Part 2
„Nee, Leo,” lichtte de onderwijzer in, terwijl hij op het bord schreef, „dat waren geen koolen, zóó,—maar kolen, met ééne o,—zóó! Dit woord: koolen beteekent planten. Je zult ze in Indië waarschijnlijk nooit gezien, en veel minder gegeten hebben, ofschoon ze daar wel groeien, maar hier zul je ze wel eens te proeven krijgen, en een geit lust ze óók wel.”
„En nu een vraag voor jullie, die daar net zoo gelachen hebt,” ging hij voort. „Zeg mij eens: wat is een klapa? Vinger op, wie ’t weet!”
Thans was de beurt van lachen aan Leo, want er was niemand, die het wist.
„Een klapa, meneer,” zei hij, „is een soort van palm, die kokosnoten voortbrengt. Hij groeit in Indië overal.”
„Zie je jongens, zoo krijgt elk zijn beurt. Leo wist niet wat een kool is; jullie wist niet wat een klapa is,—dus sta je met elkaar gelijk, da’s pari, zeggen groote menschen.
„De jonge, opeengerolde bladeren van de klapa worden in Indië als groente gegeten, nietwaar Leo? Welnu, die kost heeft wel overeenkomst met onze kool.
Jij, Dirk Drijver, zult na schooltijd eens met Leo over de groentemarkt loopen, en hem een kool laten zien.”
Toen de school uit was en Leo met Dirk Drijver en nog een paar andere jongens naar de groentemarkt ging, had hij het voorrecht om voor de eerste maal van zijn leven een kool, en voor de tweede maal het gelaat van jonker Rudolf van Dintelburg te aanschouwen.
„Zeg, Bruintje, hoe heet je?” vroeg deze.
„Leo van Dintelburg,” was het antwoord.
„Van Dintelburg?” herhaalde Dolf, „zeg, hou je me voor den mal, of ben je zelf mal?”
„Bevalt die naam je niet?” vroeg Leo.
„Mij wel,” zei Dolf, „maar voor jou is hij te goed, Zwart-van-de-Lamp! Als dat werkelijk je naam is, dan kom je er toch niet eerlijk aan. Wie geeft je het recht om mìjn naam te dragen?”
„Ik denk, mijn vader,” antwoordde Leo droogjes.
„Hou je Hottentotsche familie voor den gek, maar mij niet!” riep Dolf woedend. „Je zult me dien naam teruggeven, of we zullen er om vechten.”
Rudolf was stellig een jaar ouder en vrij wat hooger opgeschoten dan de eenigszins tengere Leo, maar toch was de laatste niet bang.
„Allons,” zei hij, „als je dàt wilt, kom dan maar op!” en meteen zette hij zich schrap, met fonkelende oogen en gebalde vuisten.
„Wat praatje toch van een gestolen naam, jonker Witbol,” kwam Dirk Drijver tusschenbeide; „een naam stelen, dat gaat slecht; maar appelen stelen, dat gaat goed, hé Witbolletje? Ik weet het wel, hoe je laatst in mijn vaders tuin bezig bent geweest en je zakken hebt volgeladen met ooft, waar ik zelf niet eens aan mocht komen! En als je nu wat van dezen jongen moet hebben, dan kun je ’t van mij krijgen, begrepen!”
Dirk Drijver was nogal een pootige baas, en ook de andere jongens maakten zich gereed om zich van hun taak als Leo’s beschermers te kwijten. Rudolf van Dintelburg oordeelde het derhalve niet raadzaam, het aangeboden gevecht te aanvaarden.
„Eén tegen vijf, da’s geen portuur,” zei hij, terwijl hij den knapen den rug toewendde.
„Maar jou, jongen van Drijver,” vervolgde hij, terwijl hij zich eenige schreden verder nog eens omkeerde, „ik zal jou krijgen. Ik zal zorgen, dat je vader van pa z’n fabriek gaat, reken er op, plebejer*!”
En alsof hij meende daarmede iets bijzonder geestigs te hebben gezegd, mompelde hij onder het voortgaan het gewone lijfgezegde van de Achilles-club:
„Ruiken moet je maar!”
HOOFDSTUK III,
WAARIN BAMBOE ZICH BRANDT AAN IJS EN SNEEUW, EN DE JONGENS VAN HET WED EEN FORT BOUWEN.
December was in ’t land gekomen en had kort vóór Kerstmis koude en sneeuw gebracht. Gedurende de heele week hadden bij tusschenpoozen de witte vlokken als blanke duiven langs de vensters gezweefd en zich genesteld op alle takken der kaalgeworden boomen. De daken der huizen waren met een witten mantel omhangen en zelfs de fabrieken, waar anders alles in den omtrek er even vuil en berookt uitzag, droegen thans een rein-blank feestgewaad, waarboven hun donkere rookpluimen omhoog kringelden als zwarte weduwsluiers boven een wit bruidskleed. In het drukkere deel der stad was het heldere winterdek door de voeten der voorbijgangers reeds spoedig vertreden en besmoezeld, maar in de stillere wijken, waar zich het Wed bevond, lag het nog ongerept op tuinen en pleinhekken als een witwollen vacht, opgebold tot wel een voet hoogte.
Gedurende de eerste dagen van koude had Leo gerild in zijn wollen jas, en de eerste sneeuw had hij slechts waargenomen van achter de vensters der voorkamer, waar Bamboe van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat de kachel tot boven toe rood stookte en nòg kou leed.
Maar hoeveel onaangenaamheden ze allebei ook van dezen nooit te voren gekenden winter te verduren hadden, toch hadden zij een open oog voor de schoonheden van het jaargetijde.
De eerste vlokken hadden Bamboe in groote verbazing gebracht.
„Zie eens, Leo,” riep hij uit, „oedjan kepas [2], wie heeft er ooit van gehoord?”
„Neen Bamboe,” sprak Leo lachend, „dat is geen regen, maar sneeuw!”
„Er is stellig een goenoeng [3] ergens aan ’t werken, maar ik heb toch niet hooren rommelen,” zei Bamboe nadenkend.
„Neen Bamboe,” hernam Leo, „vuurspuwende bergen zijn hier niet, en wat je daar ziet stuiven, is dan ook geen asch uit den goenoeng, maar het komt uit den hemel.”
„Dan is de Groote Dag op handen,” zei Bamboe ootmoedig, „want daar staat geschreven in het Boek, dat er vuur en zwavel zal regenen.”
„Neen, Bamboe,” glimlachte Leo, „dat is het óók niet. God maakt de sneeuw niet van vuur, maar van waterdamp, die bevroren is. En dat valt hier in den kouden moeson bijna elk jaar uit de lucht.”
Er was echter heel wat toe noodig om Bamboe aan het verstand te brengen, wat vriezen was, en allerminst kon hij begrijpen dat water in witte vlokken kon veranderen.
„Ja, Bamboe,” zei Leo, „het is toch zoo. Zie maar eens tegen het vensterglas; zoodra de vlokjes er tegen aan komen, veranderen ze in water. Ik zal er eens een handjevol uit de vensterbank halen, dan kan je het zelf zien.”
„Zie maar eens,” vervolgde hij, de kamer weer binnentredende, terwijl hij een sneeuwbal in de hand hield, „het smelt dadelijk door de warmte van de hand.”
„Wel, laat het mij ook eens vasthouden, jonker,” zei Bamboe, maar hij had den sneeuwbal nauwelijks in de hand, of hij wierp hem terstond op den vloer.
„Au, au!” schreeuwde hij, „dat prikt,—dat brandt! Heb ik niet gezegd, Leo, dat het api [4] was?”
„Neen, Bamboe,” lachte Leo weer, „het is geen vuur; kijk maar eens!”
De Javaan keek op den vloer, en toen hij zag, hoe de witte stukjes sneeuw in water veranderd waren, zeide hij eerbiedig:
„Welk een wonder, jonker Leo, welk een wonder! Dat doet Jehovah! Hij is groot! Hij is zeer groot! Nu ik mij wel bezin, heb ik datzelfde goedje op Java nog eens gezien. Het was op den top van den Slamat, maar ik was er te ver van af om het goed te kunnen waarnemen, en ik meende zoowaar, dat het witte asch was, die de berg had uitgeworpen.”
„Ik had het nooit anders gezien dan op een plaatje,” zei Leo,—„je weet: Pa had allerlei platen over Nederlandsche toestanden en zeden, die hij mij op de les liet zien, maar ik had toch niet gedacht, dat het zoo mooi wit zou zijn. Nu versta ik pas goed den tekst, dien ik eens geleerd heb: „Hij geeft sneeuw als wol!””
„En ik pas dien anderen, jonker Leo: „Wasch mij, en ik zal witter zijn dan sneeuw!”” sprak de Javaan.
De nacht daarop bracht de eerste vorst, en den volgenden morgen vond Leo een kleine hoeveelheid water, dat in een kannetje achter het huis gestaan had, bevroren.
„Zie eens, Bamboe,” zei hij, terwijl hij het kannetje kwam aandragen, „dat is nu ijs!”
De Javaan sloeg zijn handen in elkaar.
„Welk een land is het hier toch!” zei hij. „De boomen verliezen hun bladeren en gaan dood; er regent katoen uit den hemel en het water verandert in steen!”
Toen hij het ijs aanraakte, schreeuwde hij weer van pijn en riep: „dat prikt óók alweer! ’s Morgens vroeg prikt de kachel, als ik haar aanmaak; de steenen in de gang prikken, de knop van de buitendeur prikt, de sneeuw prikt, en het ijs prikt nog het meest van al. Alles prikt hier in dit land!”
Ook Leo was geen vriend van ijs en sneeuw, maar toen zijn kameraads zooveel plezier hadden in „de witte wereld”, kon hij toch niet nalaten óók eens mee te doen, al moest hij dan ook dikwijls in zijn handen blazen of ze bij de kachel weer wat lenig maken.
Toen hij Donderdagsmorgens de hand leende bij het maken van een reusachtigen sneeuwman vlak voor de school, zag hij Dolf voorbijkomen, die natuurlijk niet naliet een welgemikten sneeuwbal op hem af te zenden.
’s Middags lekte het reeds uit, dat Dolf met nog een stuk of wat jongens van de School voor Meer-uitgebreid Lager Onderwijs aan de Oude Weversstraat, het plan hadden opgevat, den Indischen jongen „bij gelegenheid eens flink in te zeepen”.
Dirk Drijver had er het eerst van gehoord. „Ik zou wel zin hebben,” zei hij, „om die jongeheertjes zelf eens een dikke beurt te geven, en me dunkt, als ze wat tegen Leo beginnen, moest dat maar gebeuren óók.”
Alle jongens van de school aan het Wed hechtten hun zegel aan dit voorstel.
Er bestond namelijk reeds sinds langen tijd een veete tusschen de scholieren uit de Weversstraat en die van het Wed.
De school van het Wed was gevestigd in een paar huizen, die vroeger aan den ouden heer Van Dintelburg hadden behoord, en die daartoe natuurlijk een verbouwing hadden moeten ondergaan. Het kapitaal daartoe was geschonken door iemand, die onbekend had wenschen te blijven bij het groote publiek. Hoewel er niet bepaald jongens van rijke ouders op gingen, zoo kon toch, jammer genoeg, het schoolgeld niet zóó laag worden gesteld, dat arbeiderskinderen er gebruik van konden maken, en Dirk Drijver, die de éénige zoon was van een wever, was dan ook de éénige weverszoon, die deze school bezocht. Met de leerlingen van de andere scholen in Weverstede waren de jongens van meneer Selhof op zeer goeden voet.
De knapen van de school voor M. U. L. O. vormden hierop echter een uitzondering. Het was de school voor de „voornaamste” kinderen van de stad, en stond dan ook bekend als het „Instituut voor kinderen uit den beschaafden stand”. Leerlingen van deze school waren o. a. Rudolf van Dintelburg, Prosper van den burgemeester, en al de andere leden van „Achilles”, waarmee wij in het eerste hoofdstuk hebben kennis gemaakt.
Natuurlijk bleef het voornemen van de jongens van het Wed voor de knapen van het Instituut niet verborgen, en even natuurlijk was het, dat er ook den onderwijzers iets van ter oore kwam.
„Hoor eens, jongens!” sprak meneer Selhof, „sneeuwballen is een pleizierig spel; ik weet daar uit mijn jeugd nog alles van. Maar bedenk, dat andere menschen daar geen pleizier in hebben. Wil je dus sneeuwballen werpen, doet het dan onder mekaar. En doet het dan niet uit haat en nijd, maar laat het een spel blijven en een eerlijk spel. Eerlijk, niet alleen onder mekaar, maar ook eerlijk jegens jongens van andere scholen. Zoolang het bij spel blijft, is het niet af te keuren, maar als het op een vechten aangaat, dan is het slecht! God heeft ons niet geroepen tot twist, maar tot vriendschap en liefde.
„Nu we toch „schoonschrijven” hebben, moet je allen maar eens overschrijven, wat daar op het bord staat, en het dan goed onthouden en in toepassing brengen óók.”
Elk van de jongens schreef nu de volgende
Regelen voor het sneeuwbal-spel.
1o. Gebruik nooit harde ballen, veel minder sneeuwballen met een steen er in. 2o. Gooi nooit naar oude menschen of naar meisjes en kleine kinderen. 3o. Mik nooit op iemand van achteren; dat is valsch. 4o. Werp nooit zonder uw tegenpartij vooraf te hebben gewaarschuwd; een sneeuwbal, die onverwacht aankomt, kan evenveel kwaad doen als een steen. 5o. Zorg dat een sneeuwbal niet tegen deuren of vensterruiten terecht komt.
Ook meneer Deurloo, de directeur van het Instituut, sprak in denzelfden geest. Door dit alles werd een formeele vechtpartij gelukkig voorkomen. Sneeuwballen zou men,—school tegen school! Maar van elke school kwamen de drie oudste jongens samen, en stelden vast, dat het een vriendschappelijk gevecht zou blijven en dat men zich houden zou aan de regelen, door meneer Selhof en meneer Deurloo gegeven. Voorts werd er overeengekomen, dat het gevecht plaats zou hebben op het Wed, des Zaterdagsmiddags van half twee tot drie uur. Elke school zou zijn eigen generaal en officieren kiezen, en omdat de jongens van de school van meneer Selhof het zwakst in aantal waren, zouden ze zich mogen verschansen, en de jongens van het Instituut zouden die verschansingen trachten te vermeesteren in een aanvallend gevecht. Wie in dezen strijd „met de hand ingezeept” werd, zou verplicht zijn zich gevangen te geven.
Het terrein was tot het leveren van zulk een veldslag uitnemend geschikt.
De stad Weverstede, moet men weten, was langzamerhand ontstaan uit groepen van huizen, die eerst, bij wijze van dorpen, naast elkaar lagen. Gaandeweg echter werd de grond, die tusschen deze dorpen in lag, meer bebouwd, ’t geen niet verhindert dat men altijd nog zeer goed kan zien, op welke plaats ongeveer elk van die vroegere dorpen zijn grenslijn heeft gehad. Er zijn daar nog altijd plekken, die minder dicht bebouwd zijn, en open vakken, die moeten blijven liggen, eenvoudig omdat men er geen straat zou kunnen aanleggen, die in verbinding met andere straten staat. Een dezer open plekken is het Wed, zoo geheeten, omdat het een laag gelegen, komvormig stuk grond is, waar in vroeger tijd, wanneer het riviertje de Lange Leye maar eenigszins van water voorzien was, de paarden naar hartelust konden rondplassen.
In den tijd, waarin ons verhaal speelt, had dit gebruik van het Wed reeds lang afgedaan. De Leye was door een dijkje afgedamd, en op het lage grasveld prijkten reeds een aantal statige linden. Aan de noord- en de zuidzijde stonden de huizen met den voorgevel naar het Wed en hadden alle een tuintje voor de deur, maar die, welke aan den oostkant stonden, keerden alle het mooie plein den rug toe, evenals de enkele gebouwen, die zich aan den westkant bevonden. Het vreemdste was nog, dat men het Wed slechts bereiken kon over het bruggetje, dat over de Leye lag. Een plattegrond, dien ik hierbij voeg, zal dit alles den lezer duidelijker maken.
De heele week waren de jongens van ’t Wed nu verder bezig om het terrein in staat van verdediging te brengen, ten einde hun kansen op de overwinning zoo groot mogelijk te maken.
Daar Leo de persoon was, die het eerst door de Instituut-jongens was bedreigd, was het ook niet meer dan natuurlijk, dat hij tot generaal benoemd werd.
Dirk Drijver was zijn adjudant.* Officieren waren Toontje van Tuin, Wim Wessels, Hendrik van Helm en Joost de Korte.
Aanvankelijk was men in den „krijgsraad”, dien de zes jongens onder elkaar belegden, van zins om den toegang tot de brug te versperren; maar toen zij reeds bezig waren een geweldige hoeveelheid sneeuw daar samen te brengen, verscheen er een agent, die den jongens beduidde, dat zij op die wijze ook het verkeer van de groote menschen, die naar het Wed moesten, bemoeilijkten.
Daar kon dus niets van komen.
Thans stelde Leo voor, om een schans te maken vlak voor de speelplaats.
Dit werd aangenomen.
Vlak voor de speelplaats waren kort geleden een aantal niet al te zware boomen gekapt, en die lagen nu opgestapeld tegen de oostelijke schutting. Van meneer Ogée, die er de eigenaar van was, verzocht en verkreeg men de vergunning, deze stammen een eindje te mogen verleggen, om ze op te stapelen tegen de drie boomen, die voor de speelplaats stonden. Het was een zware arbeid, die met vereende krachten ten leste toch uitstekend gelukte. De heele speelplaats was thans afgesloten door een tamelijk hoogen wal van hout, die naar ’s vijands zijde bijna loodrecht omhoog stond en aan den achterkant hellend afliep. Slechts in den hoek was een opening, die, wanneer men een oude deur tusschen de palen inschoof, snel en degelijk kon worden afgesloten.
Donderdagsavonds was dit werk reeds klaar, en niettegenstaande de felle koude moest ook Bamboe, in een dikke, duffelsche jas gehuld, de verschansing komen bezichtigen.
„Baïk bagitoe!” [5] sprak hij bibberend en klappertandend van de koude; „maar jullie moet er nog sneeuw op leggen. Op de sneeuw giet je water; en water wordt steen in dit land; de steen is glad, en de jongens van ’t Instituut tuimelen er af.”
Dit voorstel vond algemeenen bijval, maar men besloot het niet eerder ten uitvoer te brengen dan Vrijdagavond, opdat de krijgslist niet ontdekt zou worden.
„Jongens,” zei Dirk Drijver Vrijdagsmorgens, „nu hebben we wel een vesting, maar we hebben geen kogels. Me dunkt, nu moesten we zooveel mogelijk sneeuw in het fort brengen, dan kunnen we daar morgenochtend een grooten hoop sneeuwballen van klaar maken.” Zoo gezegd, zoo gedaan. Met sleden en schoppen togen de jongens aan het werk, en zij, die daar niet over beschikken konden, zeulden elk hun vracht in een oude mand of een oud vuilnisblik naar het fort.
Het was een algemeene pret, waaraan ook de kleinste jongens en zelfs de meisjes met waar genoegen deelnamen.
„Mogen we nu morgen óók meêdoen, Wim?” vroeg een kleine kleuter van een jaar of zes aan Willem.
„Wel nee, jongen,” gaf Willem ten antwoord, „je kunt nog geen sneeuwbal raak gooien, al was ’t op een olifant, die vlak voor je stond.”
„Dáár dan!” riep het ventje nijdig uit, en wierp den grooten knaap een ferme dot sneeuw vlak in het gelaat.
Al de officieren schoten in den lach en ook Willem lachte zelf hartelijk mee.
„Jij bent een baas hoor, broekie!” zei hij, en duwde den kleinen man schertsend achterover in den sneeuwhoop.
„Nou, màg ik?” hield het ventje aan.
„Op de wallen kunnen wij ze niet gebruiken, maar we kunnen ze, dunkt me, wel bezigen om de ballen te kneden en aan te dragen,” zei Leo.
Met blijdschap werd deze beslissing door de kleinen begroet. Zij zouden zich op den dag van het gevecht achter den wal bevinden, om in oude mandjes of afgedankte schooltasschen de strijdende manschappen van kogels te voorzien.
Daar het de laatste dagen nogal gewaaid had, was er vrij wat sneeuw tegen den Leyedijk opgejaagd.
„Nu, wij hebben sneeuw in ’t fort gebracht, maar als de jongens uit de Weversstraat eenmaal de brug over zijn, dan vinden zij hier genoeg om ons op te trakteeren,” sprak Leo nadenkend, terwijl hij met de andere officieren over den dijk wandelde.
„Laten wij den heelen boel in de Leye gooien,” stelde Dirk voor.
„Dat zal een heel werkje wezen,” was het antwoord, „maar we kunnen er in elk geval een begin mee maken.”
Opnieuw togen de jongens aan het sneeuwscheppen, terwijl de meisjes de opdracht kregen, wat niet verwijderd kon worden, zooveel mogelijk vast ineen te trappen, opdat de vijand het niet licht voor ballen zou kunnen gebruiken.
’s Avonds maakte men, volgens den raad van Bamboe, den bovenkant van den wal met sneeuw effen en besproeide dien door middel van een ouden gieter met water, dat spoedig bevroor, waardoor de voorkant en het bovenvlak van de verschansing zoo glad als een spiegel werden.
Des Zaterdagsmorgens bracht het winterzonnetje juist genoeg dooi, om de sneeuw goed kneedbaar te maken.
Vóór den eten maakten de jongens nog een paar reusachtige sneeuwmannen, die—met heel veel moeite boven op de verschansing tegen de buitenste boomen geplaatst—elk met een langen stok in den arm en een rood papieren schako op het hoofd, met zwarte steenkolenoogen uitdagend over het Wed keken.
HOOFDSTUK IV.
EEN GEVECHT IN DE SNEEUW. BAMBOE MEENT, DAT ER IN SNEEUWBALLEN STEENEN GROEIEN EN DAT DE ENGELEN EEN BRUINE KLEUR HEBBEN.
Het carillon* van den grooten toren had juist kwart over één gespeeld, toen op dien bewusten Zaterdagmiddag voor de Leyebrug twee knapen verschenen, waarvan de een een witte vlag in de hand hield, terwijl de ander, door op een koperen trompet te blazen, de aandacht tot zich zocht te trekken.
„Werda!” weerklonk een stem van achter den Leyedijk.
„Parlementair*!” gaf Pauw van Lockhoff, de jongen, die de vlag droeg, ten antwoord, en terstond op dit zeggen kwam het hoofd van Wim Wessels en daarna diens geheele gestalte boven den dijk te voorschijn.
Hij trad op de beide gezanten toe, bond hun een zakdoek voor de oogen, leidde hen langs het paadje van ’t Wed tot vlak voor de schans, en stelde hen daar, na eerst de oogen ontbloot te hebben, aan den opperbevelhebber voor.
„Generaal,” sprak Pauwtje met waardigheid, „in naam van mijn commandant kom ik Uw vesting opeischen. Indien gij U met Uw manschappen niet binnen een kwartier op genade of ongenade overgeeft, zal het bombardement een aanvang nemen.”
„Ziet onze vesting te nemen als je kunt,” gaf Leo ten antwoord. „We zullen jullie kogels afwachten.”
Op dezelfde wijze geblinddoekt, werd de afgezant weer over de brug gebracht.
Een kwartier later bood de Weversstraat een allerschilderachtigst schouwspel aan. Het waren de troepen van het Instituut, die, op militaire wijze in rijen van vier geschaard, in goede orde naar de Leyebrug oprukten. Voorop liepen een zestal trommelslagers en even zoovele muzikanten, die hun schetterende tonen door de zonnige lucht bliezen.
Een eindje daar achter stapte aan het hoofd van zijn soldaten Rudolf van Dintelburg, de pet versierd met een groote pluim, en een fraaie blikken sabel op zijde.
Naast hem schreed Prosper van Deekelaer voort, zoo deftig als zijn dikke gestalte hem dat veroorloofde. Afkeerig als hij was van veel inspanning, had hij verzocht om dienst te mogen doen als vaandrig, en zwaaide nu met zijn dikke vuistjes het blauwe vaandel van „Achilles” fier boven zijn hoofd.
Wim Wessels, die met een twintigtal jongens, bij wijze van tirailleurs*, achter den dijk lag, om den vijand den overgang over de brug nog zooveel doenlijk te betwisten, zag hoe zij voor de Leye stand hielden. De muziek zwenkte naar achteren, en thans werden de eigenlijke gevechtstroepen zichtbaar. Terstond ontdekte Willem, dat de jongens van het Instituut veel voor hadden boven die van het Wed, wat hun bewapening betrof. Want niet alleen dat de knapen van de Weversstraat, evenals die uit het Wed, allerlei voorwerpen voor het lijf hadden geknoopt, om bij wijze van patroontasschen te worden gebruikt, maar een groot aantal hunner droeg ook nog een schild of iets dat als zoodanig gebruikt kon worden. De vindingrijkheid der jongens had hun hierbij uitnemende diensten bewezen. Enkele hadden den bodem uit een oude wijnmand gehaald en dien van een paar lussen voorzien, om den arm door te steken. Andere behielpen zich met een groot, oud potdeksel, en weer andere droegen een met linnen overtrokken vlieger, om zich achter te verschuilen. Slechts de leden van „Achilles” hadden een schild, dat werkelijk door zijn vorm op dien naam aanspraak kon maken; het was gesneden uit bordpapier en, terwille van de stevigheid, aan den achterkant op een paar kruiselings geplaatste latjes vastgehecht. Op dat van Rudolf prijkte het wapen der Van Dintelburgen: op een veld van goud een rood kasteel, waarlangs een zilveren rivier stroomde, dit alles gedekt door twee gekruiste palmtakken.
Van achter de verschansing kon ook Leo door het paadje van ’t Wed dezen welgewapenden stoet zien naderen.
„Jammer, dat we dáár ook niet aan hebben gedacht!” sprak hij, doelende op de schilden. „Wim Wessels zal een harden strijd hebben aan de brug, en het is te hopen, dat hij maar spoedig terugkomt, als hij het niet houden kan.”
„Ja,” zei Dirk Drijver, „dat is zeker jammer, maar wat kun je er aan doen? Maar ik vind het ook erg flauw om achter zoo’n ding weg te kruipen.—Kijk, daar beginnen ze al!”