Chapter 9 of 11 · 3995 words · ~20 min read

Part 9

„Ja, kijk maar,” zei Leo en hield haar het bakje met luciferskoppen voor.

Hij beefde over zijn geheele lichaam.

„Zeg aan je broer, dat hij mij vandaag niet onder de oogen komt,” vervolgde hij met een stem, die heesch was van toorn, „want als ik hem zie, dan trap ik hem in mekaar!”

Henriëtte werd doodsbleek.

„Leo, Leo!” stamelde zij met betraande oogen.

„Ja,” barstte hij uit, „denk je, dat ik mij àlles maar van hem zal laten welgevallen? Hij heeft me gesard en getergd van dat wij beiden nog jongens waren tot nu toe. Er is al deze jaren geen dag voorbijgegaan, of ik heb allerlei hatelijkheden en schimpscheuten van hem moeten verduren; en nu hij zijn duivelachtige vijandschap niet genoeg op mij kan botvieren, nu doet hij het op die arme dieren.—En wie denk je, dat mijn moeders armbanden gestolen heeft?”

„Ik denk Rudolf,” gaf Henriëtte met zachte, bedroefde stem ten antwoord.

Met oogen brandende van toorn staarde Leo recht voor zich uit.

„Leo,” zei Henriëtte, terwijl zij op hem toetrad en hem vriendelijk de hand op den schouder lei, „heb ik je laatst, in het priëel in de Bijbelclub, niet hooren beweren, dat de vergevensgezindheid de meest kenmerkende eigenschap van het Christendom is?”

„Ik kàn niet, Henriëtte, ik kàn niet!” snikte Leo, „ik heb hem lang en vaak vergeven; maar nu is het te veel!”

En met de handen voor het gelaat viel hij neer op een stoel, en boog zich weenend met het hoofd voorover op de tafel.

„Ga wat rondloopen, Leo,” zei Henriëtte, „dan zul je wat tot kalmte komen.”

Leo stond op en ging met den dooden papegaai in de handen naar beneden.

„Gaat Plokje weg?” riep Jok. „Plokje is dood. Bamboe is dood en Plokje is dood!”

„Ja, arm dier,” zei Leo, „als je nu zelf van verdriet óók maar niet sterft.”

„Wat is dat?” vroeg mevrouw Van Dintelburg, toen hij beneden kwam. „Wat scheelt den papegaai?”

„Hem scheelt niets meer, tante,” zei Leo somber; „hij is dood.”

„Wel jongen,” zei mevrouw, „dat is twee ongelukken bij mekaar. ’t Zal me benieuwen, wat nu het derde zal wezen.”

„Daar kom ik de tijding van brengen,” zei de heer Van Dintelburg, binnentredende. „Op het hoofdkantoor is een diefstal gepleegd van verscheidene honderden guldens. Maar de dader is ontdekt: de hoofdadministrateur. Ik heb hem natuurlijk op staanden voet ontslagen en de zaak bij de politie aangegeven.”

„Wat!—meneer Korvers?” riep mevrouw, „hoe is het mogelijk! Zoo’n nette, fatsoenlijke man!”

„Ja, je ziet het, vrouw,” gaf meneer Van Dintelburg ten antwoord, „je wordt nergens meer mee bedrogen dan met menschen! Maar de feiten wijzen het uit. Schoon hij ’t ook ontkent,—hij en niemand anders is de dader.”

„Maar hoe heeft zich dat toch toegedragen, Pa?” vroeg Henriëtte.

„Dat zal ik je zeggen,” antwoordde haar vader.

„Vanmorgen ontving ik van Dalfhuizen en Co., de kassiers, het bedrag van een wissel, groot twaalfhonderd gulden, in briefjes van honderd. Ik ben juist bezig de nommers te boeken, toen er een telegram komt, waarop ik onmiddellijk moet antwoorden. Ik moet voor dit antwoord een en ander nazien aan de Leyefabriek, en leg zoolang de papiertjes tusschen mijn boek. Even over half twaalf kom ik terug en het kantoor is gesloten. Ik kom binnen en het geld is weg. Onmiddellijk alles nagezocht. De hoofdadministrateur was het laatst op het kantoor geweest, en kijk! tusschen zijn lessenaar en den muur vind ik twee van de briefjes terug. De man zit nu in hechtenis.”

Mevrouw Van Dintelburg schudde op deze mededeeling zwijgend het hoofd, en ook Henriëtte voelde weinig lust tot spreken.

Leo deelde mee, dat hij dezen middag bij Frits Wildering bleef eten. Het was hem onmogelijk, Rudolf vooreerst van goeder harte aan te kijken.

„Leo,” fluisterde Henriëtte, toen hij in de gang klaar stond om uit te gaan, „is er geen middel om die armbanden zonder veel drukte terug te krijgen? Als je ze eens heimelijk liet terugkoopen?”

„Ik weet niet, of ik wel zooveel contanten heb, nicht!” zei hij.

„Nu,” was het antwoord, „ik heb nog wel wat; laten we het dan samen doen.”

„Neen, dan leen ik dat geld van je,” zei Leo.

Beiden ledigden hun spaarpot en vormden zoo een som gelds, die naar hun gedachten wel voldoende zou zijn.

’s Avonds bevond zich die som in handen van Dirk Drijver, die er zich mee naar Knijp, den uitdrager, spoedde, want zonder hem mee te deelen, wie naar zijn vermoeden den diefstal gepleegd had, had Leo hem gezegd, dat het verlorene dáár wel te vinden zou zijn.

Den volgenden morgen vond Rudolf op zijn waschtafeltje een vogeldrinkbakje met enkele doorweekte luciferskoppen, dat door de zorg van Henriëtte daar, bij wijze van herinnering, neergezet was, en aan de ontbijttafel werd een pakje gebracht: „voor den heer Leo van Dintelburg”. Toen Leo het in tegenwoordigheid van de huisgenooten openmaakte, kwamen daaruit een paar prachtige gouden armbanden te voorschijn.

Rudolf bloosde, en boog zich over zijn bord. Dien morgen werd er over deze quaestie verder geen woord gesproken, en ’s middags óók niet, want toen was er weer iets anders en heel iets ergers met Rudolf gaande, en niet alleen met hem, maar met de heele familie. Doch dat bewaren we tot het volgende hoofdstuk.

HOOFDSTUK XIV.

RUDOLF RAAKT IN HET GEDRANG EN VERTREKT NAAR DUITSCHLAND.

Den volgenden morgen om half twaalf gingen de fabrieken op dezelfde ordelijke wijze uit als altijd; maar om twaalf uur stonden al de arbeiders in troepen op de straat bijeen te praten en, in plaats van, zooals anders, om één uur weer aan hun werk te gaan, werden al de machines stil gezet, de vuren uitgedoofd, en trokken honderden werklieden in wanordelijken optocht naar de villa Dintelburg, waar zij onder het aanheffen van woedende kreten voor het gesloten hek staan bleven.

De talrijke grieven van het werkvolk waren dezen morgen weer met een gewichtige vermeerderd. Reeds het plotselinge ontslag van den hoofdadministrateur, die algemeen bemind was, had groote ontstemming teweeggebracht onder het werkvolk, dat den heer Van Dintelburg er van beschuldigde, alle geschikte chefs stelselmatig te verwijderen, om hun plaatsen te doen innemen door dezulken, die het er op toelegden hun ondergeschikten te plagen. De arrestatie van den hoofdadministrateur had algemeene deelneming verwekt. Men zei: als hij schuldig is, dan moet hij gestraft worden; maar niemand kon aan de schuld van den beproefd-eerlijken man gelooven. Een onderzoek, vanwege de politie in zijn woning ingesteld, leidde dan ook nergens toe, dan om de droefheid van ’s mans vrouw en kinderen nog te vermeerderen. Om elf uur werd echter bij een verkooping één der verloren bankbiljetten in beslag genomen. Het was in betaling gegeven door Knijp, den woekeraar. Deze, die nog nergens van wist, verklaarde, dat hij het op zijn beurt had ontvangen van niemand anders dan.... Rudolf van Dintelburg!

Wij willen onzen lezers maar terstond de toedracht der zaak mededeelen, opdat zij met juistheid over de mate van Rudolfs schuld kunnen oordeelen. Hij en niemand anders had het geld ontvreemd! Maar als de lezer denkt, zooals de inwoners van Weverstede dachten, dat Dolf door het wegmoffelen van die twee biljetten opzettelijk de schuld had willen werpen op den hoofdadministrateur, dan beoordeelt hij Dolf toch àl te streng.

Wij hebben reeds vroeger gezien, dat Rudolf in aanraking was gekomen met Knijp. Deze woekeraar maakte er zijn werk van, om jongelieden van aanzienlijken huize tegen een schandelijk hooge rente van geld te voorzien, en wist dan later op de ouders de schulden dier jongelui wel te verhalen. Ofschoon Rudolf zeer ruim van zakgeld werd voorzien, was dat op verre na niet voldoende om zijn uitgaven te dekken. In de sociëteit, in de speelclub en bij onderscheidene weddenschappen vloeide het geld als ’t ware door zijn vingers, en alleen de hulp van Knijp kon dezen stroom gaande houden. Welhaast was er van afbetalen geen sprake meer. Voorloopig was Knijp tevreden, als de rente van het geleende kapitaal maar werd uitbetaald. Daartoe spande Dolf alle krachten in. Wij zagen reeds hoe hij zelfs de toevlucht nam tot het verpanden van een van Leo’s kostbaarheden. Maar eindelijk werd het hem zelfs onmogelijk om de woekerrente zijner schulden te betalen. Toen achtte Knijp het oogenblik gekomen, om Rudolfs schuldbekentenissen aan diens vader te toonen. Op den bewusten morgen, toen het kantoor pas gesloten was, sprak hij Rudolf op straat aan. Zoo vriendelijk en kruiperig als hij vroeger geweest was, zoo brutaal was hij nu. Hij eischte vóór twee uur betaling van een som van duizend gulden, en dreigde, indien dit niet geschiedde, de zaak bij de politie te zullen aangeven en Rudolf te zullen laten gijzelen.

Ten opzichte van vele dingen was Rudolf langzamerhand totaal gevoelloos geworden; slechts voor één ding had hij vatbaarheid behouden: het gevoel van eer. Het vooruitzicht van de schande, dat hij, een Van Dintelburg, op last van een lagen plebber in gijzeling zou worden gesteld, was hem ondragelijk en vervulde hem met angst.

—Hij snelde naar huis, om zijn papa te spreken.—

—Deze was niet thuis.—

—Dan zou hij misschien weer op het kantoor zijn!—

—Dáárheen!—

—Maar het kantoor was gesloten.—

—Hij opende het en trad binnen.—

—Hij wilde wachten tot zijn vader kwam, en hem, ’t kostte wat het wilde, de heele zaak openbaren.—

—Maar wat was dat?

Daar, op zijns vaders lessenaar, lag een som gelds, die voor het doel ruim voldoende was! Hij twijfelde niet, of zijn pa, hoe boos hij ook zijn mocht over de verkwisting van zijn zoon, zou toch eindigen met de schuld te betalen.

—Maar vóór twee uur moest het geld er zijn!—

—Pa bleef weg.—

—Zou hij naar huis gaan en hem daar alles bekennen?—

—In tegenwoordigheid van dien bruinen sinjo?—

—Dat nooit!—

—„Ik krijg het tòch!” dacht hij, „laat ik het dus maar vast nemen.”—

Hij nam het geld en zette zich aan den lessenaar van den hoofdadministrateur, waar hij het volgende briefje schreef:

„Beste Pa!

„Vóór vanmiddag twee uur moet ik noodzakelijk de som van duizend gulden hebben. Ik ben zoo vrij, ze hier af te nemen. Vanavond zal ik u persoonlijk opheldering geven.

Uw Rudolf.”

Dit briefje met de beide overgeschoten biljetten legde hij op den lessenaar van meneer Korvers, zoodat het bij het binnenkomen terstond de aandacht moest trekken. Haastig verliet hij daarop het kantoor, om ijlings zijn schuld af te doen; maar door de drift, waarmee hij de deur achter zich toetrok, joeg hij een korte tochtvlaag door het kantoor, die, zonder dat hij het wist, de drie lichte papiertjes opnam en ze achter den lessenaar deed afglijden. Slechts twee ervan werden aanvankelijk teruggevonden: de beide bankbriefjes, welker vondst zulk een onrechtvaardige verdenking had geladen op den hoofdadministrateur.

Toen de heer Van Dintelburg de tijding van meneer Korvers’ arrestatie mededeelde, durfde Rudolf geen woord uitbrengen over wat hij gedaan had. Elk oogenblik wilde hij spreken, maar telkens bestierven de woorden hem op de lippen. Hij wachtte, wachtte..... totdat het te laat was!

Toen de politie wist, van wien Knijp de gevonden biljetten had ontvangen, was haar de heele zaak duidelijk, en een half uur later was de hoofdadministrateur reeds uit het voorloopig arrest ontslagen.

Maar de woede van de arbeiders, toen zij vernamen wie de dader was, kende geen grenzen. Het was de laatste druppel, die den beker van hun geduld deed overvloeien. Onmiddellijk werd er besloten, het werk neer te leggen en in optocht naar den Dintelburg te trekken, teneinde daar de voorwaarden bekend te maken, waaraan voldaan moest worden, eer men het werk wilde hervatten.

Mevrouw Van Dintelburg schrok, toen zij die joelende schare daar plotseling met dreigende gebaren voor het hek zag verschijnen. Ook de heer Van Dintelburg werd bleek.

„Jacob,” zei hij tot den stalknecht, „ga naar het hek en vraag wat die menschen willen!”

„Staken, staken!” werd er geroepen.

„De jonge patroon er uit, en meneer Korvers er weer in!” schreeuwden anderen.

„We willen een scheidsgerecht tusschen patroon en werkman!” kreten nog anderen; en allen schreeuwden door elkaar, zoodat Jacob er niet wijs uit kon worden.

„Laat er één van jullie zeggen, wat ik meneer moet meedeelen,” sprak hij, maar hij kreeg geen antwoord, want op hetzelfde oogenblik werd uit de kromming van de kastanjelaan Rudolf van Dintelburg zichtbaar, die thuiskwam van een fietstochtje.

„Daar heb je den dief! Daar is de dief!” schreeuwde men. „Gooit hem te water, den neger! Slaat hem dood, den uitbuiter!”

Rudolf’s eerste gedachte was terug te keeren, zoo snel als zijn fiets hem dragen wilde. Maar hij bedacht zich. Zou hij, een Van Dintelburg, op den loop gaan voor dat plebs? Dàt nooit!

„Gaat opzij, of ik rijd jelui omver!” schreeuwde hij, „gaat opzij, plebbers!” En toen ze niet weken, nam hij de hondenzweep, die hij meestal bij zich had, en sloeg daarmee in blinde woede op de menigte in. Het baatte hem echter niet veel. In een oogenblik was hij van zijn rijwiel getrokken, dat nu onder de voeten verbrijzeld werd, en tien, twintig vuisten kwamen van alle kanten op hem neer. Het was een vreeselijk leven. Met onverschrokken moed trachtte Rudolf de poort te bereiken; vlug als de wind wierp hij zich nu op dezen en trachtte dan dien te ontgaan, maar het was hem onmogelijk om er door te komen. Zijn hoed was van zijn hoofd gevallen en zijn jas hing in flarden langs zijn lijf. Daar greep een forsche, woest uitziende kerel hem van achter beet en smakte hem op den grond, maar op datzelfde oogenblik ontving deze van een ander een zóó duchtigen vuiststoot in de zijde, dat hij wankelde. Verwonderd keek hij om, wie hem dezen stevigen opstopper had toegebracht, en—zag plotseling Leo van Dintelburg voor zich staan.

„Halt!” riep Leo met gebiedend gebaar. „Is dat kerelswerk, met je allen één man te vermoorden? Raakt hem niet meer aan, of je krijgt met mij te doen.”

„En wat wou jij dan, met je bruingebraden snoet?” riep dezelfde man van daareven. „Je bent óók van de familie, hè? Nou, dan kun je óók wat krijgen!”

„Maar dan krijg jij eerst wat van mij, hoor!” zei een breedgeschouderd, goedig uitziend werkman, zich voor Leo te weer stellende.

„Ja, ja!” riep het volk, „van meneer Leo afblijven! weg met den witbol! leve meneer Leo!”

Leo wenkte met de hand, dat men zwijgen zou, en in een oogwenk had de wilde drukte plaats gemaakt voor de grootste stilte.

„Hoort eens, mannen,” sprak hij, „jullie wilt aan je patroon enkele veranderingen voorstellen voor de fabrieken?”

„Ja, ja, het moet veranderen!” riepen verscheidene stemmen.

„Goed,” ging Leo voort, „maar begint dan niet met schoppen en slaan, vooral niet tegen één man, die daarenboven nog weerloos is. Dat is het werk van lafaards en je schiet er niets mee op, behalve dat je jezelven er mee in de gevangenis helpt. Je wilt mijn oom spreken, nietwaar?”

„Ja, ja!” was het antwoord.

„Nu,” ging Leo voort, „jullie kunt, als je wilt, wel tegelijk zingen, maar niet tegelijk spreken. Kiest dus uit je midden vijf mannen, en laten die over een uur op het hoofdkantoor komen. Daar zal oom hen opwachten, en wat recht is, zal gebeuren, en wat onrecht is, zal hersteld worden.”

„Bravo!” werd er geroepen.

„En gaat nu als ordelijke menschen naar huis,” vervolgde Leo;—„jullie, vrouwen, het eerst; en zorgt dat het eten klaar is vanmiddag.”

„Ja, de vrouwen naar huis,” riepen enkelen, „want geschaft moet er worden!”

„En jullie mannen insgelijks. Beraadslaagt onder mekaar, wat je den patroon wilt voorstellen, en zorgt, dat je mannen kiest, die hun woord kunnen doen en op de hoogte van de zaken zijn. Vanmiddag spreken we mekaar weer.”

Dit zeggende, ging hij met Rudolf op het hek af. De mannen maakten plaats voor hen, en weldra was de geheele schare verspreid en begaf men zich druk redeneerend naar huis.

Op het bepaalde uur verschenen de gekozen vertegenwoordigers op het hoofdkantoor.

Behalve eenige loonsverhooging voor sommige takken van arbeid, eischten deze mannen namens hun kameraads de instelling van een soort onderling scheidsgerecht tusschen den patroon en de werklieden, herstel van den hoofdadministrateur in zijn vroegere functie, en voorts drongen zij er zeer nadrukkelijk op aan, dat Rudolf minstens gedurende de eerste twee jaren geen daadwerkelijk toezicht meer zou uitoefenen op het personeel.

Een uur later kwamen zij bij hun makkers terug met de tijding, dat al hun eischen waren ingewilligd. Den volgenden dag was het geheele personeel van den heer Van Dintelburg weer aan ’t werk als altijd, maar de jonge patroon werd gemist. Hij ging op reis naar Duitschland, waar hij aan de fabriek van een vriend zijns vaders verder zou worden opgeleid. De heer Van Dintelburg en Leo brachten hem naar den trein. Leo was geroerd, toen hij zijn neef de hand ten afscheid reikte.

„Nu, jij hoeft niet te huilen,” zei Rudolf op zijn gewonen, kouden toon, waarin thans echter vrij wat bitterheid klonk, „zóóveel vriendschap hebben we niet gehouden—tenminste ik niet! Je moogt, integendeel, blij zijn dat je van me af bent!”

En met deze woorden stapte hij in de coupé.

De heer Van Dintelburg, die gedurende den rit naar het station in een droevige stemming had verkeerd, voelde zich opgelucht, toen hij het weer den rug kon toewenden. ’t Was natuurlijk hard voor een vader, zijn zoon den vreemde te zien intrekken, maar ’t zou toch voor Rudolf goed zijn, dacht hij. Zijn gedrag zou, nu hij onder vreemden zou leven, wel veranderen,—vreemde oogen dwingen, zegt het spreekwoord.

Ach ja,—ze dwingen, maar.... slechts voor korten tijd! Niet een andere omgeving is in staat des menschen gedrag te veranderen; dat kan alleen geschieden, zoo hij een ander hart ontvangt.

HOOFDSTUK XV.

LEO MAAKT EEN PLAN VOOR DE TOEKOMST, EN DAT VAN ZIJN OOM WORDT IN DUIGEN GEWORPEN.

Leo vierde wéér zijn verjaardag en was nu negentien jaar. De huisgenooten hadden zich allen ingespannen om dezen dag voor hem tot een waren vreugdedag te maken—want zij hadden hem allen hartelijk lief,—maar in weerwil van al hun goedgemeende pogingen, hing er over de huiselijke feestviering een sombere nevel. In den fraaien eetsalon, waar de familie bijeenzat, droeg de disch de fijnste gerechten en schitterde met keur van antiek zilver en kunstig bewerkt kristal. Prachtige bloemstukken verkwikten het oog door de fijnste kleuren, en het zonnetje wierp door het vertrek stralen van schoonheid en levenslust. Maar de harten daarbinnen bleven somber gestemd, vooral die van den heer en mevrouw Van Dintelburg. In enkele weken was hun beider aangezicht doorgroefd met rimpels, als van tien lange jaren. Mevrouw was mager geworden, en de voorheen zoo kloeke gestalte van haar echtgenoot was gebogen. Dat had de zorg gedaan: de zorg voor hun kind, voor Rudolf. De vreemde oogen in Duitschland hadden hem werkelijk slechts voor korten tijd gedwongen, en spoedig had hij ook dáár zijn oude leven op denzelfden voet voortgezet. Ook dáár had zijn verkwisting hem gevoerd tot oneerlijkheid, maar thans was er geen vader geweest, die gereed stond deze oneerlijkheid te bedekken. Rudolf was gevlucht en had op twijfelachtige papieren te Harderwijk dienst genomen als soldaat bij het Nederlandsch-Indische leger. En het was de tijding van deze feiten geweest, waardoor mevrouw Van Dintelburg zoo vermagerd en de trotsche gestalte van haar echtgenoot in enkele weken zoo gebogen was, en waardoor nu nog een sombere nevel hing over Leo’s verjaringsfeest.

„Leo,” sprak de heer Van Dintelburg, toen de maaltijd geëindigd was, „overeenkomstig den wensch van je Pa heb ik je heden te vragen, wat je in de toekomst wilt worden. Ik wil je naar je Pa’s verlangen in de keus van een beroep geheel en al vrij laten, óók al heb ik zelf in dit opzicht mijn wenschen.”

„Laat ik dan eerst die wenschen mogen hooren, oom!” gaf Leo ten antwoord.

„Neen, jongen,” hernam zijn oom, „zeg eerst wat je eigen keus is,—mijn wenschen zal ik maar niet op den voorgrond stellen,—ze worden tòch zoo zelden verwezenlijkt!” liet hij er met een zucht op volgen.

„Als u ze uitspreekt, zouden ze misschien ditmaal in vervulling kunnen komen, oom,” zei Leo op een toon van innig medegevoel.

„Neen, jongen,” hield zijn oom op moedeloozen toon vol, „jou begeerte heeft hier het eerste en het éénige recht van spreken.”

„Nu, Oom,” gaf Leo ten antwoord, „als ik het dan tòch moet zeggen: ik zou graag, evenals Pa, zendeling worden.”

„’t Is goed,” was het antwoord, „indien het mogelijk is, zal ’t geschieden.” Maar op het gelaat van zijn oom kon Leo wel zien, hoe zijn keuze voor dezen een teleurstelling was.

„En nu úw wensch, oom,” zei Leo.

„Ik heb geen wensch meer, dan wat de jouwe is, mijn jongen,” gaf de heer Van Dintelburg ten antwoord.—„Maar jullie zoudt een rijtoer maken, nietwaar? Nu ga dan Jacob maar waarschuwen, dat hij inspant.”

Een half uur later waren Leo en zijn nicht uitgereden, en zaten de heer en mevrouw Van Dintelburg samen in de verandah.

„’t Valt je tegen van Leo, is ’t niet, Louis?” sprak mevrouw.

„Ik had het wel gevreesd,” was het antwoord. En op mismoedigen toon vervolgde hij: „Och, alles mislukt mij, àlles! Onze familie schijnt altijd in twee wegen uiteen te moeten gaan. Pa heeft er tot zijn dood toe verdriet over gehad, dat mijn broer Willem een anderen kant uitging, en hetzelfde staat mij te wachten ten opzichte van Leo.”

„Wat zou het toch mooi geweest zijn,” sprak mevrouw, „als onze Dolf en Leo na verloop van tijd eens samen de zaak van je hadden kunnen overnemen!”

„Ja,” zei de heer Van Dintelburg, „dan was Pa’s wensch om nog eens twee Van Dintelburgen aan het hoofd van de fabrieken te zien staan, wel niet vervuld geworden in zijn zonen, maar dan toch in zijn kleinzoons. Maar, helaas! Wat Willem en mij altijd heeft gescheiden, scheidt ook onze jongens. Het is altijd tweeërlei levensdoel en tweeërlei levensweg.”

Met de hand onder het hoofd bleef hij over dit onderwerp geruimen tijd zitten nadenken.

Waarvoor hadden zijn vader en hij, zoo peinsde hij, nu twee menschengeslachten lang geleefd? Zij hadden hun geslacht tot eer en rijkdom willen brengen, en wat zou er van hun werk terecht komen? Niets! Zijn zoon kon zijn werk niet voortzetten; hij had zichzelven door zijn euvel gedrag buiten de maatschappij geplaatst. En zijn neef wilde het niet. Als hij kwam te sterven, zou alles overgaan in vreemde handen. Rudolf zou, als hij dan nog leefde, zijn deel verkwisten. Leo zou het kapitaal zijns vaders, dat nog in de zaak stak, onttrekken voor andere doeleinden, en zoodoende zou de familie Van Dintelburg terugzinken in de onopgemerkte eenzaamheid, waarin zij vroeger had geleefd, en het nakroost van den trotschen edelman zou zoek raken in den breeden stroom van het gewone burgerlijke leven.

Nog eens: zijn leven was een mislukking geweest!

Waardoor?

Had hij het dan niet goed opgezet? Had hij geen goed levensdoel gekozen?

Altijd had hij gemeend van wel; slechts tweemaal had hij getwijfeld: ééns, toen hij voor de eerste maal met Leo in aanraking was gekomen en hij het portret van zijn broeder had weergezien;—de tweede maal bij het sterfbed van Bamboe; en nu twijfelde hij voor de derde maal.

Waarvoor had hij geleefd?

Voor de wereld, dat wil zeggen: voor wat in deze wereld begeerlijk schijnt.

Hij herinnerde zich opeens wat Bamboe hem op zijn sterfbed gezegd had: „O, mijnheer, het goede Boek zegt: de wereld gaat voorbij met al hare begeerlijkheid.”

Thans ondervond hij de waarheid van dit woord. Leo’s begeerte om zendeling te worden, wierp de laatste luchtkasteelen, die hij zich gebouwd had, omver.

En nog eenmaal zuchtte hij: „O, dat we in onze familie altijd, àltijd twee verschillende wegen moeten gaan!”

„Louis,” sprak zijn vrouw, die deze laatste woorden gehoord had, op ernstigen toon, „zou je niet wenschen, dat onze Rudolf óók maar dien anderen weg was opgegaan?”

„Ja!” sprak hij, en dat „ja” klonk in zijn mond als een kreet van smart, en als een vonnis, dat hij velde, niet alleen over het leven van zijn zoon, maar ook over zijn eigen leven.

HOOFDSTUK XVI,

WAARIN EEN GEVECHT WORDT GELEVERD VAN MAN TEGEN MAN.