Chapter 11 of 11 · 3759 words · ~19 min read

Part 11

„Toewan moet niet zoo alleen en ongewapend loopen,” zeiden hem eens een paar inlandsche soldaten; „er zwerven nog altijd hier Baliërs rond, en één klewanghouw is voldoende om toewan het leven te benemen.” En ofschoon zij pas den vorigen nacht nachtwachtdienst hadden gedaan, kon Leo niet verhinderen, dat zij hem dien geheelen nacht als vrijwillige patrouille op zijn zwerftochten vergezelden.

Helaas! een andere vijand stond gereed Leo te bespringen, een vijand, waartegen geen liefdevol geleide ook van geen duizend brave soldaten kon vrijwaren: de geduchte en gevreesde malaria-koorts.

Leo had te veel van zijn lichaam gevergd; de natuur wreekte zich, en doodziek werd hij ingescheept naar Java. De expeditie was trouwens zoo goed als afgeloopen.

Daar Rudolf naar Sindang-laya werd geëvacueerd, besloot Leo óók derwaarts te gaan, en zoo kwam het dat de beide neven op dien bewusten avond gezamenlijk door den tuin van het gezondheids-etablissement wandelden.

Leo was nog zwak, maar Rudolf was het nog meer. Het loopen met een kunstbeen viel hem o, zoo moeilijk, en zonder kruk ging het in ’t geheel niet.

„Leun maar op mij, Rudolf,” sprak Leo. „Leun maar op mij!”

Rudolf lei de hand op zijn schouder. Tranen kwamen in zijn oogen, en terwijl hij zijn hoofd tegen Leo’s borst lei, zeide hij: „M’n goeje, beste Leo, waarmee heb ik dat verdiend, dat je altijd zoo trouw voor me geweest bent en dat je mij nu nog met je eigen zwakke lichaam wilt steunen! Ik heb je altijd gehaat! Welke stille kracht heeft je toch altijd gedreven om mij lief te hebben. Ik heb je getergd; ik meende door mijn haat je liefde te overwinnen, maar de liefde is machtiger geweest dan de haat, en heeft mij overwonnen! Vergeef mij, Leo, vergeef mij!”

Bewogen drukte Leo hem de hand.

„God zij geprezen, Rudolf!” zeide hij. „Zoo zullen we dan voortaan vrienden zijn!”

Hand in hand wandelden zij eenigen tijd zwijgend naast elkaar voort. Eindelijk zetten zij zich neder op een bank, en toen begon Leo te spreken over die stille kracht, die hem in staat had gesteld, altijd weer te vergeven en altijd te blijven liefhebben: de kracht van de liefde van Jezus.

Rudolf luisterde met zijn geheele hart en zijn gansche verstand.

Reeds vroeger op Lombok had hij aanvankelijk geleerd zichzelven te verfoeien, hier sloeg hij nog dieper blik in zijn eigen hart. Hij kreeg een afschuw van zijn vroeger leven, maar tevens werd hem het uitzicht geopend, in Gods kracht een nieuw leven aan te vangen.

Ver achter de altijd rookende Gedeh ging de zon onder en kleurde den grauwen, vuilen rook met wonderbare tinten van violet en rose. Ook over Rudolf’s ziel was voortaan een andere tint gekomen, verlicht als zij was door de stralen der liefde Gods.

Hij keerde zwijgend-dankend naar zijn logies terug. De oude Rudolf van Dintelburg, met al zijn haat en al zijn laatdunkendheid en zijn wereldlust, was begraven in den Gedeh; een nieuwe zou eerstdaags naar Europa terugkeeren.

Binnengekomen, werd hem een telegram overhandigd. Doodsbleek reikte hij het, na ’t gelezen te hebben, aan Leo over, en deze las: „Vader ernstig ziek. Beroerte.”

Een paar dagen later bracht de post, wat Rudolf en Leo reeds gevreesd hadden: de doodstijding van Rudolfs papa.

De heer Van Dintelburg had, zooals wij weten, meer dan eens in twijfel gestaan, of het levensdoel, dat hij zich gekozen had, wel het rechte was en of die andere weg, dien hij zijn broeder en Bamboe en Leo had zien bewandelen, niet beter was dan de zijne. Hij had ondervonden, dat wereldsche eer, genot en macht, hoe ijverig ook gezocht, toch nooit het hart kunnen bevredigen. Integendeel, hij had op dezen weg niets anders ondervonden dan verdriet en teleurstelling. Maar dit had hem niet bewogen om een anderen weg te kiezen. Hij wist: het groote doel, den naam Van Dintelburg weer nieuwen luister bij te zetten, was met Rudolfs vertrek naar Indië mislukt; de eenige Van Dintelburg, die dien naam waardig was te dragen, was een dochter, die dien naam bij haar huwelijk tegen een anderen zou verruilen, en een ander ook zou de schatten erven, die hij verzameld had. Maar niettemin bleef de arme verblinde man dit verloren levensdoel najagen, nu voortaan zelfs met verdubbelden ijver. Hij was winzuchtiger en willekeuriger jegens zijn personeel dan ooit te voren. Hij deed als een man, die den sneltrein, waarin hij had willen reizen, vóór zich het station uit ziet stoomen, maar hem toch nog achterop tracht te loopen.

Hij liep zich dood, in letterlijken zin. Want, door zaken op het kantoor wat opgehouden, had hij zich gehaast om nog zijn gewone inspectie in de fabrieken te kunnen houden, en vlak voor de poort van de Leyefabriek had hem de beroerte getroffen, die een einde aan zijn leven maakte. Het was hem gegaan als den rijken man uit de gelijkenis, die schuren bij schuren en schatten bij schatten verzamelde, en toch altoos maar bleef peinzen over nieuwe schatten en nieuwe schuren. Maar God zeide: gij dwaas! Dezen nacht zal men uw ziel van u afeischen, en ’t geen gij verzameld hebt, wiens zal het zijn?

Het viel Rudolf, die voor den dienst was afgekeurd, natuurlijk zwaar om thans de leiding van zijns vaders zaak op zich te nemen, want hij wist dat men hem in Weverstede met wantrouwen zou ontvangen.

Gelukkig echter, hij vond hulp, en dat wel van de zijde van Leo. Leo had van de geneesheeren na zijn herstel den raad ontvangen, niet langer in Indië te blijven, daar zijn gestel niet tegen het klimaat bestand was. ’t Was voor Leo een groote teleurstelling, aldus den liefsten wensch zijns harten te moeten opgeven. Maar hij overwoog, dat het toch in elk geval Gods leiding was, die hem naar Indië had gevoerd, en Gods leiding ook, die hem terugzond naar het Moederland. Ook ginds was er, als overal, werk in overvloed; ook ginds kon hij zijn, want hij wist dat zijn plicht en zijn roeping was: een licht te wezen te midden eener donkere en verloren gaande wereld.

Of Rudolf en Leo nu ook samen getuigenis gaven van het nieuwe leven, dat zij nu beiden deelachtig waren? En of het Rudolf gelukte, thans de liefde te verwerven van dezelfde menschen, wien hij vroeger zooveel aanleiding had gegeven om hem te haten? Waarschijnlijk wel. Als God genade geeft, dan geeft Hij er ook eere bij. Het „goede Boek”—om nog eens met Bamboe te spreken—zegt: „Als iemands wegen den Heer behagen, dan zal Hij hem ook met zijn vijanden verzoenen.”

En in het nu volgende, laatste hoofdstuk, zal „de ondervinding” leeren, dat deze uitspraak van „het goede Boek” waarachtig is.

HOOFDSTUK XVIII,

WAARIN OP ÉÉN DAG VIJF FEESTEN WORDEN GEVIERD.

Wederom zijn twee jaren verloopen, en thans bevinden wij ons weer te Weverstede.

Weverstede viert feest, dat kunt ge reeds bij den eersten oogopslag wel zien aan de vlaggen en wimpels, die allerwegen wapperen uit venster en luik;—dat kunt ge zien aan de groene eerepoort en aan de in feestgewaad gedoste menigte.

Wat is er aan de hand? Is de gansche stad in feestvreugde ter eere van den jongen Mr. Wildering, een van de voormalige „Bijbelstudenten”, die hier onlangs tot lid van de Tweede Kamer is gekozen en, hoe jong ook, reeds bekend is als een der beste Christelijke Staatslieden?

Neen, dat feest is reeds achter den rug. Dat, ’t welk nu gevierd wordt, overtreft alles wat op dit gebied ooit in Weverstede heeft plaats gehad; ’t is eigenlijk een feest der feesten, daarvandaan ook dat heel de stad er aan deelneemt.

Maar wat is het dan toch?

Ziet gij dien heer daar staan, vlak voor dat nieuwe gebouw met die fraaie eerepoort? Voor die poort staan een paar honderd fabriekskinderen, allemaal netjes gekleed, met groen versierde vlaggetjes in de hand, en rozen en linten om pet of hoed. Met goedmoedige gebaren tracht die heer orde onder den troep te houden, maar hoe netjes hij ze ook opgesteld heeft, ze zijn vandaag te woelig om ook maar één oogenblik stil te kunnen staan, en zij neuriën nu reeds bij voorbaat het feestlied, dat ze straks zullen zingen.

Laten we hem eens aanspreken.

Kent ge hem niet?

„Dirk Drijver,” zegt ge.

Nietwaar, al is hij nu een heer geworden, hij draagt zijn hoed nog even los en jolig achter op zijn hoofd, als hij vroeger zijn pet droeg; en het verwondert u niemendal, dat zulk een stevige knaap, als hij vroeger was, is opgegroeid tot zulk een robusten jongen man, als hij nu is. En wat zijn karakter aangaat, is hij nog even oprecht en trouwhartig als vroeger.

„Stil jongens,” zegt Dirk Drijver, „niet zoo woelig! Denkt er om, meneer Rudolf is militair geweest en die wil dus hebben, dat je allemaal netjes in ’t gelid staat!”

„Feest, meneer? waarvoor het feest is? Als ’k je dat zeggen moet, dan mag ik eerst wel eens op m’n vingers tellen.

„Ten eerste is het de verjaardag van meneer Van Dintelburg, namelijk van den jongen meneer, zooals wij altijd zeggen. Ja, ja, dat had hier vroeger ook wel niemand gedacht, dat we allemaal eens zijn verjaardag zouden vieren. Maar nu neemt heel de stad er deel aan, dat kan ik je verassureeren. Nu, sinds hij uit Indië is gekomen, is hij ook een best mensch gebleken, dat zegt ieder. ’n Beste man voor zijn volk, dat kan ik getuigen, want ik ben teekenaar aan zijn fabrieken, en dat getuigt al het werkvolk. En niemendal trotsch! Als jongen heb ik hem eens een fermen labberjudas voor z’n gezicht gegeven. Alhoewel, hij was in zijn soort ook niet bang,—nee, dat was hij nooit, dat moet ik zeggen. Daar in Indië moet hij die Balineezen dan ook duchtig op d’r tabbert hebben gezeten;—dat bewijst wel de Militaire Willemsorde, derde klas, die hij op z’n borst draagt.

„Laatst sprak hij mij nog eens aan over dat geval van dien klap.

„„Drijver,”” zei hij, „„vriend, ik moet je nog ergens vergiffenis voor vragen.””

„„Wat, meneer,”” zei ik, „„vergiffenis?”” en ’k dacht: Wa’s dat nou?—want dat gebeurt niet alle dagen, dat zulke groote lui aan d’r ondergeschikten vergiffenis vragen, ergens voor.

„„Weet je nog wel,”” zei hij, „„dat je me op het ijs eens een klap hebt gegeven?””

„„Of ik dat weet, meneer,”” zei ik, „„maar daarvoor mag ik ú wel vergiffenis vragen.””

„„Nee, Drijver,”” zei hij, „„dien klap had ik dubbel en dwars verdiend, maar dat bedoel ik niet. Je weet, dat na dat geval je oude vader ontslagen is door papa, en nu is je vader al dood, evenals de mijne, maar ik heb toen ook jou en je moeder verdriet gedaan, en daarvoor vraag ik je vergiffenis. Ja,”” zei hij, zoo nadenkend als hij soms wezen kon, „„ik was toen een kwade bengel, en later....””

„„Je hadt een kwaad been, meneer,”” was ik zoo vrij te zeggen, „„en sinds je daar in Indië dat been bent kwijt geraakt, sinds ben je genezen.””

„„Wat dat been betreft,”” zei hij, „„ja, Drijver, ik dank God, dat Hij het mij heeft afgenomen, maar toch.... in het been zat het hem niet; ik had geen kwaad been,—ik had een kwaad hart!””

„Kijk meneer,” vervolgt Dirk Drijver, „als je zoo iets van jezelven getuigt, als je zóó ootmoedig de zonden van je jonkheid betreurt, dan zeg ik, dat je een nieuw mensch, dat je een Christen bent,—wat u nou?

„Nu, de andere patroon, meneer Leo, zooals wij altijd nog zeggen, daar hoef ik geen woord over te spreken. Wie dat is, dat weet iedereen wel in ons heele land, mag ik wel zeggen, en hier de jongens van de Zondagsschool weten er óók van te spreken, niewaar jongens?

„Ja, meneer, hij wilde eigenlijk als zendeling in Indië arbeiden, en dat is hij geweest óók, maar z’n constitutie, zal ik maar zeggen, kon daar niet tegen, en hij is nu naar ons land gemoeten.—Dat was óók weer Gods besturing, want de jonge meneer moest hier toen patroon worden en niemand had het op hem verzien. Zoo kwam het dan maar goed, dat meneer Leo als compagnon wilde optreden, want die was algemeen bemind. U weet, hoe erg ook de jonge meneer meeviel. De ouwe meneer en de ouwe grootvader Van Dintelburg hadden ’t allebei voor ’t vizier gehad, dat nog eens twee jonkers Van Dintelburg in de zaken zouden komen, en dat is nu dus ten langen leste tòch gebeurd.—En dat weeft samen zoo maar geleidelijk op, de eene de schering en de andere den inslag, zeg ik altijd, of om ’t u duidelijker te maken,—want meneer is geen wever, zie ik wel,—de eene zorgt voor de arbeiders d’r lichaam, en de andere voor d’r ziel.

„Meneer Leo is ook hier nog altijd zendeling. Niet alleen, dat hij leeraar is aan een zendelingen-school te Rotterdam, en heel vaak voor de zending uit spreken gaat, maar hier in de stad is hij ook zendeling op duizenderlei wijze. En zulk een zendeling hadden we hier broodnoodig, want zooals m’n vader altijd zei,—’t waren hier heidens,—heidens waren het!”

„En waar is ’t nog meer feest voor, Drijver?”

„Het tweede feest betreft de inwijding van het Henriëtte-park, het derde de opening van de nieuwe fabriek, het vierde de inwijding van het Bamboe-huis, dit gebouw, waar we nu voor staan, en het vijfde....?”

„Het Bamboe-huis, Drijver?”

„Ja meneer, zoo heeft meneer Leo het genoemd. ’n Prachtig gebouw, vindt u niet? Kijk, daar staat de naam in vergulde letters in ’t front: Bamboe-huis. En hier op dien steen:

TER GEDACHTENIS AAN PETRUS BAMBOE EEN EENVOUDIGEN JAVAAN EN DISCIPEL VAN JEZUS CHRISTUS DIE OP HET VOETSPOOR VAN ZIJN MEESTER DE ZIJNEN HEEFT LIEFGEHAD TOT HET EINDE TOE.

„En kijk, meneer, ziet u die twee stijlen hier aan de poort? Dat zijn werkelijk een paar zware bamboestammen. ’t Staat wel aardig, vindt u niet?

„Waarvoor het gebouw dient? Voor alles en nog wat. Allereerst is het een herberg, maar een herberg zonder sterken drank, want van sterken drank was meneer Bamboe een pertinente vijand. Een flinke, ruime en nette gezelschapszaal en de mooie tuin zullen ons fabrieksvolk een genoeglijke en onschuldige uitspanning verschaffen. Ik zelf, al ben ’k textiel-teekenaar van m’n vak, ik maak ook nog wel eens een aardigheidje buiten mijn gebied, en zoo heb ik voor die zaal een levensgroot crayon-portret van meneer Bamboe geteekend, zoo maar uit het geheugen, maar iedereen zegt, dat het bijzonder goed lijkt. U kunt het straks wel eens zien.—Daarnaast en daarboven heb je allerlei zalen en lokalen voor de Zondagsschool, waarvan u hier de leerlingen ziet, voor de jongelingsvereeniging en voor de Bijbelclub. Die laatste moet evenwel huur betalen, want die bestaat meest uit de grootheid, jongelui van de H. B. S., en zoo.

„De opening van het Henriëtte-park, ja, dat zal ook wat wezen. Dat gaat, evenals het Bamboe-huis, uit van Van Dintelburg & Co., maar het Bamboe-huis is voor iedereen, en het Henriëtte-park is alleen voor de arbeiders van onze fabrieken. Het is een gewoon park, maar de groei moet er natuurlijk het mooie nog aanbrengen. Overal staan er nette arbeiderswoningen, niet als krotten op mekaar, maar ruim en luchtig. ’t Zal op den duur een lust zijn er te wonen. Een Christelijke school voor de fabriekskinderen staat er op het einde. ’t Heeft een centje gekost, meneer, daar kunt u van op aan, maar ’t is ook een wonder, hoe de firma de laatste twee jaren vooruitgegaan is. Nu,—wij,—het personeel,—zijn daar niet rouwig om. De firma houdt open boek voor het werkvolk, en ieder arbeider heeft zijn deel in de winst. U weet niet, hoe goed of die laatste bepaling gewerkt heeft, want nu is het niet alleen de zaak van de heeren Van Dintelburg, maar ’t is de zaak van ons allemaal. Ieder doet zijn best om de weverijen vooruit te brengen. Vroeger was de arbeid maar sleurwerk, thans mag ik zeggen, dat elk er liefhebberij in heeft. De menschen hebben zelfs onderling vak-vereenigingen opgericht, waar de een den ander, om zoo te zeggen, onderwijs geeft, om het werk telkens en telkens maar beter te maken. ’t Is dan ook bekend, dat wij het knapste werkvolk hebben en de beste leveranciers zijn uit heel Europa. Geen wonder dat er al weer een nieuwe fabriek op de „Blinde Wei” moest worden bijgebouwd.

„De jonge meneer heeft aan die fabriek den naam gegeven van „Blank en Bruin”. Dat is een aardigheid op de firma, ziet u, want meneer Leo is eigenlijk van bruine komaf. „Blank en Bruin” waren vroeger de grootste vijanden; thans zijn zij zulke beste vrienden, dat zij als tweelingpaar, hun namen zullen geven aan hetzelfde gebouw.

„Ja, er komt zelfs een tweede firma van „Blank” en „Bruin”, want ons vijfde feest betreft een huwelijk tusschen „Blank” en „Bruin”; freule Henriëtte trouwt vandaag met meneer Leo.

„Eerst zijn zij naar de fabriek gereden en vervolgens naar ’t Henriëtte-park. Straks komen ze hier, en daarna gaat het naar het stadhuis.

„Kijk, kijk, daar heb je ze al!”

„Jongens, op je plaats!”

Onze gezellige babbelaar moet ons nu in den steek laten, om zich met zijn klas te bemoeien. Want ginds op het einde der straat nadert een dichte menigte, te midden waarvan een open landauer rijdt, met vier paarden bespannen, waarin ge een dame en twee heeren ziet zitten. De dame, die vriendelijk glimlachend het volk toeknikt, is juffrouw Henriëtte, maar daar de Indische zon Rudolfs gezicht nu even bruin heeft gezengd als dat van Leo, zoudt ge „Blank” niet van „Bruin” kunnen onderscheiden, indien gij den eerste niet reeds uit de verte herkend hadt aan zijn steek, en aan de Militaire Willemsorde op zijn borst.

De stoet komt al nader, en hoe meer hij nadert, hoe luider het gedruisch wordt, dat hem vergezelt.

Eindelijk, daar houdt het rijtuig stil, en nu kunt ge ook aan andere dingen dan daareven Leo en Rudolf van elkaar onderkennen. De eerste springt met vroolijken lach uit het rijtuig, en terwijl hij er ook Henriëtte uit helpt, straalt zijn gelaat van zonneschijn en levenslust.

Rudolf daarentegen kijkt ernstig. Zijn gelaat heeft iets zachts gekregen, en ook iets vredigs. Maar iets vroolijks neemt men er zelden op waar. Ook nu brengt hij het niet verder dan tot een glimlach, weliswaar van tevredenheid en geluk, maar toch een weemoedigen glimlach. En als hij uit het rijtuig gaat, moet ook hij door Leo ondersteund worden. Rudolf van Dintelburg draagt een ridderkruis, maar hij zal toch zijn levenlang blijven hinken op een kunstbeen! O, hoe moeilijk gaat hem dat af, uit een rijtuig te stappen! Een gemompel van medelijden gaat er op onder de toeschouwers over zijn gebrekkigen toestand.

„Jammer hè, meneer Drijver, van dat been, vindt u niet?” fluisteren we Dirk Drijver in.

„Wat zal ik je zeggen, meneer!” is het eveneens fluisterend gegeven antwoord. „Wat zal ik zeggen? Da’s nou het leelijke van de zonde. De zonde, zeg ik wel is tegen m’n jongens, de zonde is net als ’n inktklad op ’n teekening. Je kunt (of liever God kan) die klad er uitkrabben, maar het rechte wordt het nooit meer. Je kunt later altijd nog zeggen: Daar het-ie gezeten! De wonde mag beteren, het litteeken blijft! M’nheer Dolf komt in den hemel, dat geloof ik vast. Maar hier op aarde is er de fut bij hem uit. ’n Treurig aangezicht en ’n houten been, dat zijn de gevolgen van de zonden der jonkheid, meneer! ’t Is jammer van den man!”

En Dirk Drijver veegt, terwijl hij dit zegt, een traan uit het oog.

De kinderen echter begrijpen deze uiting van droefheid nog niet. En ook onder de groote menschen zijn er maar weinigen, die zóó over Rudolfs leed nadenken, als Dirk op ’t oogenblik doet.

En wie zou hun dat ten kwade duiden? ’t Is immers feest vandaag? De kinderen letten nog niet eens op meneer Rudolfs moeilijken gang. Zij kijken slechts naar „die mooie juffrouw”, die hen straks op koekjes en chocola zal tracteeren. Met volle handen strooien zij bloemen op het pad, waarlangs het jonge bruidspaar voortschrijdt, en allerwegen klinkt er onder het zwaaien van hoeden en het wuiven van vaandels één geestdriftige uitbarsting van gejuich, waarmee ook wij van harte instemmen:

„Leve meneer Leo! „Leve meneer Rudolf! „Lang leven „Blank” en „Bruin!””

WOORDENLIJST.

Adjudant.—een officier die aan een anderen, hooger geplaatsten officier wordt toegevoegd, om te zorgen voor de uitvoering van diens bevelen.

Archeologie.—oudheidkunde.

Aleng-aleng.—zeer hoog opgaand grasland.

Ambulance.—veldhospitaal.

Amputatie.—afzetting van een lichaamsdeel.

Autocraat.—alleenheerscher.

Baleh-baleh.—bed en rustbank tegelijk.

Bivakken.—plaatsen waar de militairen onder den blooten hemel rusten. Maakt men gebruik van tenten, dan spreekt men van een kamp; logeert men in huizen dan ligt men in kantonnement.

Carillon.—klokkenspel.

Componisten.—toondichters.

Floris de Vette.—een zinspeling op een der Hollandsche graven, die dezen naam droeg (1091–1122).

Frontbreedte.—de breedte van een linie soldaten.

Gong.—een bekkenvormig, luidklinkend instrument.

Grobongan.—Op Midden-Java. (Zoekt op!)

Klewang.—scherp zwaard, dat van voren breed uitloopt.

Lawine.—wie dit woord niet kent, vrage de beteekenis ervan aan zijn onderwijzer.

Munitie.—schietvoorraad.

Oeconomie.—staathuishoudkunde.

Padi.—rijst.

Plastische kunst.—beeldende kunst.

Parlementair.—onderhandelaar in oorlogszaken.

Prosopopeia.—(zie bij „tropen”).

Plebber of plebejer.—scheldnaam voor iemand van geringe afkomst.

Sawah.—nat rijstveld.

Slamat.—berg op Midden-Java. (Zoekt op!)

Soemenap.—op Madoera. Laat uw onderwijzer u iets vertellen van de zoutmakerijen.

Sarang.—loshangend lendenkleed. Wat batikken is, weet uw onderwijzer wel.

Tropen.—„Troop” wil zeggen: keerwoord. Als een woord gebruikt wordt in een andere beteekenis dan die, welke het gewoonlijk heeft, dan spreekt men van een troop. Eén der tropen is de prosopopeia, waarbij het levenlooze als levend en als persoonlijk wordt gedacht. ’t Geweld wordt in staat geacht, een erf te verwoesten, de laster, een kleed te verven, enz.

(Ga nu voor uzelf de andere prosopopeia—of persoonsverbeeldingen—na!)

Tirailleur.—soldaat die strijdt in de voorste verspreide linie. Daarachter staat de meer gesloten afdeeling.

Van Vlinders, Bloemen en Vogels.—Dit boek was toen eigenlijk nog niet verschenen. De lezer vergeve den schrijver deze tijdrekenkundige fout, terwille van het goede doel: de aandacht nog eens te vestigen op dit uitstekende en leerzame boek en zijn jongere broertjes.

Voorvechter.—iemand, die zich bij een gevecht ter dood heeft gewijd. De voorvechters kleeden zich ten teeken hunner gelofte in het wit. ’t Behoeft niet te worden gezegd, dat het de meest geduchte strijders zijn en dat ze het langst standhouden.

AANTEEKENINGEN

[1] Zalig zijn de zachtmoedigen.

[2] Katoen-regen, regen als kapas (katoen).

[3] Krater.

[4] Vuur.

[5] Goed zóó!

[6] Sterken drank.

[7] Koffie.

[8] Water.

[9] Prinses.

[10] Afschuwelijk.

[11] Mijn jongen.

[12] Waar is het?

[13] Jongen.

[14] Slecht.

[15] Zwijg, zwijg!

[16] Vergist je niet en kijkt hier vooral in de woordenlijst, jongelui!

[17] Goedendag, mijnheer! Goedendag Mevrouw!

[18] Neemt uw atlas en rekent het na!

[19] Opzoeken!