Chapter 6 of 11 · 3680 words · ~18 min read

Part 6

„Zoo zoo! ben je uit Indië vandaan?” sprak de heer Van Dintelburg. „Ik meende ook wel aan je kleur te zien, dat je geen geboren Nederlander waart.—Maar je schijnt zoo goed met den pony overweg te kunnen, dat ik wel eens naar het rijtuig kan gaan, om naar mijn jongen wildebras om te zien.

Rudolf kreunde wel een weinig van de pijn in het geschonden gelaat. Ook zijn handen waren over een groot gedeelte ontveld, maar aan zijn been verklaarde hij niet bijzonder veel pijn te gevoelen.

Zoo kwam men aan den Dintelburg. Jacob, de stalknecht, stond reeds bij het hek en nam nu van Leo de teugels over.

Het rijtuig hield voor de stoep stil, en Dolf werd door een paar bedienden naar binnen gedragen.

Leo en Dirk wilden zich nu verwijderen, maar Henriëtte stak hun eerst nog de hand toe.

„Hier,” zei ze tegen Leo, „neem dit van mij aan als aandenken en als bewijs van mijn dank.” En meteen stak ze hem een sierlijk gehaakt beursje met geld toe.

„Nee, dank u!” zei Leo, een kleur krijgende.

„Waarom zou je dat niet aannemen?” vroeg het meisje.

„Zoudt u geld aannemen als u in de gelegenheid waart geweest, iemand een dienst te bewijzen?” vroeg hij.

„Nee, ik niet!” was het antwoord.

„Welnu,” zei Leo, „dan doe ik het óók niet, want we dragen denzelfden naam....”

„Wàt?” kwam de heer Van Dintelburg tusschenbeide, „denzelfden naam?—Hoe heet je dan?”

„Leo van Dintelburg,” was het antwoord.

Een hoog rood bedekte ’s heeren Van Dintelburgs gelaat.

„Wel, jongen,” sprak hij, blijkbaar verrast, „ben jij dat? ben jij dat?—En ben je nu hier? Ik dacht niet, dat je al in het land zoudt zijn. Ik meende, dat het plan was, dat je vooreerst te Batavia zoudt blijven. En leef je nu met dien Javaan ... hoe heet hij ook weer?—Waar woon je?”

„Wed, nommer 36,” zei Leo, die natuurlijk op al deze vragen niet tegelijk kon antwoorden, en daarom alleen maar op de laatste inging.

„Wel, jongens, komt even in huis; na zoo’n moedige daad mag mijn vrouw wel eens kijken of ze niet iets vinden kan, dat je graag lust.”

„Nee, dank u, meneer!” gaf Leo ten antwoord, „we zouden gaan zoeken naar Atalanta-rupsen, en daar ik om vijf uur les heb, zal ik moeten voortmaken, als ik er nog vinden wil.”

„Och neen, jongen,” zei meneer Van Dintelburg, alsof hij zich bedacht en met iets somber-grimmigs in zijn stem, „je moet bij Louis Van Dintelburg ook maar geen voet over den drempel zetten,—je mocht in zijn huis ergens mee besmet worden!

„Maar in elk geval, Leo,” vervolgde hij, opeens veel vriendelijker en met een beweging langs het voorhoofd, alsof hij de wrevelige gedachte van daareven wilde wegvagen, „in elk geval: ik kom je eens opzoeken, en nogmaals: hartelijk dank voor je kloeke daad!”

Des avonds kwam de heer Van Dintelburg bij Bamboe aan huis en praatte heel lang met hem.

Leo wachtte zoolang in de andere kamer.

Eindelijk ging de deur open, en Bamboe en de heer Van Dintelburg traden binnen.

„Daar hebt u het portret van Leo’s papa,” zei Bamboe, naar den wand wijzende.

De heer Van Dintelburg bleef er geruimen tijd stilzwijgend voor staan.

„Goeie, goeie Willem!” zei hij, als tot het portret sprekende,—„we hebben elkaar niet begrepen, omdat we in ons leven verschillende wegen zijn gegaan.—En ik weet niet, of mijn weg wel de beste is,” voegde hij er bij, terwijl hij een traan uit zijn oog veegde.

„Dag, Leo, flinke vent!” zei hij vervolgens, met warmte Leo de hand drukkende, „ik kom nog wel eens aan, hoor, en je moet ook eens bij ons komen. Je hebt je papa zeker wel eens hooren spreken van oom Louis, nietwaar? Welnu, die woont op den Dintelburg, en de jongen en het meisje, dien je vandaag het leven hebt gered, zijn je neef en je nicht.”

Bamboe liet den bezoeker uit.—„Meneer,” zei hij in de gang, met zijn zachte, bedachtzame stem, „meneer sprak daarnet van twee wegen. Als meneer denkt, dat zijn eigen weg niet goed is, dan moest meneer, dunkt mij, dien ànderen weg inslaan.”

„Och,” was het antwoord, „we zitten nu eenmaal in dezen trein en we moeten doorstoomen!”

„Oók als men weet, dat men aan een verkeerd station uitkomt? Is er in dit land geen spreekwoord, dat zegt: beter ten halve gekeerd, dan ten heele gedwaald?” drong Bamboe aan.

„Men kan zien, goede vriend, dat je bent grootgebracht door een zendeling,” sprak de heer Van Dintelburg, opeens een luchtig-schertsenden toon aanslaande.

En daarmee vertrok hij.

Maar Bamboe, toen hij den bezoeker uitgelaten had, bleef nog eenige oogenblikken met gevouwen handen in de donkere gang staan.

Hij bad.

„Maar vind je het toch niet vreemd, dat je broer Willem zijn zoon aan zulk een bruinen, dommen inlander kan toevertrouwen, terwijl er bij ons voor den jongen plaats genoeg is?” vroeg mevrouw Van Dintelburg des avonds aan haar man. „We zouden hem tegelijk met Rudolf kunnen opvoeden, en, me dunkt, Leo zou toch veel beter door de wereld komen, als hij met Rudolf werd grootgebracht, dan wanneer hij daar bij dien Javaan bleef. Wat kan die man voor toezicht uitoefenen op een Europeeschen jongen, die daarenboven toch zijn heer en meester blijft?”

„Hoor eens, lieve,” was het antwoord, „Willem heeft dat nu eenmaal zoo gewild, en wij moeten zijn laatsten wil eerbiedigen.

„En als wij naar onzen eigen jongen zien, kunnen we hem dan wel zoo geheel en al ongelijk geven?” vervolgde hij, terwijl er een smartelijke trek om zijn mond kwam.

Mevrouw zweeg, want zij wist, dat hij de waarheid sprak.

Eenige oogenblikken later zat de heer Van Dintelburg weer op zijn werkkamer, geheel verdiept in zijn geldelijke berekeningen. Hij was thans weer geheel en al de trotsche koopman en de strenge fabrikant, wien ’t alleen te doen was om geld en macht en aanzien.

Maar mevrouw ging naar Rudolfs kamer, om nog even naar haar jongen te zien. Daar lag hij, met een drietal pleisters op het gezicht, in een rustigen slaap.

Zijn moeder bukte zich over hem heen, en drukte een kus op zijn voorhoofd.

Toen zij zich oprichtte, blonken er in haar oogen een paar groote tranen.

Rudolf echter wist van niets, en sliep door.

Zijn er meer zulke moeders?

O ja, er zijn er duizenden, die op dezelfde wijze zich des nachts over haar slapende kinderen buigen, om ze een kus des vredes en der vertroosting op het voorhoofd te drukken, zelfs al draagt dat voorhoofd het merkteeken van zonde en van schande.

O, als wij allen wisten, welke smartelijke tranen daarbij de oogen van onze moeders kunnen vullen, we zouden ze meer vreugde en minder verdriet aandoen.

Maar de meeste kinderen zijn als Rudolf en weten het niet!

HOOFDSTUK VIII,

WAARIN IETS VERHAALD WORDT UIT DE GESCHIEDENIS VAN DE FAMILIE VAN DINTELBURG.

Het vorige hoofdstuk bevat enkele gezegden, die de lezer niet ten volle kan begrijpen, zoo hij niet eenigszins bekend is met de familie-geschiedenis der Van Dintelburgen, en daarom zullen wij in dit hoofdstuk van die geschiedenis een en ander mededeelen.

Zooals reeds bekend is, behoorde de familie Van Dintelburg tot den oud-Nederlandschen adel. Verscheidene leden ervan hadden onder de regeering der Stadhouders aanzienlijke betrekkingen bekleed. Tegen het einde der 18de eeuw waren zij echter meegesleept door den uit Frankrijk opgestoken revolutie-storm, maar hadden helaas ook ondervonden, hoe duur de waan van vrijheid, gelijkheid en broederschap, die niet op Gods Woord gegrond zijn, in ’t einde betaald moet worden. In den bangen tijd der Fransche overheersching werd het aanzienlijke familie-kapitaal bijna geheel verslonden, en in plaats van als zijn voorouders te schitteren aan koninklijke en prinselijke hoven, zag Leo’s grootvader, die denzelfden voornaam droeg als hij, zich genoodzaakt het leven te leiden van een verarmd landjonker, die alleen tegenover de boerenbevolking op een afgelegen dorp nog zekeren stand vermocht op te houden.

Maar al mocht de oude heer Van Dintelburg zich niet verheugen in het bezit van een groot kapitaal, hij bezat wat in sommige gevallen even goed is, namelijk een helder verstand en een door-en-door practischen blik op den tijd, waarin hij leefde.

Die tijd was—dank zij de bemoeiingen der regeering van Koning Willem I—voor ons land de tijd der herleving van de vaderlandsche industrie.

Vastbesloten om zijn geslacht zoo mogelijk tot het vorige aanzien terug te voeren, zag de oude heer Van Dintelburg spoedig in, dat de eenige kans om hierin te slagen, bestond in mee te doen aan den grooten nijverheids-wedloop. In Weverstede richtte hij met deels geleend kapitaal de eerste katoen- en linnenweverij op. De fortuin was hem gunstig, en elk jaar zag hij de zon van zijn eer en macht hooger aan den hemel stijgen.

Met leedwezen zag de oude man echter de zon zijns levens elk jaar al meer tanen. Het ging hem in deze wereld zóó goed, dat hij er wel eeuwig had willen blijven. Daar hij echter wel wist, dat zulks onmogelijk was, zoo was het hem een troost te denken, dat zijn beide zonen, Louis en Willem, het werk huns vaders zouden voortzetten. Daartoe had hij de beide jongens dan ook al vroeg in de zaken ingewijd en hen van jongsaf als hoogste levensdoel voorgesteld, wat voor hem als het hoogste gold: geld en aanzien te verwerven.

Het gelukte hem om Louis geheel en al naar zijn eigen model te vormen. Bij Willem kwam er echter iets tusschenbeide, dat aan diens leven een geheel andere richting gaf. Toen hij eens voor zaken een dag of acht in Amsterdam vertoefde, raakte de jongeling in kennis met een jong dichter, den later zoo beroemd geworden Isaäc da Costa, en werd hij door dezen binnengeleid in de kringen van het „Réveil”. Dezen naam geeft men aan een groote godsdienstige opwekking, die, kort na den val van Napoleon I, in Zwitserland begonnen, zich over geheel West-Europa heeft uitgebreid en door middel eener schare van uitnemende mannen en vrouwen, ook in ons land, een allergezegendsten invloed heeft uitgeoefend en tal van doode leden der Kerk tot werkzame en liefdevolle Christenen heeft gemaakt.

De jonge, koelberekenende industriëel werd door den vurigen, echt-Israëlietischen dichter onweerstaanbaar meegesleept; en toen hij bij zijn vader terugkwam, stond hij voor hem als een nieuw mensch, met nieuwe levenskracht en een nieuw levensdoel. Mede tengevolge van een trouwe briefwisseling met zijn nieuwe vrienden, nam dit levensdoel voor hem gaandeweg duidelijker vorm en gestalte aan: hij wilde voortaan niet meer leven voor zichzelven, voor eigen eer en eigen roem, maar tot eer en roem van onzen Heiland en tot welzijn der arme en lijdende menschheid. Na een paar jaren van voorbereidende studie trok hij als zendeling naar Indië.

Het werk der Zending stond in die dagen bij velen in ons vaderland nog bloot aan de grootste minachting. Wie er voor ijverde, werd beschouwd als een krankzinnige dweeper; wie zelf als zendeling naar de heidenwereld durfde trekken, werd gehouden voor een fortuinzoeker van het allerslechtste allooi.

Dat een gewoon burgerlijk mensch, „die nergens anders toe deugde”, de „dwaasheden” van het Christendom in de heidenwereld ging prediken, dat vond de oude heer Van Dintelburg al verachtelijk; maar dat zijn zoon, een Van Dintelburg, zoo iets ondernam, dàt vond hij zóó erg, dat de dood van dien zoon hem verkieselijker ware geweest!

Toen Willem scheep zou gaan, weigerde de oude heer dan ook hem de hand ten afscheid te reiken; Willems brieven, zoowel die aan zijn vader als die aan zijn broeder Louis, bleven onbeantwoord, en nadat hij twee jaren in Insulinde vertoefd had, gewerd hem een kort briefje van Louis, waarin hem werd meegedeeld, dat zijn vader was overleden.

De regeling der nalatenschap en de verdeeling van de erfenis kwam tot stand door tusschenkomst van een notaris. De bezittingen van den overledene bestonden uit enkele landerijen en huizen, benevens een zeker kapitaal, dat in de fabriek gestoken was. Natuurlijk was er Louis veel aan gelegen, dit kapitaal geheel in gebruik te mogen houden. Immers, werd de helft daarvan door Willem opgeëischt, dan zou hij zelf de zaken voortaan slechts met halve kracht kunnen voortzetten.

Willem was hiertoe wel te vinden. Zijn hart hing aan andere dingen dan aan wereldsch goed. Hij vergenoegde zich dus met de opbrengst van zijn deel der landerijen en huizen, van welke laatste hij er twee bestemde om verbouwd te worden tot een Christelijke school (de school van den heer Selhof). Wat het geld betrof, dat moest Louis maar onder zich houden. Later zou men het wel eens verrekenen.

Zooals we reeds gezien hebben, zette Louis het werk zijns vaders geheel in diens eigen geest en met nog gunstiger uitslag voort.

Willem, die nu van zijn eigen renten, zij het dan ook sober, in Indië kon leven, bedankte voortaan voor het tractement, dat hij van de Zendingsvereeniging ontving.

Nadat hij op een paar plaatsen bloeiende inlandsche gemeenten had gesticht, werd hem opgedragen, ook buiten Java geschikte terreinen voor den Zendingsarbeid op te zoeken. Met dit doel doorkruiste hij den geheelen Archipel, en daar hij, behalve een ijverig Evangelie-prediker, ook een man was, die veel hart had voor de studie van natuur- en volkenkunde, had hij op deze reizen langzamerhand al de merkwaardigheden bijeengebracht, waarmee wij in hoofdstuk VI Bamboe’s Zondagsschoolklas hebben zien kennismaken.

Reeds kort na zijn aankomst in Indië huwde hij een inlandsche dame, die aan den Soesoehoenan van Djokjokarta verwant was, en die reeds vroeger het Christendom omhelsd had. De eerste twee kinderen uit dit huwelijk stierven op nog zeer jeugdigen leeftijd, en het derde kind, Leo, was nog maar acht jaar oud, toen zendeling Van Dintelburg ook zijn geliefde vrouw grafwaarts moest dragen.

Daar in zijn standplaats een Europeesche school ontbrak, moest hij zelf voor het onderwijs van zijn zoon zorg dragen; en op welk een uitmuntende wijze hij zich van dezen vaderplicht kweet, heeft het onderzoek door den heer Selhof reeds aan het licht gebracht.

Een belangrijken steun voor de verzorging van den knaap vond hij in zijn inlandschen bediende Bamboe.

We zeggen hier bediende, maar eigenlijk mocht deze met meer recht zijn pleegkind worden genoemd.

Een ongelukkig geval had hem met dezen braven Javaan, toen nog een knaap van een jaar of tien, in aanraking gebracht.

Toen hij namelijk op zekeren dag in de residentie Kedoe door het gebergte dwaalde, om naar enkele zeldzaam voorkomende planten te zoeken, had hij gezien, hoe plotseling een man en een jongen, die een eindweegs voor hem uit gingen, besprongen werden door een reusachtigen tijger. In minder dan geen tijd had het monster door een slag met zijn geweldige klauwen den armen man de hersenpan verbrijzeld; en juist maakte hij zich gereed om ook den knaap tot zijn slachtoffer te maken, toen een welgemikt schot uit des zendelings geweer aan zijn bloedgierig bestaan een einde maakte. Van den jongen vernam hij, dat deze met zijn vader op reis was gegaan naar Soerabaja, om zich daar te laten aanwerven voor de zoutmakerijen te Soemenap.* Verder verklaarde de jongen, dat zijn moeder dood was. Zijn voornaam was Patoe, maar zijn familienaam wist hij niet op te geven. Verder vernam de zendeling, dat hij afkomstig was uit het Tjeribonsche; maar alle pogingen om daar de familie van den knaap te ontdekken, bleven vruchteloos. Daarom besloot hij den knaap maar bij zich te houden en groot te brengen. Deze beloonde zijn zorg en toewijding met de grootste dankbaarheid, en wilde, ook toen hij tot een volwassen man was opgegroeid, zijn meester en zijn redder onder geen voorwaarde verlaten. Daar de heer Van Dintelburg hem gevonden had bij een klein bamboe-boschje, had hij hem den toenaam gegeven van Bamboe; bij zijn doop werd zijn voornaam Petrus genoemd.

Ofschoon Bamboe zichzelven als niets meer beschouwde dan als de bediende van zendeling Van Dintelburg, zoo was hij in der waarheid diens trouwe vriend en onwaardeerbare helper. Hij vergezelde hem op al zijn tochten, en op zijn ziekbed, dat zijn sterfbed zou worden, stond hij hem met moederlijke teederheid tot het laatste oogenblik bij.

Willem van Dintelburg maakte zich op dit ziekbed geen illusies van nog eens te zullen herstellen. Hij wist, dat hij sterven ging, en zag met volkomen gerustheid den dood tegemoet, want hij was er zeker van, dat hij uit de sluimering des doods ontwaken zou tot een nieuw leven, een heerlijker leven, dan hij ooit op aarde gekend had.

Slechts één enkele zorg kwelde hem in deze laatste uren: die voor Leo, zijn zoon! De jongen zou na zijns vaders dood naar Holland moeten, en daar onder de hoede moeten komen van zijn oom Louis. Willem zag hier erg tegen op. Leo was een jongen van een driftig karakter en met sterke neigingen tot zinnelijk genot. Het gemengde bloed bruiste hem door de aderen met al te onstuimige levenskracht en levenslust. Zeker, wat de stoffelijke zijde des levens betreft, zou het den knaap ten huize zijns ooms aan niets ontbreken. Maar de zendeling wist te goed, dat de mensch alleen bij brood niet kan leven, om voor zijn jongen niet meer dan dat noodig te achten. En hij wist óók, dat Leo dat „ééne noodige” ten huize van zijn oom niet vinden zou. Hij wist, dat Louis als hoogste levensdoel stelde: de genietingen dezer aarde, en in dien geest ook zijn kinderen grootbracht. Zijn ideaal was echter, Leo te zien opgroeien tot een Christen,

„In werk en woord waarachtig En aan zijn God gedachtig.”

Als hij dat ideaal verwezenlijkt wilde zien, dan mocht en kon hij zijn zoon niet doen opnemen in een familiekring, waar alles er op ingericht was om het ontvankelijke jongenshart mee te sleepen in de jacht naar „begeerlijkheid der oogen, begeerlijkheid des vleesches en grootschheid des levens.”

Doch ook in deze moeielijkheid wist het trouwe en liefdevolle hart van Bamboe een uitweg. Zijn meester mocht het hoofd gerust tot sterven leggen. Hij, Bamboe, zou den jongen toewan dienen met dezelfde liefde, als hij den ouden toewan gediend had, en hem vergezellen naar het koude en gure Holland.

Bamboe, die den knaap van diens geboorte had zien opgroeien, kende Leo’s karakter tot in de fijnste kreukels, en ofschoon hij „maar een Javaan” was, bezat de brave inlander zulk een fijnen tact en zulk een nobel hart, dat de heer Van Dintelburg de opvoeding van zijn zoon veiliger achtte in de handen van dezen bruinen man, dan in die van éénigen blanke.

Hij nam dus maatregelen, dat de huur, die hij trok van zijn huizen en landerijen, voortaan zou worden uitbetaald aan Bamboe, die met Leo zich zou vestigen in Weverstede. Met opzet koos hij deze plaats, opdat, wanneer Bamboe iets overkwam, Leo niet hulpeloos in de wereld zou staan, en in dat geval een toevlucht zou kunnen vinden bij zijn oom Louis.

Aan den laatste schreef hij nog op zijn ziekbed den volgenden brief:

„Beste Louis!

Indien het waar is, dat de dood alles verzoent, dan zul je dezen brief ontvangen met dezelfde liefde, waarmee wij als kinderen met elkaar omgingen en geen zweem van den vroegeren wrevel, dien onze scheiding veroorzaakte, zal er langer in je hart overblijven. Want dezelfde mail, die je dit schrijven brengt, zal je ook het bericht doen geworden van mijn overlijden. Ik ben ziek en ik hoor reeds het wiekgesuis van den engel des doods. Maar hij vindt mij bereid, want ik weet, dat ik uit dit mijn vleesch mijn God zal aanschouwen,—ik zal Hèm zien en niet een vreemde.

Louis, wij hebben in ons leven twee verschillende wegen bewandeld,—jij hebt geleefd voor je zelven en voor wat je het geluk en het welzijn van de familie achtte; ik heb, schoon in zwakheid, getracht te leven voor God.

Ik laat een zoon na, mijn lieven Leo. Ik zal hem naar Holland zenden en jij zult voortaan zijn voogd zijn.

Maar juist omdat wij tweeërlei wegen gaan, en ook onze kinderen voor tweeërlei leven opleiden, daarom zul je het mij ten goede houden, zoo ik je verzoek, Leo vooreerst niet bij je in te nemen. Mijn bediende, en tevens mijn vriend en broeder, Bamboe, kent zijn karakter beter dan iemand anders, en ik wensch mijn lieven jongen dan ook onder zijn leiding te stellen.

Indien mijn Leo echter ook deze steun mocht komen te ontvallen, wees dan zoo goed, den jongen tot je te nemen en tracht hem dan op te voeden in den geest, waarin zijn vader dat zou hebben gedaan.

Het is mijn wensch, dat hij tot zijn negentiende levensjaar studeert, en dat hij dan voor de keuze van een betrekking of een beroep zal worden gesteld. En ik verzoek je, hem alsdan in die keuze volkomen vrij te laten, ook al mocht hij het levenslot kiezen van een gewoon ambachtsman.

En nu, lieve broeder, in gedachten reik ik je van mijn sterfbed de hand ten afscheid, ter vergiffenis en ter verzoening. Ofschoon ik sterf ver van mijn vaderland, en ik mijn eenigen zoon aan de hand van een vreemde de onbekende toekomst zie tegengaan, zoo heb ik nochtans geen berouw over dien anderen levensweg, dien ik gekozen heb, en mijn laatste bede is, dat onze lieve Heiland ook úw schreden moge leiden op dien weg. Terwijl ik sta voor de poort des doods, betuig ik je plechtig, dat alleen een leven in Zijn dienst de moeite waard is om geleefd te worden, en dat alleen zùlk een leven gevolgd wordt door een sterfbed als het mijne,—een sterfbed waaromheen de vrede des hemels zweeft als blanke duiven over een landschap van purperen bloemen en gouden zonneschijn.

Een laatst en teeder vaarwel! van

je liefhebbenden en stervenden broeder, Willem van Dintelburg.”

Twee dagen later was Willem van Dintelburg overleden; Bamboe en Leo gingen scheep naar Europa.

HOOFDSTUK IX,

WAARIN DE LEER DER „TROPEN” [16]* WORDT BEHANDELD EN EEN LEERAAR ALS ZIJN MEENING TE KENNEN GEEFT, DAT DE BIJBEL GEEN VERTAALD BOEK IS.

Een tijdperk van ruim drie jaar slaan we over. Oom Louis heeft woord gehouden en komt nu elke week een half uurtje naar Leo kijken. Hij vraagt dan naar zijn studiën en informeert altijd met de meeste belangstelling naar Bamboe’s gezondheid, hoewel hij op het gesprek, dat hij eens met dezen heeft gehouden, nooit meer terugkomt.