze eerlijk opbiechten, dat ze ’t geld had genomen, en dan kreeg de familie Bom nog een ná-cadeautje, waar ze niet op had kunnen rekenen, en dat dus maar wàt een groote verrassing voor hen zou zijn.

Op deze wijze trachtte Puck de verkeerde daad, die zij wilde doen, goed te praten. Toen tante Sjarlotje haar dadelijk ’t geld gaf, en niet eens vroeg waarvoor, en Nel ook, al hield die er een preekje bij, was Puck al vast besloten den nog ontbrekenden gulden uit ’t „Bommenbusje” te leenen.

’t Busje stond in de open kast; Lientien had er nooit over gedacht het achter slot te bergen. Puck leende dus den gulden, kocht de schoentjes, en vertelde Lientien, dat tante Sjarlotje en Nel haar aan ’t geld er voor hadden geholpen. (Dat was immers ook zoo?) Ze zat daardoor zwaar in de schuld, en kon niet veel aan Sint Nicolaas doen.

„Waar jij je geld toch laat!” verwonderde Lientien zich.

Begin December vond Lientien, dat nu de tijd gekomen was om het „Bommenbusje” te openen, en den inhoud na te tellen... Zij maakte er een plechtige gebeurtenis van. Nel en Frits werden uitgenoodigd erbij tegenwoordig te zijn, en te zien, hoe prachtig Lientien boek gehouden en ieder centje bijgeschreven had.

„O lieve deugd! heeft Lientien boek gehouden?” dacht Puck angstig. „Wat nu?”

Ja, Lientien had niet alleen elk centje, dat ze kreeg onmiddellijk in het busje gedaan, maar op ’t lijstje ook dadelijk bijgeschreven.

Met een plechtig gebaar overhandigde Lientien het busje aan Nel. ’t Rammelde, of ’t aardig vol was. Even deftig nam Nel het busje in ontvangst, deed het deksel er af en stortte den inhoud op tafel uit.

Dubbeltjes, stuivertjes, centen, kwartjes en een enkele gulden rolden er uit. Alles werd op hoopjes gelegd.

Frits had het lijstje vóór zich, en Nel begon te tellen.

„Er moet in ’t geheel vijf gulden vijf en vijftig zijn,” zei Frits.

„En ik krijg maar vier gulden vijf en vijftig,” verklaarde Nel. „Hoe kan dat nou?”

„’k Heb er toch heusch elk centje in gedaan,” verzekerde Lientien verbaasd.

„Natuurlijk snoes.... nog eens overtellen.... nee hoor, kinders, er blijft een gulden te kort.”

„Ik begrijp ’t niet,” betuigde Lientien, „jij Nel? Is het lijstje wel goed opgeteld, Frits?”

„En òf, poes. Kijk toch eens Nel, hoe keurig die Lienepien dat gedaan heeft. Achter elke gave staat de naam van den gever bovendien.”

Maar Nel luisterde half toe, en keek bekommerd vóór zich.

Zou Geertje?.... Maar ’t was leelijk, dat arme kind te verdenken, omdat je niemand anders verdenken wilde of kon?

Al had ze ’t ontbrekende geld wel willen aanvullen uit haar eigen zak, Nel voelde, dat ze ’t geval niet mocht verzwijgen.

’t Was een veel te ernstig iets; ze moest er met vader en mamp over spreken.

Dezen keken ook zeer ernstig, en mamp zei dadelijk: „Natuurlijk moet de zaak onderzocht worden, en de waarheid aan ’t licht komen.

„Jullie weet er niets van af, kinderen? Je hebt er geen geld uitgeleend misschien, en vergeten terug te geven?” vroeg mevrouw Canneheuvel, van Puck naar Lientien kijkend.

Een oogenblik weifelde Puck.... Ach! had ze nu maar gesproken, hoeveel verdriet zou haar bespaard zijn gebleven.

Doch ze durfde niet. Eigenlijk had ze tegen Nel al gejokt, toen deze haar zoo straks vragend had aangekeken, door heftig ontkennend het hoofd te schudden.

Ze liet de haar geboden kans voorbijgaan.

En toen nu Lientien, op moeders vraag, dadelijk antwoordde: „Eerlijk niet, mamp,” kon Puck er niet toe komen haar leugen te herroepen, en ze sprak als Lientien: „Heusch niet, tante.”

De vatenboel was aan kant en de keuken netjes opgeruimd. Genoegelijk zat Geertje met Bet samen, en genoot juist van een lekker kopje thee, toen de schel in de huiskamer haar boven riep.

„’k Moet vast voor een boodschap,” dacht ’t kind, terwijl ze, op haar bedachtzame oude-vrouwtjes-manier, toch vrij vlug de trap opliep.

„Geertje,” zei mevrouw, terwijl ze het meisje vriendelijk in de heldere oogen keek, „Lientien mist geld uit een blikken busje in de kast hier. Nou begrijpen we niet, waar dat kan gebleven zijn. Ik heb de kinderen er al naar gevraagd, en wil nou ook van jou weten...”

Geertje verschoot even van kleur. „Denk mevrouw als dat ik ’t er uit heb genomen?”

„Neen Geertje, ik beschuldig je in ’t geheel niet, en als je me verzekert...”

Geertjes heldere blauwtjes keken mevrouw zoo oprecht en onschuldig aan, dat elke achterdocht bij haar meesteres verdwenen was, eer ’t meisje nog sprak.

„Mevrouw,” verzekerde Geertje, en ook haar stem klonk overtuigend eerlijk, „’k weet van geen bussie, en ben niet aan ’t geld gewees, gerus niet.

„Moeder zaliger heef ons geleerd: „hou je handen thuis,” en vader zegt altijd: „Al benne we arm, we motten eerlijk blijven.” Geloof u Geertje gerus, mevrouw; ik ben der niet an gewees.”

„Dàt doe ik Geertje, met heel mijn hart hoor!” verzekerde mevrouw Canneheuvel bewogen. „En geef me nou een hand, kind. Ik ben blij, dat ik je eigenlijk geen oogenblik ernstig verdacht heb, Geertje.”

’t Meisje kreeg een kleur van blijdschap, en haastte zich naar de keuken, om ’t geval te vertellen. Den geheelen avond werd daar over niets anders gepraat, en werden allerlei gerijmde en ongerijmde vermoedens geopperd door Bet, Kee en Geertje.

Aan Bet en Kee werd zelfs niet gevraagd, of ze iets van ’t verdwenen geld afwisten. „Die vertrouw ik als mij zelf,” zei mamp. Voorloopig liet zij de zaak, zooals zij was, sprak met niemand over haar stil vermoeden, en verzocht den huisgenooten het onderwerp verder te laten rusten. Intusschen sloeg ze Puck oplettend gade.

Niet voor niets had mevrouw Canneheuvel jaren lang met kinderen omgegaan, en in hun hartjes leeren lezen als in een open boek. Juist omdat ze het kind zoo liefhad (met zijn feilen en gebreken), bleef zijn ware natuur voor haar geen raadsel.

Ook Pucks aard en wezen doorgrondde zij.

Mevrouw Canneheuvel „voelde”, dat haar pleegdochtertje de schuldige was. Alles zeide ’t haar. Toch weifelde ze af en toe, nu ’t kind bleef ontkennen. Kon Lientien zich met haar boekhouding niet vergist hebben? Ze wenschte bovendien zoo innig, dat Puck uit zich zelf tot inkeer kwam. Dus wachtte zij....

’t Was intusschen half December geworden. Sint Nicolaas, met zijn drukke feestelijkheid, was voorbij, en mamp wist nog steeds niet, hoe ze eigenlijk handelen moest.

Puck, geplaagd door haar slecht geweten, was niet gewoon en natuurlijk, zij voelde, dat tante haar verdacht, en streed met zich zelf. ’t Eene oogenblik nam ze zich ernstig voor de waarheid te bekennen, doch op ’t laatst deinsde ze daar toch voor terug.

Ten slotte kwam ze tot het besluit om, als er sprake van was, dat Geertje weg zou moeten, alles eerlijk op te biechten.

Mocht de weggeraakte gulden in het vergeetboek raken, dan zou ze blijven zwijgen tot ze ’t geld bijeen had gespaard, en eerlijk niets voor zich zelf koopen, eer ze zoover was.

Dan zou ze alles aan tante vertellen, en om vergiffenis vragen....

De familie Bom was er niet bij te kort gekomen, want tante had een gulden bijgepast, en er was een pak met allerlei heerlijkheden aan hun huisje afgegeven den 5den December. Geertje prakkizeerde nog steeds, hoe de Sint had kunnen raden, dat de inhoud zoo juist van pas kwam in het huishouden.

Naderhand, dacht Puck, zouden ze dus nog een achterna cadeautje krijgen.

Dit besluit bracht haar eerst wel wat verlichting, doch niet lang. „Meester” was er in ’t geheel niet mee tevreden.

Als bij toeval de naam „Bom” genoemd werd, vloog Puck het bloed naar de wangen, en bukte zij zich haastig om quasi haar zakdoek op te rapen.

Eens, toen dit weer gebeurde, ontmoetten haar oogen die van tante. Tante keek haar zoo bedroefd en bijna smeekend aan, dat ’t kind er van ontroerde. „’k Wil je helpen, ik zie wel, dat je rust nog vrede hebt, kom bij mij, kind,” las Puck in tantes blik. Ze had moeite haar tranen te bedwingen.

Dien avond nam Mevrouw Canneheuvel Puck mee naar haar slaapkamer, waar ze geheel ongestoord met haar spreken kon.

Puck hield de oogen neergeslagen, ’t hart bonsde haar in de keel. Tante trok ’t zwak tegenstribbelende meisje tegen zich aan, en lichtte met zachten dwang haar gezichtje op.

Toen sprak ze eenvoudig: „Puckie, beken ’t nu maar, tante wèèt, dat jij ’t geld hebt genomen.” Haar stem klonk zacht en liefderijk, alsof ze veel meer medelijden had met Puck dan dat ze boos op haar was.

Schuw keek Puck ter zijde. Tante kòn ’t immers niet weten? „Niet wáár, niet wáár,” hield ze vol. „Hoe kan tante ’t zeggen, als ’t toch niet wáár is?”

„Je durft niet te bekennen kind, en dat begrijp ik zoo goed. Hoe langer je er mee wacht, des te moeilijker wordt het voor de waarheid uit te komen. Maar pas als een kind kwaad bekend heeft, krijgt het een gerust geweten; tot zoolang voelt ’t zich diep ongelukkig.... Fluister nu maar „ja” in mijn oor, Puck, dan zal tante je nu niet verder vragen.”

Doch Puck bleef van „neen” schudden, en als vroeger, wanneer ze gesnoept had, riep zij den hemel tot getuige (met haar blik naar het plafond gericht), dat ze ’t niet had gedaan. Waarom beschuldigde tante juist haar, en had zij Geertje dadelijk geloofd? En Puck begon zoo onbedaarlijk te schreien en te snikken, dat tante er van ontstelde.

„Omdat ik Geertje de onschuld uit de oogen las, terwijl jij.... Maak je niet zoo overstuur, Puck, ga naar bed, straks kom ik met jullie bidden.”

Slechts bij bizondere gelegenheden kwam Mevrouw Canneheuvel de kleine meisjes voorbidden bij het naar bed gaan.

Puck keek tante even wanhopig aan, ze durfde haar geen zoen geven, en sloop weg, àl huilend en snikkend.

Mevrouw Canneheuvel bleef stil zitten wachten, ze wist, dat haar pleegdochtertje terug zou komen....

Een kwartier later werd de deur zacht geopend, en een zwart krullekopje keek om het hoekje, met een rood behuild gezicht. Toen ze tante nog op dezelfde plek zag zitten, vloog ze in één ren naar haar toe, knielde voor haar neer, en borg ’t hoofd in haar schoot.

„Tante, ik kan straks niet bidden... Ik heb ’t tòch gedaan... tante, ach tante ...”

Mevrouw Canneheuvel had moeite de afgebroken woorden te verstaan.

„Waarom deed je het, Puck? ... Kind, hoe kon je het doen?”

„Mijn dansschoenen waren zoo leelijk, en iedereen lachte mij uit op de dansles, en toen kon ik zoo goedkoop nieuwe krijgen en....”

„’k Begrijp niet veel van je verhaal, Puck, vertel mij bedaard de heele waarheid.”

Dit deed ’t meisje nu, met horten en stooten, en eindigde ten slotte met de woorden: „Ik had nooit gedacht, dat ’t zoo gauw uit zou komen, en toen het uitkwam, hoopte ik, dat u zou denken, dat Geertje... maar als u Geertje had willen wegsturen, zou ik heusch en eerlijk gezegd hebben, dat ik...”

„Weet je wel, kind,” viel tante in, en er glinsterden tranen in haar oogen, „dat je stille hoop Geertje van den diefstal verdacht te zien, veel erger is dan het wegnemen van het geld zelf? ’k Kan niet begrijpen, dat je zoo iets verschrikkelijks hebt gehoopt, en ik kan je dit bijna niet vergeven....

„Arm kind, hoe kwam je tot zulke slechte gedachten?”

„Maar tante....” Puck wischte haar tranen af, en keek tante vol in de oogen. En dit keer las mevrouw Canneheuvel waarheid in de droeve, donkere kijkertjes, „tante, u moet mij gelooven. Later zou ik u alles eerlijk hebben opgebiecht.... als ik ’t geld weer bij elkaar had.

„’k Heb al dertig cent gespaard en geen haarlint gekocht, dat ik toch zoo vreeselijk noodig had, en er geen enkel snoepcentje afgenomen.

„Tante Sjarlotje heeft mij, als sinterklaassurprise, al mijn schuld kwijt gescholden, weet u wel, en Nel wil wel maanden wachten op haar vijftig cent. Nou schiet ik toch al zoo prachtig op met dien gulden voor de Bommen en... en... ik had ’t heusch willen zeggen, als Geertje weg had gemoeten.”

„Misschien Puck, misschien ook niet. De eerste stap op den verkeerden weg is moeilijk, maar de verderen volgen meestal gewillig van zelf...”

Puck boog ’t hoofd, en snikte in haar handen.... Geloofde tante haar toch niet?

„Kom tot je zelf, kind,” sprak mevrouw Canneheuvel, terwijl ze haar hand bedarend op Puck’s hoofd legde. „Ik wil gelooven, dat ’t je ernst is met het terug geven van het geld, en ook, dat je Geertje, in ’t uiterste geval, niet ongelukkig zoudt hebben gemaakt. Juist, omdat je door je heele houding verraadde, dat je zelf de schuldige waart, je er over schaamde, en er door leed, behield ik goeden moed, dat je mij ten slotte toch de waarheid zoudt zeggen. ’k Heb je willen helpen, omdat ik zag, hoe veel strijd en moeite je dit kostte....

„Maar Puck, lieve Puck, doe toch je best, om je booze aandriften in toom te houden, luister toch naar de stem van je geweten. Je ziet nu zelf, hoe ver een kind kan afdwalen en van kwaad tot erger komen, door er niet naar te hooren.”

Puck kuste tante’s handen en drukte zich tegen haar zachte borst, als een ziek, ongelukkig kind, dat bescherming zoekt.

„Tante,” fluisterde ze, „hoe zou ik toch zoo verkeerd komen? Ik weet ’t zelf niet.”

„Ik weet ’t wèl, vrouwtje,” sprak mevrouw Canneheuvel. „’t Komt omdat je altijd ’t eerst aan je zelf denkt. Je eigen genoegen, je eigen voordeel staan steeds vooraan, daarvoor moet al ’t andere wijken. Als klein kind had je die leelijke fout in nog hooger mate. ’k Hoop zoo, dat ’t voorbeeld, dat je in Nel hebt, in oom vooral, je al veel geleerd zou hebben. Maar dit geval nu weer,”.... tante zuchtte bedroefd.

„Tante, lieve tante, wil u mij niet vergeven...?”

„Voel je, Puck, hoe heel verkeerd je hebt gehandeld, ’t ergste tegenover Geertje?”

„Ja, ja tante, en ik zal...”

„Ach Puck, hoe dikwijls heb je je beloften al verbroken! Daarmee doe je me toch zoo verschrikkelijk veel verdriet. Dikwijls denk ik bij mij zelf: „’k Wou, dat ik maar niet zoo veel van Puck hield, dan zou ik er lang zooveel leed niet van hebben, dat ze mij telkens weer teleurstelt.””

Puck werd hoogrood, zij beefde van aandoening.

„O tante, houdt u toch heusch van zoo’n slecht kind als ik ben?”

„Veel meer dan je weet, Puckie... Heb je oprecht berouw? Wil je met hart en ziel je best doen tegen je booze neigingen te strijden, en om hulp bij mij komen, als je bang bent voor de verzoeking te bezwijken? Ik sta altijd voor je klaar, ik wil je altijd helpen, kind...”

„Ja tante, ik wil, ik wil,” betuigde Puck vurig, „en als u mij helpt...” ’t Verdere werd onhoorbaar gefluisterd.