Part 1
HUIZE „CANNEHEUVEL” (DE „DUIVENTIL”)
DOOR MARIE OVINK-SOER
MET PLATEN VAN SIJTJE AAFJES
GOUDA—G. B. VAN GOOR ZONEN
I. UITGEVLOGEN VOGELS.
Ruim elf jaar zijn verloopen, sinds we afscheid namen van de familie Canneheuvel, sinds Puck een Canneheuveltje werd. In elf jaar kan veel gebeuren, en die tijd had dan ook heel wat veranderingen gebracht bij de familie Canneheuvel, Lous, de vrouw van Dolf, (de oudste zoon) was met haar zoon Bas je al weer eens overgekomen uit Indië. Ditmaal zonder Dolf, die zijn drukke dokterspraktijk te Soerabaïa niet in den steek kon laten. Maar Basje moest naar Holland. Hij bleek hoe langer hoe minder bestand tegen de warmte, leed er bepaald onder, en was nooit recht gezond op het snikheete Soerabaïa. Op school kon hij moeilijk mee, dus... Dolf en Lous vonden ’t verschrikkelijk, dat zij hun lieven jongen jaren achtereen zouden moeten missen; doch er was geen andere uitweg. Moedertje Lous ging Bas je zelf brengen.
Waar? Bij wie? Natuurlijk bij vader en moeder Canneheuvel. Daar alleen kon de jongen een echt gelukkig thuis vinden.
De heele familie Canneheuvel was heel blij geweest, toen ze hoorde, dat Basje in Holland blijven zou, inzonderheid Mama. Die dacht er nog precies over als ze altijd had gedaan: hoe meer kinderen over huis hoe liever, des te meer waren er ook om te vertroetelen, gelukkig en blij te maken.—Basje zou met zijn grootouders mee gaan naar ’t nieuwe huis.
Er was reeds lang sprake van geweest, dat de Heer en Mevrouw Canneheuvel buiten wilden gaan wonen, (wat altijd een wensch van Mama was geweest) nu de kinderen zoo langzamerhand ’t ouderlijk huis hadden verlaten, of dit al spoedig gingen doen. Doch nu ’t er op aan kwam, kon Mevrouw Canneheuvel er toch niet toe besluiten, uit den Haag te gaan. Al trok ’t haar nog zoo aan, zich in ’t mooie Utrecht of Gelderland te vestigen, ze zou er de kinderen en kleinkinderen, die in den Haag woonden, veel te veel missen.
In Velp, Zeist of de Steeg zou ’t ouderlijk huis geen duiventil zijn, waar bijna al de Canneheuveltjes, groot en klein, dagelijksch in en uit vlogen.
Als ze nu eens aan den buitenkant van de stad gingen wonen. In de Scheveningsche Boschjes of aan den Badhuisweg of....
Tot de heer Canneheuvel op een dag thuis kwam met ’t bericht, dat hij een mooie villa in ’t Van Stolkpark had gezien, die hem juist geschikt leek voor moeders duiventil. En daar Mama ook zeer ingenomen bleek met ’t bedoelde huis, werd de villa gekocht en: „Huize Canneheuvel” gedoopt.
Reeds zes jaar bijna woonde de familie er nu al, zeer naar haar genoegen. ’t Maakte vader en moeder wel eens weemoedig te bedenken, dat al de kinderen ’t ouderlijk nest waren uitgevlogen. Doch allen hadden in eigen huis, aan eigen haard hun geluk gevonden, en dat stemde de ouders heel dankbaar. Bovendien bleven zij, getrouwd en aangetrouwd, innig gehecht aan ’t ouderlijk huis. ’t Ging zooals Jan had voorspeld: „Huize Canneheuvel” was een echte duiventil, nooit zonder een der kinderen Canneheuvel „groot of klein.”
In de eerste plaats moet hier Basje worden genoemd, want hij woonde er immers? Basje, zes jaar geleden bij zijn grootouders gekomen als een bleek, mager, uit zijn kracht gegroeid kind, (Puck noemde hem toen medelijdend de „slierasperge”,) was een flinke, stevige boy met roode, gevulde wangen. „Dikkie” of „Bas de Dikkerd,” plaagden de jongens hem op school. Zijn witte tanden en zwarte oogen blonken tegen elkaar op. Als vroeger sprak Basje met zijn donkere kijkers, en... praatte daardoor nooit zijn mond voorbij.
„Een stil, in zich zelf gekeerd kind,” zeiden vreemden van Basje. Ze hadden hem thuis maar eens moeten zien! Daar babbelde hij naar hartelust, was Grootma’s rechterhand bij alles en nog wat. Altijd klaar om uit te vliegen voor een boodschap, of een werkje om aan te pakken waar niemand veel lust in had. Net als zijn vader was hij dol op dieren, en alle dieren hielden van hem. De schuwste hond liet zich door hem streelen, de boschvogels duldden niemand zoo dicht bij zich als Basje. Tusschenbeide had hij ze best kunnen grijpen, zoo vertrouwelijk dicht waagden zij zich bij zijn handen. Maar de jongen was wel wijzer dan zijn vriendjes aan ’t schrikken te maken. Hij knikte ze alleen eens vriendelijk goeden dag, en sprak ze zachtjes toe, terwijl hij voeder neerstrooide. Menig centje van zijn weekgeld ging naar den vogelkoopman, bij wien hij het juiste voer voor zijn boschlievelingen krijgen kon. Terry, een gladharige hond, die ’t midden hield tusschen een setter en een doberman, was Basje’s beste vriend. Op zekeren dag had hij hem als een vuil, ongelukkig straatzwervertje in huis gebracht. ’t Huis was toen zonder hond. Waldi, de dackel, was op hoogen leeftijd gestorven, tot ’t laatste toe liefderijk en geduldig verzorgd door de geheele familie. En tot ’t laatste toe bleef Waldi een eigenzinnige, egoïstische tiran, die ’t niet anders dan natuurlijk vond, dat iedereen altijd voor hem klaar stond. Toch werd hij zeer gemist, en van harte betreurd, want Waldi’s deugden overtroffen toch nog zijn fouten. Bovendien hoorde hij tot de familie, waarvan hij zoo vele, vele jaren deel had uitgemaakt.
Socrates, de kater, volgde Waldi heel spoedig. Hij telde nog heel wat jaartjes meer dan het taksje. Maar Basje zorgde ook voor een nieuw katertje, en gaf dit den wel wat eigenaardigen naam van „Muis.” Muis voelde niets voor zijn naamgenooten, integendeel, hij verslond ze met huid en haar, kon hij ze te pakken krijgen.
Terry en Muis, als baby’s bijeengekomen, waren al gauw dikke vrienden, en ’t sprak van zelf, dat ze mand en maaltijden deelden. ’t Katertje, dik en traag, was bij lange na niet zoo verstandig als Terry. Die kende allerlei nuttige en aardige kunstjes, die hij zonder klappen of ruwe woorden, spelenderwijs, van zijn baasje geleerd had. Terry bracht trouw couranten en brieven binnen, haalde pantoffels van boven, sloot de deur achter zich door er een flinken duw tegen te geven met zijn achterdeeltje, kon verloren geraakte voorwerpen terug vinden, en nog heel wat meer.
Basje’s vrienden noemden Terry een wonderhond, en geloofden vast en zeker, dat zijn ouders circushonden waren geweest. Gelukkig maar, dat ze nooit zulk een ongelukkig dier van Terry konden maken, dacht zijn baasje dankbaar.
Basje was een bizonder hartelijk, gevoelig kind gebleven, nooit tevredener en meer in zijn schik dan wanneer hij anderen blij en gelukkig kon maken, menschen zoowel als dieren.—
Na Dolf en Jan had Nel ’t ouderlijk huis verlaten, kort nadat Puck als Canneheuveltje in de familie was aangenomen. Nel had intusschen haar verpleegstersdiploma gehaald, want ze wilde met hart en ziel doktersvrouw zijn; als ’t noodig was Joop ook bij zijn arbeid tot hulp en steun. Gelukkig bleef ’t jonge paar in den Haag wonen, en dus was er enkel reden tot vreugde. „Want,” zei Vader in zijn toast aan ’t bruiloftsmaal, „de familie hield Nel als dochter en zuster in de buurt, en kreeg er in Joop den besten zoon en broer bij, dien zij zich maar wenschen kon.”
In ’t ouderlijk huis werd Nel wel erg gemist; al kwam ze er zoo dikwijls binnen wippen als ze maar kon, ’t was toch heel anders dan vroeger. Joop was zoo blij met zijn Nel als de dag lang is, en riep maar, dat er geen tweede doktersvrouw als zij, zoo goed en trouw, zoo lief en flink, in heel den Haag te vinden was. Altijd opgewekt en goed gehumeurd, was ze ’t zonnetje van haar omgeving. Niemand kwam ooit te kort, als Nel er was om voor ’t algemeen welzijn te zorgen. Voor alles en iedereen had zij steeds tijd, en dat leek heusch een wonder, want Nel’s leven was verbazend druk. Daar waren Joop, het huishouden, de patiënten; Joop had langzamerhand een zeer uitgebreide praktijk gekregen. Maar bovendien (en die twee stonden eigenlijk vooraan) de kinderen: Eric en Tobi. Bij den aanvang van ons verhaal was Eric negen en Tobi kort geleden acht jaar geworden. Ze waren dol op elkaar maar konden ook frischjes samen kibbelen.
Want alle twee waren ’t echte bijdehandjes, en gewoonlijk hadden ze praatjes voor tien. „Bij Grootma en Grootpa, in ’t Van Stolkpark, was ’t net zoo goed hun thuis, als bij Vader en Moeder,” redeneerden Tobi en Eric. Op elk uur van den dag waren ze er welkom, en nu ze wat grooter werden, vonden ze best den weg alleen heen en weer.
„Ik pas wel op Tobi, moeder,” verzekerde Eric, en Tobi bijdehand: „Neen moeder, we passen op elkaar.” En dat deden ze ook. Arm in arm, of hand aan hand, renden ze den weg over als ’t gevaar, in den vorm van een auto, tram of ander voertuig, voorbij was. Wanneer ’t regende of stormde, knoopte Tobi Eric’s losgewaaid jasje dicht, en bij winterdag wrong Eric Tobi’s verkleumde handjes in de wollen handschoenen, of streek de door den wind losgewoelde haren uit haar gezicht, onder ’t elastiekje van den hoed. Thuis hielpen ze elkaar bij ’t uit- en aankleeden. Tobi maakte de knoopen voor Eric los of vast, en broertje vond ’t verbazend leuk, Tobi’s lang haar in een vlecht te strengelen. Meestal wilde Tobi dat niet toestaan. Eric deed ’t heel niet naar haar zin: erg langzaam en ’t voelde tegelijk los en toch „trekkerig.”
Nee, niemand kon je haar zoo prettig „doen” als moeder. Maar moeder deed alles goed en prettig. Daar was ze nou eenmaal „Moeder” voor.
Basje was wel een paar jaar ouder dan het Van Rithem paartje, maar dat „gaf” niets. Ze waren dikke vrienden, en deelden trouw elkanders lief en leed. Tobi vond ’t heel gewoon, dat de jongens belang stelden in haar poppenhuishouding, (Eric voelde daar echt voor, en Basje deed alsof) en op hun beurt lieten broer en neefje Tobi altijd mee knikkeren en woeste spelletjes spelen. „Tobi hoort overal bij,” zei Eric, en dat beweerde Tobi ook, waar ’t Eric betrof.
Basje was nog steeds bizonder op tante Puck gesteld, en vond ’t erg prettig met haar te babbelen en zijn jongensaangelegenheden te bespreken. Tante Puck was echter sinds vier jaar al niet meer thuis. Ze woonde in haar eigen huis aan ’t andere eind van de stad met haar man en een snoeperig dochtertje, dat Johanna was gedoopt, maar Jopie werd genoemd.
Niemand van de familie Canneheuvel kon zich nu nog best begrijpen, als zij ’t geval bespraken, hoe geen van allen er iets van gemerkt had, dat Frits en Puck zooveel van elkaar waren gaan houden, dat ze niets liever wenschten dan een paartje te worden. Of vader en moeder ook zoo ziende blind waren geweest? In elk geval toonde de heele familie zich zeer in haar schik met de verrassing. Maar niemand was blijer en verrukt er dan Lientien. Zij en Puck raakten niet uitgepraat over ’t groote wonder.
„Zeg, Puck,” zei Lientien op een keer: „als we in de toekomst hadden kunnen zien, zou vader zich al de moeite hebben bespaard, om jou aan onzen naam te helpen. Die krijg je nou van zelf.” „Ja, en ik krijg een driedubbele, zou Bet zeggen,” riep Puck blij. „Klinkt ’t niet prachtig: Mevrouw Canneheuvel, geboren Canneheuvel van Vorden?”
Hadden ze vroeger slecht bijeen gepast, terwijl ze altijd wat op elkaar hadden aan te merken en van elkaar af te keuren, nu leek ’t wel, alsof er geen eensgezinder tweetal op de wereld was dan Puck en Frits. „We hebben als kinderen voor ons leven lang af gekibbeld,” verkondigde Puck vroolijk, „we blijven nu altijd beste maatjes, hé Frits?” En Frits dacht: „hoe is ’t mogelijk, dat ik tegen zoo’n snoezig meisje als Puck ooit onaardige dingen heb kunnen zeggen?”
Dien zomer ervoor had Frits zijn artsexamen gedaan, en een bizonder mooi examen afgelegd. Doch hij wilde beslist oogarts worden, zooals hij zich als jongen reeds had voorgenomen. En pas toen ’t zoover was, zou er bruiloft zijn.
In de keuken dachten Bet, Kee en Marietje, ’t nieuwe meisje, dat de muziek Puck en Frits had saâmgebracht. Want Puck speelde prachtig piano, en ze zong als een engel uit den hemel. En wanneer de jonge dokter er dan bij op de viool speelde, leek ’t wel of er twee engelen uit den hemel waren neergedaald.
„Effectief mooi,” prees Kee, en Bet vond ’t met haar oud stopwoordje: „miserabel” prachtig!
Bet, Kee en Neeltje waren natuurlijk mee verhuisd naar „Huize Canneheuvel.” Marietje diende pas een jaar bij de familie, in plaats van Neeltje, die een braven man had gevonden, om voor haar te zorgen en den kost te verdienen.
Marietje was Bet een flinke hulp, terwijl Kee Nel zooveel mogelijk bij Mevrouw Canneheuvel verving. In tijden van ziekte was Kee een niet genoeg te waardeeren hulp en steun. Niet voor niets had zij haar lieve Juffrouw Sjarlotje jaar in, jaar uit, met geduld en toewijding verpleegd.
En Lientien?
Die werd nu alleen nog maar in vertrouwelijke oogenblikken door Moeder of Puck bij dit kindernaampje genoemd. Lien Canneheuvel was op haar beurt ’t ouderlijk nest uitgevlogen, en heette sinds drie jaar Mevrouw Frans van Delden. Frans was maar een geluksvogel, dat hij die dot van een Lien tot vrouwtje had gekregen. En niemand geloofde dit vaster dan Frans zelf.
Frans had zijn vrienden droevig teleurgesteld. Hij was geen ster geworden aan den muzikalen hemel. Maar in plaats daarvan een door en door gezond, gelukkig mensch, dat veel van de muziek was blijven houden, doch geheel opging in zijn eigenlijk vak, dat van landheer. Frans en Lien woonden op een klein landgoed in Gelderland, (ver van alle stadsgewoel) dat Frans niet alleen uitstekend bestierde, maar waar hij ook zelf flink de hand aan den ploeg sloeg.
Als de broers en zusters Lien wilden plagen dan zeiden zij: „Jouw Frans is een gewone heereboer.” Doch ze hadden geen plezier van hun spotternij, want Lien antwoordde onvervaard: „Ja zeker, Frans is heereboer en ik ben zijn heere-boerinnetje, en wat een tevree en gelukkig boerinnetje, op ons heerlijk: „Welkom Buiten”.”
En Mama knikte haar vol instemming toe, en dacht bij zich zelf: „’k Mis haar wel erg in ’t dagelijksche leven, mijn eigen, lief kind, maar ik zou toch niet willen, dat ’t anders was. ’t Buitenleven heeft van mijn teer meisje een flinke, gezonde vrouw gemaakt.”
’t Eenige wat Lien wel eens speet was, dat ze niets van muziek kende en er ook niets voor voelde. Van muziek, die Frans eenvoudig en in ’t geheel niet moeilijk te begrijpen noemde, snapte Lien niets, en ze had moeite te blijven luisteren, als Frans lang achtereen speelde. Ook vatte ze maar niet, hoe haar man beweren kon een wals te hebben gespeeld, terwijl de tonen, die hij piano of viool ontlokte, haar zoo ernstig en verheven voorkwamen als kerkmuziek. Geen schepsel kon daarop dansen. Anders had Lien de voeten zeker niet kunnen stilhouden, maar was ze met Careltje, haar kleine jongen, vroolijk de kamer rondgesprongen.
Careltje, meest „Cartje” genoemd en pas twee jaar geworden, was een gezond, stevig baasje, met zijn vaders donkere oogen en krullen. Hij heette naar zijn oom, (moeders tweelingbroertje) die als klein kindje op Java gestorven was. Wanneer Mevrouw Canneheuvel Cartje tegen zich aan koesterde, dacht zij dikwijls, dat dit kleinkind in ’t bizonder haar gegeven was als vergoeding voor haar eigen vroeg gestorven jongetje, dat zij zoo innig betreurd en nooit vergeten had.
En in haar hart dankte zij God, dat dit Careltje zulk een door en door gezond kind was, en zeker tot een flinken jongen zou opgroeien.
Jan Canneheuvel had op Java zijn vrouw gevonden. Haar ouders waren in der tijd uit Denemarken naar Indië gekomen. Hun dochtertje, te Soerabaïa geboren, werd Ajoe genoemd, een Maleisch woord, dat op zijn Hollandsch zacht en lief beteekent. En Ajoe deed haar naam eer aan. Toen Jan haar ontmoette, dacht hij dadelijk: „die moet mijn vrouwtje worden, naar zoo’n lief, zacht, klein meisje heb ik mijn leven lang uitgekeken. Ze lijkt net de prinses uit het sprookje.” Met recht had Ajoe kunnen zeggen: „En Jan lijkt wel de reus; die past niet bij mij.”
Doch ’t ging nu eens niet, zooals in ’t sprookje: de reus kreeg ’t prinsesje wèl, en Jan schreef naar Holland: „’k Ben rijker met mijn kleine vrouw dan de rijkste koning. ’t Is alleen vreeselijk jammer, dat ik haar vooreerst niet bij U kan brengen, maar lang zal ’t toch wel niet meer duren.”
’t Duurde echter wel lang. Toen de reis naar Holland was vastgesteld, werd Ajoe ziek, zoo zwaar en ernstig, dat Jan, diep wanhopig dikwijls dacht: „Vader en Moeder zullen mijn Ajoe nooit zien.”
Doch ’t teere vrouwtje streed dapper tegen de verraderlijke koortsen, die haar hadden aangegrepen. Ze wilde niet scheiden van Jan, die haar niet missen kon, en bleef behouden. ’t Duurde echter een heele poos, eer Ajoe geheel de oude was. Toen werd ’t kindje geboren, en op dokters raad, moest er weer gewacht worden, tot die jonge juffrouw zoo ver was, dat haar ouders ’t kleintje met een gerust hart op zulk een groote reis durfden meenemen.
’t Jongste Canneheuveltje moest Grootmama’s petekindje zijn, en werd dus Suze gedoopt. Haar mamaatje had echter zooveel naampjes voor ’t meisje, dat Suusje eigenlijk alleen haar zondagsnaam was.
Wanneer Mevrouw Canneheuvel de brieven van Jan en Ajoe beantwoordde, gaf ze ’t kleintje altijd een van de grappige naampjes, die haar moedertje voor haar had uitgedacht: „Duimelientje,” (omdat ze zoo klein bleef) „Zonnetje,” „Dwergpootje,” „Schitteroogje” of „Moeders zegen.”
Haar grootvader vroeg altijd naar „Suusje” en liet dien naam voluit op den paplepel graveeren, dien hij zijn vrouw’s petekindje op haar eersten jaardag present gaf.
En dit was nu al weer een jaar geleden.
II. FRITS VECHT
De heer Canneheuvel zat ijverig te schrijven (er moest nog heel wat mee met de eerst vertrekkende mail), toen hij op eens van zijn stoel opsprong, hevig verschrikt door het geluid van een zwaren val en een doordringenden gil.
Vader gunde zich geen tijd zijn bril af te zetten of pen neer te leggen, maar snelde de kamer uit naar beneden. Uit de keuken kwamen de meiden tegelijker tijd ijlings aangeloopen. Onder aan de trap lag een gedaante, roerloos stil, met een bebloed gelaat.... Mama.
’t Was of Vaders hart stilstond. Door Bet en Kee geholpen, droeg hij zijn bewustelooze vrouw naar binnen, legde haar op de divan. Kee schreide, Bet ontdaan en bevend, vloog weg om water, kom en spons te halen, bracht ook azijn mee.
„Bet,” sprak de heer Canneheuvel met trillende stem, terwijl hij even teeder als voorzichtig, ’t bloed trachtte te stelpen, dat uit een breede wond bij de slapen staag neerdruppelde, „telefoneer naar menheer Joop, vraag, of hij dadelijk komen wil.... zeg waarom.... Naar menheer Frits ook, mevrouws oogen...” Hij kon niet verder spreken, dikke tranen vielen op mama’s bleek gezicht. Goddank, daar sloeg ze de oogen op, en fluisterde in afgebroken woorden: „Lieve man, wees niet zoo.... ’t was mijn eigen schuld.... niet goed vast.... gleed uit over.... o, mijn hoofd, mijn hoofd....”
„Mevrouw is vast met haar hoofd tegen de pilaster geslagen,” zei Bet. „’k Zou die Marietje wel wat kunnen doen. Ze liet blik en stoffer op de trap staan, toen ze weg moest om open te doen. M’n arme Mevrouw kon het niet zien en.... Marietje moet maar gauw weg, hoe eer hoe beter; zoo een kunnen we hier in huis niet gebruiken,” voegde ze er heftig bij. Niemand antwoordde. Mevrouw Canneheuvel scheen weer bewusteloos te zijn geworden.—Nel, die altijd wist, waar ze Joop ongeveer vinden kon op zijn ochtendvisites, had hem gelukkig getroffen bij de familie, die zij opbelde. Ze kwam met hem mee in het koetsje.
Nu nam Joop de leiding op zich; vlug en kalm deed hij wat er gedaan moest worden, terwijl Nel hem flink hielp, elken wenk en ieder gebaar dadelijk begrijpend. Zij zag doodsbleek, en haar handen beefden, maar ze trachtte mama toch geruststellend toe te spreken, toen deze uit een hernieuwde flauwte bijkwam.
Spoedig lag Mevrouw Canneheuvel te bed, met een verband om ’t hoofd en warme kruiken aan haar ijskoude voeten. Met haar hand in die van haar man, lag zij vrij kalm. Frits was nu ook gekomen. Op zijn raad werd mama met rust gelaten; Joop had de wond gehecht, voorloopig kon er niets meer gedaan worden dan moeder de grootst mogelijke rust geven.
Nel had vaders plaats naast het ziekbed ingenomen, en deze volgde Frits buiten de kamer, en klemde zich hulp zoekend aan hem vast. „Frits, lieve jongen, denk je, dat moeders gezonde oog geleden heeft door den schok? Ze zal het gezicht toch niet verliezen.... ik verga van angst.”
„Hoor eens, vadertje,” en Frits sloeg zijn arm met vasten druk om vaders schouders, „U moet trachten kalm te wezen, zoo helpt U moeder het meest. ’k Kan immers nog niets met zekerheid zeggen..... pas morgen hopen we, dat moeder onderzocht kan worden. U begrijpt wat ik doen kan.... U weet, we zouden voor moeder alles opofferen, met liefde, wij kinderen allemaal.... Toe dan, vader.... moeders’ herstel ligt grootendeels in Uw hand. Als ze U kalm naast zich weet, aan Uw heele optreden voelt, dat alles zich ten beste zal schikken, komt dat haar algemeenen toestand veel meer ten goede dan U denkt.”
„’k Zal mijn best doen, Frits,” beloofde de heer Canneheuvel, „maar kan je mij niet een beetje hoop geven, jongen?”
„Morgen, vaderlief, zie, daar is Joop; die zal U ’t zelfde zeggen als ik.”
„Frits heeft gelijk, vader,” sprak Joop. „We kunnen nu niet anders doen dan afwachten. Maar heusch, U moet zich niet zoo overstuur maken. Moeder heeft een gezond, krachtig gestel, en komt er zeker bovenop. Goddank heeft zij niets gebroken, en die hoofdwond is niet gevaarlijk. ’k Vertrouw, dat moeders oog niet ernstig geleden heeft door den schok, altijd voor zoover ik dit na een zeer vluchtig, voorloopig onderzoek zeggen kan. Frits kan dit morgen pas met zekerheid weten.”
Joop wendde zich nu tot Frits, en de doktoren spraken zacht, en gebruikten Latijnsche uitdrukkingen.
„Nel blijft natuurlijk hier,” zei Joop bij ’t afscheid nemen tot zijn schoonvader. „Ze heeft niet alleen haar verpleegstersdiploma, maar ze is ook de beste pleegzuster, die ik in heel de stad voor U zou kunnen vinden. Ze weet precies wat ze doen moet.”
„En jullie dan, Joop? Hoe moet dat dan met jou en de kinderen?”
„Redt zich van zelf, vadertje, Tobi wordt al wat een kwiek huismoedertje, zegt Nel, en de meiden zijn goed en zorgzaam. Kom, nu gaan we, Frits, en komen van avond terug, tenzij Nel eerder mocht opbellen, zij is geheel op de hoogte.” Hij klopte den Heer Canneheuvel op den schouder. „Moed gehouden, lieve vader, al de kinderen zullen U bijstaan zooveel ze maar kunnen.”—
In de keuken zat Marietje, rood behuild, verwezen, rampzalig ongelukkig. Als een stormvlaag was de woedende woordenstroom van Bet over haar hoofd heengestreken. Ze had er bijna niets van gehoord of begrepen in haar diepe ellende en hopelooze verslagenheid. Dat zij, juist zij haar lieve Mevrouw dàt had aangedaan! ’t Was verschrikkelijk! Marietje had, naast een groote vereering een haast kinderlijke liefde voor haar Mevrouw. Geen schepsel op heel de wereld was in haar oog zoo oneindig goed en liefderijk. Bij haar thuis, in het arm, verwaarloosd gezin, waar tien broertjes en zusjes den schamelen kost met vader en moeder moesten deelen, had zij hulp en licht en troost gebracht.
Vader kwam niet meer dronken thuis, moeder had nu dikwijls een vriendelijk woord voor de kleintjes, waar zij vroeger steeds schold en keef.... Marietjes Mevrouw was de goede engel, die dit wonder had bewerkt, en nou had Marietje....
„Schei nou eens uit met dat razen, Bet,” verzocht Kee. „Dat is toch niks gedaan. Zie je niet, dat ’t schaap heelemaal weg is van de akeligheid! Ik zeg maar ’t was heel stom en onbedachtzaam, maar toch een ongeluk, wat jij, kind?” „Kom drink eens een slokje koud water en....”
„’k Zou me wel kunnen verdrinken,” mompelde Marietje voor zich heen.