Chapter 7 of 11 · 3997 words · ~20 min read

Part 7

Het is nu regel geworden, dat Leo eens per maand een middagje op de villa Dintelburg „gevraagd” wordt. Bij deze bezoeken is Dolf gewoonlijk afwezig. De ontdekking dat Leo zijn neef was, had hem zoo mogelijk nog meer tegen den bruinen knaap verbitterd. Toch was er in zijn gedrag ten opzichte van Leo veel veranderd. Zoolang hij nog een kind was, had hij de vijandschap, die hem jegens Leo bezielde, openlijk aan den dag gelegd; nu leerde hij ze bemantelen onder beleefde vormen. Bij het kind is de zonde nog natuur; bij den volwassene wordt zij, helaas! een kunst. Hoe meer Rudolf den jongelingsleeftijd naderde, hoe minder het voorkwam, dat hij den weerzin tegen zijn bruinen neef op natuurlijke wijze lucht gaf in grove woorden en handtastelijkheden; maar thans wist hij, wanneer zij elkaar eens ontmoetten, hem te kwetsen met spottende woorden en minachtende blikken, die duizendmaal pijnlijker aandeden dan dolkstooten. Indien Leo vrijheid had gevonden, zijn neef met gelijke munt te betalen, dan zou hij er niet zoo onder geleden hebben als nu, en heel af en toe deed hij dan ook wel eens een uitval, om Dolf te leeren, zijn al te groote overmoedigheid wat in te binden. Maar bij dit alles stond het hem toch steeds helder voor het bewustzijn, dat hij in dezen oorlog tusschen „blank” en „bruin” toch alleen overwinnaar zou kunnen blijven door de liefde. De goddelijke genegenheid, die hij voor dezen blanken knaap had opgevat op het oogenblik, dat hij hem met bebloed gelaat in zijn armen hield bij gelegenheid van het sneeuwballengevecht, was hij blijven koesteren ondanks al de vijandschap, die Dolf was voortgegaan hem te toonen. Het was deze liefde, die hem in dien strijd droeg en hem verhinderde om—wat anders wel in zijn natuur lag—bitterheid met bitterheid te vergelden. Het was deze liefde ook, waardoor hij alle verkeerdheden in zijn neef, in plaats van met verachting, kon beschouwen met medelijden. En deze liefde scherpte zijn blik, om ook in het trotsch en laatdunkend gemoed van Rudolf die vatbaarheid voor waarheid, voor recht en voor verlossing op te merken, die den zondigen mensch onderscheidt van de duivelen, en die Leo altijd de hoop deed behouden, dat Rudolf nog eens te winnen ware.

O liefde, gij lichtstraal van Gods aangezicht, gij schijnbaar de zwakste, zijt metterdaad sterker dan de dood, omdat gij alles hoopt, en alles gelooft, en alles verdraagt!

Toch werd Leo in dezen strijd meermalen aan het wankelen gebracht. Er is voor een jongmensch, dat eenig eergevoel bezit, niets moeielijker om te verdragen, dan een trotsche en minachtende bejegening. En voor Leo was dit dubbel moeilijk, omdat hij wist, dat Rudolf niet het minste recht had, hem zulk een bejegening te doen ondervinden. Want wat had zijn neef op hem voor? Niets! In afkomst stonden ze gelijk. In kennis was Leo, ofschoon hij een jaar jonger was, hem in vele opzichten de baas. Ze zaten thans in dezelfde klasse der Hoogere Burgerschool, en zijn cijfers waren bijna altijd beter dan die van zijn neef. Zijn leeraars mochten hem graag; bij zijn makkers gold hij voor een fideelen jongen. Had hij dus niet het recht om minachting met minachting te betalen? O, menigmaal raakte Leo’s vurig bloed aan ’t koken, en had Bamboe al zijn zachtmoedige welsprekendheid noodig, om hem tot rede te brengen en hem in het rechte spoor te houden.

Gedurende deze drie jaren was Bamboe’s invloed op Leo niet verminderd, eer toegenomen. Er was nu geen enkele tak van menschelijke kennis, waarin Leo zijn vriend en raadsman niet overtrof. Zelfs wat de kennis van de Heilige Schrift betrof, stond hij boven hem, want ook op dit gebied had zijn onderzoekende geest de boekerij zijns vaders niet onder het stof laten rusten, en de studie van het heilige Boek was hem, naast die van natuurkunde en schoone letteren, een lievelingsarbeid geworden. Het geheim van Bamboe’s invloed op Leo school dan ook in heel wat anders: in de wonderbare geheimzinnige gemeenschap, waarin deze eenvoudige Javaan leefde met Jezus Christus. Bamboe liet hem Jezus zien, door zijn wandel en door zijn woord; en omdat Bamboe leefde en dacht en sprak in den geest van Jezus, zoo was het ook niet de eenvoudige Bamboe, die Leo raad gaf, vermaande of bestrafte, maar Jezus!

Hoe meer Leo toenam in helderheid van oordeel, hoe duidelijker hij dit ook zelf begon in te zien.

Jezus zelf had hij nooit aanschouwd, maar hij wist, dat Hij de stille kracht was, die Bamboe droeg, en hij zag den Ongezienen in het liefdevolle leven van zijn eenvoudigen verzorger. In het huis aan het Wed waren meestal slechts twee personen, maar Leo was het altijd te moede of daar nog een derde Persoon was, Die den band vormde tusschen hen tweeën, en Die de oorzaak was van allen vrede en zonneschijn, die in dit huis een voorsmaak gaven van den hemel. Hoe meer Leo over de aanwezigheid van dezen derden Persoon nadacht, hoe duidelijker Deze als ’t ware vorm en gestalte voor hem aannam; Hij werd een persoon, tot wien men—al was hij onzichtbaar—kon spreken. En Leo begon tot Hem te spreken. Hij deed het niet dikwijls; het moet zelfs erkend worden, dat Leo het gebed, dat Bamboe vóór en na den maaltijd uitsprak, lang niet altijd met hart en verstand volgde, maar af en toe toch, wanneer die groote, onzichtbare Persoon recht levend voor hem werd, had men hem biddende kunnen vinden. En kwamen deze gebeden ook zeldzaam voor, het waren toch gebeden uit het hart; Leo gevoelde, dat ze ook hèm iets mededeelden van de stille kracht van Bamboe’s leven, en de engelen Gods hadden reden om zich er over te verblijden. Jezus heeft eens zijn discipelen het licht der wereld genoemd, en gezegd, dat de kracht van het nieuwe leven, dat in hen was voor de overige menschen niet verborgen zou blijven, maar dat dit nieuwe leven iedereen in ’t oog zou vallen, evenals een stad, die boven op een berg ligt, eiken reiziger onder de aandacht valt.

En ook bij Leo werd deze nieuwe levenskracht door zijn makkers spoedig opgemerkt. Zij zagen het, in wat hij naliet. Er waren sommige woorden, die hij nooit uitsprak. Hoe vroolijk van aard hij ook was, er waren sommige grappen, waar hij geen behagen in had. Zij zagen het ook aan wat hij deed. In de Zondagsschool van Bamboe, waar hij vroeger een der leerlingen was, trad hij thans op als helper. Bamboe, ofschoon hij lichamelijk gaandeweg zwakker werd, vond naast zijn Zondagsschool-arbeid ook nog tijd om wat te doen voor de fabrieksarbeiders. Hij ging uit van huis tot huis, met een handvol bloemen voor den kranke, een woord van troost voor den lijdende, en een gebed voor den stervende. En op deze tochten werd hij menigmaal vergezeld door Leo. Er was niet één der Hoogere Burgerscholieren, die daarin pleizier zou hebben gehad, maar Leo had er plezier in. En welhaast openbaarde het nieuwe leven zich ook in zijn woorden.

Het was op een les in de Nederlandsche taal, dat de leer der „tropen” ter sprake kwam.

„Leo van Dintelburg,” zei de leeraar, „geef eens een voorbeeld van een prosopopeia.”*

Leo noemde de schoone regels uit Willem van Haaren’s „Menschelijk Leven”:

„’t Geweld verwoest uw erf, de laster verft uw kleed, „Geen vriend durft zich naar ’t huis begeven, „Daar ’t bleek gebrek den vloer betreedt.”

„Jawel,” was het antwoord, „maar dàt staat in je leerboek; geef er een, dat je zelf gevonden hebt. Leo noemde er twee:

„De waarheid en de vrede zullen elkander kussen.”

en

„Laat al de stroomen vroolijk zingen, „De handen klappen naar omhoog. „’t Gebergte, vol van vreugde, springen „En hupplen voor des Heeren oog!”

„Waar heb je dat gevonden?” vroeg de leeraar, die op dat oogenblik de aangehaalde regels niet goed ter plaatse wist te brengen.

„Het eerste staat in den Bijbel, meneer,” was het antwoord; „het tweede komt voor in de berijmde Psalmen.”

Verscheidene jongens schoten in den lach.

„De Bijbel! de Bijbel!” gierde Pauw van Lockhoff, alsof het iets zeer komieks was, iets uit dit Boek aan te halen.

De leeraar echter kon in het spottend gelach van de jongens niet deelen.

„Van Lockhoff,” zei hij, „je lacht zoo; maar weet je wel eens wat de Bijbel is?”

„’t Is het boek waar de dominees uit preeken,” gaf Rudolf ten antwoord.

„Kun je zeggen, wat voor een boek de Korân is, Van Dintelburg?” vroeg de leeraar nu aan Rudolf.

„Natuurlijk!” zei Rudolf, ietwat geraakt, dat de leeraar zoo weinig vertrouwen stelde in zijn historische kennis. „De Korân is de oorkonde van den Mohammedaanschen godsdienst.”

„Zeer goed!” hernam de leeraar. „Maar,” vervolgde hij op verontwaardigden toon, „als je zulk een definitie kunt geven van wat de Korân is, weet je dan geen betere bepaling te geven van wat de Bijbel is dan deze, dat ’t het boek is, „waar de dominees uit preeken”?—Heb je den Bijbel wel eens gelezen?”

Rudolf betuigde op zijn eigenaardigen, minachtenden toon, dat hij nog nimmer een oog in dit Boek geslagen had, en een groot aantal andere leerlingen verkeerden in hetzelfde geval.

„Hoor eens, jongelui,” sprak de leeraar, „deze inrichting draagt geen godsdienstig karakter, en ik wil ook voor jullie geen preek houden. Maar toch moet ik je zeggen, dat het mij tegenvalt, dat zoovelen van jullie nog nooit den Bijbel eens hebben ingekeken, en ik raad je ernstig aan, dat Boek eens te lezen.”

„Och meneer,” zei Frits Wildering, „waar hebben we het voor noodig?”

„Voor noodig, m’n jonge vriend?” was het antwoord. „Vraag liever, waar je het niet voor noodig hebt! Je hebt het noodig voor de kennis der aardrijkskunde, voor de geschiedenis, voor de archeologie, voor de volkenkunde, voor de natuurkunde, voor de plant- en dierkunde, voor de studie in de rechten, voor de oeconomie,* voor het Grieksch en voor het Nederlandsch,—je hebt het bovenal noodig om een goed en bruikbaar mensch voor de maatschappij te worden.”

„Nu meneer,” zei Willem van Waanen, „u noemt daar nog al wat op, maar laatst zei u, dat we voor ’t Nederlandsch bij voorkeur oorspronkelijke werken moesten lezen, en geen vertaalde. En de Bijbel is immers vertaald.”

„Dat is waar; maar de Bijbel vormt op dien regel een uitzondering. Eigenlijk is de Bijbel geen vertaald boek, tenminste niet in den zin, waarin ik het bedoel. De Bijbel is geschreven in de taal van het menschelijk hart en is in alle talen een oorspronkelijk werk. De Bijbel wordt niet beheerscht door de taal van eenig volk, maar beheerscht zelf alle talen. Spreken in den goeden zin leert een volk eigenlijk pas, wanneer het den Bijbel heeft. Ik onderwijs je hier het Nederlandsch. Weet je waar onze Nederlandsche taal haar oorsprong heeft?—In den Bijbel! Precies zoo is het gesteld met het Duitsch, het Fransch, het Engelsch en met de taal van welk West-Europeesch volk je ook noemen wilt.

„Er is geen boek ter wereld, dat zoovele letterkundige schoonheden kan aanwijzen als de Bijbel. Ja, ik durf zeggen, dat er in de laatste driehonderd jaar geen enkel letterkundig kunstwerk, dat dien naam waard is, kan worden aangewezen, waarvan niet op een of andere wijze de kiemen zijn te vinden in den Bijbel. Je meent, dat de Bijbel enkel het boek is van den godsdienst? Ik zeg, dat het ook is het boek van de Schoonheid, niet alleen op het gebied van de letterkunde, maar op elk ander gebied van menschelijke kunst. Niet alleen, dat de dichters voor hun schoonste zangen de stof hebben ontleend aan den Bijbel, maar ook de componisten,* de beeldhouwers en de schilders.

„Kortom, jongelui, als je één boek moest missen, dan zou ik zeggen: gooit desnoods al dien anderen lorreboel op zij, als je den Bijbel maar moogt behouden. Werkelijk, jongens, je hoeft er niet grootsch op te zijn, dat je dit Boek nooit hebt gelezen, want, zal ik je eens wat zeggen?—Wie den Bijbel niet kent, die kent nog niets, en dat is een nul! Nu weet je ’t!”

„Ik geloof warempel, dat hij fijn geworden is,” zei Pauw van Lockhoff, toen de les geëindigd was.

„Nee,” zei Frits Wildering, „maar ’t is een kerel van verstand, en ik geloof, dat hij gelijk heeft. Ik tenminste ben van plan, dat boek eens te lezen.”

Een paar anderen koesterden hetzelfde voornemen, en zoo ontstond er naast de Fietsclub, de Roeiclub, de Zwemclub, de Voetbalclub, en hoe al die clubs aan de H.B.S. verder mochten heeten, ook nog een Bijbelclub.

Zij werd gehouden ten huize van Bamboe, en had ten doel de letterkundige schoonheden van den Bijbel te onderzoeken.

Voortaan heerschte er onder de Hoogere Burgerscholieren tweeërlei strooming. De een werd geleid door Rudolf, en bestond meerendeels uit de jongens van den deftigen stand. Het waren de jongelui, die het meest van zich deden spreken. Ze rookten veel cigaretten, deden heel veel aan sport, en zaten ’s avonds gewoonlijk met de blauwe Burgerschool-pet op het hoofd, op achtelooze wijze met een fijn rottinkje tusschen de knieën, buiten voor de café’s, om aan iedereen te laten zien, dat zij reeds een cognacje in één teug durfden uitdrinken en onmiddellijk daarop een nieuw bestellen. Ze gaven zichzelven den lieven naam van de „Donder-studenten”.

De andere werd geleid door Leo. Het waren de zoogenaamde Bijbel-studenten. Onder al deze jongelui was er niet één, die graag voor een „fijne” zou worden aangezien. Het waren eenvoudige jongens, die lust hadden om te werken en als liefhebberij-studie ook het onderzoek des Bijbels op hun program hadden geplaatst.

Maar ongemerkt en zonder dat ze het wilden, oefende dit wonderbare Boek óók invloed uit op hun leven. Er waren er onder deze jongens, die sommige verhalen uit den Bijbel opvatten met spottend ongeloof, en die in de jongeheeren-café’s even goed kwamen als de anderen; maar toch waren er sommige vermaken en sommige streken, waaraan men een Bijbelstudent nooit zag meedoen.

En—zij deden de beste examens.

HOOFDSTUK X.

LEO EN RUDOLF ZIJN VOOR EEN OOGENBLIK GOEDE VRIENDEN, ’T GEEN ECHTER VOOR DEN EERSTE SLECHTE GEVOLGEN HEEFT.

Rudolf en Leo waren juist een dag na elkaar jarig, en de eisch der beleefdheid bracht mee, dat Leo dan natuurlijk een felicitatie-bezoek aflei. Zooals reeds gezegd is, waren de visites, die hij op villa Dintelburg moest maken, voor hem nu juist niet van de pleizierigste, vooral niet als hij wist, Dolf te zullen thuis treffen. Toch hadden aan de andere zijde deze bezoeken ook wel iets aantrekkelijks voor hem. Hij miste er iets, en hij vond er iets. Hij miste er dat eigenaardige, dat uitging van Bamboe’s leven in de gemeenschap met God; hij vond er een zekere deftige gezelligheid, die, hoe ouder hij werd, te grooter bekoorlijkheid op hem uitoefende. De ware gezelligheid in een huis wordt er in gebracht door de moeder. Als Leo in het salon van zijn tante zat en haar zoo genoegelijk hoorde babbelen met zijn nicht Henriëtte, dan dacht hij dikwijls aan zijn eigen moeder terug en kreeg het huis aan het Wed voor hem iets ledigs. Tante en Henriëtte waren altijd hartelijk jegens hem gestemd, evenals oom, die de gewoonte had, bij Leo’s bezoeken een goed glas wijn te schenken, ’t geen onze vriend thuis nooit kreeg en waar hij nochtans heel veel van hield.

Ditmaal wist Leo echter niet, of hij wel zou gaan, want Bamboe was ziek,—niet zóó ziek, dat hij te bed lag, maar hij was toch erg moe en op; de hoest, die hem de laatste jaren altijd had gekweld, was schrikbarend toegenomen en hijzelf opvallend vermagerd. Bamboe echter wilde niet, dat Leo om zijnentwil thuis bleef, en Leo ging.

De ontvangst op de villa was nu natuurlijk nog feestelijker dan anders. Rudolf had een van zijn joviale buien en wenschte Leo met een stevigen handdruk meteen maar geluk tegen morgen. Hij stond zelf op om Leo wat in te schenken.

„Drink je eens een glaasje cognac mee?” vroeg hij.

Leo had het nog nooit geproefd en wilde het dus wel eens probeeren.

De drank steeg hem terstond naar het hoofd en joeg zijn Indisch bloed door de aderen met dubbele snelheid.

Lang wilde hij zijn visite ditmaal niet maken, met het oog op den toestand, waarin Bamboe verkeerde, en derhalve maakte hij reeds vrij spoedig aanstalten om te vertrekken.

„Wil je eerst nòg een?” vroeg Dolf, de karaf opnemende.

„Als je blieft,” zei Leo.

„Nee, Leo,” kwam Henriëtte tusschenbeide, „dat zou ik niet doen. Ik geloof niet, dat je er tegen kunt.”

„Kom, kom, wat zijn twee glaasjes voor zulk een vent,” zei oom Louis.

„Nee, nee, Henriëtte heeft gelijk,” zei Mevrouw, „één is voor Leo meer dan genoeg!” En welstaanshalve moest Leo dus nu wel bedanken, hoewel hij het met leedwezen deed, want dat prikkelende goedje smaakte hem terdege. We weten reeds, dat hij voor genietingen van stoffelijken aard uiterst vatbaar was.

„Nu, als je dan bepaald niet meer durft nemen,” zei Dolf met een minachtenden nadruk op dat woord durft, „dan ga ik mee om je een eindje weg te brengen.”

’t Was buitengewoon vriendelijk, en Leo nam het zeldzame aanbod dankbaar aan.

Dolf was er voor, een omwegje te maken, en sloeg met Leo de Molsteeg in.

„Goeden avond, heeren,” zei Knijp, de uitdrager, die in deze steeg zijn magazijn had. Op zeer opvallende wijze, alsof het oude bekenden gold, trok hij bij dezen groet zijn pet in zijn oogen en gaf hij Rudolf grinnikend een knikje op den koop toe.

„Vanavond, hoor,.... je weet wel, morgen geef ik een fuif....” fluisterde Rudolf hem in ’t voorbijgaan toe.

„Tot je dienst, meneer,” zei de schacheraar, terwijl hij in zijn knokige vingers wreef.

Op het Molenplein zagen ze voor het café „Loop-in” Pauw van Lockhoff en nog een stuk of wat „Donder-studenten” zitten.

„Hallo, Dintelburg! kom eens aan! Wèl gefeliciteerd, hoor!” zei Pauw, terwijl hij Dolf de hand toestak.—„En jij óók hoor, Bruintje-neef!”—vervolgde hij tot Leo.

„Ja, jongens,” zei Dolf, „’n gelukwensch moet beklonken worden, hè? anders geldt hij niet. Wat wil je gebruiken?”

Al de jongeheertjes getuigden van hun voorliefde voor cognac.

„En jij, neef?” vroeg Dolf.—„O ja, ’t is waar óók: je moogt niet meer drinken, want je kunt er niet tegen, hè?”

„Mogen?—voor wie niet?” vroeg Pauw.

„Wel, voor zus Henriëtte niet; ze heeft het hem plechtig verboden,” zei Dolf, met spottende gestrengheid den vinger tegen Leo opheffend.

„Allemaal gekheid, hoor!” zei Leo, een kleur krijgende, „ik doe mee!”

De laatste woorden waren er uit vóór hij er aan dacht. Hij had daarmee bewijs van zijn moed willen geven; maar zoodra hij ze had uitgesproken, had hij er heimelijk spijt van.

Het was nu evenwel te laat, want ze te herroepen zou àl te flauw hebben gestaan.

Leo dronk een glaasje cognac mee, en nog één ...

Bamboe gevoelde zich onrustig. Het was al donker en Leo was nog niet thuis. Bamboe stond op, om in de duistere kamer naar de klok te gluren. Toen hij zich weer neerzette, voelde hij een vreemd geruisch in zijn borst, alsof daar een steen zat, die iets opzoog. Hij luisterde naar dat geruisch, en naar het gerucht van voetstappen daarbuiten. Eindelijk stak hij de lampen aan en hoestte en luisterde opnieuw, maar de voetstappen gingen voorbij. Toen ging hij weer zitten met gevouwen handen, en bad, en luisterde.

Eindelijk, daar ging het hekje open en hoorde hij een geweldigen ruk aan de bel, heel anders dan Leo altijd deed. Hij opende de deur, en in plaats van één persoon, zag hij bij het licht van de ganglamp er twee voor de deur staan, die een derden tusschen zich in droegen.

Die derde hield het hoofd voorover, slap als een lijk, maar toch had Bamboe hem onmiddellijk herkend.

„O, Leo, mijn jongen!” schreide hij, „o Leo, wat is er gebeurd?”

„O, het is niets, Bamboe!” stelde Pauw van Lockhoff hem gerust. „Hij is alleen maar wat boven zijn bier.”

Bamboe poogde hem in zijn armen naar binnen te dragen, maar was daar thans niet meer toe bij machte.

Rudolf en Pauw namen die taak van hem over en legden Leo op de sofa in de voorkamer.

Daar lag hij en keek Bamboe met doffe oogen wezenloos aan.

Deze knielde bij hem neer en nam zijn bleek gelaat tusschen de handen.

„O Leo, mijn jongen,”—sprak hij met door tranen verstikte stem, „wat zal ik beginnen....? O, mijn lieve, lieve jongen....”

Verder kon hij niet. Hij hoestte en gaf een groote golf bloed op, die vlak voor Leo als een roode plas op het donkere vloerkleed neervloeide.

Leo sprong op.

De schrik had hem plotseling ontnuchterd.

„Help, help,” riep hij, „gauw om den dokter!—hij sterft!”

Pauw waggelde naar buiten, om een geneesheer te halen, en met behulp van Rudolf lei Leo den armen Javaan op de plaats, waar hij zooeven zelf gelegen had.

„Heb je mij nog noodig?” vroeg Rudolf na eenigen tijd op zachten, berouwvollen toon, want de groote droefheid, waaraan hij Bamboe ten prooi had gezien, en de verschrikkelijke gevolgen daarvan, hadden toch zijn hart geraakt.

„Neen,” zei Leo schreiend, „als de dokter maar gauw komt.”

„Nu, bonsoir dan en beterschap, hoor!” zei Rudolf, terwijl hij hem de hand toestak. „Je ziet het, Leo,” vervolgde hij, op een toon alsof hij ditmaal eens zijn gewone minachting op zijn eigen hoofd wilde uitstorten, „je ziet het: ’t is niet goed, dat „Blank” en „Bruin” mekaar ontmoeten. Ik ben zelf een beroerling, en dat zou ik op den duur ook van jou maken.”

Met deze woorden stapte hij de deur uit en spoedde zich naar de Molsteeg, naar de uitdragerij van Knijp.

HOOFDSTUK XI.

BAMBOE SPREEKT VAN EEN VERBRANDE PADI-SCHUUR, EN ONDERVINDT DAT EEN CHRISTEN EEN ZACHT STERFBED HEEFT.

Het was een droevige verjaardag voor Leo, de droevigste uit heel zijn leven.

Bamboe lag in zijn slaapkamer op de baleh-baleh. Naatje, de oude dienstbode, dribbelde op haar teenen de keuken rond, met haar schort voor de oogen. Zij huilde. Want de dokter had gezegd, dat Bamboe den nacht wel niet zou halen.

Leo en Dirk Drijver zaten bij Bamboe’s sterfbed. Dirk, die veel aanleg getoond had voor het teekenen, was door een familie-lid op de ambachtsschool gedaan en werd nu opgeleid voor textiel-teekenaar. Hij was, evenals Leo, helper aan de Zondagsschool, en gelukkig ging hij daar thans wat verstandiger mee te werk dan vroeger.

Bamboe lag naar buiten te kijken, naar de triestige lucht, die zich, als een wade van grijzen rouw, den ganschen dag over de stad bleef uitbreiden. Zijn ademhaling was kort en zwaar. Van tijd tot tijd kreeg hij hevige benauwdheden, en lag hij om het half uur enkele minuten buiten kennis. Maar als hij weer tot het bewustzijn terugkeerde, ontsnapte geen enkele klacht zijn mond. Dan lag hij daar, vriendelijk en vredig, met een glimlach om de lippen.

„O, Bamboe!” zei Leo, die snikkend bij zijn leger knielde, „dat ik nu de oorzaak moest worden van je dood!”

„Neen, neen, Leo,” fluisterde Bamboe, „dat mag je niet zeggen. Ik ben wel erg geschrokken gister—dat is waar, maar ik heb vroeger al meer bloed opgegeven. Sinds dat koude bad ben ik nooit meer goed geweest. Ik had zelfs niet gedacht, je verjaardag nog te beleven.”

„Leo,” vervolgde hij na een tusschenpoos, „je bent nu zeventien jaar. Je bent nu geen kind meer,—je bent jongeling....

„Mijn taak is nu afgedaan.... Maar blijf in ’t geen je van je vader en mij geleerd hebt.... Waarmede zal de jongeling zijn pad rein houden?.... Als hij dat houdt naar Gods Woord!”

Een nieuwe benauwdheid belette hem voort te gaan.

Toen hij weer bij kennis kwam, gevoelde hij zich zóó wel, als hij in lang niet geweest was. Hij richtte zich op en keek de kamer door.

Zijn oog viel op de papegaaien.

„Dag Bamboe, goeie baas!” riep Jok, en Plok riep het hem na.

„Je moet ze in de museumkamer brengen, Leo,” zei Bamboe. „Als ze mij zien sterven, zullen ze wellicht zelf óók dood gaan, en in elk geval zullen ze nooit meer een woord spreken. En dat zou toch heel onplezierig voor je wezen.