Chapter 7 of 12 · 3933 words · ~20 min read

Part 7

Puck gaf Lien een zoen. „Ik zal tante Sjarlotje ook nooit vergeten,” zei ze hartelijk, „voor mij was ze net zoo goed een lieve tante als voor jou.” Beiden toefden met hun gedachten in ’t verleden en zwegen een poosje. Toen sprak Puck: „Je weet niet, hoe lief tante Johanna voor ons is, en zoo dankbaar en gelukkig als wij bij haar komen. Zeg Lien, ’t rozentuinkamertje is nog net zooals toen wij er logeerden. Dat wordt naderhand Jopie’s kamertje, als ze bij tante is. Zelf gaat tante niet meer gemakkelijk van huis. Tante is echt trotsch en gelukkig, dat wij Jopie naar haar noemden. Dat deden we op voorstel van moeder, die vond, dat dit aan tante toekwam. Weer net iets voor lieve Moeder, hé? Anders hadden we Jopie Suze genoemd. Moeder moet ’t tot dusver alleen met Jan en Ajoe’s klein meisje als naamgenootje doen, maar moeder zou ook haar petekindje niet boven de andere kleinkinderen voortrekken, geloof ik.”

„Neen, dat is niets voor moeder,” stemde Lien toe. „Ze heeft zulk een ruim hart, dat er volop plaats is voor ons allemaal, en de Duiventil ’t algemeen „thuis” is en blijft.

„Maar om op tante Johanna terug te komen, is dikke Saartje nog altijd bij haar?”

„Zeker wel. Ze is nou een stevige zestiger, en Jopie en ik zijn erg bij haar in de gratie. Bobbie is al lang dood, maar Saartje heeft weer net zoo’n luie, dikke lobbes voor hem in de plaats gekregen.... En daar komt Frits vast thuis. Kijk maar naar Jopie, die weet ’t precies. Pas op Jopie, niet zoo wild rennen, straks val je op je neus.”

Even later trad Frits binnen, en niemand zou nu hebben gezegd, dat Frits zoo’n deftige, ernstige dokter was, zoo jolig en opgewekt zag hij er uit, terwijl hij Lien begroette en hartelijk omhelsde. „Je weet dat nog zoo niet, Jopie,” sprak hij tot zijn kleine meid, die aan zijn hand te dansen stond, „maar tante Lien is eigenlijk een zusje van jou. Paps heeft haar als zijn kindje aangenomen, toen ze een onnoozel klein aapje was. Paps is altijd heel streng geweest voor klein Zuske, daarom is ze ook zoo’n lief meisje geworden.” Jopie keek met groote oogen van Paps naar tante Lie. Ze begreep er minder dan niets van. En Puck lachte: „Als Paps net zoo streng was voor tante Lie, als hij nu voor Jopie is, dan kon ’t nog al schikken.

„Kan je van middag niet eens met ons uit, Frits? Lien blijft den heelen dag, heerlijk!”

„’k Zal mijn best doen, jullie om half vijf te komen halen,” beloofde Frits; „’k moet nog even bij Nel gaan kijken en....”

„Ja, zoolang ze ziek is, heeft Frits elken dag tijd weten te vinden om naar Nel te gaan,” vertelde Puck. „Frits alleen mocht bij Nel van Joop, natuurlijk omdat hij dokter is.”

„Anders had Frits ’t ook niet uitgehouden,” meende Lien.

„Die Nel en Frits zijn van jongs af aan een beetje mal op elkaar geweest,” zegt Vader. „Jan noemt ze nog dikwijls de parkieten in zijn brieven, en dat waren ze ook echt vroeger.”

„Nou,” zei Puck, „Jopie en ik zijn niks jaloersch op Nelle parkiet. We vinden ’t juist maar wat aardig, hé Jopie? Jij lijkt anders nu wel Paps’ parkiet, niet prul?”

„Van moeder ook,” vertelde Jopie, „en Jopie is ook niet „seloers.”

„Van wie zouden moeder en Jopie nou ook jaloersch moeten zijn?” vroeg Frits, en hij trok zijn wenkbrauwen zoo hoog op, dat Jopie ’t uitschaterde. „Moeder, Paps en Jopie die hooren bij elkaar, wat jij Jopie? Zeg moeder, waar tracteer je op aan de koffie?”

„Natuurlijk op gerookte paling. Dat is de tractatie bij ons in de familie. En Lien, ik zal niet om je lekkerste reep vragen, hoor!”

En met dit grapje van Puck waren ze weer in „Vroegerland” teruggekomen, en Frits bleef er genoegelijk met vrouw en zuster in ronddwalen. Ze hadden ook zulke heerlijke herinneringen, en dachten nooit anders dan met groote liefde terug aan hun ouderlijk tehuis.

„Hé,” zei Lien, „ik denk wel eens, hoe genoegelijk ’t zou zijn, als we allemaal weer samen in de Duiventil konden wonen, dat zei ik gisteren ook tegen moeder, om als vroeger alles met vader en moeder te overleggen.” Puck begon te lachen. „Je bent tusschenbeide nog net de Lientien van vroeger, Lien. Hoe zou dat nou toch kunnen, dommertje?”

„Nee,” sprak Frits, „onze kinderjaren liggen voor goed achter ons. ’t Verleden kan geen mensch terug roepen. Maar de herinnering er aan, die bewaren we als goud, en houden we ons leven lang. Die kan eenvoudig nooit verdwijnen, omdat we zulk een heerlijke jeugd hebben gehad, die moeder vooral, vol zon en vreugde voor ons maakte.” Frits was een beetje aangedaan, doch dat wilde hij niet weten. Dus pakte hij Jopie beet en danste met haar de kamer uit.

„’t Is tijd om te gaan koffiedrinken, moeder en tante,” riep hij met een luide, vroolijke stem. „Wij gaan maar vast vooruit, Jopie en ik, naar.... de gerookte paling.”

X. „ACH MOEDER, WAT IS JE NEUSJE SPITS!”

„Of ze nu thuis waren bij vader en moeder, of in de Duiventil, dat was eigenlijk precies ’t zelfde,” bedacht Tobi, „wat de „gewoontes” en zoo betrof. Wat thuis mocht, mocht van Grootma ook, net eender. ’t Was in de Duiventil even goed en prettig als thuis, en ’t eten was er nog lekkerder.” Maar toch ging de tijd akelig langzaam voor Tobi voorbij. ’t Was nu al bijna acht weken geleden, sinds ze moeder voor ’t laatst gezien hadden. Vader kwam gelukkig bijna elken dag, en vertelde, dat mama, heel zoetjes aan, vooruit ging. Rust en nog eens rust alleen kon haar geheel beter maken. Moeder verlangde even hard naar haar schatteboutjes, als zij naar moeder. Maar moeder was heel zoet en verstandig, die zeurde nooit, en Tobi moest moeders voorbeeld volgen en ook geduldig zijn. „Zal je moeder voor me pakken?” vroegen de kinderen elken keer als ze vader goeden dag kusten. En Tobi onderzocht: „gaat die pleegzuster nou nog niet weg? Eer en ik kunnen moeder wel verder oppassen nou ze zooveel beter is.”

„’k Zal jullie aan zien komen,” lachte vader, „wat een verbeelding van zoo’n ukje.”

„’k Vind die zuster toch een nare indringeling,” besliste Tobi. „Je praat naar je wijs bent, kleine meid,” wees vader haar terecht.

En Eric vroeg welke ziekte moeder toch eigenlijk had, en hoe die heette. Vader keek in Eric’s ernstige, vragende oogen, en streelde hem over zijn kort geknipten bol.

„Moeder heeft catarhale koortsen gehad, en bovendien was er ook iets inwendig niet goed, dat in verband stond met de zware hoofdpijnen, waaraan moeder den laatsten tijd leed. Maar dat alles is nu Goddank geheel in orde. ’k Kan je dat niet zoo precies uitleggen, lieve jongen, omdat je ’t niet begrijpen zoudt; daar moet je dokter voor wezen.”

„Och,” maakte Tobi uit, „dat zal moeder ons zelf naderhand wel vertellen, en dan begrijpen we ’t best.”—Tobi vond ’t erg bizonder, dat moeder catarhale koortsen had gehad, dat klonk zoo deftig. En kleine, domme Tobi deelde haar vriendinnetjes mede, dat haar mama een „cathedrale” ziekte had, die heel gevaarlijk had kunnen afloopen.

De wijsheid uit de klasse wist te vertellen, dat ze bij haar thuis hadden gezegd: „zoo’n ziekte bestond niet. Een cathedraal dat was een kerk, en hoe kon je nou een kerkziekte hebben?”

Doch Tobi hield vol, dat de ziekte wel zoo heette, want: „Vader had ’t gezegd, en die was de knapste dokter uit heel den Haag, dus.... waar Eer?”

Eric wist ’t niet meer precies. Hij zou ’t vader nog eens vragen. Maar hij vergat dit heelemaal, toen vader den eerst volgenden keer ’t heerlijk bericht meebracht: „Jullie mogen morgen moeder even zien en pakken. Heel eventjes maar, en geen huilerijtjes en zeuren, om langer te mogen blijven dan vader toestaat, hoor! Goed begrepen!”

Juichend viel ’t tweetal vader om den hals, Eric keek even naar Grootma, zou zij ’t niet naar vinden, dat ze zoo naar huis verlangden, terwijl Grootma toch zoo van alles verzon om hun plezier te doen, en iedereen in huis zoo lief voor hen was? Maar lieve Grootma kon je wel aanzien, hoe blij ze was. Toen voelde Eric zich weer gerust.

De kinderen waren dol van vreugde, konden den volgenden dag nauwelijks afwachten. Gelukkig, dat de nacht er was om te slapen en die uren dus niet meetelden in den langen wachtenstijd.

Hand in hand, op hun teenen loopend, slopen Eric en Tobi achter vader de ziekekamer binnen. In de deur bleven ze even staan. Was dat moeder in bed! Zoo bleek en mager, zoo heel anders dan vroeger? Maar toen ze haar armen naar hen uitstak met haar eigen lieven glimlach, toen werd het weer moeder’s welbekend, welbemind gezicht. Ze hadden zich heel goed gehouden, prees vader naderhand. Heel eventjes had Tobi van blijdschap gesnikt, toen ze moeder kuste, en Eric zag bleek en sprak schorfluisterend in de eerste ontroering. Doch dit alles werd gauw beter, en nu konden de kinderen moeder niet genoeg liefkoozen en aankijken.

„Moeder,” klaagde Tobi op eens: „U lijkt wel Soep-Hein, wat zijn Uw wangen ingevallen, en Uw neusje is ook al zoo spits.”

„Ja,” riep Eric, „al ’t vleesch is van Uw botjes af, en Uw lippen zien er net uit of er geen bloed meer onder Uw vel is.”

„En kijk die lieverd haar handjes eens,” huilde Tobi bijna, „zoo mager en dun als luciferstokjes,” ze kuste de „lucifertjes” zoo voorzichtig, alsof zij ze breken kon. Doch moeder lachte vroolijk, en zei met een wel zwakke, doch opgewekte stem: „Schei nou uit als je belieft, kinders, met je geweeklaag. ’t Is of ik de wolf ben en jullie Roodkapje: „Grootmoeder wat heb je een gekke neus en grootmoeder je mond lijkt wel een muil, en....”

„U lijkt niks op een verslindenden wolf,” viel Eric in, „eer op een ongelukkig lammetje, dat vetgemest moet worden.”

„Je moet nou vreeselijk veel gaan eten, moeder,” zei Tobi, „die „cathedrale” ziekte heeft je maar leelijk aangepakt.” Nu moest moeder toch zoo lachen over haar: „kerkziekte,” dat vader tusschenbeide kwam en verklaarde, dat ’t welletjes was geweest.

„We hebben al vast wat heerlijks voor je meegebracht.” vertelde Eric. „’t Mocht van vader, raad eens wat.... Ingemaakte aardbeien en sinaasappels. Die zijn er pas en nog erg duur.” „Als U eens wist....” fluisterde Tobi.

„Tobi,” waarschuwde Eric.

Daar ging de deur open, en de pleegzuster keek om ’t hoekje. „Daar heb je dat mensch,” dacht Tobi, en groette heel kortaf met een strak gezichtje. „Tobi zet haar vriesgezicht op,” dacht Eric.

Doch de pleegzuster zei dadelijk bij zich zelf: „Wat een dotje! Ze is boos, omdat ze ’t mij niet gunt voor haar moedertje te zorgen, maar die win ik wel, let maar op.”

Toen de kinderen heel teeder afscheid hadden genomen van moeder, (ze maakten het zoo lang als ze maar even durfden) trad Zuster Corver hen in de gang tegemoet.

Ze pakte Tobi’s weerstrevend handje, en zei: „Kom eens mee, Zuster moet je wat vertellen.” In de huiskamer trok ze de kinderen op de bank, en sloeg om ieder een arm heen. „Je weet niet, hoe blij ik ben, dat jullie eindelijk komen mocht van vader,” sprak ze. „Want moeder verlangde toch zoo verschrikkelijk naar jullie, en riep maar: „Ik zal pas echt beter worden als ik Tobi en Eric terug heb.” En nou ik jullie gezien heb, kan ik mij best begrijpen, hoe Mevrouw naar haar kindertjes uitkeek en verlangde.”

Zuster Elisabeth keek Tobi aan, „haar oogen schitterden een beetje verdacht,” vond Tobi.

En Zuster vervolgde: „Nou beloof ik jullie, dat ik beter dan best voor moeder zal blijven zorgen tot jullie weer voor goed thuis komt, en haar vertroetelen mag.

„Dan gaan we met ons drietjes van allerlei bedenken, dat jullie voor moeder doen kunt. Want zij zal nog een heele poos erg ontzien moeten worden. Dat zijn dan leuke geheimpjes tusschen ons drietjes.”

Tobi keek een beetje beschaamd, en haar kleur werd steeds hooger.

„’k Dacht, dat U een naar spook was,” zei ze op eens, „maar nou geloof ik, dat U toch wel lief is.”

„Zeg eens eerlijk, Tobi, was je niet een beetje jaloersch op me?” vroeg zuster, en ze schudde haar opgeheven wijsvinger langs Tobi’s neusje heen en weer.

„Niet een beetje, vreeselijk erg,” gaf Tobi eerlijk toe, „maar nou niet meer, hoor!” En ze gaf zuster Elisabeth’s schouder een hartelijken druk.

„Zie zoo, dat is in orde,” zei de pleegzuster, „nou moeten jullie zuster eens helpen. Wil Tobi ’t ei door de melk roeren, die moeder straks drinken moet?”

„Hé ja,” stemde Tobi toe, „en dat kan ik toch zoo goed, Juffrouw, ’k sla ’t wit zoo stijf als een plank.”

„Nou moet je ’t geel alleen maar flink roeren, kindje.

„Moeder pruttelt altijd erg tegen haar eierdrankje. Maar ik wed dat doet ze dit keer vast niet, als ze weet, dat Tobi voor haar is bezig geweest. En Eric kan jij de bouillon voorzichtig zeven? In dit pannetje is de bouillon, hier is een groote kop, en ’t zeefje er bij. Nou breng ik ’t blaadje straks aan Mevrouw, en zeg: „Compliment van Eric en Tobi, die hebben alles voor moeder klaar gemaakt.””

„Leuk,” riep Eric, die druk aan ’t zeven ging, en dit zoo voorzichtig deed, dat hij maar een klein beetje op ’t servet morste. Tobi spatte geen druppeltje, ze was eieren kloppen gewend.

Toen de kinderen klaar waren namen ze hartelijk afscheid van zuster Elisabeth, en op straat zei Tobi: „ze is heusch lief, hoor Eric, ik had nou nooit gedacht, dat zij zou verzinnen, dat we wat voor moeder mochten klaar maken. Jij wel?”

„Neen hoor, maar ik zag dadelijk, dat ze een lieve zuster was. En jij zette nog al je vriesgezicht op.”

„Jetuurlijk, want toen was ik nog kwaad op haar, en dacht, dat ze een spook was, maar een mensch kan zich wel eens vergissen.”

„Een „uk” bedoel je, zou vader zeggen,” gierde Eric.

Tobi wou kwaad worden; toen bedacht ze zich en vroeg: „Eer, vond je ook niet, dat moeder er „miserabelig” uitzag? Dat je van een ziekte zoo heelemaal anders kan worden, ik begrijp ’t niet. Wat voor een ziekte of moeder nou toch eigenlijk had?”

„Dat kan zoo’n klein kind als jij ook niet begrijpen,” meende Eric met een wijs gezicht. „Ik begrijp ’t ook niet, en vader weet ’t alleen, omdat hij dokter is.”

„Zoo? En moeder zeker niet? Die zou haar eigen ziekte niet weten? Zeg, loop naar de pomp. ’k Vraag ’t naderhand lekkertjes aan moeder, en vertel er jou niks van, omdat je zoo eigenwijs bent.”

„’k Geloof, dat moeder ’t ook niet precies weet, dat heb ik je al gezegd.”

„Waarom?”

„Omdat meisjes altijd veel minder weten dan jongens, dat zeggen al mijn vrienden.”

Tobi werd rood van boosheid. Ze nam ’t altijd voor de meisjes op, en Eric wist dit wel, en plaagde haar expres.

„Jouw vrienden! Dat is me ook een zoodje.... Ik zeg, dat moeder net zoo knap is als vader. Heeft moeder soms geen verpleegstersexamen gedaan, en weet moeder niet altijd alles wat wij haar vragen van ons schoolwerk? „O zoo!” zou Kee zeggen.”

„Nou ja,” gaf Eric toe, „maar moeder weet niks af van de sterren, dat zegt ze zelf. En moeder zou ons huis, dat jij verbrand hebt, ook niet electrisch hebben kunnen verlichten, en zoo....”

„Moeder kan weer een heele boel, dat vader niet kan, naaien en puddinks maken, en nog veel duizend dingen meer. Van de sterren vertellen, dat kan vader nou weer mooi, en dat moet jij ook nog allemaal leeren, en misschien is dat nou meer voor jongens.

„Moeder is in elk geval ook reuzenknap, en nou praat ik er niet meer over.”—

„Ik zal maar weer de wijste zijn,” zuchtte Eric.

„Omdat je wel weet, dat je ongelijk hebt,” zei Tobi. Doch tegelijk wou ze ’t weer een beetje goed maken, pakte Eric’s arm beet, en gaf die een stevigen druk.

Arm in arm stapte ’t tweetal vergenoegd voort tot de „Duiventil” in ’t zicht kwam. Toen gingen de kinderen aan ’t hollen, want Grootma stond voor ’t raam naar hen uit te kijken.

Wat hadden die Eric en Tobi Grootma veel te vertellen! De een gunde den ander niet aan ’t woord te komen.

Grootma liet hen maar begaan, en deed alsof ze alles begreep van de verwarde verhalen. Want ze kon zich zoo goed voorstellen, hoe het die twee te moede was, na ’t eerste weerzien van moeder, na acht eindeloos lange weken.

XI. JAN EN AJOE VAN OVER ZEE, BRENGEN DUIMELIENTJE MEE

Eindelijk blijft niet eeuwig uit, dus was de familie Jan Canneheuvel nu toch heusch thuis gekomen. Alle Canneheuvels, groot en klein, konden maar niet genoeg kijken naar forschen Jan, kleine Ajoe en heel kleine Duimelientje. Een week geleden was Jan met vrouw en kind de Duiventil binnengevlogen, en ’t leek allen, of ze gisteren pas waren gekomen. Er was ook zoo verbazend veel te vragen en te vertellen, en ’t bleek, dat nog heel wat aangevuld moest worden aan moeders uitvoerige brieven.

Vader wilde Jan meetronen om zaken te bespreken, maar die kreeg daar al gauw genoeg van.

Hij had zoo heel veel in te halen bij „Mader.”

„Eerst ’t plezier en dan de plicht,” keerde Jan de spreekwijze om. „Vadertje, laat mij nou eerst weer eens volop genieten van ’t ouderlijk huis en U allemaal. Ik heb er jaren en jaren naar verlangd. Ajoe niet minder. En zonnetje? die was maar niet blij, dat ze mee mocht naar Holland, hé Prul? Ajoe en ik hebben haar, vooral den laatsten tijd, aldoor verteld over U en alles in de Duiventil; geloof maar, dat ze op de hoogte is, al kan ze nog niet alles zeggen wat ze wil.”

Zonnetje droeg haar bijnaam met recht. Ze was een buitengewoon vroolijk kindje, dat lachte en zong van af ze wakker werd tot op ’t oogenblik, dat ze in bedje haar laatste kusje gaf.

Dadelijk op dreef met de neefjes en nichtjes, in ’t geheel niet eenkennig of verlegen, verdeelde ze haar gunsten en kusjes als een kleine vorstin, de oudere kinderen kibbelden er bepaald over wie ’t meest bij haar in de gunst was. Duimelientje had een heerlijke wijkplaats als ze ’t te benauwd kreeg door de aanhaligheid van haar onderdanen. Dan vluchtte zij naar haar „pappa”. Jan pakte Duimelientje’s handjes stevig beet, en als een eekhoorn zoo vlug klauterde ’t kleintje langs pappa naar boven, ging op zijn schouders zitten, en hield zich stevig vast aan vaders’ dikken haarbos.

Jan was zoo verbazend lang, dat niemand van de kinderen Duimelientje bereiken kon op dat uitgezochte plekje.

Zelfs maatje moest op haar teenen gaan staan om Duimelientjes voetjes te kunnen pakken, maar dan hielp ’t Dwergpootje mee, want ze was dol op „Engeltje”.

Vader had haar geleerd maatje zoo te noemen. ’t Bijnamen geven was erg in de mode bij de familie Jan Canneheuvel. Nel moest er om lachen toen ze ’t merkte; hoe had Jan haar vroeger niet bespot om die manie. Met Jan en Ajoe en Suusje was nog iemand meegekomen, (die zulk een bescheiden plaatsje innam, dat men haar bijna vergeten zou,) Sarina n.l.: Duimelientjes kleine baboe.

Die was zoo dol op haar pleegkindje, dat zij van zuigelingetje af aan verzorgd had, dat ze stellig van verdriet zou zijn gestorven, als zij op Java had moeten achter blijven. Na Duimelientje kwam bij Sarina Duimelientjes mama. Eigenlijk waren die beiden, wat haar aanhankelijkheid betrof, niet te scheiden. Ze had mogen meehelpen bij de oppassing van Ajoe, toen deze aan de beterende hand was. ’t Was haar taak geweest ’s morgens en ’s avonds Mevrouws’ haar te ontwarren, en in orde te maken; ze deed dit zoo zacht en voorzichtig, dat Ajoe er bijna niets van voelde of merkte. Tot Sarina’s groot verdriet had haar zorg voor Mevrouw’s mooi, zwaar haar niet mogen baten. Zoo zacht kon zij de borstel er niet over heen laten gaan, of elken dag viel er meer haar uit, tot er ten laatste zoo goed als niets meer overbleef. Toen kwam jong kroeshaar in plaats van de lange vlechten, en Ajoe kreeg een aardig jongenskopje. Doch Sarina staarde met weemoed op den overvloed uitgevallen haar, die ze trouw verzameld had. Eenige maanden daarna legde de kleine baboe een lange, dikke vlecht voor Mevrouw neer. Geduldig had ze haar voor haar uit de massa ontward, en bij de vorige gevoegd, tot ze haar meesteres een mooie, zware vlecht kon toonen. Ajoe was er ontroerd van. „Dank je wel, Sarina, wat een reuzenwerk moet je daaraan gehad hebben! ’k Ben er erg blij mee, en bewaar die vlecht mijn leven lang. Als mijn haar zoo kort blijft, en niemand gelooven wil, dat ’t vroeger tot mijn knieën reikte bijna, dan zal ik ze jouw werk laten zien als bewijs.”

Sarina lachte verheugd en ging Duimelientje vertellen, hoe blij maatje was geweest met de mooie vlecht. Doch daar begreep ’t kleintje nog niets van; ze wist alleen, dat Sarina lief was, en ze haar niet missen kon in haar leventje. Sarina stond altijd voor Nonnie klaar, droeg haar als ze moe was, speelde met haar, sliep op een matje voor haar bedje. Die hoorde net zoo goed bij haar als maatje en pappa.

Nu, in Holland, had Suusje zooveel speelkameraadjes, dat baboe van zelf meer op den achtergrond kwam. Sarina voelde, dat Duimelientje haar niet meer zoo noodig had, en trok zich stil en bescheiden, met een bedroefd hart, terug. Tobi merkte ’t ’t eerst, dat Sarina er een beetje treurig aan toe was. In de keuken waren de meisjes goed genoeg voor ’t stille, bruine baboetje, maar ze verstonden haar taal niet, en Sarina kende maar een enkel woord Hollandsch. Tobi had Nel’s voorliefde voor Java zeker een beetje geërfd. Sarina was dadelijk in haar smaak gevallen. Eric en zij hadden wat Maleische woorden geleerd van moeder, en waren heel trotsch op ’t beetje, dat ze kenden. In de Duiventil zocht Tobi Sarina altijd op, om een praatje met haar te maken. Deze begreep niet veel van Tobi’s zonderling Maleisch, doch waardeerde de vriendelijke bedoeling, antwoordde: „saja, saja, non,” (ja, ja, jongejuffrouw) en liet haar witte tanden glinsteren.

„Heeft Sarina gehuild?” vroeg Tobi op een keer aan baboe, en ze veegde haar oogen af, om haar vraag duidelijker te maken.

„Neen, non,” jokte Sarina.

„Jawel,” hield Tobi vol, „en dat komt omdat je zoo eenzaam bent in huis, hé Sarina?”

Sarina begreep Tobi absoluut niet, want die gebruikte voor ’t gemak Hollandsche woorden als ze de Maleische niet wist.

Toen ging Tobi met Eric overleggen; daarna stapte ze naar Grootma en tante Ajoe en vroeg, „of Sarina voortaan met hen mee mocht spelen. Ze was toch ook nog maar een kind, en wat had ze nou in de keuken?” Moeder had gezegd, dat Sarina best altijd met Duimelientje mee mocht komen; moeder hield ook veel van die bruine „Indiaantjes,” (als Tobi iedereen, die uit Indië kwam, beliefde te noemen) en Sarina was een lief meisje. Grootma en tante Ajoe vonden ’t al lang goed; Tobi haalde Sarina dus uit de eenzaamheid. Ze mocht voortaan altijd meespelen en er met haar neusje bij zijn. „Weet je Eer,” verkondigde Tobi, „we leeren nou ook nog wat Maleisch van Sarina.”

Baboe was verbazend in haar schik, deed zoo onbezorgd en blij de Hollandsche spelletjes mee alsof ze een Hollandsch kind was. Of Tobi haar plannetje ook maar goed verzonnen had!—