Part 10
Eric danste van plezier. „Heerlijk tante Lie, hoe echt! ’k Ben er dol blij mee. Zeg Tobi, ik mag de kris van die lieve Lie present,” riep hij zijn zusje toe, die net binnen kwam. „Lie heeft hem vroeger van oom Frits gekregen.” Natuurlijk was Tobi tante Lie en Eer achterna gehold, toen ze hoorde, waar die waren. Ze moest Eric’s kamertje toch ook zien, en had er dolgraag zelf willen slapen. Zoo’n torenkamertje deed je denken aan heel vroeger, toen de kasteelen en landhuizen nog vol schuilhoeken, verborgen plaatsen en geheime gangen waren. Toen je er altijd op verdacht moest zijn, dat de vijand je kon overvallen. Nieuwsgierig keek Tobi om zich heen. ’t Zou toch mogelijk kunnen zijn, dat er hier ergens een verborgen deur was, die naar een geheime gang leidde.... Doch ze kon niets verdachts ontdekken, en keerde dus tot de werkelijkheid terug.
„Hoe leuk voor je, Eer, om die kris cadeau te krijgen,” riep ze blij, want ze was blij voor Eric.
Maar bij zich zelf dacht ze: „ik gun hem jou, een meisje heeft net niks aan zoo’n ding.”
En met een wijs gezicht vroeg ze: „Tante Lie, waarom heeft oom Frits U dat bloeddorstige wapen gegeven? Wat doet een meisje daar nou mee?”
„Wel, ik had een weddenschap van oom gewonnen, en ik denk, dat hij mij een bizonder mooi cadeau wou geven, en niets anders wist te bedenken dan zijn kris. ’k Was er heel blij mee, hoor, en hing hem op in de kamer van tante Puck en mij. Daar mocht oom Frits er ook naar komen kijken, zoo vaak hij er lust in had. Want iets anders dan naar de kris kijken, mochten we er niet mee doen.”
„Nou ja,” dacht Eric, „maar een jongen heeft toch veel meer aan een wapen dan een meisje.
„Je kunt nooit weten, hoe zoo’n ding je nog eens te pas kan komen, vooral buiten met inbrekers en zoo.” Maar hij zei dit niet hardop. Want hij wist vooruit, dat tante Lie hem verbieden zou de kris van de muur te nemen. En dat was hij toch stellig van plan. Al was ’t maar één keer, hij moest de kris eens ter dege van dichterbij en van alle kanten bekijken.
Alleen Tobi mocht er bij zijn, als hij ’t deed. Die zou ’t ook fijn vinden.—
Was er heerlijker leven denkbaar dan op „Welkom Buiten” bij lieve tante Lie en gullen, aardigen oom Frans? En dan met iedereen er bij, die je eigenlijk niet goed missen kon, en naar wie je altijd verlangde als je alleen uit logeeren ging?
„’t Was gewoon zalig, heerlijk, verrukkelijk,” zooals Tobi zei, „van dat je opstond tot je naar bed ging. En dan was ’t nog niet uit, want je droomde van al ’t prettige, dat je overdag beleefd had.”
’t Bleef maar prachtweer, zoo’n echte ouderwetsche zomer, wanneer je haast altijd buiten kunt zijn. Zoo vroeg als ze mochten (en als Juf toe wilde staan) sprongen de kinderen ’t bed uit, om gauw, gauw buiten te komen. Juf hielp met ’t wasschen, jurken en blouses vast maken.
„Tolletje is akelig precies,” klaagde Tobi tegen Eric, „ze weet ’t altijd, als je je ooren bij ’t wasschen hebt overgeslagen.”
„Of ze raadt er naar, omdat je verdacht gauw klaar bent,” veronderstelde Eric.
Jopie trok Cartje sokjes en schoentjes aan, veegde met den borstel over zijn krulletjes, en streek ze in zijn oogjes, wat Cartje goedmoedig verdroeg. Dan riep ze vergenoegd: „Jopie heeft Cartje weer heel alleen gehelpt.”
Basje had Eric (die de langslaper in de familie werd genoemd) uit zijn bed getrommeld, en zoo ’s morgens ging de kinderoptocht allereerst naar den vijver om de zwanen en al ’t andere watervolk eten te brengen. De statige zwanen waren mooi om te zien, maar trotsche, onvriendelijke vogels. Ze bleven schuw en verwaardigden zich dikwijls niet eens naar den kant te komen, waar de kleintjes hen trachtten heen te lokken. Jopie en Duimelientje voelden dan ook veel meer voor de eenden en waterhoentjes. De eenden waren in ’t geheel niet bang, en werden al gauw erg vertrouwelijk. Brutaal bedelend liepen ze Cartje en de kleine meisjes na op den schelpweg om den vijver heen, aldoor snaterend om broodkruimels.
Alleen als Pluto, de jachthond, door Oom Frans uit het hok losgelaten, woest tusschen de vogels rondsprong, vlogen ze luid kwebbelend den vijver in, en zwommen verontwaardigd weg. Voor Tommy waren ze niet bang, die deed nooit zoo dol als Pluto, en marcheerde, net als zij, op korte pooten ’t leven door.
Jopie trok Cartje mee, de grooten achterna naar de wei, waar de koeien graasden, en de melkmeid met haar juk, waaraan de blank geschuurde emmers bengelden, om dezen tijd ’t land opging. Meestal was Arie, de oude knecht, daar ook, en tilde Jopie en Suusje op den ouden Bles, die heel vergenoegd met dien lieven lichten last ’t weiland rondstapte, terwijl Arie hem trouw op zij bleef, en zorgde, dat de „hartjes” niets kon passeeren. Ofschoon, de kans op vallen was buitengesloten, want Bles had een machtig breeden rug, en legde de zaak zeer kalmpjes aan. Dan kregen Cartje en Tommy (die zich de zaak, zeer tegen zijn zin, moest laten welgevallen) een beurt. „Drie keer ’t weiland om en één keertje toe,” zei Arie altijd, en hield zich trouw aan dien regel.
Eric wou dolgraag leeren melken, en Tobi beweerde, dat ze ’t al kon. Doch toen ze in haar haast om dit te bewijzen den halfgevulden melkemmer had omgegooid, en Bella zeer verontwaardigd achteruit was gestapt, om aan de greep van Tobi’s onbedreven vingertjes te ontkomen, wou Trine niets meer van die grappen weten.
De kinderen mochten haar zoo veel ze wilden op de vingers kijken, daar draaide ze geen vinger voor om, maar ’t melken moesten ze aan haar overlaten. Van melken moet je verstand hebben, anders gebeuren er ongelukken, dat zagen ze nou zelf.
Drie keer ’t weiland om en één keertje toe, was voor de twee partijen ook afgeloopen, en ’t werd nu tijd om naar huis terug te hollen. De groote bel in de toren liet haar zware slagen hooren, en riep iedereen naar ’t ontbijt. De groote menschen: Grootpa, Grootma, de ooms en tantes waren al binnen. Tante Lie, Juf en Kee hadden ’t druk aan ’t buffet met boterhammen snijden en melk inschenken. „’t Is hier net luilekkerland,” riep Eric. Want waar kreeg je alles zoo volop en zoo heerlijk versch als op „Welkom Buiten”? Room en eieren, melk, honing, jam, ’t smaakte alles even lekker, heel anders dan in de stad.
Tante Lie, erg trotsch, dat haar tafel zoo geprezen werd, vulde kroezen en melkbekers, en smeerde de goudgele honing met milde hand op ’t eigengebakken, lekkere brood met de knapperige, bruine korst. „Eet toch, lieve groote en kleine menschen,” riep ze, „iedereen moet hier dik en gezond van daan. Weg met de spillebeenen van To en Eertje.” Waartegen ’t tweetal zeer verontwaardigd protesteerde. „Eer heeft zelfs dikke kuiten,” riep Tobi, „laat zien Eer.”
„Nou niet, strakjes,” riep Eric terug.
Jopie kroop bij Paps op schoot, zij had een massa te vertellen, haar mondje stond niet stil. En er was nog zoo veel te doen nà ’t ontbijt. De kippen en duiven moesten hun voer hebben, en Jopie mocht vandaag gerst en maïs uitdeelen. Geurt had de bakjes al klaar gezet. Dan moesten de paarden roggebrood hebben, en dat mochten Eric en Tobi met tante Lie hen gaan brengen straks.
Misschien mocht zij zelf ook een hompje geven, zóó van haar vlakke handje als oom Frans haar geleerd had. „En, Paps,” zei Jopie, „paarden hun lipjes zijn net van fleweel.” Maar Cartje was nog te klein, hij mocht de paarden niet voeren van Jopie, verbeeld je, dat zoo’n paard Cartjes vingertjes eens inslikte!!—
Dadelijk na ’t ontbijt verdwenen Tobi en Eric, en bleven geheimzinnig lang weg. Oom Frans had er met tante Lie om gewed, dat Eric’s kuiten dunner waren dan die van Tobi, en dat was ook zoo. Maar tante Lie moest de weddenschap winnen, dus.... vulde Tobi Eertjes kuiten met watten op, en maakte er een paar kuiten van stavast van. Toen de koffietafel was afgeloopen, zei Eer zoo zonder erg: „Lie wil je nou onze kuiten eens vergelijken?”
Vier beenen werden voor ’t onderzoek van ’t gezelschap ten toon gesteld.
„Twee beenen is genoeg,” besliste oom Frans, „van ieder één,” en moeder Nel vroeg: „waarom heb je lange kousen aan, Eer? hoe kom je daar zoo toe, vent?”
Maar oom Frans kwam al met zijn meterrolletje aanzetten. Och! Och, wat een verbazend verschil tusschen Eric’s en Tobi’s kuiten wees ’t rolletje aan.
Iedereen keek verbaasd, want op zulk een reuzenverschil was niemand verdacht. Eric kreeg ’t benauwd: wat wriemelde oom Frans toch raar met dat „gemeet” aan zijn beenen.
„Nou nog eens rechtop staan, naast elkaar,” commandeerde oom Frans. Als kaarsen stonden Eer en Tobi, en op eens hoorden ze een bulderend gelach. Eric’s kuiten zaten vol spelden, die oom er handig had ingeprikt. Zelfs Tobi proestte ’t uit, en Eric deed ook maar mee aan de algemeene vroolijkheid.... ten zijnen koste. De leukerds trokken echter nog aan ’t langste eind, want er werd uitgemaakt, dat Oom Frans en tante Lie nu allebei moesten tracteeren, daar zij beiden de weddenschap verloren hadden.
XV. OVER GLAZEN OOGJES EN DE DIEREN OP „WELKOM BUITEN”
„’t Is wel warm, maar onze fietstocht gaat toch door hé jongens?” zei oom Frans den volgenden middag, tegen Basje en Eric. „We zullen er eens flink van door peddelen, en een verren tocht doen.” „We” dat waren: Vader, Joop, Frits, Eric, Basje en Frans zelf.
„Ga jij niet mee, Puck?” vroeg Frits.
„Nee Frits, ik ben in ’t geheel geen heldin op de fiets als ’t warm is. ’k Haal niet bij vader wat fietsen betreft. Wij meisjes hebben heel andere plannetjes. We gaan met moeder onder den linde zitten, aan den koelen kant van ’t huis, we hebben een massa te babbelen, hé moeder?”
„Die echte ouderwetsche middagjes met moeder, die kan ik toch zoo missen,” klaagde Lien. „Jullie Hagenaars kunt ze zoo dikwijls hebben, als je wilt, en....”
„Moet je die Lien hooren, Puck,” riep Nel vroolijk. „Wij doktersvrouwen, die ’t altijd even druk hebben, genieten moeders gezelschap ook als een extraatje, al wonen we in den Haag.”
„Och, jullie arme kinderen komt allemaal vreeselijk te kort,” schertste vader, en vroeg aan Jopie, die op zijn knie klom: „Wat gaan de ukkepukkies doen?”
„Juf neemt de kleintjes mee naar ’t eikenboschje, daar kunnen ze heerlijk spelen met Sarina,” zei Lien.
„En wat moet ik nou?” onderzocht Tobi met een verdrietig snoetje. „Ik kan toch met die kleine kinderen geen zandkoekjes gaan bakken? En al de jongens gaan op de fiets. Jakkie, dat ik nou ook geen fiets heb! ’k Kan even goed fietsen als Eer.”
„Kom eens bij me, Tobiaantje, dan zal ik je een geheimpje influisteren,” sprak tante Lie.
’t Geheimpje scheen Tobiaantje best te bevallen. Ze klapte in haar handjes, en riep opgetogen: „Moeder mag ik?”
En Nel begreep de zaak direct, en stemde toe: „Vader zal wel zorgen, dat je je niet oververmoeit; ga dan maar als de ooms je ten minste mee willen hebben.”
„Waarom fietst U niet, tante Nel?” informeerde Basje.
„Omdat ik ’t nooit goed heb kunnen leeren, vent, hoewel oom Frits zich verbazend veel moeite voor me gaf, en ik genoeg knorren kreeg.
„Als ik op de fiets zat, wenkte iedere boom: „kom bij mij,” en de rijtuigen deden al even zoo. Toen ik eens bijna een hondje had overreden, gaf ik de zaak voorgoed op, en iedereen was er blij om, behalve oom Frits.”
„Als je maar had doorgezet,” hield Frits vol, „kijk maar eens naar Tobi, die rijdt ons allemaal voorbij.”
„Maar dit keer, nu jullie zoo ver gaan, als je blieft kalmpjes aan, Tobi,” verzocht Nel.
„Ik zal wel voor Tobi zorgen, moeder,” riep Eric, „we blijven naast elkaar rijden. Je mag zeker op Lie’s fiets, hé To?”
„Geraden slimmerd! Hoera! Je zult zien, daar kom ik best op, want tante Lie is maar een poppetje. Oom Frans zegt, dat Bles vroeger altijd omkeek, of er wel iemand op zijn rug zat, als Lie met hem uitreed.”
„Toen was Bles zeker nog jong, hé oom?” vroeg Eric.
„Nou, niet zoo heel jong meer, en nu is hij een bezadigde oude heer, en mag tot aan zijn dood ’t genadebrood eten, heeft tante Lie beslist.”
„Natuurlijk, dat geef ik mijn ouwe paard naderhand ook,” beweerde Tobi.
Aan welk beweren Eric toevoegde: „Als je er ooit een krijgt.”
„’k Zou niet weten waarom niet,” riep Tobi.
„Ik wel,” hield Eric vol. „En zou je nou niet eerst Lie’s stalen paard van stal halen, mejuffrouw Tobiaan? De fiets moet zeker wel eens nagezien, hé Lie? U rijdt er immers nooit meer op?”
„Zelden of nooit, Eer, nadat ik van Grootpa die mooie fiets met een aanhangwagentje voor Cartje cadeau heb gekregen. Cartje kan nou altijd bijna mee, en dat vinden vader en moeder even prettig als de kleine baas zelf. Als ik ’t ventje vroeger thuis moest laten, was ik altijd een beetje ongerust, want dan dribbelde hij overal heen om zijn moeder te zoeken, en gebeurden er nog wel eens ongelukjes.”
„Heeft tante Lie Cartje niet een klein beetje erg verwend?” vroeg Tobi wijs.
„Een beetje heel erg, maar ’t heeft Cartje geen kwaad gedaan. Hij is in ’t geheel niet eigenzinnig of stout.
„Dwingen en zeuren doet ’t ventje nooit, en begrijpt best, dat hij zoet en gehoorzaam zijn moet als moeder zegt: „’t Is meenens Cartje.” Straks zei hij: „Mampsje moet met Cartje en Duimelientje mee naar ’t bosch,” maar toen ik van nee schudde en zei: „’t Is meenens Cartje, ’t kan niet,” dacht hij er niet aan om met dwingen zijn zin te krijgen. Kijk eens hoe zoet hij daar met Juf en de meisjes meeloopt?”
Doch terwijl moeder hem als zoo gehoorzaam prees, zag de familie Cartje weer verschijnen. Op eens was hij naar huis terug gehold, zoo vlug als zijn beentjes hem konden dragen, vertelde Sarina, die vlak achter Cartje aan binnen kwam.
Cartje stapte op zijn moeder toe, klom op haar schoot, en nam haar gezicht tusschen zijn dikke handjes. „Cartje vergeet jou een zoentje te geven, mampsje,” zei hij met een ernstig snoetje, en de daad bij ’t woord voegend, „nou is ’t al klaar.”
Doch dat was ’t nog lang niet, want Cartje moest eerst eens flink geknuffeld worden, omdat hij ’t zoo lief bedacht had van dat „zoentje gaan brengen.”
Tobi gunde Eric bijna geen tijd om tante Lie’s fiets goed na te kijken. Want iedereen stond immers al te wachten?
Gelukkig bleek de fiets best in orde, en vroolijk reden de fietsers heen. ’t Werd een verrukkelijke tocht door Gelres’ heerlijke dreven, en pas over etenstijd kwam ’t troepje thuis.
Doch Lien had er op gerekend. ’t Gebeurde in den jachttijd ook zoo dikwijls, daar moest je buiten altijd op verdacht zijn. Tobi had best meegekund, en was in ’t geheel niet moe, want er woei een lekker frisch windje, en er was ook nog al eens gerust. De heeren hadden best voor de eenige dame gezorgd.
Maar na ’t eten werd Tobiaantje toch erg geeuwerig, en besloot moeders’ raad te volgen tegelijk met de kleintjes naar bed te gaan.
Op „Welkom Buiten” bracht Grootma de drie ukkepukken altijd naar bed. Dat was de kleintjes bizonder naar den zin, want Oma maakte er iederen avond een pretje van. Als ze uitgekleed waren, mocht Duimelientje altijd nog even op schoot, en zaten Jopie en Cartje op een trépied aan Grootma’s voeten. Er werd een klein verhaaltje verteld, of er werden versjes gezongen, terwijl er altijd wat lekkers, om op te knabbelen uit Grootma’s réticule kwam. Duimelientje en Cartje sliepen dikwijls al half, terwijl Oma nog aan ’t vertellen was. Maar Jopie’s oogen glinsterden als sterretjes onder ’t toeluisteren, en ’t verhaal was altijd veel te gauw uit naar haar zin. Wanneer de peuzels er in lagen, ging Mevrouw Canneheuvel, als vroeger bij de kinderen, nu bij haar kleinkinderen, de bedjes rond om met hen te bidden en ieder nog een nachtzoen te geven.
Beneden vereenigde de familie zich nu aan de theetafel, die onder de groote linde was neergezet. Want iedereen bleef graag zoo lang mogelijk buiten om te genieten van den zaligen, luwen avond. Doch vóór ’t naar bed gaan werd er altijd een half uur of langer gemusiceerd.
Als vroeger zat vader voor den vleugel, Frans begeleidde op de violoncel en Frits op de viool. Nel, Puck en Ajoe wandelden arm in arm de tuinpaden op en neer en stonden af en toe stil om beter te luisteren. Maar mama en Lien zaten zachtjes samen te praten, ze konden deze klassieke muziek begrijpen noch waardeeren. Wanneer Puck echter op algemeen verzoek nog wat zong, dan slopen ook moeder en Lientien dichter bij. Want Puck’s heerlijke stem evenaardde die van den nachtegaal in reine schoonheid. Meestal begeleidde Frits haar op zijn viool. Dan werd Jopie boven wakker en verbeeldde zich, dat zij in den hemel was. Zoo konden alleen de engelen en maatje zingen. En onder die hemelsche muziek sliep ’t kind ook weer in.
Jopie was een bizonder fijn gevoelend kind, en door dat fijn gevoel geleid, zocht zij steeds iedereen te ontzien in zijn eigenaardigheden. Iemand bespotten en uitlachen kon Jopie niet, dat zou haar zelf pijn hebben gedaan.
Als zij op straat gebrekkige of misvormde menschen zag, keek ze gauw voor zich. ’t Moest zéér doen de aandacht te trekken, meelij of afkeer te wekken omdat je een terugstootend uiterlijk had, niet was als een ander. Je moest doen, of je er niks van merkte wanneer je zoo’n ongelukkig misdeeld mensch of kind tegen kwam. Jopie wist van maatje, hoe ’t kwam, dat Grootma altijd erg voorzichtig en vreeselijk langzaam de trappen op en af ging. Maar Cartje wist dit niet, en Jopie was doodsbang, dat Cartje op een goeden dag Grootma iets zou vragen, dat Grootma zéér kon doen, en daarom was er tusschen Jopie en Cartje een geheimpje.
’t Ventje zat altijd naar Grootma’s bril te kijken, waarom daar zulke groote brilleglazen in waren. Grootpa’s bril was heel anders. Toen Grootma’s bril eens even op tafel lag, had Cartje hem in zijn handjes genomen. Maar net toen hij hem ter dege bekijken wilde, zag Jopie ’t juist bij tijds.
„Niet doen, Cartje,” riep ze verschrikt, „daar mag je niet aankomen. Verbeeld je, dat je Grootma’s glazen oogjes eens kapot maakte.”
„Glazen oogjes?” herhaalde Cartje, daar begreep hij niks van.
En nu nam Jopie Cartje heel geheimzinnig mee naar een hoekje van de kamer, om hem de zaak eens goed uit te leggen.
„Zie je, Cartje, ’t is zoo. Grootma haar eigen oogjes zijn een beetje kapot, en daarom heeft Oma er een paar glazen oogjes bij gekregen van Paps. Maar niemand mag ooit aan de glazen oogjes komen, want als ze stuk gaan, kan Grootma niet meer goed zien. En maatje heeft gezegd, dat we met Oma niet over de glazen oogjes moeten praten en dat Oma altijd zoo langzaam loopt, want dat vindt Oma niet prettig.”
Cartje begreep niet veel van Jopie’s verhaal, maar toch wel zooveel, dat er met de glazen oogjes verbazend moest worden opgepast, en, dat hij er niet aan mocht komen.
Van uit de verte keek hij er dubbel naar, en als Oma even haar bril aflegde, hield hij er geen oog van af.
„Waar of mijn leesbril toch is,” zei Oma, „ik kan die maar niet vinden.” Dan lachte Cartje triomfantelijk over zijn heele snuitje, kwam vroolijk aangesprongen, en wees met zijn vingertje naar ’t mandje, waarin het etui verscholen lag. De glazen oogjes hadden verstoppertje gespeeld, en dat aardig spelletje deden ze heel dikwijls ten pleziere van Cartje.—
De familie zat aan de koffietafel, en maakte plannetjes voor den middag, toen Eric op eens riep: „Ajakkie ’t regent.” Tobi vloog naar ’t raam, en bevestigde spijtig, „En nog maar niet erg ook.” „Niet pruttelen,” wees oom Frans Tobi terecht, „regen moet er ook zijn op z’n tijd.” „Ja, maar nou moeten we thuis blijven, en....”
„Wel nee,” viel tante Lie in, „we letten hier nooit op mooi of leelijk weer, als we uit willen. Trekken jullie je regenjasjes maar aan en haalt de kap over je bolletjes, dan gaan de ooms, tante Nel en ik er met vier kaboutermannetjes van door. Cartje stapt al flink mee, maar Suusje blijft zoet bij Oma en maatje thuis, hé lieverd?
„Eerst gaan we een flink eind loopen en dan naar den koepel.”
„Voor wat naar den koepel?” onderzocht Eric.
„Zal je wel zien.”
Zelfs met regen was ’t prettig in ’t bosch. Je goed kon niet bederven, en onder ’t zware loof voelde je dikwijls niet, dat ’t maar door bleef regenen. De helroode paddestoelen schenen nog vuriger gekleurd dan anders, de regenwormen, kikkertjes en padden vonden ’t ook je weertje voor een wandeling, en de groene boschkruiden geurden nog sterker dan gewoonlijk.
Ook de vogels trokken zich niets aan van de nattigheid, vlogen bedrijvig af en aan, en gaven de jonkjes les in ’t vliegen. Want die kunst moesten ze goed verstaan als straks de trektijd kwam.
’t Was bijna jammer naar huis te gaan, maar ’t werd nu toch hoog tijd, waarschuwde oom Frans.
In den koepel brandde een gezellig vuurtje in ’t kleine fornuis. Tante Puck was druk bezig beslag te maken om pannekoeken te bakken. „Hoera!” riepen de kinderen en wilden dadelijk beginnen. Maar oom Frans zei, dat er nog lang niet genoeg beslag was.
„Hoe weet een mijnheer dat nou?” onderzocht Tobi.
„Omdat de „mijnheer” ook pannekoeken mee gaat bakken, juffrouw Wijsheid.”
„Ja, ja,” vertelde tante Lie, „dat gelooven jullie nog zoo niet, maar niemand kan lekkerder en kunstiger pannekoeken bakken dan oom. Hij keert den pannekoek niet in de pan om, hij gooit hem bijna tegen den zolder en vangt hem altijd weer netjes in de pan op. Dat mist nooit.”
Natuurlijk wilden Basje, Tobi en Eric dit aardige spelletje ook probeeren, doch ’t lukte niemand als oom Frans er op ’t laatste nippertje niet aan te pas kwam.
„Van wie heeft oom Frans dat toch geleerd?” onderzocht Jopie.
„Van de boerin, bij wie ik elk jaar in de vacantie in de kost was. Die vond, dat alles wat je weet en leert, nooit verloren gaat, want je kunt ’t weer een ander leeren. Ja, jongens, aan die goeie vrouw Teunissen heeft oom veel te danken, en aan haar man niet minder.”
„En oom leerde graag en goed, omdat hij vooruit voelde, dat dat alles hem wel eens te pas zou kunnen komen als hij naderhand b.v. heereboer zou worden,” zei Tante Puck. „Zoo is ’t ook net uitgekomen,” riep tante Lie vroolijk, „en zoo leven we hier maar wat genoegelijk en blij: de heereboer, de heereboerin en ’t kleine heereboertje.”
„Hoera! voor alle drie!” gilde Eric.
„Je moet maar goed op alles wat oom Frans doet toekijken, Tobi,” plaagde tante Puck. „Wie weet, of jij ook nog niet eens heereboerin wordt.”
„O Hemel nee,” zuchtte Tobi, „ik word vast en zeker geen huismoeder. Dat ben ik een poos geweest, en ’t is me niks bevallen. Die mannen zijn vreeselijk duur, ze willen altijd lekker eten, en hebben ook altijd wat aan te merken. Nee, ik zou je danken voor dat baantje.”
„Wat wil je dan worden, lieverd?” vroeg tante Lie.
„Net als Eer, denk ik, we doen alles gelijk op. Bij ons thuis hebben de meisjes evenveel te vertellen als de jongens, waar vader?”
„Spreekt van zelf,” stemde Joop in, en oom Frans vond ’t ook best als vader en moeder maar ’t meest te zeggen hadden.
„Jetuurlijk,” gaf Tobi toe, en vervolgde: „Eric en ik denken over ontdekkingsreiziger, hé Eertje, dan zie je nog eens wat van de wereld.”