Part 8
Wanneer Jan een plagerige bui had, dan verklaarde hij, dat Ajoe en Duimelientje twee kinderen bij elkaar waren. Want Ajoe was heel klein en teer, en met haar groote, blauwe oogen en kort krullend haar, had ze meer weg van een jong meisje dan van een deftige mama. Als ze met Suusje stoeide leek ze geheel en al kind met haar dochtertje mee. Tot nu toe was maatje Duimelientje’s liefste speelkameraad geweest, dan kwam Pappa en daarna Sarina. Doch nu kreeg mama toch heusch een beetje aanleiding om jaloersch te zijn. Want haar Dwergpootje had zich wel in twintig en meer partjes kunnen verdeelen eer ieder, die met haar spelen en sollen wilde, één stukje krijgen kon. Maar met je zoovelen te zijn, dat had toch ook zijn goede kant, dacht moeder Ajoe. Heerlijk was ’t zooveel broers en zusters rijk te worden, wanneer je, zooals zij, altijd eenig kind bent geweest.
Jan had haar niets te veel verteld van de Duiventil en de geheele familie. Nergens had ze ’t beter kunnen hebben; Ajoe voelde zich als eigen kind in ’t gezin opgenomen. ’t Bleef de vraag, wie meer werd vertroeteld door lieve Moeder Canneheuvel, zij of Duimelientje. ’t Eenige wat Ajoe miste, was ’t Indische zonnetje. Ze was nog veel meer op de warmte gesteld dan Muis de kater.
Daar ’t een koud, regenachtig najaar was, had Mevrouw Canneheuvel er voor gezorgd, dat ter wille van de Indische familie, overal kon worden gestookt. Maar kachelwarmte verving bij Ajoe de zon niet, haar handjes waren altijd koud en die van Duimelientje ook. Jan wreef ze warm in zijn groote handen. Hij had geen last van de kou, genoot er van, en verheugde zich op een echt Hollandschen winter. „Dan zullen we wel niet meer hier logeeren, Jan,” merkte Ajoe op. „We mogen niet onbescheiden zijn. ’t Wordt voor vader en moeder op den duur vast te druk, drie logées in huis, met al den aanloop van de andere kinderen bovendien. Je moet heusch eens met moeder praten, Jan, en dan gaan we naar een pension uitkijken.”
„Je hebt groot gelijk, Ajoe, maar ik weet stellig, dat moeder ons niet zal willen missen. Je kent de Mader niet zoo lang als ik, vrouwtje.”
„We hebben ’t hier zoo heerlijk, dat ’t ons overal af zal vallen,” betuigde Ajoe, „ik ben alleen maar bang onbescheiden te zijn.”
„Maak je geen onnoodige zorgen, kind; morgen ga ik met de Mader overleggen,” betuigde Jan, „doch let maar op, of ’t niet uitkomt zooals ik je voorspeld heb.”
„Mader,” zei Jan den volgenden morgen, „er vliegen voortdurend zooveel vogels de Duiventil uit en in op elk uur van den dag, dat ’t ons een beetje gaat bezwaren, al de drukte die U daarvan hebt, nog te vermeerderen. ’k Sprak er met Ajoe over, dat we in de buurt naar kamers gaan uitkijken eerstdaags, en....”
„Maar Jan, zouden jullie vader en mij dat verdriet willen aandoen?” vroeg Mevrouw Canneheuvel bedroefd. „Weet je niet meer, hoe ik jullie indertijd schreef, dat vader en ik juist een groot huis namen voor ons beiden, opdat er altijd plaats zou zijn voor kinderen en kleinkinderen?... Kom eens bij Oma, Zonnetje; wil je hier blijven, of liever naar een ander huis gaan, ver van Opa en Oma af?”
„Prettig hier, Zonnetje wil niet weg van hier allemaal en van Terry en Muis wil Duimelientje ook niet weg.”
Dat gaf den doorslag, want Terry en Muis zouden in geen geval van huis willen. De Duiventil was bovendien heerlijk ruim, Moeder had voor Jan, Ajoe en Duimelientje een heele verdieping ingeruimd, waar zij zoo vrij waren als vogels in de lucht. Sarina had er ook een lief kamertje voor zich. Maar ’t middagmaal gebruikten alle logés en gasten altijd gezamenlijk in de groote eetkamer beneden, en dat was ’t prettigste uur van den dag.
Lien had den dag bijna niet kunnen afwachten, dat ’t Frans schikte met Cartje en haar naar „Huize Canneheuvel” te gaan. Want zonder Frans was ’t saai en half plezier. Dan kwam zij er ook niet toe een poosje kalm te blijven. ’t Werd hoog tijd, dat de Welkom Buiters Ajoe en Jan verwelkomden, en Cartje met Duimelientje kennis maakte. De peuzels waren bijna even oud. Toen ze voor ’t eerst tegenover elkaar stonden, keek de heele familie nieuwsgierig toe, hoe de kennismaking tusschen de twee zou uitvallen.
Suusje lachte maar met witte schittertandjes en vond Cartje een gek jongetje. Want hij deed niet anders dan ’t nieuwe nichtje aanstaren. Op eens keerde ’t ventje zich af, liep naar Jopie, trok haar mee, en duwde haar vlak voor Duimelientje. Toen liep hij hard weg naar zijn mama. Wat of er in zijn bolletje omging? Misschien dacht Cartje wel: „meisjes hooren bij meisjes.” Maar Cartje’s mama was dit in ’t geheel niet met zoonlief eens. Ze bracht ’t kereltje, dat er uit zag als of hij dacht: wat gaat er nou met me gebeuren? weer naar ’t nieuwe nichtje en legde zijn handje in haar handje. Toen pakten zij en Jopie de vrije handjes van ’t tweetal, en samen dansten ze nu een kringetje rond.
Mama had de zaak volmaakt goed in orde gebracht. ’t Werd koek en ei tusschen Cartje en Zonnetje, vooral aan Zonnetjes kant. Ze sloeg haar armpjes om Cartjes’ hals, die dit wel een beetje slachtofferachtig toeliet, en huppelde met Jopie achter Basje aan, die de kinderen iets verbazend aardigs wilde laten zien in de badkamer.
Basje had een paar maanden geleden een sijsje in de Boschjes gevonden en voor drie kwart dood opgeraapt. Dank de onvermoeide zorgen van Grootma en hem, was ’t diertje niet alleen beter geworden, doch zoo lustig en tierig als een sijsje maar wezen kan. Tot Basjes groot verdriet bleef ’t vogeltje echter vleugellam.
Wat nu? ’t Sijsje de vrijheid hergeven was hem in de klauwen van poes jagen. Hoe zou hij bovendien zijn voedsel kunnen vinden? Neen, „Petertje,” zooals Basje hem genoemd had, moest een huisdiertje worden. Grootpa timmerde een ruim kooitje voor Basjes beschermeling, en de jongen nam zich voor ’t vogeltje zooveel vrijheid te geven als maar kon. In de badkamer mocht Petertje vrij rondtrippelen, daar scheen de zon, en zag je de groene denneboomen door ’t breede raam.
Basje kreeg een stuk wasdoek voor op de tafel, tegen mogelijke „ongelukjes.” ’t Kooitje was zoo gemaakt, dat Petertje er gemakkelijk uit en in kon wippen als hij een hapje wilde eten of een druppeltje drinken. ’t Diertje werd merkwaardig tam, veel tammer dan Nel haar kanaries ooit had kunnen krijgen. Petertje wipte op Basjes vinger, pikte een lekkernijtje van tusschen zijn lippen, liet zich pakken en liefkoozen. Maar Basjes jongenshanden waren dan ook uiterst teer en behoedzaam als ze ’t vogeltje aanvatten. Twee keer in de week nam Petertje een bad en waren Jopie, Cartje en Duimelientje nu uitgenoodigd dit wonderlijk iets met eigen oogen te aanschouwen. De kinderen hielden zich op Basjes verzoek een beetje op een afstand, (Petertje kende hen immers niet goed) terwijl Basje ’t deurtje van de kooi openzette en zachtjes floot, om ’t vogeltje te lokken. Daar kwam Groengrijsje aangetrippeld, ging op zijn baasjes kortgeknipten bol zitten, en verwaardigde zich ’t hem voorgehouden hennepzaadje aan te nemen.
„’t Is badtijd, Peter,” zei Basje, ging naar de vaste waschtafel, en draaide de kraan zoo ver open, dat ’t water heel zoet en zachtjes in de kom druppelde.
Peter hipte dichterbij, sprong op Basjes toegestoken vinger, kweelde tegen ’t druppelend water, want een beetje muziek hoorde er bij. Toen wipte hij van den vinger op den rand van de kom, fladderde vlak onder ’t waterstraaltje en begon zich te poetsen, dat ’t een aard had. En al hooger en luider tjilpte hij daarbij zijn vreugdeliedje. Blijkbaar was baden een van Petertjes grootste genoegens. Cartje bleef stom van verbazing; Duimelientje stak Petertje een vingertje toe toen hij eindelijk uitgebaad was. En Grijsgroentje sprong op ’t kleine vingertje, en gaf er een speelsch pikje in, waarover Zonnetje echt verrukt was. Toen moest Petertje op Cartje’s bolletje plaats nemen. Cartje stond als een angstig standbeeldje, en trok al een gezicht van: wat zal me nou overkomen?
Petertje sloeg met zijn vlerkjes, hij wou graag weg, want hij hield niet van krullebollen.
„Krijgt ik Petertje van Basje persent?” vroeg Suusje met een vleiend stemmetje.
„Petertje is van Duimelientje en Basje,” besliste deze jongeheer edelmoedig. „We zullen samen voor ’t sijsje zorgen. Hier is zijn etensbakje en zijn trommeltje met zaad, vul dat nou maar eens netjes, Duimelientje.” Wat de kleine meid wel probeerde, doch dat haar niet gelukte, want ze morste leelijk overal met het zaad rond. Basje deed goedig, of hij ’t niet zag. Cartje draafde weg om maatje verslag te doen van ’t wonder, en Ajoe kwam met haar mee om Zonnetje te halen. Maar die had nog lang niet genoeg van Petertje en zei dadelijk: „Jij mag niet vlakker dichtebij komen, Engeltje, Petertje, die kent jou nog niet.” Doch Petertje nam Engeltje dadelijk in zijn vriendschap op. Hij hipte op haar hand en scheen zeer vergenoegd, dat hij er op eens zooveel vrienden had bij gekregen. Even later sprong hij van zelf zijn kooitje binnen, en ging zich aan ’t versche zaad vergasten. Tante Lie troonde Jopie mee. Ze had den groentenboer op de laan gezien, en ze wilde wat groen voor ’t sijsje aan hem vragen.
Jopie deed dit zoo vriendelijk, dat ze een mooi kropje sla kreeg. Dit was me een tractatie voor Groengrijsje; hij liet er dadelijk ’t zaad voor in den steek.
„Hé,” riep Basje, die bewonderend naar zijn vriendje stond te kijken, „wat zou ik dolgraag een massa boschvogels hebben, maar dan in een volière buiten, waar ze in- en uit konden vliegen; ik zou ze wel tam krijgen. Een boschvogeltje in een kooi is een naar gezicht, vindt U niet, tante Lie?”
„Ja lieverd, ik zou zoo’n aan de vrijheid gewend diertje ook niet graag opsluiten. Op „Welkom Buiten” hangen we tegen den winter overal halve kokosnoten en stukjes spek. Daar zijn vooral de meezen dol op. ’t Krioelt bij ons van vogels, en we hebben den honden geleerd ze met rust te laten.”
„Nou dat ga ik ook eens probeeren,” zei Basje, „op ’t balcon achter mijn kamer komen ze vast, als ik daar allerlei lekkers neerhang. Maar een volière is toch nog veel echter!”
„Of zoo’n reuzenwensch ooit te vervullen is, Basje?” plaagde tante Lie, en tante Ajoe zei: „’t Is heel verstandig om zelfs reuzenwenschen tegen St. Nicolaas hardop mee te deelen.”
Ze nam Duimelientje op den arm, die daarom bedelde, en vroeg: „Wat moet Sint Nicolaas voor mijn Dwergpootje uit Spanje meebrengen?”
„Een Petertje,” wist Duimelientje direct.
Huize Canneheuvel werd nu met recht een duiventil. Marietje kon wel aan ’t opendoen blijven. ’t Was haar echter nooit te veel. Ze lachte tegen iedereen, die Canneheuvel heette van voor- of achternaam, en tegen de kleinkinderen eerst recht. Ze had een gevoel, of ze bij de familie hoorde en er haar leven lang blijven zou.
Eric en Tobi kwamen ook meer dan ooit aandraven. „’t Was altijd gezellig bij Grootpa en Grootma, nu natuurlijk dubbel met al die Indianen in huis,” verklaarde Tobi. Doch ’t snoezigste Indiaantje, dat in heel de wereld rondliep, was Duimelientje, daarover was groot en klein in de familie ’t volmaakt eens.
„’t Kindje doet mij telkens aan Lientien denken,” zei Nel tegen Joop, „dat was net zoo’n dotje.”
„Wat lijken Eric en Tobi al groot naast Suusje,” merkte Joop op, „kleine menschen bijna.”
„Maar ze spelen verbazend aardig met de kleintjes mee,” sprak Nel. „Tobi heeft Duimelientje alles verteld van ’t poppenhuis, en ’t kleintje heeft pertinent verklaard, dat er een nieuw poppenhuis moet komen, veel mooier dan ’t andere, dan moet mijnheer er weer in wonen, met zijn mevrouw, en dan gaat Duimelientje bij hen op „vilsite”. Wat een geluk, dat we.... O hemel! daar zou ik mij bijna verspreken, en kleine potjes hebben ooren,” vervolgde Nel, terwijl zij Eric, die in een hoekje zat te lezen, ondeugend aankeek.
Eric kreeg een kleur en grinnikte. Moeder was een mooie om zich te verbeelden, dat hij niet begreep, wat er aan ’t handje was. Hij en Tobi hadden hun ooren maar niet wijd open gezet en aardig wat meer opgevangen, dan de groote menschen dachten. Jammer, dat St. Nicolaas nog zoo ver weg was. Eddy, zijn vriend, begreep niet best, hoe Eric nou zoo veel met ’t poppenhuis kon ophebben. Dat was immers maar meisjesgedoe, doch Eric wist ’t best.
Hij vond ’t eenig, dat vader ’t electrisch verlicht had, en in zijn hart had hij al de aardige dingen bewonderd, (niet minder dan Tobi) die in ’t huis waren: de pendule, ’t buffet met de laadjes vol vorkjes en lepeltjes, de theemuts, ’t vogelkooitje en nog zooveel meer. Over al Tobi’s grappige verzinsels had hij echte pret, en hij keek altijd belangstellend toe als zij voor „mijnheer” bezig was. Al zijn kleeren in de groote kast waren met ’t andere moois nou naar de maan door Tobi’s domheid.
Maar wie weet of met Sint Nicolaas.... Hij kreeg stellig een mooi rapport en Tobi zeker ook wel.
Afwachten maar, en volstrekt niet laten merken, dat ze stille vermoedens hadden.
XII. BETJESMOE VERTELT, EN DUIMELIENTJE STAPT DE WIJDE WERELD IN
Betjesmoe zat in de mangelkamer te naaien. Ze zou den heelen dag in de Duiventil blijven, omdat Geesje, de naaister, onverwacht ziek was geworden, en er een groote hoop verstelgoed lag. Betjesmoe, die vroeger verstelnaaister was geweest, vond ’t erg prettig Mevrouw Canneheuvel van dienst te kunnen zijn. Ze hield veel van verstellen en stoppen, deed ’t bovendien keurig netjes met behulp van haar trouwe kameraad, de hoornen bril met groote glazen. Dan was ’t ook erg gezellig zoo’n heelen dag hier in huis te zijn, waar de kinderen bij haar kwamen binnen loopen, terwijl zij er bepaald van genoot met z’en vieren in de keuken aan tafel te zitten. Als je altijd alleen eet, waardeer je een praatje aan tafel dubbel. Bet had haar pas een lekker kopje thee gebracht, en terwijl ze er van zat te genieten, bedacht Betjesmoe voor den zooveelsten keer bij wat een beste menschen haar Bet toch diende, en hoe goed en lief ze ook altijd voor Bets moeder waren. „’t Zou Bet haar leven lang aan niets ontbreken,” had Mevrouw Canneheuvel Betjesmoe nog onlangs verzekerd. Dat vond de oude vrouw een rustig idee; want al bleef ze kras voor haar leeftijd, de oude dag was er al lang, en ze kon ’t best merken ook, dat die er was. Eén en tachtig jaar werd ze al gauw, een gezegende leeftijd! Ieder jaartje mag dan met recht een toegiftje heeten.
„Iedereen zijn uurtje moet komen, maar als ’t mijne er is en ik moet Bet achter laten, is ’t toch een heele troost, te bedenken, dat ze een boel overhoudt. De familie hier is net zoo goed als eigen, en ze zullen mijn Bet nooit in den steek laten,” bedacht Betjesmoe weltevreden. Zij zette haar kopje neer, en ging weer ijverig aan ’t stoppen. Ze was al aardig opgeschoten, zoo goed als klaar met ’t huishoudgoed. Nou nog de kinderkleeren, dat was meest knoopen en bandjes aanzetten.
’t Leek een heele hoop, maar ’t viel altijd mee. Die kleine dot van een Duimelientje was er nou ook nog bij gekomen, en ze maakte aardig wat vuil, dat kleine ding!
„Als je aan de zon denkt, dan voel je de warmte,” had Betjesmoe kunnen zeggen, want daar ging de deur open, en Duimelientje druddelde binnen, door Sarina gevolgd. „Dag kindertjes,” sprak Betjesmoe, „komen jullie me een beetje helpen naaien?”
Sarina scheen Betjesmoe best te begrijpen, want ze haalde een vingerhoed te voorschijn, ging met gekruiste beenen op den grond zitten, en trok een schortje van Duimelientje naar zich toe om er nieuwe knoopjes aan te zetten.
„Betjesmoe moet Duimelientje vertellen,” zei ’t kleine ding. „Bet zegt, dat kan jij mooi, Bet hebt Suusje getuurd.”
„Zoo liefje, kom dan maar gezellig bij me zitten op die stoof. Waarvan moet ik vertellen, poes?”
„Dat weet ikke niet.”
„Nou luister dan maar. ’t Verhaal heet: „Luie Doortje.”
„Er was eens een klein meisje, dat altijd slaap had. Als ze knorren kreeg, en iedereen riep: „foei, wat is die Doortje toch lui,” dan zei Doortje: „Hé, als ik maar eens duizend jaar mocht slapen, dan bleef ik verder mijn leven lang wakker.”
„Is duizend een boel?” informeerde Duimelientje.
„Nou, heel wat meer dan een klein beetje,” knikte Betjesmoe, en vervolgde: „Doortje werd hoe langer hoe luier, en deed den heelen dag niet anders dan gapen. Eindelijk kwam er een toovenaar, en die zei: „Laat dat kind maar duizend jaar slapen,” en zoo gebeurde het.”
„En toen?” vroeg Zonnetje met schitterende oogjes.
„Wel, na duizend jaar werd Doortje weer wakker, en nou leek ze heusch voor goed uitgeslapen. Maar och heden! wat was er veel in dien tijd gebeurd. Alles stond onderste boven. Alle menschen en kinderen liepen op hun hoofd, Doortje was de eenige, die op twee voeten ging, en de straatjongens jouwden haar uit.
„In plaats van lekkere groenten en aardbeien en appels, at iedereen gras, en in plaats van in hun bed, sliepen de menschen in de boomen. De dieren sliepen en woonden in de huizen. Poesen lagen lekker in de veeren bedjes met hun koppeke in ’t kussen, en de hondjes zaten netjes aan tafel, en aten aardappeltjes met vette sjus.”
„Dat mag Terry niet,” wist Duimelientje.
„Ja maar over duizend jaar mag hij ’t wel,” vertelde Betjesmoe. „Maar weet je wat ’t mooiste van alles was? De menschen hadden dierenvelletjes, en de dieren droegen keurige witte, roode en blauwe rokjes en broekjes; zelfs de vogels hadden hansopjes aan.”
„Zonnetje wil dat allemaal ook zien,” viel Duimelientje in, „ikke wilt ook duizeld jaar slapen.”
Nou Doortje had er anders erg veel spijt van, en riep maar: „O was ik toch maar niet zoo lui geweest, en had ik maar nooit duizend jaar geslapen....”
Sarina, die de gong gehoord had, stond op, en waarschuwde: „’t Eten is al klaar Duimelientje, ga je mee?”
„Nee, ik gaat niet mee,” verklaarde de jongejuffrouw vastberaden, „Betjesmoe moet verdel vertellen.”
„Nee liefie, dat kan niet, een volgend keer vertelt Betjesmoe hoe ’t afliep.”
„Ik komt morge bij jou op vilsite, en dan....”
Doch nu droeg Sarina ’t kleintje weg, en Betjesmoe moest lachen, terwijl ze aan Duimelientjes parmantige mededeeling dacht. Van die „vilsite” zou niet veel komen, en morgen was Zonnetje haar belofte al weer schoon vergeten. Maar ze kende Duimelientje nog niet, nog lang niet, hoor!
In de Duiventil heerschte den volgenden morgen groote schrik en ontsteltenis, Duimelientje was nergens te vinden. Iedereen had op de gekste plaatsjes naar Zonnetje gezocht, tot onder ’t fornuis in de keuken toe. Voor de doofpot was ze toch heusch te groot. Ook bij de buren wist niemand iets van Duimelientje af; van moeders Schitteroogje was niets en niemendal te vinden. „Duimelientje is vast den weg opgeloopen,” verklaarde Basje, „en Terry is er ook van door. Als hij thuis komt, moet hij direct aan ’t zoeken, hij vindt haar natuurlijk subiet.” Sarina wrong haar handen, en was op huilen af. Hoe kon nonnie op eens verdwenen zijn? Ze had haar nog pas door de gang zien dribbelen. „Maak je niet zoo overstuur, Sarina,” zei Basje. „Dwergpootje komt vast terecht.” Sarina wilde van geen troost weten, en Ajoe was ook erg ontsteld, en riep: „Waar ben je dan toch, Zonnetje? Straks hebben ze je nog gestolen, en wat moet je moeder dan beginnen?”
Had Zonnetje kunnen weten, dat Maatje zoo over haar in angst zat, dan zou ze wel weer gauw naar huis zijn gedribbeld. Maar ’t juffertje had haar heele lieve familie schoon vergeten.
Een kwartiertje geleden was ze de deur uitgeloopen, die Marietje open had laten staan. ’t Zonnetje scheen zoo lekker, Duimelientje kreeg op eens lust om de wijde wereld in te gaan. Ze zou Betjesmoe de „vilsite” gaan brengen, en verder hooren van luie Doortje.
Klein Saartje, Suusjes lievelingspop, die ze altijd in haar armen droeg, ging mee. Saartje had een schraal, bleek gezoend gezichtje met starre oogen en stijl overeind staand haar, waarvan niet veel meer over was. Eric en Tobi vonden Saartje een vies kind, maar durfden dit Duimelientje niet te zeggen, want die was dol en dol op haar leelijke dochter.
Met Saartje dus wandelde Zonnetje zielsvergenoegd verder, op ’t pad waar geen voertuigen mogen komen, en liep dus geen gevaar. Duimelientje sloeg een hoekje om, ging een eindje recht uit, weer een hoekje om, en vond, dat ze nu haast wezen moest bij Betjesmoes’ huis. Maar daar op eens was ze weer thuis, de deur stond nog open. „Ikke gaat maar weer naar huis,” dacht de dreumes. Dus stapte ze binnen, en liep ’t kleine kamertje in naast de voordeur. Op den grond zat net zoo’n klein meisje als Zonnetje zelf was. ’t Meisje stond vlug op, en de peuters bleven elkaar staan aanstaren.
„Kom jij op visite?” vroeg de gastvrouw.
„Ja,” riep Duimelientje verheugd. Ze hield Saartje aan ’t andere meisje voor, en voegde er bij: „En die ook.”
„Heb jij nog meer kindele?” vroeg de ander.
„Wel duizeld. Hoe heet jij?”
„Zuske, en jij?”
„Duimelientje heeft ook duizeld namen.”
Toen informeerde Zuske maar niet verder, dat was haar te machtig.
„Wil jij een muisje?” bood Zuske gastvrij aan. „Zuske heeft er maar twee, en nou krijgt jij er ook één.”
De twee dikkertjes hurkten nu over elkaar, en begonnen heel zuinig van ’t eene muisje te genieten.
„Lekker hé?” prees Zuske.
„Met wie praat Zuske toch zoo?” vroeg een stem van uit de gang, en om den hoek keek een vriendelijk lachend gezicht.
„Maar dat is mijn Maatje niet,” riep Duimelientje verbaasd, met een vinger in haar mondje.
„Van Zuske haar mama,” verkondigde de ander trotsch. Ze liep op de dame toe, haar snoetje ophoudend voor een zoentje. De dame bukte zich om ’t zoentje te geven, en streelde Zonnetje langs de wang, terwijl ze vroeg: „Wie ben jij liefje, en hoe heet je?”
„Ze is op „vesite,” vertelde Zuske, „en ze heeft wel duizeld namen.”
„Maar kindje,” sprak Zuskes moeder bezorgd, „ze zullen thuis over je in onrust zitten. Vertel eens aan Mevrouw, van welken kant ben je gekomen?”
Doch daar begreep Zonnetje niets van. Ze begon een beetje bedroefd te kijken, en deed een verhaal over Betjesmoe en luie Doortje, waarvan Mevrouw weer niks begreep. Zij nam ’t kleintje op haar arm en Zuske aan de hand, ging een groote kamer binnen aan ’t eind van de gang. Daar zat een heer de courant te lezen, en toen hij zag, hoe Duimelientje niets van ’t koekje wou weten, dat zijn vrouw haar voorhield, en echt begon te huilen, sprong hij dadelijk op.
Vroolijk lachend tilde hij Zonnetje van den grond, zette haar op zijn schouder en begon de kamer rond te dansen. Waarop Zonnetje ook begon te lachen en nu sprekend op een Aprilzonnetje leek. Met beide handjes hield zij zich aan menheers haar vast, en betuigde: „Jij bent net Duimelientje zijn pappa.”
Moeder danste met Zuske rond, en ’t werd een vroolijke partij.
’t Kon echter zoo niet blijven.
Duimelientje moest heusch naar huis. „Verbeeld je,” dacht Mevrouw verschrikt, „dat Zuske eens zoo lang uitbleef. Die arme mama van ’t kindje zat zeker in doodsangst.”
„Nou, dan gaan we Duimelientjes mama maar eens gauw zoeken,” sprak mijnheer, en zette ’t kleintje op haar voetjes.
Maar wat gebeurde er nu? Wat moest dat lawaai beteekenen? Want aan de voordeur was verbazend hard gescheld, en daar tusschen door klonk een verwoed geblaf. Een oogenblik later sprong de kamerdeur open, en dol van vreugde vloog Terry binnen, op Zonnetje af.
Die zat in een oogwenk op ’t tapijt, en Terry buitelde om en over haar heen, en likte haar handjes, terwijl Duimelientje hem uit al haar macht omhelsde, met witte schittertandjes, schaterend van de pret.