Part 4
Ook Rudolf schreide, want al was er in zijn hart een onbestemd voornemen geweest, om den bruinen knaap kwaad te doen, dat dit kwaad zulke groote afmetingen zou aannemen, dat had hij toch niet verwacht of bedoeld.
„Ja, huil maar niet, leelijke witbol!” voer Dirk Drijver uit. „Ik heb wel gehoord, wat je gemompeld hebt over dat natte pak! ’t Is jou schuld!”
En metéén hief hij zijn vuist op en gaf hij den zoon van zijn vaders meester een fermen stomp in het gelaat.
Maar thans ontwaakte in Rudolfs hart, dat een oogenblik onder de gevolgen van zijn wandaad verteederd was, weer de boosaardige en laatdunkende trots, waardoor dit kind der weelde zoo menigmaal beheerscht en verdorven werd.
„Dat is te veel!” riep hij uit, met de hand de plaats waar de pijnlijke stomp was aangekomen, bedekkende; „laatst heb ik je bedreigd, maar nu zal ik doen, wat ik je toen beloofd heb, plebber!”
Dirk hoorde hem echter niet meer.
Hij had zijn schaatsen afgedaan en schoof nu op dezelfde wijze naar de rivier, als hij Bamboe had zien doen.
„Wat gaat die jongen beginnen! Moeten er nu drie verdrinken?” werd er gevraagd.
Dirk stoorde zich evenwel nergens aan. In plaats van recht op het wak af te gaan, maakte hij een omweg, waar het ijs wat sterker was, en bereikte den overkant van den stroom. De dijk, die aan dien kant langs de rivier liep, was hier over een aanzienlijke lengte door middel eener loodrechte beschoeiing tot een kade opgebouwd, terwille van de schepen, die bij de fabriek moesten laden en lossen.
Bamboe, die een uitstekend zwemmer bleek te wezen, hield Leo in den arm geklemd en had zich door het ijs een weg gebaand naar de kade; maar eenmaal daar aangekomen, kon hij zich onmogelijk tegen het hard bevroren houtwerk omhoog werken.
Aan Dirk, die een bodem van ijs onder de voeten had, gelukte dit beter. In een oogwenk was hij bij een der palen opgeklauterd en spoedde zich nu zoo snel als zijn beenen hem dragen konden naar de fabriek, om zijn vader, die daar werkte, te waarschuwen.
Een oogenblik later kwam deze met een ladder te voorschijn en zette die langs de kade in de rivier.
Onder een luid „hoerah!” werd deze door Bamboe aangegrepen en beklommen.
Druipend en bibberend, maar met den geliefden knaap in de armen, zette hij voet aan wal.
Dolf was intusschen naar huis gegaan om zijn klachten, behoorlijk opgesierd, voor zijn papa uit te storten. Die jongen van Drijver, vertelde hij, zat hem altijd dwars. Eerst had hij hem beschuldigd van appelen te hebben gestolen; later had hij hem zóó met een harden sneeuwbal gegooid, dat hij er een gat van in zijn hoofd had gekregen. En nu vandaag was er een jongen te water geraakt en.... en.... daar had die Dirk hem weer de schuld van gegeven en hem met de vuist in het gezicht geslagen, en „o, o, het deed zoo’n pijn, papa!”
Nu, wat dit laatste betrof, was het mogelijk, dat hij geen onwaarheid sprak, want Dirk had een paar stevige knuisten aan het lijf, en uit alles bleek, dat de slag raak was geweest.
„En jij, wat heb jij gedaan?” vroeg de heer Van Dintelburg.
„Ikke, papa?” vroeg Dolf verwonderd, „ikke?—Wel, niets, papa!”
„Nu, ’t is goed, je kunt gaan!” sprak deze.
De heer Van Dintelburg was een trotsch man, zijn kind had deze eigenschap dus niet van een vreemde geërfd. Zoon van den ouden Nederlandschen adel, had hij, om zijn familie-fortuin „er boven op” te helpen, het niet beneden zich geacht, zijn krachten te wijden aan handel en industrie, maar de aristocraat was nooit tenonder gegaan in den koopman en fabrikant. Hij was streng, streng voor zichzelven en onverbiddelijk streng jegens zijn ondergeschikten. Maar hij stelde er zijn roem in, tevens rechtvaardig te zijn. De heer Van Dintelburg was een man van de wereld, die voor de wereld leefde. Geen hooger levensdoel kennende dan deze aarde, had hij zijn leven besteed om aan de schittering van zijn beroemden naam ook den glans van een groot vermogen te paren. Daar de zucht tot geld verdienen bij hem dus op den voorgrond stond, zou hij zijn arbeiders geen cent meer laten verdienen dan bepaald noodig was, hoewel zijn trots hem ook verhinderde, hun minder te geven dan wat volgens zijn begrippen een ordentelijk loon mocht worden genoemd. Maar daarvoor eischte hij dan ook van zijn werklieden den meest nauwgezetten ijver en de inspanning van alle krachten. Het geringste verzuim werd aan zijn fabrieken gestraft met onherroepelijk ontslag. Eén verkeerde draad in een weefsel, één korstje verdikte olie aan de stangen van een machine, waren voldoende om iemand met wegzending te bedreigen. Was toewijding dus het eerste, wat de heer Van Dintelburg van zijn werkvolk eischte, eerbied en gehoorzaamheid waren het tweede. Hij duldde in zijn werkplaatsen zelfs geen schijn van oproerigheid, weerspannigheid of van gebrek aan eerbied jegens zijn persoon of familie. Hij was verreweg de voornaamste fabrikant uit de geheele stad en de eenige, die een adellijken naam voerde. De menschen, die bij hem in dienst waren, werden door hèm, Van Dintelburg, onderhouden; ze moesten uit zijn hand leven; het was dus niet meer dan billijk, meende hij, dat ze dan ook hem als hun heer en meester huldigden en eerden. Een arbeider, die eens of tweemaal [hetzij ’t opzet ware of onoplettendheid] in gebreke bleef zijn pet af te nemen, als de familie Van Dintelburg voorbijreed, kon er zeker van zijn, den eerstvolgenden Zaterdag achter zijn naam op de loonlijst een o-tje te vinden, en zich dus gemerkt te zien als een oproerling.
De heer Van Dintelburg was derhalve verontwaardigd over den smaad, dien een zoon van een van zijn werklieden, zijn kind, een jongen Van Dintelburg, had durven aandoen. En al hield hij zich overtuigd, dat Rudolf ook wel het zijne zal hebben gedaan om tot den smaad aanleiding te geven, het was toch ongehoord, dat die arbeidersknaap zóó iets tegen den zoon van zijn vaders meester had durven bestaan. Al had Rudolf dien knaap ik-weet-niet-wat gedaan, de zoon van den heer Van Dintelburg moest iederen anderen jongen te heilig blijven om er de hand naar te durven uitsteken.
Natuurlijk verbood de rechtvaardigheidszin des heeren Van Dintelburg hem, om den vader van Dirk aansprakelijk te stellen voor wat de zoon had misdreven; maar aan den anderen kant was het ook zeker, dat de vader toch niet geheel vrij uitging. Een kind, zoo redeneerde hij, was wat zijn opvoeding hem maakte. Als een kind dus oneerbiedig was jegens zijn meerderen, dan kwam dat, doordat hij niet anders was opgevoed. Een dergelijke oneerbiedige, brutale knaap moest stellig een oneerbiedigen en brutalen vader hebben.
Tegen den tijd, dat de werklieden huiswaarts keerden, had de heer Van Dintelburg de gewoonte, hier en daar eens rond te gaan om te hooren bij de opzichters, of er ook klachten over het werkvolk waren. Zoo deed hij ook nu.
De opzichter over de weefgetouwen uit de fabriek aan de Leye hàd klachten, zooals trouwens veelal het geval was, want hij was een echte oogendienaar: kruiperig voor zijn meerderen en hondsch voor zijn minderen. Een van de arbeiders had zonder zijn, des opzichters, vergunning het toezicht over zijn getouwen aan zijn makkers overgelaten.
„Hoe heet die man?” vroeg de heer Van Dintelburg.
„Drijver!” was het antwoord.—„Hij liep weg om....” meende de opzichter er nog aan te moeten toevoegen, maar de heer Van Dintelburg liet hem niet uitspreken.
„Ja, waaròm hij wegliep,” zei hij, „kan me niet schelen; hij is in mijn dienst en hij heeft niet weg te loopen. Ga dien man aanzeggen, dat hij op morgenochtend ontslagen is. Betaal hem evenwel zijn loon uit voor de geheele week!”
Des avonds kwam Dirk Drijver eens naar Leo zien.
Toen hij aanbelde, werd hem evenwel niet, zooals gewoonlijk, opengedaan door Leo of Bamboe, maar door de bejaarde dagmeid, die Bamboe hield om de straat te schrobben en boodschappen te doen, want hij bezat zooveel bedrevenheid in allerlei huiswerk, dat hij voor kamer of keuken geen hulp van anderen noodig had. Wat het bereiden der spijzen aangaat, daar had hij in het eerst wel wat mee getobd. Gewend als hij was aan een Indische keuken, had hij heel wat moeite gehad om den Europeeschen kost naar behooren te bereiden. Het was hem bijvoorbeeld al eens overkomen, dat hij mosterd in de karnemelk had gedaan, en kaneel met azijn in de spruitkool. Op zekeren middag had hij zelfs een hoeveelheid pieterselie gekocht, groot genoeg om in den soepketel van een heel regiment soldaten te worden gedaan, en had die, gekookt en gestoofd, bij wijze van middageten op tafel gezet. Langzamerhand echter had hij zich in de geheimen onzer kookkunst ingewijd.
In het begin had de oude dienstbode zich tegen dit alles verzet.
„M’nheer hoefde dat toch ommers niet te doen,” had zij gezegd; „zij was dienstbooi bij m’nheer en den jongenheer, en zij werd er toch voor betaald.” Maar Bamboe wilde het nu eenmaal zoo en niet anders.
Naatje was een oude sloof. Zij woonde bij haar broer in, die nog ouder dan zij, en bovendien gebrekkig was. Haar broer genoot een kleine toelage van de Diakonie, te weinig echter om van te leven en te veel om van te sterven. Naatje moest er dus wat bij verdienen, al was het ook, dat haar hulpbehoevende broer haar slecht kon missen, en al was zij zelf zoo krom, door zestig jaren arbeids, dat zij eigenlijk niets meer verdienen kòn.
Welnu, als dat dan bepaald moest, dan kon zij bij Bamboe terecht.
Bamboe had geïnformeerd wat een dienstbode bij deftige menschen voor loon kreeg, en voor zùlk een loon of nog wat meer had hij Naatje gehuurd voor „meid”. Maar als zij ’s morgens de bedden opgemaakt, wat potten en pannen geschuurd en een paar boodschappen gedaan had, dan kon Naatje alweer naar huis gaan. ’s Middags moest zij dan nog even terugkomen, ’t geen niet zoo heel moeielijk voor haar was, want zij woonde niet heel ver af: in een steegje van de Weversstraat. Gewoonlijk had zij dan niet veel meer te doen dan een mand met eten in ontvangst te nemen, want toen zij eens op een desbetreffende vraag geantwoord had, dat zij liever thuis at, had Bamboe als vaste gewoonte aangenomen, haar eten in borden en schoteltjes in de mand te doen. Daar hij van de onderstelling uitging, dat een Europeesche dienstbode twee magen heeft, zorgde hij altijd voor eten voor vier personen. En daar hij, niettegenstaande hij „maar een Javaan” was, een zeer eerlijk karakter bezat, zoo verdeelde hij dit eten altijd in twee precies gelijke porties: één voor hem en voor Leo, en één voor Naatje, die twee magen had,—en als Bamboe niet eer had behoeven te sterven, dan wanneer men er hem op had kunnen betrappen, dat deze porties ongelijk waren, dan had hij duizend jaar oud kunnen worden, zóó precies gelijk waren ze altijd! Doorgaans gaf Bamboe haar dan metéén ook maar de boterhammen mee voor den avond en voor den volgenden ochtend, en wat dat beetje middagwerk betrof,—och, dat had Bamboe in Indië zoo vaak beredderd, waarom zou hij dat hier óók niet doen? Naatje was oud en zwak, haar broer was een stakkerd, die zich haast niet helpen kon,—en Bamboe was er niet te goed voor om wat te doen,—Naatje moest dus maar naar huis gaan; als men haar noodig had, zou Leo wel even waarschuwen,—tenminste als zij met het oog op den ouden man weg kon, voegde Bamboe er steeds bescheidenlijk aan toe.
Dezen avond was het echter de eerste maal, dat zij zulk een waarschuwing had ontvangen, want Bamboe en Leo lagen beiden te bed, en er moest toch iemand zijn om open te doen. En zoo kwam het, dat, toen Dirk Drijver aanbelde, hij, zooals reeds gezegd werd, niet werd binnengelaten door Bamboe of door Leo, maar door Naatje.
Dirk moest maar in Bamboe’s slaapkamer komen, want daar was Leo ook.
Nadat beiden gelukkig uit het water waren gekomen, waren zij voorloopig binnengebracht in een naburig huis. Leo, die eerst buiten kennis was geweest, was daar door een ijlings ontboden dokter weer bijgebracht, en beiden waren kort daarop, in dekens gewikkeld, per rijtuig naar huis vervoerd.
Bamboe, die altijd gewoon was geweest op een baleh-baleh te slapen, had, met versmading van de bedstede, die zich in de kamer bevond, zich ook hier een zoodanige slaapplaats ingericht, en in dit buitengewone geval kon de bedstede dus worden ingenomen door Leo.
„Ah, Dirk, ben je daar? Wel, dat doet me plezier!” sprak deze, zoodra hij Dirk zag binnenkomen. „Alloh, Kees!” vervolgde hij tot den aap, die op den stoel voor de bedstede hem met een heel meewarig gezicht zat aan te kijken, „ga jij daar eens af en laat Dirk daar eens zitten.”
Kees sprong op den rand van de bedstede en Dirk nam zijn plaats in.
Nadat hij gevraagd had, hoe de beide drenkelingen het maakten, vroeg hij:
„En weetje nu wel, wiens schuld het is, dat je er door bent gezakt?”
„Natuurlijk mijn eigen schuld, wat anders?” zei Leo. „Ik had moeten zien, dat het ijs daar zwakker was, maar dat wist ik niet, zie je! Ik dacht, dat het ijs overal even sterk zou zijn, omdat het toch overal even sterk gevroren heeft.”
„Ja, dat wist je niet,” zei Dirk, „maar Dolf van Dintelburg wist het, want een baanveger had ons nog even te voren gewaarschuwd, dat daar een wak was, en met opzet gooide hij den bal dien kant uit.”
„Hoe weetje, katjoeng [13], dat het met opzet was?” vroeg Bamboe.
„Toen hij den bal Leo’s kant uitwierp, heb ik ’t hem zelf hooren zeggen, meneer Bamboe: „„Dat zal hem een nat pak kosten!””
Leo’s kleur werd eerst blauw-wit en toen vuurrood.
„Nu, als ’t ons niet meer kost dan een nat pak, dan is ’t niet erg,” zei Bamboe, „hoewel ik bij ondervinding kan getuigen, dat ik mij aan de puntigste bamboedoeri* nog nooit zoo geprikt heb, als aan dat water. Het was verbazend heet!”
„Neen, Bamboe,” glimlachte Leo, „het was koud!”
„Nu, koud dan, jonker!” sprak Bamboe, die met deze beide begrippen nogal eens in de war was.
Er bestond tusschen Bamboe en Leo een heel eigenaardige verhouding. Bamboe was eensdeels een soort van voogd over Leo. Hij had den knaap hartelijk lief en oefende door zijn meerdere „ondervinding” en door de waarachtige vroomheid van zijn hart al den invloed op hem uit van een vriend en raadsman, tegen wien Leo eerbiedig had op te zien. Anderdeels echter was en bleef Leo zijn jonge meester, om wien te dienen en te verzorgen hij zijn vaderland had verlaten, en die niet alleen door geboorte, maar ook door meerdere kennis (tenminste wat wereldsche zaken betrof) verre boven hem verheven was.
Sprak Bamboe nu tot Leo als vriend of als voogd, dan werd deze steeds kortaf Leo genoemd, maar zoodra in eenig punt Leo’s meerderheid aan den dag kwam, was het steeds jonker. Als Bamboe raad gaf, dan gaf hij dien aan Leo; ontving hij raad, dan ontving hij dien van jonker Leo. Wist Bamboe iets, dat Leo niet wist, dan was het „Leo”; wist Leo iets, dat Bamboe onbekend was, dan was het „jonker”.
Maar beluisteren wij verder het aangevangen gesprek.
„En weet je wat hij mij gebakken heeft?” vroeg Dirk, terwijl hem de tranen in de oogen kwamen. „Hij heeft gemaakt, dat vader op de fabriek ontslagen is.”
„Wat?” riep Leo uit.
„Ja, ontslagen!” vervolgde Dirk. „Zie je, toen je daar te water lag, werd ik zóó boos op dien jongen, dat ik hem met de vuist een klap in het gezicht gaf. En toen schijnt hij naar zijn papa gegaan te zijn; en vanavond ontving vader de boodschap, dat hij zijn ontslag had.—O, die ellendige witbol!” vervolgde hij, huilend van woede, „ik wou dat ik hem hier had; ik zou hem in den grond kunnen trappen, dat zou ik!”
Leo zei niets, maar doodsbleek sloeg hij in woede de vuist op den rand van zijn legerstede. Ook Kees, de aap, scheen in de algemeene verontwaardiging te deelen, hij sloeg zijn hand—als men zijn voorpoot zoo noemen mag—juist als Leo, tegen de harde plank, maar bezeerde zich hierbij zoodanig, dat hij als een kind begon te schreien.
Alleen Bamboe bleef kalm.
„Ja jongens,” sprak hij, „dat geeft allemaal niets. Als je dien jongen nu nog kwaad ging doen bovendien, dan zou je twee domme daden gedaan hebben in plaats van een.”
„Maar wat zoudt u dan doen, meneer Bamboe, als u een jongen was?” vroeg Dirk.
„Ik zou hem liefhebben,” was het antwoord.
„Dat heb ik gedaan, maar nu—nu kan ik het niet meer!” bracht Leo met heesche stem uit.
„En waarom niet?” ondervroeg Bamboe. „Omdat hij slecht is en verkeerde dingen doet? Hoe zou het er met ons uitzien, als God alleen liefhad wie braaf waren en enkel goed deden? Heeft Hij ons niet lief, niettegenstaande wij djakat [14] zijn en dagelijks verkeerde dingen doen? Hoor eens, jongens, wat het goede Boek zegt!” En zijn hand uitstrekkende naar het Bijbeltje, dat altijd naast hem op de baleh-baleh lag, las hij:
„Gij hebt gehoord, dat er gezegd is: gij zult uwen naaste liefhebben en uwen vijand zult gij haten.
Maar Ik zeg u: hebt uwe vijanden lief; zegent ze die u vervloeken, doet wel dengenen, die u haten, en bidt voor degenen, die u geweld doen, en die u vervolgen; opdat gij moogt kinderen zijn uws Vaders, die in de hemelen is, want Hij doet zijne zon opgaan over boozen en goeden, en regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.
Want indien gij lief hebt, die u liefhebben, wat loon hebt gij? Doen ook de tollenaars niet hetzelfde?....
.... Weest dan gijlieden volmaakt, gelijk uw Vader, die in de hemelen is, volmaakt is.”
HOOFDSTUK VI,
WAARIN LEO DERTIG CENTEN EN DERTIG STERREN TELT, EN DIRK DRIJVER ZEVEN „HEIDENS” GEVANGEN NEEMT.
Bamboe was de gevolgen van het koude bad spoedig te boven, behoudens een soort van droge kuch, die hij eruit had overgehouden en die maar niet wijken wilde.
Leo, die nogal veel water had ingekregen, moest op raad van den dokter een dag of wat thuis blijven.
Dirk Drijver kwam hem in zijn gedwongen huisarrest nogal eens opzoeken. Daar Dirk’s vader thans zonder verdienste was, had de bles het niet langer kunnen trekken, hem op zulk een dure school te houden, als die aan het Wed. Dirk ging nu school in de Bochtstraat, maar hij was met de verandering verre van ingenomen.
„Zie je!” zei hij, „’t is daar zoo heelemaal anders dan bij ons” (de school aan ’t Wed was voor hem nog altijd zijn school). „Ze bidden daar niet, ze vertellen daar niet uit den Bijbel, en zingen doen ze daar maar twee keer in de week, en dan allemaal versjes, die ik niet ken. Kortom, alles is er anders, àlles! En het meeste mis ik nog meneer Selhof!” zuchtte hij. „Hij was streng, maar ’t was toch ’n beste man. Ik moest nog als strafwerk een les uit het Geschiedenisboekje overschrijven.—”„Daar ben je nou óók vrij van, jongen!””—zei vader.—”„Nee, vader,”” zei ik, „„daar ben ik niet vrij van. Ik heb dat strafwerk verdiend en ik zal het maken óók.””—”„Nou jongen,”” zei vader, „„máák het dan maar!”” En toen heb ik het gemaakt, en ’s avonds heb ik het nog aan z’n huis gebracht. Hij huilde toen ik het hem bracht. „„Dirk””, zeid’ie, „„je bent ’n eerlijke jongen!”” En ik, ik huilde óók, want, jongen, Leo, het spijt me zóó!”
„Nou, vader spijt het óók!” vervolgde hij, terwijl hij met den mouw van zijn jas de oogen afveegde. „„Wat moet er van de godsdienstigheid terecht komen bij zu’kke jongens,”” zeit vader. En dat is wáár. Want dáár geven ze niet veel om! Dat kan ik wel merken. Kwaad benne ze niet, maar ’t benne toch héél andere menschen als meneer Selhof en hier, meneer Bamboe! Hoe ze benne, dat weet ik niet, maar ze benne anders, dat weet ik wel, en ’t is maar jammer van ’t vertellen!”
„Nou, ik zal ’t wel onthouden, wat ik geleerd heb,” ging hij na eenig stilzwijgen weer voort; „maar daar heb je nou Hein Klomp! Die z’n vader is óók wever, en die jongen weet niks!”
„„Jeses!”” zei die gister.
„„Weet je wel eens, wie Jezus was, jonge?”” zei ik.
„„Ja,”” zeid’ie, „„dat weet ik wel, Wed-knol!”” Dat was op mij getroefd, zie je, want ze weten natuurlijk wel, dat ik van ’t Wed kom.
„„Jezus was ’n Roomsche pastoor,”” zeid’ie, „„want ze hebben een beeld van Hem in de Roomsche kerk.””
„„Nou,”” zei ik, „„daar heb je dan een Roomschen pastoor! leelijke vloekerd, dat je bent!”” en meteen gaf ik hem een labberjudas om z’n ooren, dat-ie dacht, dat-ie met molentjes te koop liep, want ik wierd kwaad op den aap. Maar, zooals vader zeit, wat moet er bij zulke jongens nou terecht komen van de godsdienstigheid?”
„Niet veel—tenminste niet, als jij ze op zoo’n hardhandige manier onderwijst, wie Jezus is,” lachte Leo.
„Zeg dàt wel, jonker Leo,” sprak Bamboe, vol bewondering voor het puntige en geestige antwoord. „Ik kan ’t me wel begrijpen,” vervolgde hij vergoelijkend tot Dirk, „dat je boos werd, omdat die jongen den naam van den Heiland misbruikte, maar ’t was toch niet goed. Toen de Heer eens met Zijn discipelen in zekeren kampong kwam, wilden de menschen Hem niet eens nachtverblijf geven, zegt het Boek. Johannes en nog één zeiden: „„Meester, wilt Gij, dat wij vuur van den hemel laten neerdalen, om dezen kampong met alle menschen die er in zijn te verteren?”” Maar de Heiland sprak: „„Gij weet niet van hoedanigen geest gij zijt!”” De Geest van Jezus, jongens, is een Geest van zachtmoedigheid en geen geest van onnoodig klappen uitdeelen.”
„Misschien heeft de Heer wel dáárom toegelaten, dat je daar naar school moest, opdat je die kinderen op een betere manier zoudt leeren, wie Jezus is.”
„Och, meneer Bamboe,” antwoordde Dirk mistroostig, „hoe kan ik dat nou doen?! Ze zouden mij uitlachen. Als ik nou eens gróót was, ja, dan, dan....!”
„Welnu,” zei Bamboe, die niet zoo kortzichtig was, dat hij voor dit bezwaar niets zou gevoelen, „als je ze dan ’s Zondagsmiddags eens hier bracht? Dan hebben Leo en ik toch ons vertel-uurtje, en wij kunnen daar best een stuk of wat jongens bij velen.”
Dirk beloofde, dat hij Zondagmiddag met zeven jongens van de school uit de Bochtstraat zou verschijnen.
„’t Is toch jammer, dat Dirk niet meer bij ons school gaat, hè, Bamboe?” zei Leo, toen de bezoeker weg was.
„Dat is ’t wèl!” zei Bamboe.
Nadenkend keek Leo eenigen tijd het Wed over.
„Hoeveel schoolgeld betalen wij eigenlijk, Bamboe?” vroeg hij eindelijk.
„Dertig cent, jonker!”
„’t Is toch niet veel, Bamboe!”
„Voor ons gelukkig niet, Leo, maar voor zulke menschen is het veel,” zei Bamboe.
„’t Is net mijn zakgeld, Bamboe.”
„Net,” zei Bamboe.
Weer keek Leo eenigen tijd over het Wed en tuurde tusschen de takken der kale boomen door naar den hemel, waar het avondrood reeds zijn purperen vegen trok tusschen de eerste zilveren sterren, die fonkelden op het donker blauw der lucht.
Leo begon de sterretjes te tellen: „Een—twee—.... acht en twintig, negen en twintig,.... dertig! Ja, net dertig. Dertig mooie gouden centen, het schoolgeld voor Dirk Drijver.”
En de maan stak haar breed en goedig gelaat boven de huizen uit en glimlachte en knikte, en scheen met haar breeden mond te zeggen: „Ja, ja, doe het maar, Leo, doe het maar, ’t is net dertig!”
En Bamboe zei niets, maar hij keek in de schemering Leo aan, of Leo het doen zou.
„Maar mijn kerk-centen dan, Bamboe,” zei Leo, die meende, dat Bamboe óók wel wist, wat de maan hem geraden had; „ik moet toch centen hebben voor de kerk?”
„Ja, dat moet je,” zei Bamboe.
„Als ik die nu uit mijn spaarpot nemen mocht,.....” zei Leo aarzelend.