Chapter 11 of 12 · 3986 words · ~20 min read

Part 11

„Ja, maar jullie kunt, terwijl je aan ’t ontdekken bent, toch niet van den wind leven,” sprak tante Puck.

„Och er zijn er genoeg, die ons een beetje zullen willen helpen met ’t geld,” verklaarde Tobi met een luchtig gebaar. „Vader en moeder voorop, en lieve Lie natuurlijk ook. Die mag dan met ons mee.”

„Nou dan moet Cartje ook mee, want zonder Cartje doet ze ’t vast niet,” verzekerde oom Frans.

„En dan blijft U ook niet thuis, oom,” lachte Eric. „Zeg Tobi, dan zullen tante Lie en jij pas echt aan ’t huis-moederen moeten gaan voor zooveel mannen.”

„Dat denk je maar; ik wil ook ontdekken en jagen en door de bosschen zwerven, en ik trek een leeren broek aan.”

Kleine Tobi met een leeren broek werkte zoo op de lachspieren, dat oom’s laatste pannekoek heelemaal mislukte, en een welkome buit werd voor Tommy, die al lang op de loer had gelegen naar zoo’n buitenkansje.

Tom en Pluto waren natuurlijk van de partij geweest op de wandeling. En die twee hadden zeker niet ’t minste plezier gehad. Tom had konijnenholen ontdekt, of ’t zich verbeeld, wat even plezierig is. Zijn korte, breede pootjes hadden zoo verwoed gegraven en ’t zand opgewoeld, alsof hij er aan den anderen kant van de aarde weer uit wou komen. En intusschen rende en draafde Pluto uit al zijn macht heen en weer, op en neer, en legde den weg wel tien keer af in plaats van eens.

Op „Welkom Buiten” speelden de dieren veel grooter rol dan in de stad. Ook de in vrijheid levenden werden als huisdieren verzorgd, vooral ’s winters. Dan keek Geurt overal de nestkastjes eens extra na, en werden deze goed van voer voorzien. Voor de meezen hingen er kokosnoten (natuurlijk in twee helften gedeeld) en als de bast schoon leeg was gepikt, vulde oom Frans die met vet en kaaskorstjes of kluifjes met een lekker stukje vleesch er aan, van welke lekkernijen de meezen niet minder genoten dan van ’t vruchtvleesch der klappers.

Dit alles en nog veel meer vertelde oom Frans aan Basje als zij samen buiten liepen. Basje, met zijn ruim hart voor alles wat dier was, verzamelde trouw aan iederen maaltijd wat er op de borden overbleef aan vruchtenschillen, korstjes en andere etensresten. Van zooveel personen was dat heel wat en in een boordevollen bak ging Basje dit dan aan de varkens brengen. Dikwijls trof hij oom Frans op zijn tocht naar ’t varkenshok, en liep oom dan met neefje mee. Hij deed dan allerlei dierenverhalen, waarnaar Basje gretig luisterde. Zoo waren varkens b.v. lang niet zoo lui, dom en vuil als zij er den naam van hadden. Maar de boer laat ze meestal vervuilen.

’t Kon hem niet schelen, of de arme dieren in een Augiasstal leefden als ze maar gedijden. Doch gedijen doet een varken, als ieder ander dier, veel eer in een zindelijk hok dan in een vuil kot.

„Nou,” merkte Basje op, „Uw varkens kunnen tevree zijn, oom, ’t hok is altijd frisch en zindelijk, en in de wei loopt de moeder met de biggetjes zoo vroolijk rond, dat je er met plezier naar kijkt.”

„Ja, Geurt verzorgt ze goed,” zei oom Frans. „Hoor ze nou eens aangaan; ze kunnen ons nog niet zien, maar ze voelen en weten, dat je hun om dezen tijd wat lekkers komt brengen. Dat is toch nog al slim, zou ik zeggen van zoo’n dom varken!”

„De paarden weten ’t ook precies als tante Lien in aantocht is met ’t roggebrood. Ze hinniken dan van plezier; paarden zijn heel verstandig, hé oom?”

„En óf, maar honden winnen ’t nog van hen in slimheid en overleg. Je kunt Pluto b.v. niks wijs maken, en Tommy begrijpt gewoon alles. Hij doet alleen dikwijls, of hij niet weet wat de baas of vrouw wil, omdat sinjeur dan zijn eigen zinnetje wil volgen.”

„’k Vind ’t maar eenig, dat alle dieren hier zoo mak en aanhalig zijn,” verklaarde Basje. „Zelfs de koeien geven kopjes, net als katten; dat heeft tante Lie ze geleerd, zegt Trine.”

„Alleen de zwanen en de pauwen laten je nooit dichterbij komen. Dat zijn trotsche, verwaande, nare beesten, maar anders mooi om te zien.”

„De pauwtjesvrouw komt wel als tante haar roept,” vertelde oom, „aanhalen laat ze zich nooit, dat is zeker geen gebruik bij pauwen.... Kijk eens, daar komen Eer en Tobi met een reuzenbloemkool aansjouwen. Héla snuiters, waar gaat de tocht naar toe?”

„Naar de kippen, oom, die zijn dol op bloemkool,” zegt Geurt. „We hangen de kool flink hoog in ’t hok, en ze springen er net zoo lang naar tot ze den stronk heelemaal hebben leeg gegeten.”

„’k Heb anders niks op met die suffe, valsche kippen,” zei Tobi. „Ze doen niks dan eten, en gunnen elkaar geen steek, pikken elkaar alles voor den neus weg, en ze hebben dat kleine kippetje laatst half blind gepikt. Kippen zijn wreede beesten, ik houd veel meer van konijnen, en heb lekker veel groen van den tuinjongen gekregen. Kijk eens, mijn schort vol; ik heb niks verloren, en moest Eric nog met die vervelende bloemkool helpen ook. Twee keer is dat nare ding uit ’t touw gegleden, dat Willem er n.b. zoo stevig om had gedaan! Die jongens kunnen ook net niks.”

„Jij houdt van de konijnen, omdat ze niet kunnen bijten,” grinnikte Eric. „Jouw konijnen zijn net ouwe mummelbessen, en ze doen ook niks dan eten.”

„Maar de kleintjes zijn doddig,” hield Tobi vol. „Mag ik er een meenemen, oom, als we weg gaan?”

„Met plezier, Tobiaantje, als je moeder ’t goed vindt.”

„Grootpa zal wel een hok voor ons timmeren,” vertrouwde Eric, die ’t konijn dadelijk voor de helft aannam. „Moeder vindt ’t vast goed, en achter in den tuin is plaats genoeg.”

„Wil jij ook niet een konijn aan oom vragen, Basje?” stelde Tobi voor.

„Neen, ik houd mij bij mijn volière. Daar heb ik werk genoeg aan, maar er ook vreeselijk veel plezier van.

„De groenlingen zijn al mak, oom, en laatst is er een nachtegaal in ’t boompje gaan kijken, of hij en zijn wijfje er een nestje zouden maken. ’t Wijfje „sleepte” al, maar er is nog niks van gekomen. Misschien ’t volgend voorjaar en dan....” hij wilde zeggen „kunnen vader en moeder ’t ook zien,” maar gelukkig slikte hij nog net bijtijds zijn woorden in. Want werd ’t geheim verraden, dan was de verrassing ook weg.

XVI. ZILVEREN BRUILOFT IN DE DUIVENTIL

„Er wordt daar zeker een bizonder feest gevierd,” dachten de voorbijgangers, die de lange rij auto’s en rijtuigen zag staan voor „Huize Canneheuvel.” ’t Was een heldere Novemberdag, doch de duisternis viel al vroeg in, en telkens als de huisdeur werd geopend om een nieuwen bezoeker binnen, of een die wegging, uit te laten, viel een stroom van licht uit ’t feestelijk huis, en zag men overal festoenen van kransen, guirlanden van bloemen in vestibule en gang. Nu, er was dan ook een groot feest in de Duiventil, ’t allergrootste, dat nog ooit door de familie Canneheuvel gevierd werd. En de heer en mevrouw Canneheuvel waren heden koning en koningin, want zij vierden hun zilveren bruiloft, en al de kinderen en kleinkinderen waren om hen heen.

De zilveren bruid stond naast haar bruidegom, en zag er even dankbaar en gelukkig uit als toen ze, een kwart eeuw geleden, de reis door ’t leven met hem begon. Rank en slank als toen, wel verouderd zoo op ’t eerste gezicht, met ’t zilvergrijze haar, dat de plaats van de goudblonde vlechten had ingenomen. Doch voor man en kinderen was moeder precies dezelfde gebleven. Want haar lief, zacht moedergezicht had ze behouden, en dat zou ook wel nooit veranderen in hun oog. Was ’t niet nog moederlijker geworden, nu de kleinkinderen ook om haar zorg en toewijding vroegen?

Met liefde en trots keek Mevrouw Canneheuvel naar haar man, zoo jong, gezond en flink nog voor zijn twee en zestig jaren. Hij leek bijna een broer van Dolf, zijn oudste zoon, wien men zijn ingespannen arbeid, als druk gezocht geneesheer op ’t warme Soerabaïa, terdege aan kon zien.

Lous was weinig veranderd. Ze liet Bas je bijna niet uit haar oogen. Wat een verrukkelijk weerzien was dat geweest tusschen ouders en kinderen, tusschen vader, moeder en zoon nu een maand geleden, toen Basje ’s morgens vroeg ’t huis was uitgeslopen, en ’s middags vader en moeder de Duiventil binnenbracht. „Een mensch zou bijna de scheiding over hebben voor zulk een zalig wederzien,” had Lous gesnikt.

’s Avonds waren alle broers en zusters er ook, om Lous en Dolf te verwelkomen. Hoe langen tijd hadden zij daar niet naar uitgezien en verlangd!

Basje had tante Ajoe in ’t geheim moeten nemen, nu Grootma niets weten mocht van Dolf’s en Lous’ komst, en dus niet vooruit kon zorgen. Tante Ajoe en oom Jan hadden alles bezorgd en geschikt, en met vreugde hun zitkamer afgestaan, die met hulp van Bet en Kee in een keurige slaapkamer werd omgetooverd.

Moeder zou natuurlijk ook Lous en Dolf in de Duiventil willen houden, en ’t kon ook best geschikt. Op ’t laatste oogenblik behoefde er dus niets in orde gemaakt, en was er geen drukte. En toen Ajoe zei: „U hadt Dolf en Lous natuurlijk nergens anders willen hebben dan hier,” antwoordde Mevrouw Canneheuvel: „Dat spreekt immers van zelf, geen kind van vader en mij, zonder eigen thuis, mag in Holland ergens anders wonen dan bij ons.

„En je bent een lieve schat, kleine Ajoe, dat je alles zoo netjes beredderd hebt.”

Nu ook de kinderen uit Indië om haar heen waren, voelde Mevrouw Canneheuvel zich pas volkomen gelukkig, en ontbrak er niets meer aan haar vreugde. Van Dolf keek zij naar Jan, de zoon van haar man, wiens liefde zij ’t laatst gewonnen had, die haar haar taak als tweede moeder dikwijls heel moeilijk had gemaakt. Doch hoe rijk waren haar geduld en liefdevolle toewijding ook door dit kind beloond! Naast Ajoe en Suusje stelde Jan niemand hooger dan haar. Geen mensch op de wereld had hij inniger lief dan zijn „Mader,” dat bewees hij haar elken dag.

En Puck, haar zorgenkind, die beweerde dubbel recht te hebben vader en moeders dochter te zijn, omdat zij als Canneheuveltje was aangenomen en door Frits nog eens lid van de familie geworden was. Met welk een innige liefde hing Puck aan „Moeder” en in ’t hart van haar pleegmoeder nam Puck haar eigen plaatsje in, niet minder groot dan dat der andere kinderen.

Welke flinke, degelijke mannen waren Dolf, Jan en Frits geworden. Jan was vaders steun en rechterhand. Niemand had Vader de zaken in Soerabaïa beter kunnen toevertrouwen dan zijn nauwgezetten, eerlijken tweeden zoon. Een jaar geleden was Jan als compagnon in de firma opgenomen, en stond nu naast zijn vader, aan ’t hoofd van ’t bloeiend handelshuis in Indië. Men kon ’t Jan bijna niet aanzien, dat hij zoo langen tijd onder ’t tropisch zonnetje had gewerkt. Hij was er jong bij gebleven. Met zijn grappig, vroolijk gezicht, zijn lange, altijd in beweging zijnde armen en beenen had hij tusschenbeide nog iets echt jongensachtigs over zich, en als hij Ajoe plaagde, of met Duimelientje stoeide, was hij nog net een jongen.

Frits, die lieve, knappe zoon, aan wien zij zoo oneindig veel te danken had, leek bijna ouder dan Jan door zijn ernstig uiterlijk en rustige manieren. Hij had heusch al de bedaarde deftigheid van een professor over zich.

Puck en moeder fluisterden er dikwijls over, en ’t vervulde haar met stillen trots, nu Frits dit misschien al gauw worden zou. ’t Was al lang geen geheim meer, dat professor S. Frits tot zijn opvolger zou aanwijzen, wanneer hij zijn ambt neerlegde. ’t Vooruitzicht stemde Puck meer dan gelukkig, en hoe blij zou Frits zelf zijn, als ’t zoover was. Maar hij verdiende het. Niemand dan zij wist beter hoe ijverig, geduldig en nauwgezet hij was, hoe zijn vak hem boven alles ging. En voor hoe knap en kundig men hem hield, daarvan had zij bewijzen te over; geen operatie van belang, of haar Frits werd er bij geroepen.

„En,” vertrouwde Puck aan moeder toe, „Frits zal als prof maar wat een goed figuur maken. Want uitleggen, duidelijk verklaren en redeneeren vooral, dat kan hij! Daarin heeft hij zich van kind af aan geoefend.”

Joop had al professor kunnen zijn, doch bleef liever uitsluitend practiseerend geneesheer. Zijn patiënten waren hem hier heel dankbaar voor. Want Dokter van Rithem maakte als kundig arts niet alleen ’t lichaam maar ook de ziel gezond. Menig armen tobber wist hij moed en hoop in te spreken, aan zijn gezin en ’t leven te hergeven. Dan was Joop niet allereerst bedacht op eigen voordeel; zijn armenpractijk ging hem bovenal. Doch ook menigeen uit den z.g. goeden stand, die gebukt ging onder geldzorgen, stond verbaasd over ’t kleine honorarium, dat Dokter van Rithem vroeg.

„Dokter is er toch zoo dikwijls geweest!” zei de patiënt dankbaar. „’t Is of de goeie man weet, hoe moeilijk wij ’t kunnen missen.”

Nel was ’t, ook in dit opzicht, geheel met haar man eens. Van haar leerden Eric en Tobi, met Vader als voorbeeld, meelij te hebben met zieken, zwakken en hulpbehoevenden, wèl te doen met woord en daad. ’t Was een voorrecht, als ze met moeder mee mochten om een versterkend soepje te brengen aan een gezin, dat in stilte armoe leed, geen geld voor duur vleesch te missen had. Of wanneer ze een van hun eigen zakgeld gekochte versnapering een ziek stumperdje in de magere handjes mochten stoppen. Nel leerde haar kinderen ’t rijmpje van Mevrouw Canneheuvel met ter daad toepassen:

„Men steunt en helpt pas dubbel goed, Wanneer men ’t van harte doet.”

Och! Och! wat was ’t heden een drukke dag in Huize Canneheuvel. ’t Begon al toen ’t zilveren paar nog boven was, en de drie kleintjes: Jopie, Cartje en Suusje, de handen vol bloemen, Grootpa en Grootma hun gelukwenschende versjes kwamen toezingen. „Net drie engeltjes,” zei Marietje, die ze zag binnen gaan, en aan de deur naar ’t zingen bleef luisteren.

Beneden werd ’t zilveren paar ontvangen met een lied, door Joop gemaakt, door Puck gezongen, door Frans op muziek gezet en begeleid.

In dat lied zong Puck de ouders de dankbare liefde toe van al de kinderen. ’t Was aandoenlijk mooi, en geen wonder, dat vooral de bruid moeite had haar ontroering meester te blijven.

Cadeaux, bloemstukken, gelukwenschen, den heelen dag vlogen die vreugdeboden de Duiventil binnen. ’s Middags stroomde ’t visite. „Gelukkig, dat er zulk een groote familiekring om Opa en Oma heenstond,” zei Tobi, „anders hadden de „feliciteerders” maar even kunnen blijven.” Nu kon iedereen nog een praatje maken, terwijl Grootma en Grootpa steeds nieuwe handen drukten.

Eric, Tobi en Jopie presenteerden heerlijke bonbons, en droegen Oma’s prachtig cristallen mandjes zoo voorzichtig als ’t maar kon. Jopie zocht de menschen op, die een beetje achteraf stonden, en bood hen gul haar lekkers. Niemand mocht vandaag te kort komen.

Maar dan zocht ze gauw Cartje weer op; die moest erg in ’t oog worden gehouden, want hij snoepte veel te veel, en liep voortdurend te zuigen. Duimelientje bleef aldoor naast haar Maatje; op die werd dus van zelf gepast. Dat gaf Jopie een heele rust.

Mevrouw Canneheuvel keek de kamers rond. Een dame had naar Nel gevraagd; waar of lieve Nel toch was? Ze zag haar nergens. En toen bedacht moeder zich, dat Nel zeker even was weggeslipt om naar Grootmama te gaan kijken. Want ’t groote wonder was geschied. Grootmama uit Haarlem had de reis naar den Haag ondernomen om dezen eenigen feestdag met de familie Canneheuvel mee te vieren.

’s Morgens waren Joop en Frits Grootmama per auto gaan halen, en Chris was ook meegegaan, want die liet haar oude Mevrouw nooit alleen.

’t Makkelijke, kalme ritje was Mevrouw van de Capelle best bekomen, maar ’t bijwonen der receptie durfde zij niet aan. Dolf en Joop zouden het Grootmama ook niet hebben toegestaan.

Tante Johanna uit Voorburg stond wel in den kring, en vertelde ieder, die ’t wilde hooren, dat die dame met de mooie, donkere oogen, haar nichtje Puck was, en dat snoezige diertje in ’t wit met rose, haar achternichtje Jopie, haar petekind. En voor haar waren die twee ’t beste en liefste, wat ze op de wereld bezat.

Grootmama had kalmpjes boven koffie gedronken met Nel en Chris, terwijl Eric en Tobi de trap op en af renden, om allerlei lekkers boven te brengen. Dit gunden zij niemand anders. Toen was de oude dame wat gaan rusten in de stille kamer achter in ’t huis, waar bijna geen geluid van beneden doordrong.

Chris had de breede rustbank tot een lekker bed gemaakt, en „Mevrouw was gelukkig al gauw ingesluimerd,” zeer tot geruststelling van Chris, die ’t in haar hart wel een beetje afkeurde, ’t een groot waagstuk vond, die verre reis in den winter voor haar oude meesteres.

Maar in zoo’n auto zit je anders lekker, (Mevrouw warm toegestopt met een heete kruik aan haar voeten). Zij had ’t hier even best als thuis, dat moest Chris eerlijk toegeven. De jonge Mevrouw Nel was straks stilletjes boven gekomen, en had Mevrouw zachtjes in slaap gelezen. Zoo heerlijk als Mevrouw Nel kon voorlezen! Daar raakte je zelf ook bijna van in den dut, al waren ’t ook nog zulke mooie verzen. „Dokter Joop had ze gemaakt,” vertelde Mevrouw.

Nu was Grootmama wakker geworden, en zat Nel naast de bank en streelde haar hand, terwijl zij zachtjes samen babbelden.

„Hoe laat gaan jullie aan tafel, Nel?” vroeg Grootmama. „’k Wil mij bijtijds netjes maken en.... niet vertellen, Nel, maar bij ’t dessert wil ik ook een woordje zeggen. We zijn heelemaal onder ons, hé kind?”

„O Grootma, hoe aardig! Wat zullen Vader en Moeder dit op prijs stellen! Zeker, de vrienden worden later gevraagd en de kinderen krijgen volgende week partij, maar vandaag zijn we onder ons, zooals altijd wanneer er groot feest is. En vaders’ en moeders’ zilveren bruiloft is wel ’t grootste feest, dat we nog ooit gevierd hebben, vindt U ook niet?”

„Zeker vrouwtje, ’t grootste, mooiste feest? Lieve Nel,” vervolgde Grootmama na een poosje, „je kunt je wel begrijpen, hé, dat ik jullie eigen moedertje zoo lang ik leef zal blijven missen en betreuren. Maar ik denk dikwijls, dat zij zelf dankbaar zou zijn, als ze weten kon, wat de nieuwe moeder, die vader jullie gaf, voor haar kinderen steeds geweest is. Moeder is mij als een eigen kind aan ’t hart gegroeid, Nel.”

„Hoe heerlijk, dat U dit zegt, Grootma, want moeder verdient ’t, dat U haar liefheeft. Ze heeft vader en ons een hemel op aarde gegeven. Moeder zei ’t zoo dikwijls: „juist omdat jullie je eigen moedertje missen moet, wil ik mijn best doen dubbel goed voor haar kinderen te zijn. En dat is Moeder geweest en gebleven.”” Ze zweeg ontroerd, Grootmama had de oogen vol tranen, en Nel wischte ze voorzichtig af. „Kom, lieve schat, nu moet U opstaan, en zullen Chris en ik Uw vlugge, handige kameniers zijn, niet waar Chris?”

Om zes uur daalde Mevrouw van de Capelle tusschen Nel en Chris de trap af. Bij de eetkamer stonden al de kleinkinderen als eeregeleide gereed, en brachten de oude dame veilig naar haar stoel aan ’t hoofd van de tafel.

Aan haar linkerzij zat de zilveren bruigom naast zijn bruid, en Dolf zat aan Grootma’s anderen kant naast Lous. Want vandaag had iedere heer zijn vrouw als tafeldame. Tante Johanna sloot de rij der volwassenen tusschen Frits en Basje ingezeten, die de orde hield onder de kleintjes. Hij schonk hun de glaasjes vol vruchtensap en zorgde er voor, dat ieders bordje welgevuld was. Kee, Chris en Marietje dienden, en Sarina zorgde met Basje mee voor de kinderkamer.

Toen ’t dessert op tafel stond, keken trouwe Bet en Betjesmoe om ’t hoekje van de deur, die op een kier stond, want de „toosten,” zei Bet, „die wilde ze ook hooren.”

Dolf opende de rei der toasten, en na hem spraken Jan, Frans en Joop: hartelijk en gevoelvol. Doch Frits’ toespraak klonk Puck ’t mooist van alle in de ooren. Zijn woorden gingen recht van hart tot hart tusschen zijn ouders en hem.

En Puck glimlachte door haar tranen heen: niemand kan spreken als mijn Frits.

Nu stond Grootmama op en hief met bevende hand haar glas omhoog. ’t Werd doodstil, duidelijk klonk de zwakke stem der twee en negentig jarige:

„Een enkel woord, lieve kinderen, van de oude vrouw, die ge steeds als een moeder hebt geëerd en lief gehad, en die U leerde liefhebben als eigen kinderen. Wat gij voor mij geweest zijt en bent, kan ik niet onder woorden brengen, dat behoeft ook niet, wij weten en voelen ’t, en dat is genoeg.” Zacht dwong Dolf Grootmama te gaan zitten, en hem dankend voor zijn zorg met een vriendelijk knikje, hervatte zij, zich tot het bruidspaar wendend: „Carel, als man van mijn lieve dochter waart ge mij meer dan welkom, en met de jaren werd ge mij dierbaar als een eigen zoon. En de vrouw, die Nellie’s plaats innam, die Nellie’s kinderen grootbracht, kan ik in mijn hart en in mijn liefde niet meer scheiden van mijn eigen bemind kind. Dat is de hoogste lof, die ik haar schenken kan. God geve, dat ge elkaar, uw kinderen en kleinkinderen nog jaren ten zegen moogt zijn.”—De oude stem trilde, de laatste woorden werden bijna fluisterend geuit....

Mevrouw Canneheuvel omhelsde Grootmama lang en innig, sprak zacht haar dank. Allen waren aangedaan, en Lien liet de heldere tranen langs haar wangen rollen, terwijl zij moeder toelachte. Hoe schattig van Grootmama, om zóó over haar moedertje te spreken!

Ze wilde opstaan, Grootmama ook omhelzen. Doch Dolf wenkte haar te blijven zitten: Vader had ’t woord gevraagd. Maar de heer Canneheuvel was te ontroerd om wat hij voelde onder woorden te brengen, nam de hand van zijn lieve vrouw in beide de zijne, en in zijn oogen las zij den stillen, overgrooten dank voor ’t geluk, dat zij hem en de kinderen vijf en twintig jaren lang geschonken had.

„Lieve Suze....” zijn stem stokte. Hij keek Dolf aan, gaf de andere kinderen een teeken. En zij begrepen, waar hij hen om verzocht. Zonen en dochters omringden den stoel van de zilveren bruid, en riepen haar als uit één mond toe: lang leve Moeder, onze lieve Moeder, zij leve!

Nu werd er gekust en omarmd, de glazen werden geledigd op ’t welzijn van ’t zilveren paar.

De kleintjes kwamen als kabouters achter elkaar aanstappen, stieten hun glaasjes met vruchtensap tegen de hooge glazen, en gilden: „hoera!”

Duimelientje fluisterde even met haar pappa. Toen klom ze bij Mevrouw van de Capelle op schoot, sloot beide handjes om haar gezicht en zei: „Jij bent Suusjes Ote-Grootmama,” zegt Pappa, „en of ik Ote-Grootmama een kusje mag geven?”

En dit keer was ’t prinsesje erg gul met haar zoentjes.

Vol trotsche vreugde keek de heer Canneheuvel de tafel langs. Hij kon met recht trotsch zijn op zijn flinke, knappe zonen, zijn lieve dochters en aardige bloeiende kleinkinderen. En hij dacht aan de jaren, nu zoo ver achter hem liggend, toen zijn arm viertal zonder moederliefde en zorg, dreigden op te groeien tot zelfzuchtige menschen met verkeerde karaktereigenschappen, en wat zij geworden waren onder de hoede hunner tweede moeder. Met haar komst had ’t geluk op nieuw intree in zijn huis gedaan. Met nimmer falend geduld, en de volle liefde van haar moederhart, had zij de kleine weerspannige harten gewonnen. Er ’t goede zaad in gestrooid met milde hand, ’t welzijn en geluk van haar man’s kinderen boven alles stellend.

Ze was hun ten voorbeeld geweest, had hen gesteund en geholpen, den weg geëffend voor de zoekende, dwalende, dikwijls struikelende kindervoeten. Zij werd en bleef haar gezin een zegen van God. Nu droeg zij haar loon weg, oogstte rijk en vol wat zij aan zelfopofferende liefde gezaaid had.—