Part 2
„Dat is zondige taal, en ’t brengt je niks verder.” Bet, die bij ’t aanrecht groente stond schoon te maken, keerde zich om en keek naar Marietje. Kee had gelijk, wat zag dat schaap er uit! Ze vulde een kopje met water, en hield dit Marietje voor. „Kom, drink eens, meid,” zei ze goedhartig. „’k Ben heelemaal veraltereerd, je moet ’t je maar niet aantrekken wat ik allemaal tegen je gezegd heb. Zie je, ik denk maar aan Mevrouw der zieke oogen, en dat Mevrouw wel blind kan blijven. En als ’k dat bedenk, dan word ik half gek.”
„Ik ook,” kreunde Marietje, en toen: „’k Moet hier vast vandaan, je zal ’t zien.”
„Dàt staat aan Mijnheer,” meende Kee, haar dikbehuilde oogen bettend met een handdoekpunt. „Hé, ik verga van de hoofdpijn,” voegde ze er bij, „de narigheid slaat bij mij altijd in m’n hoofd.”
„Mijn in m’n beenen,” zuchtte Bet, „ik kan amper voort.” En Marietje herhaalde moedeloos: „’k Moet hier vast weg, menheer zal me niet best meer kunnen zien, en wat moet ik dan beginnen!”
Maar ze werd niet boven geroepen. Even als Bet en Kee liep ze op haar teenen bij ’t volbrengen harer dagelijksche bezigheden.
Mevrouw moest immers de meest volmaakte rust hebben? Als een schichtig muisje sloop Marietje, trap op, trap af; geen trêe mocht kraken. Elke deur opende en sloot ze zoo voorzichtig alsof die van porselein was. Met behulp van Kee omwond ze den klepel van de voordeurschel, zoodat ’t schellen boven niet hoorbaar zou wezen.
’t Was of de uren kropen, en er geen eind wilde komen aan den langen, treurigen dag. Puck, die op Frits’ raad niet dadelijk naar de Duiventil was gegaan, zooals ze ’t liefst gedaan had natuurlijk, liep tegen ’t eten even aan, en fluisterde met Nel op ’t portaal. Nel’s kalmte werkte weldadig op Puck, die een ellendigen dag had gehad, zich geen raad had geweten van onrust en angst over den toestand van lieve moeder. „Maar,” zei ze, en er vloog even als een zonnestraaltje over haar beschreid gezicht: „als iemand moeders’ oog behouden kan, dan is ’t mijn Frits. Dat weet ik zeker, hij is zoo knap, en hij heeft, als wij allen, moeder zoo zielslief. Weet je wat hij zei bij zijn thuiskomst: „Nou ga ik voor moeder vechten, Puck, zooals ik nog nooit gevochten heb....”
„’t Is zeker beter, dat ik nu niet bij moeder binnen ga, hé Nel?”
„Ja, lieverd. Bovendien slaapt moeder op ’t oogenblik, al is ’t heel onrustig. Je moogt wel door een kiertje van de deur, om ’t schut heenkijken en vader toeknikken, dat zal hem zeker plezier doen.”
Dit deed Puck dus, zich zoo zacht en voorzichtig mogelijk bewegend. Vader zat te lezen, en zijn hand rustte op ’t dek om die van moeder heen. Hij voelde zeker, dat Puck er was, want hij keek op, en knikte haar vriendelijk toe, bracht even zijn vinger aan de lippen als teeken, dat mama sliep.
Puck en Nel slopen op haar teenen de trap af, en aan de voordeur vertelde Nel nog even aan Puck, dat Frits zich als jongen al had voorgenomen oogarts te worden om mama, die toen al aan één oog blind was, misschien weer geheel ziende te kunnen maken. Hij wist toen niet, dat die mogelijkheid voorgoed was buitengesloten.
„’k Kan ’t mij best begrijpen. ’t Is net iets voor Frits,” zei Puck. „Hij is zoo dol op moeder, zooals wij allemaal trouwens. Al zijn we nu deftige, groote menschen, ik geloof, dat we in ons gevoel tegenover vader en moeder dezelfde kleine jongens en meisjes zijn gebleven als vroeger. Voel jij dat ook zoo, Nel?”
„Ja Puck, net zoo. ’k Denk wel eens, dat ik dit gevoel tegenover vader en moeder zou behouden, al was ik zelf grootmama.
„Nu dag lieverd, houd maar goeden moed; dat doen vader en ik ook.”—
Frits had ’s morgens al voorgesteld, of Basje niet liever bij hen zou komen logeeren. Doch de heer Canneheuvel voelde wel, dat Basje doodongelukkig zou wezen, als hij werd weggestuurd, en dankte vriendelijk voor het aanbod.
Hij werd er voor beloond door Basjes overgroote dankbaarheid. „’k Moet zelfs zooveel mogelijk thuis blijven,” redeneerde de jongen bij zich zelf, „om bij de hand te zijn, vliegensvlug op de fiets boodschappen te doen, recepten weg te brengen en zoo. En dan benee, in grootma’s plaats, te zorgen voor grootpa, dat die ’t niet al te eenzaam heeft aan tafel. Ik zal wel wat afleiding weten te bedenken door verhalen van school en over de jongens.”
Hij mocht natuurlijk niet in de ziekenkamer komen, maar grootma zou ’t toch plezierig vinden, dat hij in huis was, verbeeldde Basje zich. ’t Was erg prettig bij tante Puck en oom Frits, doch Basje hoorde thuis en bleef er dus.
Niemand behoefde hem tot voorzichtigheid aan te manen met deuren sluiten en trappen loopen of hard praten. In plaats van een last werd hij een echte hulp in huis, die niemand graag gemist zou hebben.
Na ’t eten kwamen Joop en Frits en waren niet ontevreden over moeders toestand. Zij was bijna koortsvrij en verzekerde, dat de hoofdpijn nu dragelijk was.
Nel zou blijven waken, in welken maatregel vader alleen toestemde, als hij in ’t nevencabinet op de bank mocht gaan liggen, met de tusschendeur open. Nel moest beloven, vader dadelijk te roepen als mama naar hem vroeg. Toen alles dus voor den nacht in orde was gebracht, en gereed gezet wat de zieke noodig mocht hebben, zeide vader moeder goeden nacht. Maar deze hield hem even staande. „Lieve Carel,” sprak ze, de trouwe hand drukkend, die haar den heelen dag tot zoo grooten steun was geweest, „je moet Marietje niet wegzenden, beloof me dat. Ze was alleen maar onvoorzichtig. ’k Voel me heusch een beetje beter. Van middag kon ik zoo moeilijk mijn gedachten bij elkaar houden, anders had ik ’t je toen al gevraagd.”—„Eigenlijk heb ik in ’t geheel niet meer aan Marietje gedacht,” antwoordde vader. „Bet riep maar, dat ze weg moest, en in ’t eerst.... toen we je opnamen dacht ik ook.... Maar lieve vrouw, als jij ’t niet wilt, dan gebeurt ’t niet; dat spreekt toch van zelf.” „Dankje beste. Zul je ’t van avond nog aan Marietje zeggen, Carel?”
Dit beloofde vader met een kus. En Mevrouw Canneheuvel betuigde tevreden: „Nou ga ik lekker slapen; hoe heerlijk, dat jij en Nel vlak bij me zijn. En die lieve, knappe jongens van ons zullen er mij wel bovenop helpen. ’k Heb in Frits zoo’n groot vertrouwen als oogarts. Ja Nel, knor maar niet; nu mag ik niet langer praten, hé? Goeien nacht man, nacht lieve Nel, ga nu ook slapen, Carel....”—
III. MARIETJE
„Nou komt ’t,” dacht Marietje, toen Bet haar vóór ze naar boven zouden gaan, zei: „Je moet nog even bij menheer komen, Marietje, Menheer is in de huiskamer.”
Met klamme handen en angstige oogen tikte ’t meisje aan, met loome schreden trad ze binnen.
„Hoor eens, Marietje,” sprak de heer Canneheuvel....
Doch wat ze nooit had gedaan, deed Marietje nu: ze viel mijnheer in de rede. „’k Weet ’t wel, mijnheer,” hokte ’t kind, „dat ik hier weg moet, maar mag ik nog zoolang blijven, tot ik mevrouw om vergiffenis kan vragen (Marietje had er den heelen dag over getobd, of zij dit zou durven vragen, en deed dit nu met den moed der wanhoop). „Want o, mijnheer, ik weet niet wat ik doen moet. ’k Heb toch zoo’n verdriet en zoo’n vreeselijken spijt, dat ’t gebeurd is.”
„Dat geloof ik graag, Marietje,” sprak vader, ontroerd door Marietjes’ diep gevoelde smart, die sprak uit elk woord, en zich nu uitte in een onstuimigen tranenvloed. „Wij weten nog niet welke gevolgen je groote onachtzaamheid hebben zal,” vervolgde de heer Canneheuvel, „je wist toch hoe dubbel voorzichtig je hier in huis wezen moet met ’t oog op Mevrouws toestand. Dat je dat kon vergeten.... ik begrijp ’t niet. Een mensch met gezonde oogen had een vreeselijk ongeluk kunnen krijgen door je onvoorzichtigheid. Hoe te meer dus Mevrouw....”
Marietje deed niets dan erbarmelijk snikken. „Als Mevrouw dus geen goed woord voor je had gedaan.... Mevrouw vroeg mij, of ik je van avond nog wilde zeggen, dat je moogt blijven. ’k Behoef je niet te vragen om voortaan....”
En weer viel het meisje mijnheer in de rede.
„O menheer, ik dank Mevrouw en U wel duizend maal. ’k Verdiende, dat U mij weg dee, want ’t is toch zoo vreeselijk, wat ik gedaan heb.... Maar ik heb er zoo’n berouw van en ik zal nooit.... ik zou liever dood gaan dan ’t ooit weer te doen. En ik zal voor Mevrouw bidden, dat Mevrouw weer zal kunnen zien. En, o menheer wil U Mevrouw bedanken, dat Mevrouw dat aan U gevraagd heeft en zeggen....”
„Al genoeg Marietje, schrei nu maar niet langer, en ga gauw slapen. God geve, dat we met den schrik vrij komen; aan iets anders durf ik niet te denken.”
Met gebogen hoofd, het boezelaartje tegen haar nat beschreid gezichtje, ging Marietje weg.—
’t Was toch wel heel goed, dat Nel was blijven waken, want haar arme moeder had een zeer onrustigen nacht. Doch zij ijlde gelukkig niet, en sluimerde tegen den morgen eindelijk in. Ze sliep nog, toen de doktoren kwamen en men liet haar slapen, „’t Was het beste wat mama doen kon,” verzekerde Joop.
In den loop van den volgenden dag kwamen Lien en Frans. Puck had hen dadelijk uitvoerig van alles op de hoogte gebracht.
Ze lieten Cartje bij Puck achter, en wachtten geduldig beneden, tot Nel kwam, en Lien permissie gaf moeder even te zien.
En nu zou niemand die drukke babbel van een Lien herkend hebben, zoo doodstil en kalm als ze nu naast haar lieve moeder zat, haar enkel van tijd tot tijd glimlachend toeknikkend met den vinger tegen de lippen. „Niet praten, moedertje, dat mag niet van Joop.”
Mevrouw Canneheuvel was innig dankbaar en tevree haar lieven bij zich te weten, al kon zij ze niet zien. „Moeder is de liefste, volgzaamste patiënt, die ik nog ooit verpleegd heb,” betuigde Nel, met tranen in de oogen.
En dat bleef mama nog weken lang. Haar flink, door en door gezond gestel, hielp Mevrouw Canneheuvel er spoedig bovenop. ’t Ging nu om ’t licht in Moeders’ gezonde oog te behouden, en hiervoor streed Frits uit al zijn macht. Ofschoon vader en de geheele familie vol vertrouwen hadden in Frits groote kunde, stond hij er zelf op, dat de knapste oogarts in Holland, professor K., met hem in consult kwam. Deze was ’t in alle opzichten met Frits eens, en na afloop van het consult zeide de Hooggeleerde heer tegen vader: „Uw zoon is buitengewoon knap in zijn vak. Als iemand ’t licht in Mevrouw’s oog kan redden, dan is hij ’t.”
Met deze vage geruststelling moest de heer Canneheuvel ’t doen, maanden achtereen.
Want Frits alleen wist, hoe de toestand eigenlijk was, of er verbetering kwam ja dan neen, of wat hij hoopte en verwachte, langzamerhand verwezenlijkt werd.
En Frits vocht en streed den stillen strijd met oneindig geduld en onvermoeide zorg en toewijding. Hij werd niet moedeloos, omdat ’t zoolang duurde, eer er zelfs uitzicht kwam op een beetje vooruitgang.
Uiterst voorzichtig, altijd opgewekt, tot geduld aanmanend, wist hij bij allen de hoop levendig te houden. Moeder zelf hielp hem wat ze kon. Nooit beklaagde zij zich, volgde stipt Frits’ voorschriften, Nels raad, bedwong haar wenschen en verlangen, ook waar dit haar dikwijls heel moeilijk viel....
’t Was een vreugdedag, toen mama voor ’t eerst op mocht zitten, nog grooter feest toen ze de kleinkinderen mocht ontvangen. Puck of Kee konden Nel nu dikwijls vervangen, en altijd was er iemand, om moeder gezelschap te houden, een lieve hand tot steun bereid, om haar in haar blindheid te leiden. Puck maakte tijd, om moeder elken dag te gaan voorlezen, want niemand in de familie kon voorlezen als Puck. En Puck dacht dikwijls aan vroeger, toen ze tante Sjarlotje voorlas, die ’t voorlezen als een slaapmiddeltje gebruikte. Hoe anders was ’t nu, zoo heerlijk om met mama over ’t gelezene nà te praten en met haar van meening te wisselen. Moeder en Puck zagen elken dag met vreugde naar ’t leesuurtje uit. Lien kwam meer dan ooit naar den Duiventil overvliegen met ’t loodsmannetje achter zich aan. Mama had de kleintjes graag bij zich, en als ze dan zoo stil zat te luisteren naar Puck’s voorlezen of Lien’s gezellig gebabbel, met Cartje op schoot en Jopie aan haar voeten spelend, voelde ze haar hulpbehoevendheid bijna niet. Jopie wist ook altijd wat te vertellen. Ze had een lief stemmetje, en deed niets liever dan dit gebruiken.
„Oma,” zei Jopie op een keer, „nou moet U hooren. Die Cartje wordt toch zoo vreeselijk wijs, maar hij is toch ook nog erg dom. Gisteren, toen we van Bet een potlepel hebben gekrijgt, om in ’t zand te spelen, loopt Cartje naar Terry. En wat denkt Oma dat Cartje doet?”
„Nou liefje?”
„Hij legt de potlepel op Terry’s ruggie, en luistert aan ’t bakje van de lepel. Ik zegt: „Cartje, wat doe jij nou?” „St, st,” zegt Cartje, „ik luistert of Terry zijn ruggie ziek.” Hoe vindt Oma dat nou?”
„Echt leuk, Jopie. Cartje die wordt naderhand ook een dokter, zal je zien.”
„Zoo? Nou maar Cartje krijgt Jopie zijn poppen niet om beter te maken. Hij heeft Carolientje zijn koppetje al stuk gemaakt, met de potlepel heeft hij er op geslaat.”
„Dat is stout van Cartje, arme Carolientje!”
„Ja maar die Carolientje was al kapot, en Paps geeft Jopie een nieuw kind,” betuigde de kleine meid weltevreden.—
Er heerschte steeds een vriendelijke, opgeruimde geest in moeder’s ziekekamer. Iedereen ging er graag binnen. Vader huisde er, en liet zijn vrouw slechts alleen voor de wandeling, die hij, weer of geen weer, dagelijksch ondernam. Mama knorde er wel eens over, dat iedereen, vader voorop, haar zoo verwende met dure lekkernijen en mooie bloemen, waarvan ze slechts de geur genieten kon. Basje, Eric en Tobi leegden hun spaarpot, om voor Oma presentjes te koopen. En ze deden dit zoo dolgraag, zoo met hart en ziel, dat Oma niet anders doen kon, dan de kinderen danken met kussen en liefkoozingen.
Bet en Betjesmoe hadden Mevrouw mogen bezoeken, en Bet had gezegd, dat Marietje Mevrouw ook zoo vreeselijk graag even zou willen zien, als ’t mocht. En natuurlijk mocht ’t. Zoo gleed Marietje den volgenden dag heel stil en schuchter de ziekekamer binnen, en mama die haar verwachtte, stak ’t meisje vriendelijk de hand toe.
„Dag Marietje, ’t gaat mij veel beter, hoor! ’k Weet, hoe bedroefd je bent geweest en hoeveel spijt je hadt over je onvoorzichtigheid, dus daar praten we niet meer over. Arm kind, je hebt straf genoeg gehad.”
„Wil Mevrouw mij vergiffenis geven?” fluisterde Marietje, de oogen vol tranen.
Hoe naar en vreemd zag Mevrouw er uit met dat verband over ’t oog. Griezelig! En dat was nou haar schuld!
Ze moest zich geweld aandoen om niet in snikken los te barsten. „Dat mocht ze volstrekt niet,” had Bet gezegd, „ze moest zich flink houden. Mevrouw kon die „aandoenlijkheid” in ’t geheel niet velen.”
Even legde ze een bevend handje in Mevrouw’s hand. Met een tastende beweging zocht Mevrouw Canneheuvel Marietjes gezicht, en streelde haar over de wang.
„’k Ben niet boos op je geweest, Marietje,” sprak ze met haar lieve, zachte stem, „wees nou maar niet meer verdrietig.”
„En zal Mevrouw naderhand weer mogen zien?” vroeg Marietje, en begreep zelf niet, hoe ze ’t durfde vragen.
„Menheer Frits hoopt ’t, kind, en die kan ’t weten. We moeten maar goeden moed houden.”
Marietje tastte in haar zak. „Mag ik Mevrouw wat geven? ’k Heb ’t voor Mevrouw gekocht. Ik dacht.... Kee zegt Mevrouw houdt daar veel van.”
En ’t meisje haalde een kievitsei te voorschijn.
„Dat is aardig van je, Marietje,” prees de heer Canneheuvel, en mama nam het grijsgroen, met zwart gespikkeld eitje dankbaar aan, en betuigde: „Wat zal ik daar straks aan smullen, kind, ik houd er dol van, dank je wel.”
En nu lachte Marietje over haar heele gezicht erg blij, dat haar geschenk in zoo’n goede aarde viel. Ze had ’t dan ook maar wat echt verzonnen, van dat kievitsei, en Mevrouw moest eens weten hoe reuzenduur ’t kostte. Maar dat vertelde Marietje aan niemand niet.
IV. FRITS OVERWINT.
Nel ging nu weer geregeld thuis slapen, en kwam ook niet meer vast elken dag naar de Duiventil. Vader nam graag haar plaatsje in, en moeder zei, dat ze geen andere hulp behoefde en wilde hebben dan die van vader en Kee. Nel moest nu heusch weer voor man en kinderen gaan zorgen. Dat Nel haar huismoedersplaatsje zoo lang leeg had moeten laten, kon ze ter dege merken. ’t Was alles een beetje in ’t honderd geloopen, doch niet zoo of haar vlugge, bekwame handen brachten een en ander weer spoedig in orde.
Arme Joop was in ’t bizonder veel te kort gekomen, had zich echter voorbeeldig geschikt. Sophie, die zich indertijd als keukenmeisje bij Nel had verhuurd, was vlijtig en willig genoeg. Doch met haar koken bleek ’t een gek geval. Den eenen keer lukte ’t prachtig, en een volgende maal in ’t geheel niet. ’t Fornuis wilde dan niet doorbranden, de oven daarentegen gaf onzinnig veel hitte. De aardappelen waren niet gaar, en ’t vleesch leek wel gebraden hout. Nel vond, dat ’t Joop, die altijd zoo hard werkte, toekwam, voedzaam, smakelijk toebereid eten te krijgen, en de kinderen natuurlijk ook, want die moesten er van groeien. Ze keek dus altijd toe op de pot, kookte veel zelf.
Nu zij dus weg was....
„’k Zal goed voor vader zorgen, moeder,” had Tobi beloofd, toen Nel in der haast naar de Duiventil ging, om daar voor onbepaalden tijd te blijven.
En Nel vroeg dikwijls genoeg aan Joop: „Hoe schik je ’t, mannie, gaat ’t nog al met Sophie’s kokerij, of lijdt je honger?”
„Wel nee,” antwoordde Joop luchtig weg, „maak je niet ongerust, alles loopt....” En bij zich zelf dacht hij: „maar niet op rolletjes, lang niet.”
Tobi hield eerlijk haar belofte aan moeder, en weerde zich flink. Ze stond ’s morgens vroeg op, sneed brood en smeerde boterhammen, vrij dunnetjes, want ze was aan den overleggenden kant, „en de boter bleef nog duur,” zei Sophie.
Van thee zetten bracht Tobiaantje bitter weinig terecht, want ze verbeeldde zich, dat gekookt water precies even goed was om op de thee te gieten als kokend water.
Eric bedankte voor zijn meestal half gare havermoutpap, en sopte zijn dikke, schraal gesmeerde boterham in zijn warm water- en melkdrankje, waarin Tobi veel suiker toestond. Want met die zoetigheid was ze zeer royaal. Moeder zei altijd: „jullie moogt veel suiker hebben, dat is gezond.”
Als vader beneden kwam, waren de kinderen al naar school. Joop ontbeet haastig, ’t koetsje stond meestal al vóór. ’t Koude, hard gekookte ei bleef dikwijls staan, en vader verdacht Tobi er van, dat ze nog al eens vergat thee in de trekpot te doen: ’t was een kleurloos, smakeloos drankje, dat hij in zijn kop schonk. ’s Middags, als de kinderen uit school kwamen, ’t heerlijk uurtje voor ’t eten, dat moeder altijd aan Eric en Tobi gaf, ging vader nu ook niet als anders naar zijn werkkamer. Dan werd Tobi geprezen, omdat ze op haar manier zoo goed gezorgd had, en altijd ’t eerst van allen beneden was, om ’t ontbijt te beredderen. Eric keek vader wel eens aan, en de groote en de kleine jongen wisselden een knipoogje. Bij moeder ging ’t een klein beetje heel anders, maar Tobi deed haar best en meer kan je niet doen.
„Wat eten we van middag, moeder Tobi?” vroeg Joop op een keer.
„Varkenscarbonaadjes met gestoofde appeltjes,” wist Tobi vlug.
„En krijgen we geen andere groente, vrouwtje?”
„Nee vader, dat wordt te duur. U mag zooveel appeltjes hebben als U wil. Er is meer dan genoeg, twee schalen vol, wed ik.”
Vader trok een scheef gezicht.
„’t Is maar, dat ik nou niet zoo dol ben op zoete groente, liefje. ’k Dacht, dat Sophie dat wel wist.”
„Och heden!” riep Tobi met een kleur, „ik heb ’t nog wel verzonnen van die appeltjes. ’t Spijt me voor U, maar er is nou niks anders. Voor morgen mag vader zeggen wat we zullen eten.”
„Bruine boonen met spek,” riep vader, „daar heb ik reuzentrek in.”
„Ziet U, daar houden Eric en ik nou juist niet zoo erg van, maar ’t komt morgen toch vast op tafel,” besliste Tobi. „Eric mag ’t voor overmorgen zeggen.”
„Ik kies spekpannekoeken en sla met eieren toe,” koos Eric direct.
„Jij bent een dure, hoor,” vond Tobi, „’k zal nog eens moeten bedenken, of dat wel kan.”
„Dan is er voor vader een hartigheidje bij,” fluisterde Eric hardop. „Enkel spekpannekoeken met stroop, dat is niks voor vader.”
„Sla met eieren was nog al een gemakkelijk maal,” bedacht Tobi. Maar ze had er een zwaar hoofd in, of Sophie de pannekoeken wel goed zou bakken. Zelf durfde ze ’t heelemaal niet aan. Ja, ’t viel niks mee, die huishoudzorgen.
„’k Zal blij zijn als moeder weer alles doet,” zuchtte ze uit de volheid van haar hart.
Vader en Eric waren ’t roerend met Tobi eens, maar te beleefd om ’t hardop te zeggen.
Een week later kwam moeder voorgoed thuis, en ’t was eenvoudig verrukkelijk.
Met al haar wijsheid was Tobi toch nog maar een klein meisje, en kroop wat graag op moeders schoot als niemand er haar om uit kon lachen.
„Moeder,” zei ze zacht aan Nel’s oor, „heeft vader dikwijls tegen U geklaagd, dat ’t hier een foute boel was? ’k Heb gehoord, dat Eric dat tegen Basje heeft gezegd.”
„Vader heeft jou altijd geprezen, hoor liefje, en nooit geklaagd. Echt niet! ’t Was ook erg flink van je, dat je ’s avonds altijd ’t theegoed omwaschte, en niet wou spelen als er nog allerlei te doen was. Moeder is heel trotsch op haar groote dochter, ik bedoel op haar schootkindje.”
„Dat ben ik ook eigenlijk nog veel liever,” zei Tobi droomerig. „’k Wil vooreerst nog niet groot worden, moeder. Huishouden doen is erg moeilijk, daar moet je een moeder voor zijn geloof ik.”
„Je bent moeders kleine poes,” zei Nel, terwijl zij Tobi’s lief snoetje kuste. „Roep Eric eens, dan gaan we gezellig schemeren, tot vader thuis komt, en zal moeder jullie een echt gebeurde geschiedenis vertellen.”
„Moeder gaat stellig een leuk verhaal vertellen,” zei Eric. „Je ziet er zoo vroolijk uit, moeder.”
„Jullie weet ook niet, hoe blij ik ben, kinderen, dat ’t met grootma zoo goed gaat. ’t Is, of er aldoor een vogeltje van binnen bij mij zit te zingen. Oom Frits durft nog niks met zekerheid te zeggen maar.... denk eens hoe heerlijk ’t zou zijn, als grootma weer kon zien!”—
Vader kwam dit keer veel te vroeg thuis naar Erics en Tobi’s zin. Moeder was pas half weg met haar belangwekkend verhaal, hoe en waarom oom Frits als kleine jongen ruzie had gekregen met zijn besten vriend Japie Schlimmer, en wie op ’t laatst de eigenlijke vredestichter tusschen hen geweest was.
„Vertel nog eventjes verder, nog heel even, moeder,” riepen de kinderen. Doch vader wilde niet wachten met aan tafel gaan, daarvoor had hij veel te veel trek. Want moeder had zijn lievelingskostje gekookt, en vader wist dus wel, hoe goed hem dat smaken zou.
„Van avond bij ’t naar bed gaan, vertel ik verder, terwijl jullie je uitkleeden,” beloofde moeder. En daarmee moesten Eric en Tobi tevreden zijn.—
Vele, vele jaren later, als heel oud man, kon vader zich geen dag in zijn leven herinneren, die hem zulk een overweldigende, ontroerende vreugde had gebracht als de dag waarop zijn lieve Suze ’t gezicht als hergeven werd.