Chapter 1 of 11 · 3951 words · ~20 min read

Part 1

BLANK EN BRUIN

DOOR HILBRANDT BOSCHMA

TWEEDE DRUK

’s-Gravenhage D. A. DAAMEN

VOORAF EEN WOORD AAN DE „GROOTE MENSCHEN”,

......allereerst, om te zeggen, dat dit nu geen boek voor hen, maar voor hun zoontjes en neefjes is. Of ze het daarom zelf óók niet mogen lezen?—Als ze er maar plezier in hebben! En een volwassene, die er geen plezier in heeft af en toe eens een boek voor het jonge volkje te lezen, die is zelf nooit recht jong geweest.

Vervolgens, om heeren recensenten onder hen te waarschuwen, dat ze den schrijver nu niet gaan indeelen bij het corps „auteurs voor de jeugd”. Want hijzelf erkent, dat hij zich hier op vreemd jachtveld bevindt, en kan eerlijk verzekeren, er slechts bij ongeluk op verdwaald te zijn.

Dit neemt natuurlijk niet weg, dat men zoo’n ongeluk niet begaat, zonder zich vooraf eenige regels te stellen.

In dit geval dienden er wel vier:

1o. Ik zou, dacht me, een Nederlandsch boek schrijven, dat niet, zooals de meeste vertaalde boeken doen, de jongelui een droomenleven liet leven ergens vèr over de grenzen, zoodat zij voor het leven in hun eigen land en zijn te veel miskende koloniën geen oog krijgen.

2o. Niettemin mocht ik geen voedsel geven aan dien rampzaligen geest, welke de eigen nationaliteit tracht te verheffen door het antichristelijk „Raka!” uit te spreken over wie van een ander ras of gelaatstype is.

3o. Het moest een boek van onzen tijd zijn, en waar ik een stukje Geschiedenis gaf, daar mocht dit niet te ver achter onzen leeftijd liggen. De grijsheid moge leven in het verleden,—het heden behoort aan de jeugd.

4o. Ik zou schrijven voor jongelui, die al zoo ver zijn, dat ze hun oogen beginnen open te doen voor hun bestemming, en die al bij zichzelven gaan vragen: Waartoe dient het leven en waartoe zal ik het mijne besteden?

Ik heb hun den raad willen geven, het niet toe te wijden aan zichzelf en aan de wereld, maar aan Hem, wiens dienst ons alleen waarlijk gelukkig kan maken. Daartoe heb ik geen gebruik gemaakt van lange, stichtelijke redeneeringen, maar getracht hun het onderscheid tusschen wie God dient en wie Hem niet dient te laten zien.

Dit boek geeft de heele ontwikkelingsgeschiedenis weer van den knaap tot den volwassen jongeling en kàn, dunkt mij, tot allen, die zich in dit levensstadium bevinden, iets te zeggen hebben.

Ik heb mij echter voorgesteld het woord te richten tot een ontwikkelden leerling, die van school ging en die nu een avondje bij mij kwam, om afscheid te nemen. O, dat is een geduchte overgang, als men een laatsten blik werpt door de poort der school en, nieuwsgierig, voor de eerste maal tuurt door de poort van ’t werkelijke leven! Ik zag, dacht mij, hoe mijn lieve, jonge bezoeker zijn heele jongelingsleven vóór zich zag liggen in wonderschoonen, doch geheimzinnigen nevel; en met schitterende oogen mat hij, meende ik, den afstand die daar ligt tusschen de schoolfrak en het bruigomsgewaad! En zoo zaten wij dan tegenover elkaar: hij vol hoop en ik vol vrees. Want ik dacht aan de talrijke gevaren, die hem op zijn lange reis konden bejegenen. En toen nam ik de pen op en teekende hem de twee wegen, waarlangs hij zou kunnen gaan, nu voor de laatste maal nog eens liefderijk en duidelijk en ten einde toe voor.

Moge onder Gods zegen deze teekening er een weinig toe bijdragen om vele jongelui, die op ’s levens tweesprong staan, te brengen tot een vroege, vaste en—vroede keuze!

HILBRANDT BOSCHMA.

INHOUD.

Bladz. Hoofdstuk I, waarin de lezer kennis maakt met „Blank” en „Bruin” en voorts met een tweetal vogels en een aap. 1 Hoofdstuk II, waarin de jongens van Weverstede kennis maken met moordtuigen en afgoden, en de vreemde knaap met een kool 9 Hoofdstuk III, waarin Bamboe zich brandt aan ijs en sneeuw, en de jongens van het Wed een fort bouwen 16 Hoofdstuk IV. Een gevecht in de sneeuw. Bamboe meent, dat er in sneeuwballen steenen groeien, en dat de engelen een bruine kleur hebben 28 Hoofdstuk V, waarin Bamboe de ondervinding opdoet, dat de rivieren in Holland ’s winters heet water bevatten, en Kees, de aap, dat een bedsteêplank een hard voorwerp is, om er zijn woede tegen te luchten 42 Hoofdstuk VI, waarin Leo dertig centen en dertig sterren telt, en Dirk Drijver zeven „heidens” gevangen neemt 57 Hoofdstuk VII. Leo gaat rupsen zoeken en vangt een hollend paard 71 Hoofdstuk VIII, waarin iets verhaald wordt uit de geschiedenis van de familie Van Dintelburg 84 Hoofdstuk IX, waarin de leer der „tropen” wordt behandeld en een leeraar als zijn meening te kennen geeft, dat de Bijbel geen vertaald boek is 94 Hoofdstuk X. Leo en Rudolf zijn voor een oogenblik goede vrienden, ’t geen echter voor den eerste slechte gevolgen heeft 104 Hoofdstuk XI. Bamboe spreekt van een verbrande padi-schuur en ondervindt dat een Christen een zacht sterfbed heeft 111 Hoofdstuk XII. Leo installeert zich ten huize van zijn oom. 120 Hoofdstuk XIII, waarin het oude spreekwoord bevestigd wordt, dat een ongeluk nooit alleen komt 125 Hoofdstuk XIV. Rudolf raakt in ’t gedrang en vertrekt naar Duitschland 135 Hoofdstuk XV. Leo maakt een plan voor de toekomst, en dat van zijn oom wordt in duigen geworpen 144 Hoofdstuk XVI, waarin een gevecht wordt geleverd van man tegen man 148 Hoofdstuk XVII, waarin blijkt, dat de liefde eindelijk machtiger is dan de haat 163 Hoofdstuk XVIII, waarin op één dag vijf feesten worden gevierd 170 Woordenlijst 181

Wat men leest, kan nu allemaal geen „gesneden koek” zijn.

’t Kan dus best gebeuren, dat er in dit boekje hier en daar een gedeelte voorkomt, waarvan de jonge lezer zegt: „Kijk, dat begrijp ik niet goed!” ’t Best is om het dan nòg eens te lezen. Zelfs hebben wij hier en daar wel eens een vreemd woord gebruikt.—Luiaards slaan zoo iets natuurlijk maar over, doch flinke jongelui vragen: „Wat beteekent dat?” Nu, de meeste dezer woorden—’t zijn er niet veel—hebben wij met een * gemerkt en achter in ’t boek kortelijk verklaard.

HOOFDSTUK I,

WAARIN DE LEZER KENNIS MAAKT MET „BLANK” EN „BRUIN”, EN VOORTS MET EEN TWEETAL VOGELS EN EEN AAP.

„Zeg, zeg! Kijk e’s, wat ’n leelijkerd!” zei jonker Rudolf van Dintelburg, terwijl hij driftig zijn kameraads tegen den arm stiet, „kijk dan,—dáár,—achter dien vent, met dien koffer op z’n rug! Kijk, nou kun-je hem weer zien!”

Alle jongens keken in de aangewezen richting het Stationsplein op, waar zij te midden van de schare reizigers, die van den trein kwam, een man zagen voortschrijden, die werkelijk—tenminste in de oogen van een Hollandschen schooljongen—geen aanspraak kon maken op den naam, „mooi” te zijn, al was ’t alleen maar om de kleur van zijn gelaat en om het vreemdsoortige van zijn kleeding.

„Willen we eens gaan kijken?” stelde Frits Wildering voor.

„Nee, nee,” zei Pauw van Lockhoff. „Nee jongens, ’t is al vier uur, en als commissaris van „Achilles” zeg ik, dat wij dadelijk moeten beginnen te trappen.”

„Wel, wel, Pauwtje, wat pronk je met je nieuwe veeren!” gaf Frits spottend ten antwoord, „’t Lijkt wel of je commissaris van politie bent, in plaats van commissaris van een voetbal-club. En hoe lang bekleed je die waardigheid al?—Een hééle week!”

„Wel, ja,” ondersteunde Prosper van den burgemeester, „laten we eens gaan zien! ’t Is toch nog zoo warm, we kunnen best een half uurtje wachten, vóór we beginnen.” En om aan te toonen, hoe warm hij het wel had, haalde hij zijn zakdoek te voorschijn en veegde met een zwaren zucht het zweet van zijn blozend gelaat. Prosper was een korte, dikke jongen, die, naar de uitdrukking zijner makkers, gemaakt was uit „vet zonder beentjes” en die daarom niet oneigenaardig steeds werd aangesproken als „Prop”.

„Ik ben er tegen,” hield Pauw vol, „het reglement zegt van vier uur en dan moeten we beginnen óók.”

„Tenminste, als ik het wil!” zei Rudolf van Dintelburg, terwijl hij het hoofd met een zelfbewust gebaar in den nek wierp en op elk woord een koninklijken nadruk legde.

„En ik verkies,” vervolgde hij op denzelfden toon van gezag, „dat wij dien vreemden snoeshaan met dat leelijke jongetje eens wat nader in oogenschouw nemen.”

„Gelukkig!” zuchtte Prop, terwijl hij den president van de voetbal-club „Achilles” een dankbaren blik toewierp.

Pauw zweeg, want Dolf van Dintelburg regeerde over zijne makkers als een autocraat*, zoowel in de voetbal-club als overal elders.

De knapen maakten derhalve op het pad naar de Blinde-Wei, waar zij gewoonlijk het balspel beoefenden, rechts-om-keert, staken het Stationsplein weer over en hadden de reizigers, waartusschen zij zulk een zonderlinge verschijning hadden opgemerkt, al spoedig ingehaald, en bleven ze, hoewel vooreerst nog op eerbiedigen afstand, volgen.

Vreemdelingen nieuwsgierig aan te gapen of na te loopen is een onbeleefdheid, waaraan de jeugd in Nederland zich, helaas, veel meer schuldig maakt dan die van andere landen. Maar in dit geval hadden onze jongens toch eenige verontschuldiging voor hun gedrag, want ook oudere menschen bleven allerwegen met verbazing staan, om de vreemde reizigers nieuwsgierig aan te staren.

De Weversteders, die nog nooit veel verder dan hun geboorteplaats waren geweest, hadden zulk een slag van menschen dan ook nooit te voren aanschouwd.

De oudste was kort van gestalte, doch had in zijn loopen iets bijzonder lenigs. Zijn gelaatskleur was koffiebruin; zijn kortgeknipt haar blauwachtig zwart. Zijn voorhoofd was reeds gerimpeld, maar zijn oogen glinsterden nog als gitten, terwijl, als hij sprak, twee rijen parelwitte tanden tusschen de breed-geteekende lippen te voorschijn kwamen. Hij droeg een gewonen Europeeschen, breedgeranden, vilten hoed van zilvergrijze kleur en, hoewel het in de heetste dagen van Augustus was, een met wol gevoerde demi-saison. Onder dit kleedingstuk had hij een soort van kort buis, waaronder een veelkleurige voorschoot tot op zijn knieën afhing. Om zijn middel droeg hij voorts een kleurigen, geplooiden doek, waarover een smalle, platte band, die met gespen was aangehaald.

De jongste was een knaap van een jaar of elf. Hij was eenvoudig, doch netjes, en geheel op Europeesche wijze gekleed. Zijn gezicht was vrij wat blanker dan dat van zijn geleider, maar toch ook vrijwat donkerder van tint dan dat van een blonden Hollandschen jongen. En ofschoon hij niet den platten neus en de breede lippen van zijn geleider had, en zijn fijn besneden gelaat en zijn hoog en breed voorhoofd zijn Europeesche afkomst teekenden,—de fraaie, licht-olijfkleurige tint van zijn gezicht, die op zijn wangen overging in een blos van liefelijk rood, en bovenal zijn fonkelend-zwarte oogen en glanzend-zwarte krullen duidden genoegzaam aan, dat de wieg van dezen knaap niet gestaan had aan het kille strand van de Noordzee.

Maar wat nog het meest de belangstelling van jong en oud gaande maakte, was, dat de oudste, die in de linkerhand een net reistaschje droeg, in de rechterhand een vreemdsoortig bewerkte kooi torste, die in twee afdeelingen was verdeeld, en waarin twee papegaaien waren gezeten, terwijl de jongste een aapje in zijn armen hield.

Vooral de laatste omstandigheid gaf aanleiding, dat de jongens weldra hun eerste schuchterheid op zij zetten en als echte brutaaltjes vlak naast de vreemdelingen gingen loopen. Het duurde niet lang of ook andere jongens, die niet tot „Achilles” behoorden, kwamen hun verwarde gelederen versterken, en in het gevoel, dat zij nu door hun groot aantal overmachtig waren, meenden zij het recht te hebben daarenboven ook nog overmoedig te mogen zijn.

De verschillende op- en aanmerkingen, die eerst op fluisterenden toon en onder zacht gegrinnik waren geuit, werden thans met groote vrijmoedigheid luid-op elkaar toegeschreeuwd.

„Ik geloof stellig, dat het een Hottentot is,” zei Dolf, „kijk maar eens naar zijn platten mopsneus!”

„Neen,” meende Prop, „’t is een menscheneter!”

„Dan mag je wel oppassen, dat hij niet met jou begint, Proppie,” spotte Frits, „want er zit nog al bout aan je.”

„Nee,” bromde Prop, „hij houdt van mager en dan kan hij bij jou terecht.”

„Ik weet het, jongens,” besliste Pauw, „’t is een Atsjinees,—ik heb laatst in „Eigen Haard” een plaatje gezien van een Atjeher, en die zag er net eender uit.”

„Een Atsjinees,—jawel! dien zouden ze hier zoo maar vrij laten rondloopen, dat kun-je begrijpen! Nee, ’t zijn een paar Zigeuners, die op de kermis reizen. Dat kun-je immers wel zien aan den aap, dien dat leelijke joggie bij zich heeft.”

Het „leelijke joggie” keek net om en staarde met zijn groote, zachte oogen den laatsten spreker aan, alsof hij wilde zeggen: „Je moet niet zoo luid praten; als je denkt, dat we je niet verstaan, dan heb-je ’t mis!”

„Ik geloof warempel, dat ze kunnen hooren wat je zegt,” zei Willem van Waanen, „die jongen tenminste kan best uit ons eigen land zijn.”

„We zullen eens probeeren,” opperde Dolf. „Zeg jonchie, waar kom je vandaan?”

Het „jonchie” antwoordde niet, maar keek hem weer aan met iets weemoedigs in de gitachtige oogen.

„Jongens, laat die menschen toch met rust!” vermaande een oud heer met grijze haren en een eerwaardig voorkomen. „Ze doen je toch niks, is ’t wel?”

„En wat wij doen, dat gaat jou toch niet aan, is ’t wel?” gaf Dolf op brutale wijze ten antwoord, terwijl hij die laatste woorden op denzelfden toon trachtte uit te spreken als de oude heer had gedaan.

„Je bent zeker schoorsteenveger van beroep, dat je zoo zwart ziet, baasje!” vervolgde hij tot den knaap, op wien hij het bijzonder scheen gemunt te hebben.

„Jawel,” gaf de jongen in goed verstaanbaar maar spotziek Hollandsch ten antwoord, „en jij bent zeker koekebakker, dat je zoo wit om den neus bent.”

De leden van de voetbalclub „Achilles” schoten allen hartelijk in den lach om de wijze waarop hun president door den vreemden knaap getroefd werd. Dolf was dan ook werkelijk buitengewoon bleek van gelaat en zóó opvallend was dit, dat de clubleden van „Achilles” er reeds den bijnaam van „de witbolletjes” door hadden ontvangen. Daarbij was het woord „koekebakker” toen ten tijde onder de jongens van Weverstede de uitdrukking eener zeer bijzondere minachting en stond zoo ongeveer gelijk met „flauwerd” of „lafaard”.

„Ruiken moet je maar, Dolle,” zei de spotzieke Frits tot Rudolf, „ruiken moet je maar!”

„’k Heb geen zakdoek bij me!” gierde Prosper en als om te toonen, dat deze uitdrukking niet letterlijk moest worden opgevat, haalde hij den zijne te voorschijn en veegde weer eens zijn bezweet gezicht af.

[Om deze laatste gezegden goed te verstaan, moet de lezer weten, dat het bij „Achilles” de gewoonte was, als er iets gezegd werd, dat bijzonder „raak” was, te roepen: „Ruiken moet je maar!” terwijl dan iemand anders ook standvastig antwoordde: „’k Heb geen zakdoek bij me.”]

Rudolf was op dit oogenblik te verbluft om veel te antwoorden. Hij had waarlijk niet gedacht, dat de knaap hem zou hebben verstaan. Toch had hij voor geen geld van de wereld zich voorgoed en heelemaal uit het veld laten slaan.

„Zoo, zoo, baasje!” begon hij weer tegen den vreemden knaap, thans met nederbuigende vriendelijkheid, „zoo, je kunt ons dus verstaan. Welnu, vertel me dan eens, waarvoor heb je dat broertje van je meegebracht, dat je daar op je arm draagt? Moet je er mee langs de huizen, om z’n kunstjes te laten zien?”

De oogen van den vreemden knaap schoten vuur en zijn gezicht werd met een gloeienden blos overtogen.

„Nee, dat juist niet,” was zijn bijtend antwoord, „ik ga hem bij jou thuis brengen, om je manieren te leeren!”

Nu kreeg Dolf toch een kleur.

„Bĕrbĕhagialah sĕgala orang jang lĕmah-lĕmboet hatinja [1], Leo,” sprak de bruine man met zachte klem. Meteen trad hij op een agent toe, die op een hoek van de straat geposteerd stond en beleefd zijn hoed afnemend, zeide hij tot dezen in eenigszins gebroken Nederlandsch:

„Och mijnheer, wilt u zoo goed zijn, ons van die jongens te ontslaan? Ze doen ons last aan.”

In een oogenblik hadden nu de brutale jongeheeren van „Achilles” den aftocht geblazen, behalve Rudolf van Dintelburg, die, evenals in de voetbal-club, ook bij de politie een schreefje vóór scheen te hebben en de vrijheid nam, zij het dan ook op wat bescheidener afstand, de beide reizigers te blijven volgen. Hij zag, hoe ze langs het Wed gingen en eindelijk stil bleven staan voor een onbewoond huis, kort bij de „school van Selhof”, welk huis de oudste vreemdeling met een sleutel opende.

In de deur keerde de vreemde knaap zich nog even om en keek hem nog eenmaal aan.

„Hoor eens,” had Dolf den tijd om hem nog na te roepen, „hoor eens, Zwart-van-de-Lamp, je bent een flinke jongen, dat moet ik zeggen, maar toch zal ik met je afrekenen, als je hier blijft, dat beloof ik je!”

HOOFDSTUK II,

WAARIN DE JONGENS VAN WEVERSTEDE KENNIS MAKEN MET MOORDTUIGEN EN AFGODEN, EN DE VREEMDE KNAAP MET EEN KOOL.

Het nieuws van de aankomst der twee vreemdelingen was den volgenden morgen reeds door de gansche stad verbreid, en inzonderheid de jeugd maakte er zich verbazend druk over. De jongens van de school van meneer Selhof taalden dien morgen niet eens naar de vermaken der speelplaats. Nieuwsgierig stonden ze in troepjes te staren naar het huis, dat zoo lang gesloten was geweest en dat nu zulke zonderlinge bewoners had gekregen. Ze moesten al terstond erkennen, dat deze bewoners geen kenteekenen van luiheid vertoonden, want nog vóór schooltijd waren zij al druk in de weer. Het middenpad van het kleine tuintje vóór het huis, waartegen een paar breed-gekruinde kastanjeboomen hun schaduw afteekenden, stond vol met kisten en koffers. De kleinste daarvan droegen zij zóó naar binnen; de grootste werden eerst geopend en bleken allerlei vreemde voorwerpen te bevatten, wier doel en bestemming den jongens een raadsel was. Uit één kist kwamen een paar prachtige, opgezette vogels te voorschijn; een andere bevatte een glazen kast, die scheen te wemelen van insecten; een derde hield een groot aantal houten en steenen beeldjes in van allerbespottelijkste vormen. Vooral de inhoud van deze laatste kist wekte bij de jongens een soort van vreesachtige nieuwsgierigheid op.

„Zie je wel? ’t Zijn heidenen. Dat benne d’r afgoden!” fluisterden zij onder elkander.

Op dat oogenblik kwam meneer Selhof naar buiten en wenkte, in de schooldeur staande, de jongens naar binnen; maar ze waren niet van hun plaatsen te krijgen.

Maar toen de vreemde knaap uit een andere kist niets anders dan vreemde wapens, blanke zwaarden, spitse lansen en schitterende dolken voor den dag bracht, sloeg hun verbazing tot ontzetting over en spoedden de meesten hunner, op het herhaalde handgeklap van meneer Selhof, zich met haastige schreden en een kloppend hart naar school, van tijd tot tijd nog eens angstig omziende, of de bruine man hen niet met een dezer moordtuigen in de hand achterop zou loopen.

En bleek van schrik werden sommigen, toen eenige minuten later onder het zingen de vreemde man met zijn kleinen reismakker in levenden lijve de school binnentrad. Het gezangversje stokte hun in de keel en menigeen dacht niet anders, of zijn laatste uurtje had geslagen.

Meneer Selhof scheen echter volstrekt niet bang van den „leelijken man”. Hij trad op hem toe, drukte hem de hand en zei:

„Goeden morgen, meneer Bamboe! Welkom in Weverstede, hartelijk welkom! En is dat nu onze Leo?”

„Jawel, meneer!” antwoordde de jongen.

De onderwijzer gaf ook hem de hand, legde die vervolgens vriendelijk en beschermend op zijn hoofd en sprak:

„Nu Leo, ik hoop, dat je het in ons land goed zult maken, en ik vertrouw, dat we het samen best zullen kunnen vinden.”

„Kinderen,” vervolgde hij, „dit is meneer Bamboe. Meneer komt van het eiland Java,—dáár!” wees hij, „in het westelijke gedeelte. Zijn kleeren en zijn kleur zijn wat anders dan die van ons, zooals je ziet, maar hij heeft met ons denzelfden Heiland lief, nietwaar meneer Bamboe?”

De heer Bamboe knikte en liet lachend zijn witte tanden zien.

„Ja, kinders,” zeide hij, „dat is niet altijd zoo geweest. Vroeger was ik half een Mohammedaan, half een heiden, maar thans heb ik met heel mijn hart Toewan Jezus lief.”

„En deze jongen,” vervolgde meneer Selhof, „heet Leo. Hoe oud ben je ook weer, Leo?”

„Elf jaar, meneer,” was het antwoord.

„Hij is een Hollandsche jongen,” ging de onderwijzer voort, „zijn moeder was wel een Javaansche, maar zijn vader was een Nederlander. Beiden zijn nu overleden en hij is dus een wees. Wie is dus nu voortaan zijn Vader?”

„De Heer!” antwoordde een der oudste jongens eerbiedig.

„Maar behalve een Vader, heeft deze jongen ook vrienden noodig. Wie van jullie, jongens, is bereid om voor hem op te komen?”

Alle jongens staken de hand op.

„Welnu, kijk ze maar eens aan,” richtte meneer Selhof zich tot Leo, „bevallen ze je nogal, je nieuwe makkers?”

„Best, meneer!” zei Leo, met een gelukkigen lach, terwijl hij de jongens vrijmoedig in het gezicht keek.

Thans moest er een plaatsje voor hem worden gezocht, ’t geen vrij wat moeite in had, want al de jongens streden om de eer den nieuweling naast zich te mogen hebben.

„Ga hier voorloopig maar zitten,” sprak de onderwijzer, „dan zullen we meteen wel eens onderzoeken waar je eigenlijk thuishoort.”

Bamboe vertrok, na den onderwijzer en de kinderen minzaam te hebben gegroet, en spoedig daarop volgde het onderzoek naar de kennis en de bekwaamheden van den nieuwen leerling.

Hoewel hij, naar hij verklaarde, nooit op een school gegaan had, liep dit onderzoek vrij bevredigend af. In het rekenen was hij den meesten jongens ver vooruit en hij kon zich in de Nederlandsche taal ook best met hen meten, al was het dat hij soms wel eens een verdwaald Maleisch woord gebruikte. Van de aardrijkskunde van Indië wist hij natuurlijk meer dan iemand anders, en omdat dit vak dien morgen tòch behandeld moest worden, liet meneer Selhof hem daar maar heel wat van vertellen. Wat de kinderen van hem vernamen over Indische zeden, volksvermaken en leefwijze, boezemde hun de grootste belangstelling in en was ten deele ook den onderwijzer nog geheel nieuw.

Bij de taalles bleek, dat hij echter op sommige punten ook vermakelijk onwetend was.

Er moest een „samenspraak” tusschen een vader en zijn twee kinderen worden gemaakt over het welbekende raadsel van „de wolf, de geit en de kool.” Het taal-boekje gaf voor dit opstel de punten aan. Maar vóór hij deze punten door de leerlingen liet uitwerken, gaf meneer Selhof hun eerst zelf nog eens het raadsel op.

„We zullen eerst met elkaar die samenspraak eens houden,” zei hij. „Ik zal de Vader zijn, jij, Mina Woldering, héét Mina, en je moet dus ook voor Mina spelen en dan zullen we doen of Leo Jan is.”

„Luistert dan eens naar het raadsel, kinderen!”

„Er was eens een man, die een wolf, een geit en een kool bij zich had. Hij moest een rivier over. Aan den oever lag een bootje, dat echter zóó klein was, dat de man maar één van de drie tegelijk kon overbrengen, want nam hij er twee bij zich in het bootje dan zou het zinken. Hoe moet hij nu handelen, om ze alle drie onbeschadigd aan den overkant te krijgen?”

„Hij moet eerst den wolf overbrengen,” meende Leo, „want de wolf is een verscheurend dier en liet hij dien bij de geit achter, dan zou de wolf in zijn afwezigheid de geit oppeuzelen.”

„Dat is waar, Jan,” sprak meneer Selhof schertsende, „maar laat hij de geit bij de kool achter, dan zal die de kool oppeuzelen!”

Leo keek erg verwonderd.

„Begrijp je dat niet, m’n jongen?” vroeg mijnheer Selhof, die zijn verbazing wel opmerkte.

„Nee, meneer,” was het antwoord, „want,” ging hij met groote stelligheid voort, „een geit lust immers geen kool!”

Heel de klasse schoot in den lach.

„Is een kool dan een plant, meneer?” zei Leo, die wel inzag, dat hij zich vergaloppeerd had. „Op de boot stookten ze kolen in den haard van de machine.”

Nog luider gelach.