Chapter 5 of 11 · 3957 words · ~20 min read

Part 5

„Dat mag je,” antwoordde Bamboe. „Ik geloof, dat je pa het goed zou vinden, dat je in dit geval je spaarpot eens aansprak.”

„Dan wil ik het doen,” zei Leo beslist, en stond op om de blinden te sluiten.

„Leo, Leo!” riepen de beide papegaaien, die in het naaste vertrek zaten, en nu door het gerucht uit hun eersten slaap werden opgeschrikt, „Leo, Leo, flinke jongen, flinke jongen!”

„Dijam, Dijam [15], Jok en Plok!” gebood Bamboe den papegaaien; „het Boek zegt: „„Prijs uwen vriend niet in zijn aangezicht!”” De papegaaien deden echter als vele menschen, die toch meer verstand hebben dan een papegaai: zij stoorden zich niet aan de vermaningen uit „het Boek” en waren niet eerder tot bedaren te brengen, dan nadat de drukte van het blinden-sluiten voorbij was en Bamboe de nachtkap over de kooi had gehangen.

Leo bleef ondanks de koude nog even buiten staan, en zag weer op naar de sterren. Hij dacht terug aan den tijd, toen hij in het heerlijke Insulinde, onder de open verandah gezeten, aan de zijde van zijn vader en moeder zoo dikwijls naar denzelfden hemel had opgezien. De sterren hadden dáár in oneindig grooter aantal en pracht geschitterd dan hier, maar hier glansden zij toch even vriendelijk, ja, dezen avond nòg vriendelijker dan ginds.

En het was den bruinen weesknaap, alsof daar een stem tot hem fluisterde: „Tel ze!”

En hij telde ze; maar nu waren er veel meer dan dertig, véél meer!

Toen hij weer in huis kwam, was zijn hart vol vrede. En toen hij enkele uren daarna onder de warme dekens insliep, droomde hij, dat zijn pa en moe bij hem stonden, allebei in een wit gewaad, dat nog veel heerlijker blonk, dan de sterren aan een Indischen hemel blinken.

„Je moogt ze uit je spaarpot nemen, hoor Leo!” zei zijn pa; en zijn moe lachte hem vriendelijk toe, en kuste hem zachtjes op het voorhoofd.

Den volgenden ochtend moest Naatje een brief van Bamboe brengen aan meneer Selhof, en dienzelfden middag moest de meid van meneer Selhof met het volgend schertsend briefje naar het huis van Drijver:

„Waarde Vriend Drijver,

Het bevreemdt me zeer, dat Dirk niet op school komt. Hedenmorgen heb ik voor een maand schoolgeld voor hem ontvangen, maar de jongen zelf blijft weg. Hoe zit dat toch?

Met vriendelijke groete,

Uw dw. P. Selhof.

Weverstede, 14 Januari 1876.”

Men begrijpt, met welk een bevreemding dit schrijven ten huize van Drijver gelezen werd. Vliegensvlug liep Dirk naar het Wed, om te vernemen wat dit moest beteekenen, en hoe meneer Selhof aan schoolgeld voor hem was gekomen.

„Ja jongen,” zei hij, „dàt mag ik niet zeggen. Ik heb het ontvangen van iemand, die veel van je schijnt te houden. En die onbekende vriend heeft me beloofd, dat hij voor je zal blijven betalen, net zoolang tot je vader weer werk heeft. Je kunt dus je oude plaatsje, naast Leo van Dintelburg, weer innemen, tenminste als je zin hebt!”

Nu, daar behoefde meneer Selhof niet naar te vragen; en boven de wolken van blijdschap snelde Dirk naar Leo, om dezen de heugelijke tijding mede te deelen.

Maar al ging hij nu de school uit de Bochtstraat weer verlaten, hij vergat toch niet wat hij aan Bamboe beloofd had, voor de jongens van deze school te zullen doen.

Klokslag twee uur stond hij des Zondags met zeven jongens voor de deur.

Leo deed open.

„Komt er maar in, jongens,” zei hij.

„Nee, ik wil niet!” zei een van de jongens.

Leo keek vreemd op.

„Wat doe je dan hier te komen?” zei hij.

„Omdat ik moet,” zei de jongen.

„Ja zeker moet je!” kwam Dirk tusschenbeide, „en er in óók, vooruit!”

En meteen duwde hij de jongens als een kudde schapen de gang in.

Terwijl Leo de knapen in de kamer liet en hun elk een stoel aanbood, vroeg Bamboe in de gang aan Dirk: „Maar Dirk! hoe kom je er toe, om die jongens mee te nemen als ze er toch geen zin in hebben?”

„Wel, ze moeten, meneer Bamboe, ze moeten! Want, zooals vader zeit, wat moet er van de godsdienstigheid bij zu’kke jongens terecht komen? ’t Benne heidens, zeit vader.”

„Maar hoe krijg je ze méé?” vroeg Bamboe verder.

„Wel, meneer Bamboe, dat is nog al natuurlijk. Ik heb gezeid: „„Hoor eens jongens, als je niks anders leert als nou, dan komt er niemendal van je terecht. Ik zal Zondagmiddag hier in de Bochtstraat komen, en dan moeten er zeven van jullie mee, naar een meneer, die jullie heel mooi vertellen zal.”” En nou ben ik vanmiddag gegaan en ik heb gezegd: „„Jij en jij en jij, kom mee!”” Een paar jongens hadden er wel zin in, maar anderen wouên niet. Toen heb ik gezegd: „„Mee moet je! en als je het niet doet, kan je een pak slaag krijgen!”” En zóó heb ik ze meegebracht!”

Bamboe moest glimlachen om deze vreemde toepassing van het woord der Schrift: „Dwingt ze om in te gaan.” Maar dewijl er zelfs wel koningen en pausen en predikanten zijn geweest, die dat woord verkeerd hebben toegepast, kon Bamboe het niet euvel duiden, dat deze eenvoudige weversjongen het óók foutief opvatte. Straks zou hij Dirk wel beduiden, dat dit „dwingen” door de liefde, en niet door middel van een pak slaag moest plaats hebben. Nu trad hij de kamer binnen, om de jongens vooreerst wat op hun gemak te zetten.

Bamboe behoefde echter niet binnen te gaan, uit vrees dat de jongens zich daar anders zouden vervelen, want er viel in het ruime vertrek genoeg te zien.

Twee van de wanden waren ingenomen door glazen kasten, waarin zich allerlei vreemdsoortige voorwerpen bevonden: buitengewoon groote kapellen van zonderlinge vormen en kleuren,—gedroogde planten en vruchten,—steenen en houten beeldjes,—geraamten van dieren, schelpen en allerlei voorwerpen van kunst en smaak, waarvan de jongens zelfs de bestemming niet konden raden. Naast en tusschen deze kasten stonden langwerpige tafels, die eveneens met allerlei zaken waren bedekt; en in de hoeken stonden stellages met sierlijk opgezette vogels, van de kleine kolibri en het rijstvogeltje af tot den prachtig gevederden paradijsvogel toe. In een anderen hoek lag een bont tijgervel op den met taf bedekten vloer uitgespreid, met zijn glazen oogen fel door de kamer glurend en de scherpe, witte tanden glinsterend in den dreigend geopenden bek.

„Jongens,” begon Bamboe, „ik heb jullie laten vragen om hier te komen, omdat ik jullie wilde vertellen uit het goede Boek, dat God aan de menschen gegeven heeft. Naar ik hoor, had je daar echter allemaal niet evenveel zin in. Maar je bent heelemaal vrij, hoor jongens, en als je ’t liever niet doet, dan mag je gerust weggaan.

„Maar ik zie jullie hier zoo nieuwsgierig rondkijken, dat het, dunkt me, beter is, dat we je in de gelegenheid stellen, eerst hier alles eens goed te bekijken. Kom, Leo, laat jij de jongens eens alles zien en verklaar ze wat het is.—Of wil je soms liever naar huis, jongens?” vroeg hij.

Geen van de jongens had daar echter zin in. Ieder was nieuwsgierig om deze kleine Indische tentoonstelling eens te bezien,—en Leo begon.

Misschien zullen we later gelegenheid hebben, ook onze lezers in gedachten deze zaal eens rond te leiden. Wanneer ze echter eens te Rotterdam mochten komen, is het nog beter, dat ze dan een bezoek brengen aan het „Land- en Volkenkundig Museum”, want dáár bevindt zich een prachtige en veel rijkere verzameling van voorwerpen uit het schoone Insulinde, dan in het huis van Leo en Bamboe werd aangetroffen.

„En nu, jongens,” sprak Bamboe, nadat het merkwaardigste van de kleine, maar keurige uitstalling bezichtigd was, „nu zullen we eens een lied zingen.”

Leo zette zich voor het orgel, en Bamboe deelde een viertal liederen-boekjes uit. „Zoekt maar eens op: nummer 35:

„Rots der Eeuwen, troost in smart, „Laat mij schuilen aan Uw hart; „Wees voor mijn beangst gemoed „Tot verberging in den vloed; „Laat me in ’s werelds golfgeklots „Niet verzinken, Sterke Rots!”

„Weet je, jongens, wie die Rots der Eeuwen is?” vervolgde Bamboe. „Dat is Jezus!”

Hij sprak dezen naam met zooveel heiligen ernst uit, dat de knapen met eerbied tot hem opzagen.

„Weet je, wie Jezus is?” vervolgde hij. „Hij is de Zoon van God. Hij had ons lief, lang vóór we geboren waren. En uit liefde tot ons kwam Hij op aarde, om voor ons te sterven. Maar Hij is opgestaan uit den dood, en nu staan Zijn voeten in de stad, die gouden straten en paarlen poorten heeft.

„En dáár bereidt Hij nu een plaats voor allen, die Hem liefhebben en op Hem betrouwen.

„Maar, al is Hij niet meer hier op aarde, Hij is toch zóó machtig, dat Hij ook uit den hemel ons nog altijd helpen kan, in welk gevaar wij ons ook mogen bevinden.

„Daarom wordt Hij in het lied, dat wij gaan zingen, een „Sterke Rots” genoemd.

„Op vele plaatsen van Java’s Zuidkust rijst het land bijna loodrecht tot ontzaglijke hoogten uit de zee op. Aan deze steile rotswanden bouwt de salangaan, een soort van klipzwaluw, haar nest. Die nesten zijn eetbaar, en vooral de Chineezen beschouwen ze als een lekkernij, die ze niet licht te duur kunnen betalen. (Leo toonde den jongens een opgezet exemplaar van deze vogels en ook zoo’n eetbaar nestje.) Er zijn inlanders, die deze nesten verzamelen, maar het is een levensgevaarlijk werk om dat te doen. Voorzichtig daalt zoo’n arbeider langs de steile helling af, tot een diepte van honderden meters, tot hij eindelijk zóó laag komt, dat het stof van de bruisende branding hem in wolken hult en de golven als woedende tijgers aan zijn voeten omhoog springen. Wat is er, dat nu den stouten klimmer voor een gewissen dood bewaart? De—rots! Met handen en voeten klemt hij er zich aan vast, en hij verzet geen hand of voet, of hij plaatst ze tusschen de spleten en op de uitstekende punten van de rots.

„Jongens, ook jullie leven is zulk een tocht boven de golven. Ook jullie zult iets moeten hebben om je aan vast te houden. Welnu, de ware en hechte steenrots, waar wij tegen kunnen schuilen, is Jezus, en dáárom zullen wij nu zingen:

Rots der Eeuwen, troost in smart, Laat mij schuilen aan Uw hart!”

Nadat Leo de melodie een paar malen had voorgespeeld, konden de jongens het reeds vrij aardig zingen.

Daarna ging Bamboe voor in een eenvoudig gebed.

Voor het vertel-uurtje had hij bestemd de gelijkenis van den barmhartigen Samaritaan.

Bamboe was, zooals wij reeds zagen, een man met een waarachtig vroom hart. Hij bezat daarenboven een groote mate van Schriftkennis en een zeer gezond oordeel. Maar kennis van wat men de Bijbelsche Archeologie noemt had hij bitter weinig, en alles, wat hij in de Schrift las, stelde hij zich dan ook voor, niet als plaats hebbend in een Palestijnsche maar in een Indische wereld. De levendige verbeeldingskracht van den Javaan had hem de Bijbelsche figuren laten zien, niet als levend in een vreemd land, maar in zijn eigen omgeving. Zacheüs, de tollenaar, bijvoorbeeld was voor hem niet geklommen in een vijgeboom, maar in een kokospalm, zoo een als er stond bij den weg tusschen Ta-Sikao en Modjo-Katerdja;—de vader van de twee ongelijke zonen sprak niet: mijn zoon, werk heden in mijn wijngaard, maar: plant heden padi op mijn sawah!

Hierdoor kwam er in Bamboe’s vertellen veel voor, waarover een gestudeerd man zijn hoofd zou schudden, en ook veel, dat de jongens niet begrepen, maar aan den anderen kant zette deze eigenaardige manier van vertellen aan zijn verhalen een zeer bijzondere levendigheid bij en het onbegrijpelijke, dat er in voorkwam, prikkelde juist de jongens nog tot grootere opmerkzaamheid.

Den volgenden Zondag had Dirk Drijver geen bedreiging met een pak slaag noodig om de jongens mee te krijgen, ja het was zelfs niet eens noodig ze in de Bochtstraat te gaan opzoeken: reeds een half uur vóór den tijd stonden er wel een veertig knapen bij Bamboe voor de deur te wachten. Natuurlijk had deze geen enkele kamer, waarin hij er zoovelen kon bergen; en den derden Zondag werd er dan ook niet verteld bij Bamboe aan huis, maar in de school van ’t Wed, die daartoe bereidwillig door het schoolbestuur was afgestaan.

Een Zondagsschool was in die dagen, vooral in de streek waar Weverstede ligt, nog iets vreemds, maar nu zij er eenmaal was, nu kwam het pas uit, hoeveel er aan het godsdienstonderwijs van de kinderen uit de arbeidersbuurten te kort kwam.

Bamboe arbeidde onder deze verwaarloosde jeugd met onverdroten ijver.

„De blanke menschen hebben eerst het Evangelie gebracht aan de bruinen,—het is niet meer dan billijk, dat de bruinen het op hun beurt terugbrengen aan de blanken, waar dit noodig is,” zeide hij.

Niet alleen dat hij de kinderen op de Zondagsschool ontving, maar hij bezocht ze ook in hun woningen. Bij menig ziek- en sterfbed van blanke kinderen kwam deze eenvoudige bruine man op zijn eigenaardige wijze licht ontsteken in de duistere schaduwen van krankheid of dood. En waar men in het eerst om zijn kleur eenigen weerzin jegens hem gevoelde, daar veranderde die spoedig, als men bemerkte welk een blank en liefhebbend hart hij onder dat donkere uiterlijk met zich omdroeg.

Eén ding was er echter, dat bij dit alles Leo wel een weinig ontrustte: die droge kuch, die maar niet wijken wilde, en Bamboe’s steeds toenemende magerheid.

„Bamboe,” zei hij eens, „je spant je veel te veel in. In huis doe je werk genoeg voor één man en buiten genoeg voor twee,—dat is te veel!”

„Och Leo,” antwoordde de Javaan, „ik moet werken zoolang het dag is. De nacht komt, waarin niemand werken kan.”

HOOFDSTUK VII.

LEO GAAT RUPSEN ZOEKEN EN VANGT EEN HOLLEND PAARD.

„Rudolf!” zei mevrouw Van Dintelburg, terwijl zij van haar handwerkje even opkeek en haar zoon languit op de sofa zag liggen, „Rudolf, wat lig je daar toch lui! Heb je je thema’s al gemaakt en je aardrijkskundige les geleerd? Je weet, jongen: over drie maanden is het examen voor de Hoogere Burgerschool, en we zouden je graag terstond in de tweede klas geplaatst zien.”

„Och, mama,” antwoordde Dolf, terwijl hij nog wat gemakkelijker houding aannam, „wat maal ik toch om dat studeeren! Ik heb dat immers niet noodig!”

„Zoo, zoo, jonkertje, heb jij dat niet noodig?” sprak de heer Van Dintelburg, die juist de kamer binnentrad en het laatste gezegde gehoord had.

„Welneen, papa,” antwoordde Dolf, „al dat studeeren, papa, dat is goed voor jongens uit het plebs! Maar voor mij....!”

„Maar jongen, waarmee denk jij dan de wereld door te komen?” vroeg zijn vader.

„Met mijn geld!” sprak Dolf, en zette daarbij zulk een hooge borst, als alleen de zoon van zulk een rijk en voornaam man als de heer Van Dintelburg kon zetten.

Rudolf’s pa glimlachte, want het streelde zijn ijdelheid, te weten dat Rudolf wel eenigszins gelijk had en dat een jonge Van Dintelburg het niet noodig had, door middel van studie en arbeid zich een positie in de maatschappij te verwerven.

Toch wilde hij Rudolf in diens onverschillige luiheid niet sterken, door deze gedachte uit te spreken en hem gelijk te geven.

„Hoor eens, jongen,” zei hij, „met geld alleen brengt men het niet ver. Kennis is meer waard dan rijkdom.”

„Nu,” merkte Dolf droogjes op, „als ik tusschen die beide moest kiezen, zou ik dan toch maar aan rijkdom de voorkeur geven. Daar heb je nu Deurloo en Selhof en Tannekens, en hoe al die schoolvossen verder mogen heeten, ze hebben een hoofd vol met kennis, zóó vol, dat ze er allen dag aan dertig, veertig jongens uitdeeling van kunnen houden, en wat zijn ze in de wereld?—Kale jakhalzen, en anders niet!”

Meneer Van Dintelburg wist niet, wat te antwoorden. Want hoe streng hij ook was jegens zijn arbeiders, tegenover zijn kinderen was hij al te zwak en te toegevend. Daarbij wijdde hij zich zóó geheel en al aan zijn zaken, dat er voor toezicht op zijn kinderen bijna geen tijd overschoot. En het eerste gevolg daarvan was, dat hij dan ook weinig invloed op hen uitoefende.

„Maar Rudolf, al is ’t niet voor ’t geld, dan moet je je toch inspannen terwille van de eer!” sprak hij eindelijk. „Wat zou je er van zeggen, als de jongens uit het plebs je op school eens voorbij schoten en je op den koop toe gingen uitlachen?”

Voor de eer was Rudolf zeer gevoelig. „Nu papa,” zei hij, „ik zal wat gaan studeeren; maar als ik met mijn werk klaar ben, mag ik dan de Hongaarsche pony’s eens voor het wagentje probeeren?”

„Nee, jongen,” kwam nu mevrouw angstig tusschenbeide, „niet met de pony’s. We hebben ze maar pas en zelfs je papa kan ze nauwelijks meester worden.

„Je kunt den stalknecht zeggen, dat hij Hans voor den ezelwagen spant, en neem dan Henriëtte mee.”

„Ja, nu Jet mee moet, nu moet ik natuurlijk weer met den ezel rijden; stap.... stap.... kom ik er vandaag niet, dan kom ik er morgen,” bromde Rudolf.

„Hoor eens, Rudolf,” brak meneer Van Dintelburg het gesprek af, „veel tijd voor praten heb ik niet, en dus kort en goed: den ezel kun je nemen, maar de pony’s krijg je niet.”

„Nu, zooals u wilt, papa,” antwoordde Dolf; maar terwijl hij de trap opging naar zijn kamer, mompelde hij bij zichzelven:

„Hoor eens, kort en goed: de pony’s krijg ik wèl!”

„Jet, ben je klaar? We gaan rijden!” riep hij, toen hij na een uurtje zijn les zoowat had overgekeken en een bladzijde van zijn dicté-boek had volgeklad.

Henriëtte, die een jaar jonger dan Rudolf en een heel lief meisje was, zat al op hem te wachten en beiden sloegen het pad in naar het koetshuis.

„Jacob,” zei Dolf tot den stalknecht, „we mogen van Papa gaan rijden met de pony’s.”

„Met de pony’s, jonker?” riep de knecht van verbazing uit, „meneer kan ze zelf amper de baas blijven!”

„Kom, kom!” zei Dolf, „ik zal ze er wel onder krijgen, laat dat maar aan mij over. Span maar gauw in!”

„Nu jonker,” zei Jacob, die den jongen heer Van Dintelburg net zoo min ongehoorzaam durfde te zijn als den ouden, maar die het met een dergelijken rit toch „een gat in ’t hoofd” zag,—„beide pony’s, dat zullen we toch maar niet doen. U weet, Anny is de wildste van de twee en zij heeft net haar rechtervoorpoot wat geforceerd; ze moet een paar dagen rust houden. Ik zal er dus alleen Meta maar voorspannen.”

„Rudolf,” vroeg Henriëtte bezorgd, „heeft Papa werkelijk gezegd, dat je de pony’s mocht nemen? We rijden anders altijd met Hans, en ik meende, dat Mama zei....”

„Och, Jet, zanik nou niet, we rijden met Meta en daarmee uit! Ik zal wel zorgen, dat je goed en wel weer thuiskomt, hoor, bange nuf!” was het antwoord.

Henriëtte steeg in en nam plaats op het achterste bankje. Rudolf nam de teugels, en nadat Jacob den pony een eindje bij den toom had geleid, stapte het paard zoo bedaard voort, dat alle vrees bij Henriëtje week.

Even buiten de achterpoort kwamen zij Leo tegen, die met Dirk Drijver een wandeling deed. Leo had een botaniseer-trommel bij zich. De jongens hadden uit de school-bibliotheek het mooie boek van Heimans en Thijsse „Van Vlinders, Bloemen en Vogels”* gelezen, en waren nu op reis om brandnetels te zoeken, waar rupsen op zaten, want ze wilden probeeren of ze ook niet den schoonen vlinder „Prinses Atalanta” konden kweeken.

„Zoo, plebbers, gaat uit den weg!” schreeuwde Dolf den jongens toe.

„Zou je zoo’n trotschen aap niet uit den wagen trekken en hem een pak slaag geven?” zei Dirk.

„Als je hem daarmee kondt genezen, ja, dan wel! Maar ik vrees, dat het niet veel helpen zal en dat Rudolf, zooals Bamboe altijd zegt, door ondervinding moet leeren,” antwoordde Leo.

Beide knapen sloegen den weg in naar de Leyefabriek, waar zij tegen den muur langs de kade een paar groote brandnetelboschjes hadden ontdekt, die ze nu eens wilden onderzoeken.

„Weet je nog wel, hoe je van den winter op ditzelfde plaatsje een nat pak hebt gehaald, Leo?” vroeg Dirk.

„Of ik het weet!” antwoordde Leo, „en als ik het soms vergeten zou, dan is één blik op Bamboe voldoende om het mij weer te binnen te brengen, want Bamboe is na dien tijd nooit meer gezond geweest.

„Doch zie eens! wat is dat?—Een paard op hol! Het komt recht op ons af,” riep hij plots uit, en wees den weg op, die langs de fabriek winkelhaaks op de kade aanliep.

„Bewaar ons,” was Dirk’s uitroep, „het is Dolf van Dintelburg. Kijk eens, kijk eens, het paard is woest!”

Inderdaad, de pony scheen wel dol geworden te zijn. Met loshangende teugels holde hij in blinde vaart recht op de kade aan, het rijtuig met razende snelheid achter zich aansleepende.

Ook op het kantoor, dat een eind verder vlak bij den weg stond, had men opgemerkt, hoe de pony, die waarschijnlijk geschrokken was van de rookwolken uit de fabriek, plotseling op hol was geslagen. De heer Van Dintelburg snelde zelf met nog een paar anderen naar buiten, maar hij kwam, helaas, te laat om het wilde Hongaarsche paard nog tegen te kunnen houden.

„Help, help!” riep Dirk, „o Leo, hij zal verdrinken op dezelfde plaats, waar hij jou door ’t ijs heeft laten zakken!”

„Als God en onze armen het tenminste niet verhinderen!” zei Leo, terwijl hij het razende en schuimbekkende dier kloekmoedig in den weg trad.

Nog slechts enkele stappen, en paard en rijtuig zouden van de steile kade in de rivier storten.

Leo vloog met uitgebreide armen naar voren. Dolf, het gevaar ziende, richtte zich op, sprong uit het rijtuig en viel met een zwaren smak voorover in het grint. Maar op hetzelfde oogenblik had Leo de teugels gegrepen en liet hij zich aan den kop van het paard meesleepen.

„Leo, laat los, laat los! je gaat zelf ook mee de Leye in!” schreeuwde Dirk.

Doch op hetzelfde oogenblik bleef de pony staan, met de voorpooten geen anderhalven meter meer van den rand der kade verwijderd.

Met vaste hand liet Leo nu Meta zwenken.

Henriëtte leunde doodsbleek in zwijm achterover in het rijtuig, en Rudolf lag nog altijd plat-uit op den weg.

Dirk wilde hem oprichten, maar de heer Van Dintelburg was alreede toegesneld en beurde zijn zoon van den grond op. Dolfs gelaat zat vol bloed en hij kermde toen men hem poogde op te richten. Voorzichtig droeg men hem naar het kantoor, waar Leo den wagen voor de deur stil deed houden.

Voor Henriëtte werd een glas water gebracht, en toen zij daarvan een weinig gedronken had, kwam zij spoedig weer bij. Voor Rudolf werd een dokter ontboden. Daar het echter bleek, dat, zoo hij al eenige kneuzingen mocht hebben opgedaan, deze toch niet van ernstigen aard waren, liet de heer Van Dintelburg hem voorzichtig in den wagen dragen. Leo geleide nu den pony bij den teugel naar huis.

„En nu, mijn jongen,” sprak de heer Van Dintelburg zich tot hem wendende en hem met warmte de hand drukkende, „door de zorg voor mijn kinderen heb ik nog geen tijd gehad, hun moedigen, jongen redder te bedanken; maar wees verzekerd, dat ik je edele daad nooit, nóóit vergeten zal. Hartelijk, hàrtelijk dank, hoor!”

„O meneer, dat vereischt geen dank,” antwoordde Leo eenvoudig; „ik deed niet meer dan wat iedereen in zoo’n geval zou doen.”

„Nu, mijn jonge vriend, ik betwijfel zeer, of iedereen in zoo’n geval zich zoo moedig voor een hollend paard zou hebben geplaatst, als jij dat hebt gedaan,” was het antwoord.

„Nu, iedereen is ook niet met paarden vertrouwd, maar ik heb met zulke gastjes wel meer omgegaan,” zei Leo, den pony op den hals kloppende. „In Indië reed ik elken dag op zoo’n soort, maar dat was een Makassaar.”