Part 3
Nel begon weer te huilen. Drukke, bedrijvige mamp, die ’t gezin altijd zoo verwende met haar aan alles denken, voor alles zorgen...
„O mampie, ik kan mij U niet voorstellen stil in een hoekje,” snikte Nel.
„Maar kindje lief, ik ben heelemaal niet van plan stil in een hoekje te zitten,” glimlachte mama. „’k Zal nu tijd hebben voor allerlei prettige dingen: veel met vader wandelen, arme tante Sjarlotje gezelschap houden, dan volop lezen en... weet je wat ik bedacht heb, poes: ik ga weer aan ’t pianospelen, jij ook Nel. Dan broddelen we samen zoo’n beetje makkelijke quatre-mains. Maar alleen als er geen schepsel in huis is, want vader en Frits zouden zich van wanhoop de ooren dichthouden, en dat mogen wij hun niet aandoen.”
Nu moest Nel toch lachen, en mamp lachte mee. „Maar,” vervolgde mevrouw Canneheuvel, „er moet nu natuurlijk iemand zijn, die mijn werk overneemt. Als papa maar niet zoo’n hekel had aan juffrouwen. Papa vergeet, hoeveel brave, degelijke juffrouwen er zijn, omdat hij ’t er in der tijd zelf zoo slecht mee heeft getroffen.”
„En òf,” viel op dit oogenblik Frits, die de laatste woorden gehoord had, met nadruk in.
Mama en Nel hadden hem op ’t dikke tapijt niet aanhooren komen.
„Mag ik blijven, mamp, of heeft U met Nel wat apart te bepraten?” vroeg Frits bescheiden, en haastig voegde hij er bij: „wat heeft de prof gezegd?”
„Kom maar eens mee overleggen, Frits,” antwoordde mamp, en trok haar jongen in de breede vensterbank naast zich.
Nu vertelde zij hem in enkele woorden, zoo blijmoedig mogelijk, wat zij zoo even aan Nel had meegedeeld. Frits zat heel stil en ernstig toe te luisteren, en wisselde veelzeggende blikken met Nel.
Toen mama zweeg, sloeg hij zijn arm om haar schouder, en kuste haar op beide wangen. Want Frits schaamde zich nog evenmin als vroeger om te toonen wat hij voelde, en zijn opgewekten kijk op de dingen had hij gelukkig ook niet verloren. „We zullen U er wel door helpen, mamp,” verzekerde hij hoopvol, „en dat gezonde oogje van U dubbel in eere houden. Natuurlijk zullen we nu aan zoo’n juffrouw voor ’t huishouden moeten gelooven.”
Daar richtte onze Nel zich flink rechtop, en sprak met vastberaden stem: „Als U ’t mij durft toevertrouwen, wil ik dol graag uw plaats vervullen, mamp. ’k Weet wel, dat ik ’t niet zoo goed zal kunnen, maar ik wil zoo graag, en ik zou ’t zoo nàar vinden als er een vreemde in huis moest komen, en...”
Mama en Frits zagen elkaar beduusd aan. Ja, natuurlijk, een meisje van een en twintig is volwassen, doch in de oogen van al de haren was Nel dat eigenlijk alleen in jaren. Frits keek haar een beetje verwonderd aan, maar uit zijn blik sprak ook stille trots: „wat een lieve, flinke meid was Nel toch.”
En wat mamp wel bij zich zelf dacht?...
„’k Vind je voorstel echt lief en zelfopofferend Nel,” sprak zij eindelijk. „Maar kindje, ik ben een beetje bang het aan te nemen. Wat in ’t huishouden meehelpen als je er juist zin in hebt, is zoo heel anders dan aan ’t hoofd er van staan, en er al je tijd en denken aan te geven. Er zijn naast de groote zoo veel kleine plichten voor de huisvrouw. ’k Ben bang dat je een beetje overdrijven zal, en daardoor menig pleziertje opofferen, dat je als jong meisje toekomt, en dat papa en ik je zoo van harte gunnen. Bovendien denk je er immers nog altijd over om naar Leiden te gaan, en aan de studie te beginnen?”
„Och, moezepoes, daar krijg ik hoe langer hoe minder zin in, en vader zei laatst, dat U en hij mij graag thuishouden als ik dit liever doe.”
„Natuurlijk vrouwtje, als ’t je er heusch ernst mee is,” meende mama, en Frits verklaarde wijs: „’t Is tegenwoordig zoo’n modetje onder de meisjes om, met de jongelui mee, aan ’t studeeren te gaan; ik ben blij, dat Nel er niet aan mee wil doen.”
„Nou Frits, ook daar is, als bij alle andere zaken, veel vóór en tegen te zeggen,” oordeelde mama. „Maar, daar zullen we ’t later nog wel eens over hebben. Zooals ik al zei, Nel, we laten je geheel vrij, lieve kind, maar ik wil niet, dat je een deftige huismusch zult worden, terwijl je nog een jonge spring-in-’t-veld bent. Je moet gewoon je jongemeisjespleziertjes aanhouden en...”
„Nou ja, ik kan toch ook wel wat mee helpen als Nel tennissen gaat, of uit wil,” viel Frits in. „Ik kan best thee zetten en schenken ook. U zal eens zien, hoe lekker ik voor de koffietafel zorg, als ik er op mag zetten wat lekker is...”
„Neen maar,” lachte mama, „als alles nou niet op rolletjes gaat, weet ik ’t niet...
„We moesten Nel’s plan dan maar eens probeeren, en zien, of we ’t kunnen stellen zonder een juffrouw, die natuurlijk steeds in den huiselijken kring zou moeten zijn. In de eerste plaats, omdat vader ’t niet best kan hebben een vreemde op mijn plaats te zien. Maar een kleine verandering moet er toch komen. Nu heb ik gedacht ’t zóó ongeveer in te richten. Nel wordt, zooals we afspraken, moeders rechter- en linkerhand, en leent mij ook haar vlugge voeten als ’t noodig is.
„’k Heb er al lang over gedacht een vaste verzorgster voor tante Sjarlotje te nemen, want eigenlijk moest tante voortdurend iemand bij zich hebben, nu ze steeds hulpbehoevender wordt. Maar tante wil ook al niet van vreemde hulp weten. Ik mag haar nu niet meer helpen bij ’t aan- en uitkleeden, en wil Kee voorstellen tante’s pleegzuster te worden. Tante mag Kee heel graag, en ’t is Kee nooit te veel iets voor tante te doen. ’k Neem er dan een aankomend meisje bij om Betje beneden te helpen. Wat zeggen jullie daarvan, jongens? Mij dunkt, zoo zal alles zoo goed mogelijk geschikt wezen, en vader zal maar wàt in zijn schik zijn, dat we, binnen, onder ons blijven.”
„En als tante Sjarlotje slaapt, wat ze hoe langer hoe meer doet,” merkte Frits aan—„want midden op den dag hoor ik erg verdachte geluiden uit haar kamer komen—kan Kee toch ook wel meehelpen, hé mamp?”
„Juist, mijn practische zoon,” stemde mama toe. „En nou ga ik papa opzoeken om de nieuwe regeling verder met hem te bespreken.”
„Dank u vreeselijk, mamp, dat u mij uw werk wil toevertrouwen,” zei Nel, „en als ik ’t niet goed doe, dan neemt u mijn partij, en laten we de anderen mopperen, hé?”
„Behalve als je de thee te slap zet, want thee zetten moet je nog leeren, of als je mijn goed vergeet na te kijken, met de knoopen en zóó,” vond Frits noodig op te merken.
„Ja,” gaf Nel toe, „ik zal zeker nog al eens wat vergeten, maar je moet mij ook niet met mamp vergelijken. Die denkt altijd aan alles.”
„We zullen voor Frits een „jonggezellenvriend” koopen,” plaagde mama, „dan kan hij zijn knoopen zelf aanzetten.” En toen mama Frits had uitgelegd, dat dit een soort knoop was, die je, zonder naald of draad te gebruiken, aan je kleeren kon bevestigen, toonde het jongmensch zich hoogelijk ingenomen met deze practische uitvinding.
„Ik houd mij aanbevolen voor zoo’n „vriend”,” zei Frits, „mijn schoenen onderhoud ik toch ook zelf, en heb daardoor altijd piekfijne voeten.”
Toen mama weg was bleven Nel en Frits nog lang ná praten over ’t ongeluk, dat die lieve mamp getroffen had, en hoe „eenig” zij het droeg.
„Er is geen tweede vrouw op de heele wereld, geloof ik, als onze mamp,” verklaarde Nel. „Zij houdt zich natuurlijk zoo flink voor pa en voor ons. Mamp denkt nou letterlijk nooit aan zich zelf.”
„Daarom moeten wij ’t, nu vooral, des te meer doen,” vond Frits. „Al was ’t alleen maar omdat we alles aan mamp te danken hebben, zouden we haar nooit in den steek kunnen laten. ’t Is echt flink van je, Nel, de nieuwe „Juf” hier in huis te willen worden.”
„Ja, plaag maar, leelijkerd,” lachte Nel, „ik ben onderwijl maar blij, dat dat studeeren van mij nu voorgoed van de baan is. ’k Had er hoe langer hoe minder lust in, en ’t huishouden besturen lijkt mij echt leuk. Jullie zult een veel strengere huismoeder aan mij hebben dan aan mamp, dàt waarschuw ik vooruit.”
„Als je maar begrijpt,” deelde Frits haar kalm mee, „dat je over mij geen steek te zeggen krijgt. Je zult je moeten vergenoegen met de gehoorzaamheid van de kinderkamer, en je moogt Puck, Lientien, Socrates en Waldi naar hartelust bedrillen.”
„Hoor mij zoo’n verwaande jongen eens aan!” riep Nel verontwaardigd. „Je bent en blijft zes jaar jonger dan ik, ventje, en behoort, ook nog drie kwart tot de kinderkamer.”
„Dat denk je maar, mejuffrouw. Een Hoogere Burger, die volgend jaar eindexamen hoopt te doen, staat minstens gelijk met een meisje van twintig.”
„Eén en twintig, als je belieft.”
„Pas geworden, en je ziet er uit, of je nog geen zeventien bent. In de winkels zeggen ze meest altijd „jongejuffrouw” tegen je.”
„Zóó, ouwe heer.”
„Ja, en hoe jij ’t er af zal brengen om Bet’s en Kee’s werk na te gaan, en in alles mamp te vervangen... nou, ik heb er een zwaar hoofd in....”
Nel wist wel, dat Frits haar maar zoo’n beetje plaagde, en trok zich dus niets aan van zijn laatste woorden.
Frits had verbazend veel op met zijn zuster, en vond eigenlijk alles goed en best wat Nel deed omdat.... zij het deed. Al waren ze nu te groot om nog „parkieten” te heeten, ze bleven dezelfde trouwe kameraden als in hun kinderjaren, en hingen elkander veel meer aan dan de andere kinderen onderling.
Nu de groote jongens ’t huis uit waren, voelde Frits zich eigenlijk gelijk op met Nel. Met ieder jaar werd ’t verschil in leeftijd tusschen hen kleiner, redeneerde hij. En Nel zag er heusch uit als een meisje van zeventien, wàs ’t eigenlijk ook nog wat graag. Ze speelde en schaterde tusschenbeide met de kinderkamer mee, of ze zelf nog een kind was.
Een groot geluk, dacht Frits wijs, dat zijn lievelingszuster zoo in ’t geheel geen nuf of nest was. Hij kende er genoeg op de H. B. S.: van die vervelende, aanstellerige wichten met een verbeelding en een idee van zich zelf!.... Omdat een meisje één zat in hun klas (en dat was nog de aardigste en eenvoudigste van allemaal), dachten de andere meisjes, dat ze veel vlugger waren dan de jongens, maar dat zàt nog.... De meesten van die meisjes wilden naderhand gaan studeeren, net of dit van zelf sprak. Echt prettig, dat hun Nel gezellig thuis bleef. En, in zijn behoefte zijn zuster iets hartelijks te zeggen, sprak Frits: „Zooals je weet, Nel, zorg ik voor je als papa en ma ’t niet meer kunnen doen. Dat heb ik mij vast voorgenomen. Maak je dus maar niet ongerust, dat je niet altijd een boterham (en met wat er op ook) hebben zult.”
„Heerlijk, lieverd, daar vertrouw ik vast op,” antwoordde Nel.
Ze zwegen even, toen hervatte Frits: „Weet je wat vader verleden aan mij vroeg? Of ik er nog niet eens over had nagedacht, wat ik later zou willen worden. Ik kon nog heelemaal niet tot een besluit komen, maar nou weet ik het, Nel. Ik wil dokter worden naderhand oogarts. En ik ga mij met hart en ziel op de „oogen” toeleggen. Misschien is ’t toch mogelijk, dat ik iets ontdek, dat mamp kan genezen. ’k Zeg ’t alleen maar tegen jou, Nel, want ’t klinkt natuurlijk reuzen-pedant, terwijl er zulke knappe oogendokters zijn als professor Snellen bijvoorbeeld.”
„’k Weet wel, vent,” zei Nel, „dat je ’t heelemaal niet uit verwaandheid zegt.”
„Nee, natuurlijk niet; ’k zou bij toeval een geneesmethode kunnen ontdekken, zie je, en dat kan natuurlijk alleen als je er in gestudeerd hebt, en wat meer weet van de zaak dan een ander.... ’k Hoop wel, dat ik niet pedant ben,” vervolgde Frits, „maar ik gooi me zelf toch ook niet weg, hoor! Naar Indië ga ik vast niet, dan leuteren ze me daar altijd om me ooren: „Is U soms de broer van den knappen dokter Canneheuvel?” Dan zou ik zeker den een of anderen keer nog eens antwoorden: „Neen, die knappe is een broer van mij! of zoo iets.”
„Misschien word jij ook reuzen-knap, Frits.”
„Naast Dolf zal ik altijd àfvallen, dat is vast. En Lous overdrijft niet in haar brieven, ik hoor telkens over Dolf, en dat hij zoo prachtig opereert, en de Chineezen er om vechten door hem geholpen te worden.”
„Ja,” zei Nel, „Lous is dan ook maar wat trotsch op haar man.”
„Misschien,” hoopte Frits, „kan jij ’t naderhand een beetje op mij zijn. In elk geval blijf ik in Holland en word oogarts en anders niet. Maar voorloopig, Nel, blijft dit tusschen ons, vooral de „kinderkamer” heeft met mijn plannen voor later geen steek te maken.”
V HOE VOORBARIG PUCK, EN HOE BEDROEFD LIENTIEN WAS.
’t Was de kinderkamer niet verteld, waarom papa en mama naar Utrecht gingen, want papa was bang, dat de kleintjes het mama lastig zouden maken met hun vragen, beklag, en van alles willen weten. Socrates en Waldi zouden hun mond hebben gehouden, en bleven er dan ook doodkalm onder, dat ze onkundig werden gelaten van de reden, waarom de groote baas en vrouw op reis gingen. Lientien daarentegen was verbazend nieuwsgierig, en Puck vond ’t onuitstaanbaar, dat groote menschen van alles geheimen maken. Ze vroeg er Frits naar, maar die was natuurlijk weer onuitstaanbaar vervelend met zijn: „kleine meisjes moeten haar beurt afwachten en niet vragen.”
„Misschien zijn mamp en vader presentjes gaan koopen voor mijn jaardag,” bedacht Lientien. Waarop Puck niet overbeleefd informeerde, of Lientien bij geval mal was? In Den Haag kon je immers alles veel mooier krijgen dan in dat duffe Utrecht?
„Nou ja...,” zei Lientien een beetje verlegen,... „maar we zullen ’t toch wel gauw hooren als ’t wat prettigs is,” besloot ze hoopvol.
„Dat is ’t vast niet,” wist Puck, vinnig. „Nel wou ’t niet laten merken, maar ik heb best gezien, dat ze huilde, toen oom en tante wegreden.”
„O hemel!” zuchtte Lientien. „Zou Nel ’t ons niet willen vertellen?”
„Kan je denken,” lachte Puck schamper, „wij zijn immers maar kinderen, die mogen per sé nooit wat weten.”
„Wat beteekent dat, per sé?” vroeg Lientien ongeduldig. „Je zegt tegenwoordig altijd van die gekke woorden. Zeker van je vriendinnen geleerd.”
„Iedereen weet, dat „per sé” „natuurlijk” beteekent,” verklaarde Puck wijs.
„Nou,” meende Lientien, „dan zou ik ook maar „natuurlijk” zeggen, dat begrijpt iedereen, en ik doe ’t ook.”
De meisjes zaten samen in den tuin onder de „Vorstin”, een prachtige rooden beuk.
Met haar beidjes hadden ze alle boomen en planten namen gegeven, en maakten daar grappige geheimpjes van.
De jasmijn heette „Tante Lotje”, omdat Sjarlotje zoo dol was op den geur van de sterk riekende bloemen. De La-France rozenstruik werd „mamp” gedoopt, dat was de mooiste plant uit den tuin. De stammargariet heette „Puck” en de rose spiréa „Lientien”. Maar de witte meidoorn moest en zou Frits tot peetvader hebben, had Puck bedacht, omdat hij vol stekels zat. „Neen,” zei Lientien, „omdat de dunne takken bovenaan op Frits’ armen lijken.” De Glycine, met haar volle paarse trossen, die al hooger tegen den muur opklom, en zoo hoogmoedig op ’t kleine goed aan haar voeten neerzag, was: „de trotsche fee”, en de gouden regen er naast: „de schitterende edelknaap”.
De twee grappenmaaksters hadden de grootste pret, wanneer niemand begreep, wat ze bedoelden, als ze ’t tegen elkaar bejammerden, dat „de vorstin” al zoo „kaal” werd, of dat „de schitterende edelknaap” op springen stond. Als Puck beweerde, dat „Rosa Fluweeltje” (een prachtige licht roode begonia) erg geleden had door den regen, dacht Nel, dat de kinderen ’t over een van de poppen hadden, en begreep niet, waarover de twee schaterden van de pret, als zij knorde: „Waarom laten jullie je poppen dan ook in ’t gras liggen?”
Als ze zoo samen waren, dacht Lientien dikwijls, kon Puck toch zoo echt aardig zijn, en allerlei leuke dingen verzinnen.
Nu had ze ’t over „Frits”, die volgens haar maar eens flink gesnoeid moest worden. „Hij groeit al maar in de lengte,” merkte zij op, „kijk die lange takken eens bovenaan, je ziet haast geen blaadjes, alleen stekels. Net jouw broer, die heeft ook zooveel praatjes en kale drukte.”
„Frits heeft heelemaal geen kale drukte,” riep Lientien verontwaardigd, „jij hebt altijd wat op Frits aan te merken.”
„Ja,” gaf Puck toe, „omdat hij ’t verdient.”
Lientien had geen lust om te kibbelen en stelde voor „Mama” te gaan bekijken. Die had gisteren twee dikke knoppen, misschien was er wel een uit.
Met de armen om elkaar heen, drentelden de meisjes den tuin door tot ze ’t rijtuig voor de deur hoorden stilhouden, en naar binnen vlogen. Doch papa stuurde de kinderen weg, mamp had wat met Nel te bepraten, en ze moesten nu niet hinderen.
Lientien ging gehoorzaam naar boven, Puck bleef zoo’n beetje rondslenteren; ze had een plannetje bedacht. Jongejuffrouw „Nieuwsgierigheid” kan ’t niet langer harden, en nauwelijks was de kust vrij, of ze ging ’t uitvoeren. Ze moest weten wat die geheimzinnigheid beduidde. De ramen van de huiskamer stonden open, dus sloop Puck weer naar den tuin. Als ze voorzichtig in gebukte houding onder ’t venster bleef staan, kon ze elk woord verstaan.
Lientien zat haar lessen nog eens ná te kijken en repeteerde net hardop: „1625–dood van Maurits, 1647–...”
Daar werd de deur met een ruk opengegooid, en wild snikkend vloog Puck binnen.
„O Lientien, ’t is vreeselijk! tante... je ma... ik heb ’t door ’t raam gehoord. Nel huilt zoo, en ik geloof, dat je ma blind moet worden; de professor heeft gezegd....” verder kwam ze niet. Want Lientien werd doodsbleek, ze kon geen geluid voortbrengen, en stond Puck, verstijfd van schrik, aan te staren, met zulke groote, angstige oogen, dat Puck nog harder begon te huilen.
„Mampie blind, mampie blind!” stamelde Lientien radeloos... dat kon toch niet... dat mocht niet... Pas als vader ’t ook zei, wou Lientien dat vreeselijke gelooven.
Ze duwde Puck op zij, en geheel ontsteld, bevend van schrik, ging zij papa opzoeken.
Vader zat op zijn kamer, stil voor ’t raam in den tuin te kijken, en streelde Socrates, die op zijn knieën lag, zachtjes over den rug.
Nog even zag Lientien, dat papa bedrukt keek, maar er lang niet zoo bedroefd uitzag, als zij verwachtte. Toen gaf ze Socrates een duwtje, zoodat poes met een verontwaardigden „mauw” van papa’s schoot sprong, en nestelde zich aan vaders borst, sloeg haar armen om zijn hals.
„Maar Lientien, m’n kindje, wat scheelt er aan?” suste vader het heftig weenen van zijn dochtertje. Hij verstond nauwelijks haar gefluisterd: „Is ’t waar, dat mampie...?” raadde tegelijkertijd de waarheid... En o! wat was ’t toen zalig voor kleine Lientien door haar lieven vader zoo heerlijk gerustgesteld en bemoedigd te worden.
’t Was nog wel náár zooals ’t was, doch gelukkig lang zoo erg niet als Puck had gemeend. Lientien schreide allen angst en leed weg aan vaders hart, beloofde hem een groot, verstandig meisje te zijn, en het mama niet lastig te maken door overdreven beklag, en ’t haar voortdurend laten merken, dat ze zich ontzien moest.
„’k Zal er mijn uiterste best voor doen,” zei Lientien ernstig, „en er Puck ook aan herinneren, dat we net als anders tegen mamp moeten wezen.”
„Wie heeft ’t Puck verteld?” vroeg papa, „ik had jullie toch gezegd naar boven te gaan.”
Lientien kleurde. Klikken mocht ze niet van „Meester”. Dus zei ze met een hangend hoofdje: „ze heeft ’t gehoord.”
„Zeker aan de deur geluisterd,” knorde papa, „en toen wist die stoute meid niets beters te doen dan jou aan ’t schrikken te maken. Puck wordt àl ongehoorzamer en...”
Maar daar kwam mama binnen. Die hoefde maar even naar Lientien te kijken, en zonder vragen, trok ze ’t kind zoo innig naar zich toe, en kuste zoo warm haar beschreid gezichtje, dat Lientien haar verdriet vergat, en haar belofte aan vader indachtig, mampie toelachte. Onderwijl vertelde ze, hoe ze eerst geschrikt was, omdat ze de zaak verkeerd had begrepen. Maar nu vader haar alles had uitgelegd, was ze toch zoo blij, dat lieve mamp altijd goed zou kunnen blijven zien, wanneer ze maar deed wat de professor had aangeraden.—
Voor dit keer werd Pucks ongehoorzaamheid door de vingers gezien. Mama had niet eens een goed woordje voor haar hoeven te spreken bij papa, want ’t kind, dat in den eersten schrik half en slecht geluisterd had, was zóó ontdaan en bedroefd, dat oom alle lust tot knorren verging, toen zij berouwvol voor hem stond. Met een punt van haar schortje veegde zij telkens haar dik behuilde oogen af, terwijl ze snikte: „Ik kon ’t niet helpen, ik moest ’t Lientien vertellen, omdat ik toch zoo vreeselijk geschrokken was. Want ik houd zoo veel van tante en nou dacht ik, dat tante bl... blind zou worden, en dat...”
„Kom,” zei oom, „we zullen er dan maar niet verder over praten, dat je zoo ongehoorzaam bent geweest. Ga maar gauw naar Lientien, en kus het àf.”—
’t Ontroerde vader, dat Puck dan toch wel heel veel van mama scheen te houden. En om die reden zou hij haar heel wat ergers dan zij nu had uitgehaald, gauw en gemakkelijk vergeven hebben.—
VI „GEERTJE”.
De keuze uit de vele meisjes, die zich kwamen aanbieden op de advertentie van Mevrouw Canneheuvel (de meesten met een piekerig vlechtje in den hals en een schraal, bleek snoetje), viel op een zekere Geertje Bom, wie het niet aan de noodige vrijmoedigheid ontbrak, toen zij zich kwam aanmelden.
Doch, hieraan gepaard ging iets bepaald trouwhartigs in het optreden van het veertienjarig ding, dat Mevrouw Canneheuvel erg voor haar innam.
„’k Wou zoo dolgraag hooger op, ziet U,” zei Geertje, „en U doet er een weldaad mee als U mij neemt, want moeder heeft zoo’n groot gezin, en ik moet verdienen. Nou is zoo’n diensie as ’k nou heb, zonder middageten, niks niet gedaan. Toe Mevrouw, neem U mij nou, U zal er geen spijt van hebben, ikke kan werken als een paardje.”—
De helder blauwe oogen smeekten mee met de overredende stem, en Geertjes lief, frisch gezichtje sprak ook in haar voordeel. ’t Kind droeg de Scheveningsche muts met ’t hoofdijzer (door Geertje „beugel” genoemd), ze had een helder blauw boezelaar vóór, en maakte een properen indruk. De Juffrouw in den winkel, bij wie ’t meisje gediend had (van zeven uur ’s morgens tot drie uur ’s middags), gaf vrij gunstige getuigen.
Geertje plaste wel wat veel met water, en ze had meer weg van een ouwelijk vrouwtje dan van een kind. Ze moest nog veel leeren, en, of ze nou precies paste in een deftigen dienst?.... Maar eerlijk en werkzaam, dat was zij, en eten kon ze voor tien.
Van dit laatste vooral bleek de Juffrouw goed op de hoogte. Toen Geertje dien eersten avond uit haar nieuwen dienst om acht uur naar huis ging, raakten Kee en Bet er den heelen verderen avond niet over uitgepraat, zooals dat kind met haar vork terecht had gekund. „’t Leek wel,” zei Bet, „of ze aan ’t hooi laaien was, zoo schoof ze der eten naar binnen, en der vingers werkten flink met der vork mee.”
De groote meiden waren nog niet halfweg met haar eerste portie, toen Geertjes bord al schoon leeg was, en ze gluurde zoo begeerig naar de aardappels en lekkere jus, of ze nog niks gehad had.