Chapter 3 of 12 · 3957 words · ~20 min read

Part 3

Frits had niets gezegd. Behalve Puck wist niemand hoe veel angst en zorg Frits had uitgestaan, en hoe dikwijls hij gedacht had: „’t Is alles om niet, al mijn tobben en probeeren, al moeder’s geduld, vader’s stille hoop....” Doch die moedeloosheid duurde nooit lang. En Puck hielp haar man, wat ze maar kon, wist hem altijd weer op te beuren. Tot ten lange lange leste een zwak lichtje van hoop begon te gloren, een sterretje, dat steeds helderder werd.

En eindelijk was de groote dag dáár. Niemand dan Puck had dit mogen weten.

Frits was toch nog niet heel gerust, bang verwachtingen te wekken, die niet verwezenlijkt zouden worden. Daarop was toch nog altijd kans, al vertrouwde hij vurig van niet. Mama zat kalm op Frits te wachten voor ’t dagelijksch onderzoek. „’t Duurde wel heel, heel lang,” dacht ze dikwijls, eer ze zelf probeeren mocht een tipje van den duisteren sluier op te lichten.

Maar Frits wist ’t het best. Ze moest vertrouwen en geduldig zijn. En hoe gemakkelijk werd dit haar niet gemaakt door de overgroote liefde van man en kinderen.

Puck kwam dit keer met Frits mee. Nel en Joop waren er ook in de naaste kamer en praatten vroolijk met vader.

„Hoe goed en lief zijn ze allen voor mij,” dacht Mevrouw Canneheuvel. „Al moest ik blind blijven, dien zegen zou ik toch behouden, zoolang ik leef.”

Nog waarschuwde geen blij voorgevoel mama, dat er iets bizonders zou gebeuren. Zij gaf zich als altijd, lijdzaam en vol vertrouwen aan Frits’ behandeling over.

Eén oogenblik van angstig weifelen, toen herkreeg Frits zijn zelfbeheersching. Met vaste hand verwijderde hij het verband.

„Moeder, beste moeder, open Uw oogen, probeer of U zien kunt.”

Bevend, ’t heerlijke nauw kunnend beseffen of gelooven, sloeg Mevrouw Canneheuvel de oogen op en.... zag Frits’ ernstig, ontroerd gezicht over zich heen gebogen.

Toen een verrukte kreet, en Frits kreeg zijn loon. „Jongen, mijn lieve jongen, ik zie, ik zie; ’t zwarte gordijn is weggeschoven.” Haar armen om zijn hals geslagen, haar wang tegen zijn wang gedrukt, stamelde moeder in gebroken onsamenhangende woorden haar dank.

Als beekjes liepen Puck de tranen langs de wangen.

Nu kwamen vader, Joop en Nel binnen.

’t Was al heel gek. Iedereen schreide, terwijl er toch slechts aanleiding was tot diepe, heilige vreugde. Vader trad op Frits toe. Hij kon niets zeggen, maar zijn oogen, den druk van beide handen, welke die van Frits omvat hielden, spraken voor hem. Toen ging hij naar moeder, en sloeg zijn arm om haar heen.

Frits, diep ontroerd, greep Puck’s hand, wenkte Nel en Joop. Stil gingen de kinderen de kamer uit, lieten vader en moeder alleen. Ze voelden ’t allen: dit was als een gewijd uur, waarin hun ouders alleen wilden zijn, om elkaar te zeggen wat niemand anders mocht hooren....

Mevrouw Canneheuvel moest zich voorloopig nog zeer in acht nemen, in ’t geheel niet in ’t volle licht komen, ’t verband slechts afleggen, als de kamer bijna donker was. Doch wat beteekende dit, naast de zalige zekerheid dat geen volslagen blindheid in de toekomst langer dreigde? „U zal nu ook nooit zonder bril mogen, moeder,” zei Frits. „Eén moet U altijd dragen, en een andere opzetten als U leest of naait. ’t Is lastig, maar noodig.”

„Och Frits, dat tel ik niet. Wat komt dat er op aan?” riep moeder blij. „O jongen, zal ik dus weer kunnen lezen en handwerken en....”

„Zeker, moeder, maar geen inspannend fijn werk. Dat deed U toch al lang niet meer, wel?”

„Ik zal voorzichtiger dan voorzichtig zijn,” beloofde mama.—

In de keuken had ’t heuchelijk bericht van Mevrouw’s beterschap niet minder groote vreugde gebracht dan boven. „’t Is nou pas heelemaal in orde, ’k heb nou pas ’t gevoel dat ’k met een gerust hart mag blijven,” betuigde Marietje, en zij loosde zulk een diepen zucht alsof er een looden gewicht van haar werd afgewenteld.

Natuurlijk waren de: „Welkom Buiters,” zooals Puck ze gedoopt had, weer ever gekomen om moeders’ eersten dag benee mee te helpen vieren. De kleintjes hadden aardige versjes geleerd, ’t huis was vol bloemen, goede vrinden kwamen geluk wenschen.

En de heldin van ’t feest keek ieder vriendelijk aan met haar lieven glimlach, en dankte God, dat zij dit weer doen kon. Zelfs Terry had zich moeite gegeven, en vertoonde een nieuw kunstje ter eere van de feestelijke gelegenheid. In de drukte had zijn baasje vergeten zijn drinkensbak te vullen, en Terry, die een flinke wandeling had gedaan, had daar een flinken dorst op gekregen. Geduldig zat hij voor den leegen bak te wachten. Dacht nu niemand eens aan hem? Hoorde niemand zijn bescheiden: „waf?”

Terry keek rond, zag ’t vrouwtje zitten, dat vroeger even trouw voor hem had gezorgd als zijn baasje. Op eens nam hij ’t leege bakje in zijn bek, droeg ’t de kamer door, en zette ’t vlak voor Mevrouw Canneheuvel’s voeten, terwijl hij, naar haar opkijkend, zijn poot op haar knie legde. Als ze hem nu nog niet begrepen, waren ze wel oliedom, die groote menschen.

Wat werd er om leuke Terry gelachen en hoe gauw werd zijn aardig kunstje beloond. In plaats van enkel water, kreeg hij er dit keer een flinken scheut melk door, ter eere van den feestdag. „En omdat ik zoo slim ben geweest,” dacht Terry bij zich zelf.

Na ’t eten, toen de heele familie aan ’t theeuurtje weer bijeen zat, stapte Eric, een beetje rood en verlegen, op Oma toe, en zei: „Oma, ik heb een stukje ingestudeerd, en de juffrouw zei, dat ik ’t wel voor kon spelen. ’t Is ter eere van dezen dag, weet U.”

„Hoe aardig van je, lieverd, dat heb je leuk verzonnen. Stil zijn en niet babbelen, groote en kleine menschen,” verzocht mama, „Eric gaat voor ons spelen.”

Eric ging voor de piano zitten, en speelde.

Al spelende vergat hij waar hij was. Hij zag alleen maar noten, en hoorde liefelijke, zoete tonen. Je kon een speld hooren vallen, zoo doodstil zat iedereen te luisteren. Vader en Frits knikten elkaar toe, de jongen speelde buitengewoon goed voor zijn leeftijd: gevoelig en vol uitdrukking. ’t Was een genot naar hem te luisteren. En Mevrouw Canneheuvel was niet minder ontroerd. Deze eenvoudige muziek kon zij begrijpen, met hart en ziel meevoelen.

Jopie sloop op haar teentjes dichterbij, haar wangen gloeiden donkerrood, haar oogen schitterden. Hoe „plachtig” speelde die Eertje! Nou moest Paps op zijn viool mee spelen, dan was ’t nog mooier; Jopie zou ’t vragen, als Eric klaar was.

Cartje, die bij Grootma op schoot zat en zoo’n beetje dommelde, hoewel hij heel verontwaardigd had verklaard nog niet naar bed te willen, omdat er partij was, en de zon ook nog niet naar bed was, scheen klaar wakker geworden door de muziek. Op eens gleed hij van Grootma’s schoot, en sloop de kamer uit. Moeder Lien ging zachtjes achter zoonlief aan, ze wilde wel eens weten, wat hij van plan was. Nu, dat bleek al gauw. Cartje ging de trommel halen die grootvader hem cadeau had gegeven onder beding dat hij er alleen in den tuin op mocht trommelen.

„Hij wil de trom zeker mee naar boven nemen straks,” vermoedde zijn moeder. Doch daaraan dacht Cartje nog niet. Haastig stapte hij weer binnen met zijn schat, en voor Eric wist wat er gebeurde, zag hij Cartje naast zich staan, verwoed op zijn trommel slaande. ’t Was een lawaai van wat blief je me, en geen schepsel, die ’t niet zelf had bijgewoond, zou geloofd hebben, dat Cartje’s kleine handen zulk een oorverdoovend lawaai konden maken.

Grootma hield haar handen voor de ooren, vader Frans nam Cartje gauw de trom af, en tilde ’t kereltje hoog in de lucht om hem eens goed aan te kijken. „Ventje, wat scheelt jou? Ben je wel goed wijs, klein aapje?”

En Cartje, met een ernstig snoetje vader aanziende, riep luid: „Eertje’s muziek heel leelijk, Cartje’s trom veel mooier.”

Toen schaterde iedereen ’t uit, Eric voorop. ’t Was toch ook al te gek, dat zoo’n dreumes als Cartje heel alleen dat gekke verzinsel had bedacht.

„’t Is hopeloos, Lien,” zuchtte Frans, terwijl hij Cartje weer op zijn voetjes zette. „Die zoon van ons zal naderhand liever trappen hooren schuren, dan naar de mooiste muziek luisteren.” Maar Lien riep tusschen de algemeene vroolijkheid, ten koste van haar Cartje door: „Daar weet je nog niks van, Frans, Cartje heeft natuurlijk gedacht: „bij muziek hoort muziek.”—

„Moeder,” zei Frans hartelijk, toen de „Welkom Buiters” afscheid namen, om naar huis terug te keeren: „nou komt U toch heel gauw bij ons, om aan te sterken en vader komt natuurlijk mee.”

„Wel zeker,” riep Nel, „dat zouden jullie „Welkom Buiters” wel willen. Net of moeder hier ook niet zalig buiten kan zitten in den tuin, en gezondheid met lepels opdoen. We kunnen moeder nou niet zoo dadelijk missen, hoor!”

„Daar heb je ’t al,” riep Lien, „nou gaan we nog kibbelen ook. Ik zeg maar: we moesten allemaal in de Duiventil wonen en vader en moeder de lakens laten uitgeven!”

En toen Frans Lien uitlachte om dit zonderling voorstel, werd zijn vrouw boos en viel uit: „Als je niet dadelijk ophoud, Frans, met me uit te lachen, laat ik je alleen naar „Welkom Buiten” trekken, en blijf met Cartje hier.”

„Daar ben ik niets bang voor,” riep Frans vroolijk. „Wedden, dat ik jou en Cartje mee neem naar onze Duiventil?”

„Frans wedt nooit anders, dan als hij stellig weet, dat hij ’t niet verliezen kan,” sprak Lien berustend, „dus zullen we wel mee moeten. Maar moeder, we rekenen vast op U, we zullen elken dag naar U en vader uitkijken.”

V. DE ZIGEUNERBENDE

’t Was toch zulk prachtig weer. Wel erg warm! Maar wat merkte je daarvan, als je zalig aan ’t spelen en ravotten bent, in de Bataaf? Basje, Eric, Tobi, hun vrienden, de twee Driotjes, en de kleintjes, Jopie en Careltje, waren er al vroeg op uitgetrokken. De Van Rithempjes en Jopie hadden Basje en Cartje, die met zijn moeder voor een paar dagen bij Oma Canneheuvel logeerde, in de Bataaf gevonden. Dat was de afspraak geweest. Basje zou op de kleintjes passen. „Niet op ons natuurlijk,” verklaarde Tobi bijdehand, „we zijn groot genoeg, om voor ons zelf te zorgen.” Basje had, toen de afspraak met moeder Nel werd gemaakt, bij Tobi’s verklaring een knipoogje met tante gewisseld.

In de Bataaf was het heerlijk veilig spelen. Al wou je, dan kon je daar al heel moeilijk een ongeluk krijgen. Grootma had Basje geld mee gegeven, om te kunnen tracteeren op limonade en gebakjes. Eric wist nog net op ’t laatste nippertje, vóór hij uitreed, twee dubbeltjes van vader te veroveren voor hem en Tobi ieder een. Ze hadden er chocolaadjes en zuurtjes voor gekocht.

Basje zorgde er voor, dat de kleintjes niet te kort kwamen in den draaimolen en op den schommel. Want Eddy en zusje Driot deden met Tobi, Eric en andere kinderen liefst woeste spelletjes. Basje „voelde” zich. ’t Is dan ook maar geen baantje om vrede te bewaren, onder zoo’n troepje woeste kinderen, allemaal een beetje overmoedig en stout, omdat ze zooveel pret hadden, er geen groote menschen waren om te verbieden, en geen Juf om te bedillen.

Juf ging bij gelegenheden als nu anders altijd mee. Maar dit keer was ze thuis gebleven, om Mevrouw te helpen, die ’t druk had met de vruchteninmaak.

Juf was een trouwe, onontbeerlijke zorg in huis. Puck kon gerust uitgaan en alles aan haar overlaten. Niemand kwam te kort, alles vond zij steeds in de beste orde bij haar thuiskomst.

Toch zou Puck er niet aan gedacht hebben, om een Juffrouw te nemen als dit niet zoo van zelf gekomen was.

Op een keer, nu al een heelen tijd geleden, kwam Frits thuis met een droef verhaal. Hij had een arm naaistertje behandeld en genezen van een ernstige oogontsteking. Maar den eersten tijd mocht ze volstrekt nog niet naaien of ander oogeninspannend werk verrichten. Haar tranen nauwelijks kunnende bedwingen, had Jetje van Tol deze uitspraak aangehoord. En toen Frits haar met vriendelijke woorden drong hem te vertellen waarom ze zoo bedroefd was, was hem de reden toevertrouwd. ’t Arme schepsel stond heel alleen op de wereld. Waar moest ze heen, als zij haar kost niet meer kon verdienen?

Frits, die veel met het geduldige, zachte meisje op had, voelde diep meelij met haar en Puck niet minder. De zaak werd lang en breed besproken en het einde was, dat Jetje van Tol zoo’n beetje als hulp in ’t huishouden bij Puck en Frits zou komen, en voorloopig blijven. Doch van ’t voorloopig was een altijd geworden. Puck kon Jetje al gauw niet meer missen, en Juf zou zich de oogen uit ’t hoofd hebben geschreid, wanneer zij de familie, die haar zoo lief was geworden als eigen, vaarwel had moeten zeggen.

Frits was ook steeds vol lof over Jetje. Want zoo attent en flink als zij, was er stellig geen tweede te vinden. Jetje vergat nooit iets, wat de praktijk betrof, was secuurder dan secuur met boodschappen en opdrachten.

Met hartelijke, aanhankelijke Jopie, kon Juf ’t best vinden, maar de andere kinderen in de familie zagen Jetje liever niet dan wel. Ze was zoo stil en zeurig, „niks niet aan,” verklaarden de Van Rithempjes. Altijd was Juf bang, dat je je zou bezeeren of je goed bederven.

„Tolletje,” zooals Tobi oneerbiedig zei, was een best mensch, om allerlei te beredderen, niet om pret mee te maken. „Daarvoor is ze een veel te bange haas.” En Eric besliste: „Ze is een goeie voor de kleintjes, maar wij, grooten, kunnen best zonder een Juf.”

Dus speet ’t niemand, dat Juf thuis was gebleven om aardbeien- en frambozen-gelei te maken.

Basje had praatjes voor tien en verbeeldde zich, dat hij de baas was, maar dat zat nog. Als je niet naar hem luisterde, dan.... „dee hij nog niks.”

Tobi zwaaide met zusje Driot aan ’t zweeftouw, Eric en Eddy klauterden en gleden langs het: „huisje” en Basje speelde met de kleintjes in den draaimolen, toen de zon op eens schuil ging. ’t Leek plotseling bepaald donker te worden. Zoo even was er nog geen wolkje te zien, en nu.... In een ommezien scheen al ’t blauw van den hemel verdwenen, en in plaats daarvan stonden en dreven dikke grijze wolken, waar je ook keek.

„Goeie Grutje,” riep Tobi, „’t gaat stellig regenen,” en Basje commandeerde, terwijl hij zijn troepje bijeen dreef: „Vooruit jongens, misschien ontloopen we de bui nog.”

„En we hebben geen capes, en wat moet dat nou met Jopie en Cartje? Die kunnen niet zoo hard rennen,” viel Tobi driftig uit.

„Ik wel,” verzekerde Jopie, en ze gooide haar beentjes hoog de lucht in.

Intusschen had Basje de kleine bende ’t hek uit gedreven. „Vlug aanstappen, kinders. We gaan natuurlijk naar de Duiventil, dat is ’t dichtst bij.”

„Nee, wij vliegen naar huis, hè Eric?” besliste Tobi.

„Geen kwestie van, dat is te ver weg,” zei Basje kalmpjes, „daar heb je de bui al. Rennen jongens, rennen!”

„Zou moeder niet ongerust zijn, Eer?” vroeg Tobi angstig.

„Dommert, we telephoneeren toch dadelijk bij Grootma.”

Basje had Cartje op zijn rug genomen; Eric en Tobi namen Jopie tusschen zich in, de Driotjes waren al een flink eind vooruit gedraafd. Maar de bui was veel vlugger dan de kinderen. En ’t was me maar geen buitje van stavast! In een oogenblik was ieder drijfnat. Gelukkig! daar kwam „Huize Canneheuvel” in ’t zicht. Jopie hield zich dapper, doch Cartje ging aan ’t huilen en wou van Basjes rug af. „Hij was daar nog dichter bij den regen dan op den grond,” dacht hij.

Grootma, Bet en Kee stonden in de vestibule naar de kinderen uit te kijken.

Dat werd me een drukte en door elkaar heen gepraat, toen de heele bende veilig binnen was. „Ach, ach, wat zijn de stumperds nat! Je kunt ze wel uitwringen,” beklaagde Bet.

Grootma dreef ’t troepje voort naar de kleedkamer, en ’t werd daar al gauw een leven als een oordeel. In minder dan geen tijd was ’t natte goed uitgetrokken door de vlugge handen van Grootma, Bet, Kee en Marietje. Eric, Tobi, Eddy en zus Driot in hun ondergoed en op bloote voetjes, speelden ’t kikkerspel en rolden telkens om van plezier. Cartje, die door Marietje in een veel te groote hansop was gestoken, want hij was heelemaal drijfnat („zie je wel,” zei Cartje, „omdat Cartje zoo dicht bij de regen was”) begon een nieuw spelletje te leeren, dat Jopie den vorigen avond van vader had geleerd.

Jopie liet Cartje op den grond hurken, waar de kleine jongen zoet op zijn duimpje bleef zuigen.

„Zie zoo,” riep Jopie over Cartje neerhurkend: „nou begint ’t. Cartje is Jopie’s nichie.” En ze zong met haar lief, fijn stemmetje: „Nichie, nichie, ik vraag jou te gast. Nou Cartje.” Maar Cartje zweeg in zeven talen.

„Nou, dan doet Jopie voor Cartje.”

„Waarop?” vraagt Cartje.

En nou zegt Jopie: „Op spek en boonen.” Nou Cartje weer: „Die lust ik niet.”

En Jopie zegt: „Wat lust je dan?”

En nou zingt Cartje weer: „Hoendeltjes, kapoendeltjes, gebraden in de pan.”

„Nichie, nichie, kom over dan?”

Dit deel van ’t spel, speelde Cartje op Jopie’s voorbeeld meer dan goed. Eerst rolde hij omver, over de hansopspijpen, maar hij krabbelde vlug overeind, en nu ging ’t prachtig. Al hurkende sprongen de peuzels op elkaar toe, vielen elkaar om den hals, en ’t spel begon van nieuws af aan.

Basje was natuurlijk ’t eerst van allen behoorlijk aangekleed. Hij had zijn kleeren bij de hand. Eric en Eddy zouden een pak van hem aantrekken. Maar Kee wenkte de jongens. Boven op zolder stond een koffer vol kleeren van vroegere verkleedpartijen. De kleintjes bleven aan hun „Nichie, nichiespel.” De anderen stoven naar boven.

Toen Bet de gong liet spelen, traden vijf vreemde gasten de eetkamer binnen. Vooraan Basje, in een pandjesjas, met ’n hoogen hoed schuin op ’t hoofd. Hij fiedelde verbazend valsch op een viool. Achter hem, gearmd met Tobi, verscheen Eric als Indiaansch opperhoofd. Hij zag er prachtig uit, gedost in een zeer kleurig kostuum, met een hoofdsieraad van groene papegaaien-veeren op zijn blonde krullebol. Om zijn hals droeg hij een ketting van aan een touwtje geregen tijgernagels, en in de hand zwaaide hij Bet’s keukenbijl. Aan zijn arm liep Tobi. Zij was zijn „squaw,” doch daar er geen Indiaansch vrouwenkostuum in de koffer was, had zij een zeer kort zijden rokje (vol slijtgaatjes) aangetrokken, met een vuurrood fluweelen keursje. Op haar hoofd prijkte ook een krans van papegaaienveeren.

Eddy Driot stelde een mensch-aap voor. Hij had een beddevacht van geitewol om zijn schouders geslagen en liep op bloote voeten, steunend op een dikken stok.

De jongen zag er bepaald „eng uit,” vond Marietje. Zijn zusje was heel wat aardiger om te zien als lentefee, in een tullen japonnetje, volgeprikt met groote rose rozen (van papier). Op haar voorhoofd bengelden gouden munten. Je kon bijna niet zien, dat die ook al van papier waren, zoo schitterden zij. Maar zonderling stond ’t wel onder uit de verlepte krans van rozen.

Jopie en Cartje, nu behoorlijk aangekleed, gilden ’t uit van plezier en sprongen opgewonden om ’t vijftal heen.

Daar kwam grootpapa binnen, en sloeg zijn handen van verbazing in elkaar. „Lieve Hemel! vrouw, wat is dat voor een zigeunerbende! Moet die soms bij ons blijven eten? Kerel, jij met je viool, schei uit met je muziek, of ik laat je door Terry de deur uitzetten.”

Maar Terry, die den grooten baas gevolgd was, kreeg nauw zijn allereigenaardigsten baas in ’t oog, of hij sprong hem vol woeste vreugde bijna omver. Je kon Terry niet foppen met pandjesjas en hoogen hoed. Die herkende zijn baasje in duizend vermommingen.

„Lieve man,” zei grootmama, „strijk je hand maar eens over ’t hart. ’t Booze weer heeft deze dames en heeren overvallen. ’k Heb ze dus maar binnen laten komen, en hun ten eten gevraagd op wat de pot schaft.

„Want op zooveel monden meer heeft onze Bet natuurlijk niet gerekend.”

„Enfin dan maar,” gaf Grootvader toe. Waarop de vioolspeler met een diepe buiging zijn „hooge zijden” afnam. Eric salueerde, hetgeen een Indianenopperhoofd gewoonlijk niet doet, en Tobi maakte een knix, wat ook al niet paste bij haar veeren hoofdkrans. De onbeleefde aap dankte in ’t geheel niet, hij schudde met zijn kop en strompelde naar de tafel.

„Kom je maar naast mij zitten, Krullemietje,” noodigde de heer Canneheuvel zusje Driot, en hij trok even aan haar kastanjebruine krulletjes, die dubbel op waren gekroest nà ’t lekkere regenbuitje. „Wat een mooie krans heb je opgezet, vrouwtje; je hebt die rozen toch niet in den tuin geplukt, hoop ik?”

„Nee menheer,” fluisterde ’t meisje schuchter, maar ze vond ’t plaatsje naast mijnheer nog zoo kwaad niet. Want hij legde de lekkerste hapjes op haar bord: bruin gebakken aardappeltjes met appelmoes, naderhand zalige pannekoekjes.

Bet had op verzoek van Jopie een massa pannekoekjes gebakken. Jopie was ’t met Cartje zelf gaan vragen in de keuken.

Voor een zoentje van Cartje deed Bet alles. Ze hield anders niet van jongetjes, „maar op Lientiens’ jongetje was ze mirakel dol,” zei ze tegen Kee, die dit best begrijpen kon.

„En vertel nu eens,” zei Grootvader deftig: „waar komen jullie vandaan, jongelui? Zeker uit Hongarije, want daar hooren de Zigeuners thuis.”

„We hebben elkaar onderweg ontmoet, edele Heer,” sprak de „Hoog Zijden.” „We zijn van plan de kermissen in Uw land met onze tegenwoordigheid te vereeren, want allen zijn wij groote kunstenaars.”

„Dat zou men jullie zoo niet aanzien,” meende de heer Canneheuvel.

’t Indiaansch Opperhoofd nam nu het woord, en sprak: „Schijn bedriegt, edele Heer, we zijn wel degelijk zeer bekend en gezocht. ’t Vioolspel van mijn vriend met den hoogen hoed, is door de heele wereld beroemd. We willen U graag een proefje van onze kunst geven.

„Mijne squaw en ik dansen buitengewoon voortreffelijk, en onze Orang-Oetan, die wij in de wildernis vonden en opleidden, is een acrobaat van het zuiverste water.

„In ruil voor onze kunstvoorstelling, zouden we dan een poos van Uwe gastvrijheid willen genieten.”

„Dank je wel, Indiaansch Opperhoofd, ik geloof je best,” verzekerde grootvader. „Naar het spel van Uw vriend „Hooghoed” te oordeelen, verlang ik nou juist niet bizonder naar ’t geen de andere dames en heeren kunnen aanbieden. Een uur of wat moogt U met Uw gezelschap hier blijven, en dan afgemarcheerd marsch! Neem intusschen nog deze lekkere vette pannekoek, edel opperhoofd, en pas op, dat de groene veer uit Uw krans, die bedenkelijk naar omlaag hangt, niet meesmult. ’t Zou jammer zijn van de suiker... neen ik bedoel van Uw hoofdsieraad.”

Waarop zelfs de aap, (die zich lang niet onbetuigd had gelaten aan de pannekoeken) maar in zijn rol meende te blijven, door zeer droefgeestig rond te kijken, het uitproestte van plezier. Eric, een beetje rood en verlegen, greep naar de groene veer, doch kon die niet te pakken krijgen, waarop zijn goede squaw den steen des aanstoots uit de krans trok, en midden op haar eigen hoofd plantte.

Careltje was lekker ingedut op Grootma’s schoot, en kleine Jopie vielen ook de oogen toe. Terwijl de kleintjes naar bed werden gebracht, (Jopie mocht in de Duiventil blijven slapen dien nacht) nam Grootpa de Zigeunerbende mee naar boven. Gezellig om zijn leunstoel geschaard, op de armleuningen of den grond gezeten, zagen de kinderen vol verwachting naar den heer Canneheuvel op. Want Grootpa had beloofd hun wat van ’t echte Zigeunerleven te vertellen. Van die immer rondzwervende menschen, die geen vaste woonplaats hebben, liefst in wagens wonen, van land tot land, van stad tot stad voorttrekkend. Doch ze willen niet anders, omdat ze van geslacht tot geslacht gewend zijn geweest aan een zwervend leven, en niet beter weten of het hoort zoo,